Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

31 288 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vergaderjaar 2007-2008

Nr. 27 Vastgesteld 17 april 2008

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 en de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2 hebben op 27 maart 2008 overleg gevoerd met minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 januari 2008 inzake samenwerkingsprotocol Inspectie NVAO (30 183, nr. 20);

– de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 februari 2008 ter aanbieding van de notitie uitwerking «tweede accreditatieronde» en rapport van het International Review Committee over kwaliteitszorg NVAO inzake Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid (31 288, nr. 21).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) ziet dat in het huidige voorstel voor een accreditatiestelsel voor het hoger onderwijs antwoord is gegeven op veel zorg- en kritiekpunten van met name professionals. Het huidige voorstel is een opstapje tot een definitief stelsel. Het bevat namelijk nog de keuzemogelijkheid tot het laten uitvoeren van een instellingsaudit. De instelling die daarvoor kiest, krijgt te maken met een andere manier van opleidingsaccreditatie. Sommige elementen hoeven dan niet meer getoetst te worden. Alle grote instellingen met meerdere opleidingen zullen redelijkerwijs kiezen voor een instellingsaudit en daarna opleidingsaccreditaties; kleine instellingen doen dit naar verwachting niet, hoezeer het ook ideaal is als in de toekomst alle instellingen een instellingsaudit laten voorafgaan aan opleidingsaccreditaties. De instellingsaudit en de opleidingsaccreditatie moeten daartoe wel goed op elkaar worden afgestemd. Er mag geen sprake van overlap in vragen zijn. Onnodige bureaucratie moet worden voorkomen. Het is ook goed dat bepaalde vragen die hoogleraren en andere professionals moesten beantwoorden, maar gingen over de randvoorwaarden waarbinnen zij les gaven, naar de instellingsaudit zijn verplaatst. Instellingen zijn namelijk verantwoordelijk voor die omstandigheden én voor kwaliteitszorg, opleidingscommissies, examencommissies, medezeggenschap en dergelijke. De vraag hoe kan worden voorkomen dat vragen zowel in het kader van de instellingsaudit als van de opleidingsaccreditatie worden gesteld, moet worden betrokken bij de pilots.

Is het mogelijk dat opleidingen na de accreditatie voldoende, goed of excellent als waardering krijgen in plaats van alleen goed of fout?

Hoe wordt de vergelijkbaarheid van vergelijkbare opleidingen gegarandeerd, terwijl opleidingen zelf kunnen kiezen uit een audit door visiterende en beoordelende instanties (VBI’s) of door panels? Kunnen vier opleidingen voor geschiedenis aan vier verschillende universiteiten met elkaar een VBI of een panel in het leven roepen? Kunnen zij met zijn vieren een kwaliteitsmeting verzorgen?

Volgens het huidige stelsel is het lastig om in te grijpen als er een verslechtering optreedt nadat een opleiding is geaccrediteerd. Kan dit volgens het nieuwe stelsel wel?

De minister probeert via de instellingsaudit kwaliteitselementen in de instelling te introduceren. Met de motie-Zijlstra/Besselink werd beoogd, kwaliteitselementen toe te passen in de bekostiging. Voldoet een instelling die de audit heeft doorstaan, aan de kwaliteit zoals volgens de minister in de motie werd bedoeld? Zo ja, dan wordt de administratievelastendruk ook niet verhoogd.


Mevrouw Besselink (PvdA) juicht het nieuwe voorstel op hoofdlijnen voor een nieuw accreditatiestelsel toe. De knip tussen de instellingsaudit en de opleidingsaccreditatie is een mooie mix van regeren op basis van vertrouwen waar het kan (op instellingsniveau) en controleren waar het moet (de kwaliteit van de opleiding). De docent krijgt weer te maken met de inhoud van zijn vak en wordt gevrijwaard van administratieve rompslomp. Zo hoort het.

De uitwerking van de hoofdlijnen bepaalt hoe het systeem voldoet aan de kwaliteitseisen. Wil de minister in de uitwerking aandacht schenken aan de verbetering van de positie van de docent en de student in de opleidingscommissie en, zo ja, doet hij dat via een wetswijziging? In hoeverre betrekt hij daar de motie-Leijten bij?

Wil de minister uiteenzetten hoe de panels eruit gaan zien? Kunnen er studenten deel van uitmaken? Onafhankelijke borging is van groot belang. Wordt er een verband met de werkgevers gecreëerd die die studenten in de toekomst nodig hebben? In het huidige stelsel worden studenten wel eens getraind in het geven van het zo wenselijk mogelijke antwoord op vragen van de VBI’s. Hoe wordt voorkomen dat dit in het nieuwe stelsel ook gebeurt?

Hoe gaat de minister de kwaliteit van de opleidingen precies waarborgen? Hoe en aan de hand van welke criteria toetst hij de kwaliteit? Volgens de motie-Zijlstra/Besselink moet de kwaliteit alleen gekoppeld zijn aan de bekostiging.

Hoe daalt de administratievelastendruk voor de opleidingen volgens de minister? Hoe wordt de afstemming tussen panels en VBI’s geborgd? Hoe wordt voorkomen dat vragen twee keer of nooit worden gesteld in het kader van de instellingsaudit of van de opleidingsaccreditatie?

Een hersteltermijn van twee jaar is beter dan het starre regime van al dan niet accepteren. Dankzij een hersteltermijn kan een eerlijk beeld ontstaan van de werkelijke kwaliteit van een opleiding. Verbeterpunten zullen eerder boven tafel komen. De opleiding kan zich dus ook eerder herstellen. Belangrijk is dat er eerlijk gemeld wordt hoe de opleiding ervoor staat in een verbetertraject. Hoe worden studenten hierover geïnformeerd? Krijgen zij het recht om te switchen zonder nadelige financiële gevolgen te ondervinden? Wil de minister in zijn antwoord rekening houden met het verschil tussen publieke en private instellingen? Is in de hersteltermijn rekening gehouden met het principe «niet goed, geld terug» waarvan sprake in de motie-Besselink?


De heer Jasper van Dijk (SP) vraagt of de pilots die na de zomer van 2008 worden gehouden, het wetsvoorstel, dat in het najaar van 2008 wordt ingediend, niet doorkruisen. Welk effect hebben zij op het wetsvoorstel? Welke invloed kan de Kamer daarop nog uitoefenen?

Met de VBI’s bestond een onwenselijke klantrelatie, dus het is goed dat die geschrapt zijn. De panels die ervoor in de plaats komen, zullen onafhankelijk zijn, al moet er nog veel worden uitgewerkt. Volgens de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) is er een soort tussensysteem voorgelegd; het uiteindelijke doel is instellingsaccreditatie. Is de minister het hiermee eens? Wat vindt hij van deze ontwikkeling?

Geen instelling is verplicht tot het laten uitvoeren van een audit. Blijft voor de instellingen die daar niet voor kiezen het oude regime gelden?

Opleidingsaccreditatie is van belang voor de fractie van de SP, maar ook voor de HBO-raad. Waarom is het doel van de minister dat er een instellingsaccreditatie komt? Lastenverlichting is goed, maar een goede instelling is nog geen garantie voor goede faculteiten of opleidingen.

Wanneer krijgt de Kamer het definitieve overzicht van de facetten voor opleidingsaccreditatie en instellingsaccreditatie?

Als een instelling de audit heeft doorstaan, gaat voor haar het regime van verdiend vertrouwen gelden. Panels voeren dan een lichtere opleidingsaudit uit. De opleiding hoeft volgens de brief slechts een voldoende te scoren op een meerderheid van de facetten van de audit. De heer Jasper van Dijk vindt net als het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) dat zij op alle facetten een voldoende moet scoren. De aspecten waar onvoldoende op is gescoord, worden niet meer getoetst op opleidingsniveau. Dit is onwenselijk. Vindt de minister dat ook? Zo niet, moet dan niet worden vastgesteld op welke facetten in ieder geval wel een voldoende moet worden gescoord?

De heer Jasper van Dijk sluit zich aan bij de woorden van mevrouw Besselink over de positie van docenten en studenten in dit proces. Studenten moeten ook een serieuze rol kunnen spelen in de opleidingscommissies. Kritische studenten mogen niet weg worden gehouden van de visitatiecommissie. Ook mogen hun geen antwoorden worden voorgekauwd. Is de minister het hiermee eens? Moet er geen instantie komen waartoe de student zich kan wenden als het wel gebeurt?

Hoe worden de panels samengesteld? Als de instelling een panel samenstelt, komt de onafhankelijkheid ervan in het gedrang. Wat vindt de minister van het voorstel van de Aob en de NVAO om mensen van buiten de instelling het panel te laten kiezen? Is de minister het ermee eens dat een panel meerdere dagen op een opleiding aanwezig moet zijn om goed te kunnen praten met het personeel en de studenten?

Hoe zit het met de accreditatie op niveau? Welke consequenties zijn verbonden aan een accreditatie met de waardering goed of excellent? Heeft die gevolgen voor de bekostiging?

Kan er een herzieningsmoment worden ingebouwd terwijl de pilots lopen? Wordt de Kamer goed geïnformeerd? Waarom worden de studenten uit het bestuurlijk overleg over de vormgeving van de pilots gehouden?

Hoe kan de minister stellen dat de basiskwaliteit van de lerarenopleidingen in orde is terwijl daar veel klachten over zijn?

De heer Jasper van Dijk sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Jan Jacob van Dijk over de vergelijkbaarheid van de opleidingen.


De heer Zijlstra (VVD) vindt dat de voorstellen van de minister een prima aanzet vormen om het accreditatiestelsel te verbeteren.

Het wetgevingstraject loopt tegelijk met de pilots en de invulling van de accreditatiekaders, terwijl het een afhangt van het ander en van invloed is op het ander. Is het wel realistisch om te stellen dat het wetsvoorstel in het najaar van 2008 wordt ingediend en van kracht wordt in 2010? Is het niet beter om meer tijd te nemen?

In hoeverre is het bedrijfsleven bij het nieuwe accreditatiestelsel betrokken? Worden studenten ook bij de instellingsaudits betrokken?

Is het niet logischer om de opleidingscommissies te bestuderen tijdens de opleidingsaccreditatie en niet tijdens de instellingsaudit? Waarom moeten alle instellingen, zowel op hbo- als op universitair niveau, door dezelfde hoepel heen springen, op instellingsniveau in plaats van op faculteits- of «school»-niveau? De faculteit natuurkunde kan toch compleet verschillen van de faculteit talen van eenzelfde universiteit? Waarom moeten die eenzelfde instellingsaudit ondergaan?

Hoe kan de onafhankelijkheid van de accreditatie worden gewaarborgd? Hoe wordt differentiatie in het proces bevorderd, terwijl alle instellingen door eenzelfde hoepel heen moeten springen, hetgeen dwingt tot uniformering? Kunnen opleidingen zelf extra punten inbrengen om hun excellentie te bewijzen? Als die bewezen is, kunnen zij, zoals beoogd werd met de motie-Zijlstra/Besselink, meer geld krijgen.

Het is goed dat de minister inzet op de vergelijkbaarheid van opleidingen. Transparantie is wel noodzakelijk voor de voorgestelde peer review.

Het verbetertraject van twee jaar is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Moeten er niet meer dan twee accreditatieniveaus komen, bijvoorbeeld vijf, zodat excellentie kan worden gemeten, maar ook de pijn minder groot is als een opleiding een niveau zakt?

Hoe wordt overlap voorkomen tussen instellingsaudit en opleidingsaccreditatie?


De heer Pechtold (D66) is blij met de nieuwe accreditatieplannen, want kwaliteitscontrole mag nooit ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. Dit gebeurt wel in het huidige systeem. Werkt de minister zijn plannen wel nader uit?

In hoeverre is dankzij de nieuwe plannen een lastenverlichting voor instellingen te verwachten, terwijl er twee toetsmomenten in plaats van een komen: een instellingsaudit en een opleidingstoets?

De NVAO stelt het panel samen dat de audit en de opleidingstoets moet uitvoeren. Wie nemen er zitting in? Overweegt de minister ook om hiervoor een student in aanmerking te laten komen?

De heer Pechtold is erg te spreken over het idee om bepaalde zaken op instellingsniveau af te handelen. Het aantal kopieerapparaten of computers en het personeelsbeleid op een faculteit hoeven daardoor niet voor elke opleiding afzonderlijk getoetst te worden. Welke zaken worden nu precies bestudeerd tijdens de instellingsaudit? En welke aspecten zullen nog steeds per opleiding worden getoetst? Hij is geen voorstander van een complete instellingsaccreditatie, want er zijn altijd zaken die per opleiding gecontroleerd moeten worden.

De transparantie van de resultaten van de audit en de opleidingstoets, waarvan sprake in de brief van de minister, is lovenswaardig. Een student moet immers te allen tijde inzage hebben in de kwaliteit van de eigen (toekomstige) opleiding. Dit geeft instellingen tegelijkertijd ook een extra prikkel.

In het huidige systeem van accreditatie kunnen VBI’s de verschillende opleidingen goed vergelijken, omdat eerst alle opleidingen van een soort aan de verschillende universiteiten gevisiteerd worden en er daarna pas een oordeel wordt uitgesproken. Blijft dit in de nieuwe situatie mogelijk?

Wordt de klantrelatie tussen VBI’s en instellingen in de nieuwe situatie gehandhaafd met alle perverse effecten van dien? De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) maakt melding van klachten van studenten die worden weggehouden bij visitatiecommissies omdat zij te kritisch zouden zijn. Wil de minister hier actie tegen ondernemen?

Antwoord van de minister

De minister antwoordt dat het nieuwe stelsel voortvloeit uit het eerdere stelsel, waarover positief werd geoordeeld. Nederland heeft ook de tweede prijs van het European Research Council gekregen, omdat het relatief de meeste jonge onderzoekers heeft. Die zijn natuurlijk het product van Nederlandse universiteiten. Er waren vanuit het veld dan ook alleen klachten over de administratievelastendruk die het oude accreditatiestelsel meebracht. In het nieuwe stelsel is de overlap in vragen er zo veel mogelijk uitgehaald. Vragen over voorzieningen zoals kopieerapparaten en de bibliotheek en over de medezeggenschap en het personeelsbeleid worden voortaan alleen aan de instellingen gesteld, maar een audit zal arbeidsintensief blijven en meer dan een dag in beslag nemen.

Over de contouren van het nieuwe stelsel, waarin het goede uit het oude stelsel is behouden, is overeenstemming met de vertegenwoordigers van universiteiten, hbo-instellingen en studenten bereikt. Verder is Nederland gebonden aan een internationaal verband waar het gaat om de NVAO. Nederland heeft zich dus verbonden aan het op een bepaalde manier regelen van de accreditatie. In overleg met zijn Vlaamse collega heeft de minister dan ook enkele punten bijgesteld.

De nieuwe wetgeving zal alleen de context bepalen waarbinnen de accreditatie plaatsvindt. Zij zal nog niet de precieze criteria bevatten aan de hand waarvan een instelling of opleiding wordt geaccrediteerd. De criteria worden in een ministerieel besluit vastgelegd dat de Kamer in het voorjaar van 2009 voorgelegd krijgt. Daarin worden de resultaten van de pilots verwerkt. In de pilots, vijf in Nederland en drie in Vlaanderen, zullen voorlopige criteria worden gehanteerd en wordt nagegaan hoe die uitwerken.

De vergelijkbaarheid van opleidingen kan worden verankerd via voorschriften in het accreditatiekader voor de inrichting van de visitaties, via toezicht van de NVAO op de normering van de oordelen, zodat gelijke gevallen langs ongeveer dezelfde lat worden gelegd, via de eis dat er in elke visitatie een goede benchmark is te vinden, dus een beredeneerde vergelijking met andere opleidingen en via rapportages van de NVAO over vakgebieden op basis van die visitaties. Dan worden de verschillende visitaties samengevoegd, zodat een buitenstaander kan nagaan waar hij wat op een bepaald vakgebied kan verwachten. Het idee om faculteiten geschiedenis van universiteiten samen panels te laten oprichten is interessant, omdat de vergelijkbaarheid toeneemt als die door dezelfde panels worden doorgelicht en omdat de leercurve van de panels is doorlopen. De grens wordt dan wel bepaald door het feit dat van de professionals die het panel zullen bemannen veel werk wordt gevraagd.

Als de NVAO het signaal krijgt dat er iets mis is met een instelling die een audit positief heeft doorlopen, kan zij ingrijpen door daar bestuurlijke gesprekken mee aan te gaan en door in het uiterste geval haar accreditatie in te trekken. De precieze regeling voor tussentijds ingrijpen middels bestuurlijke gesprekken wordt vastgelegd in de uitwerking van het wetsvoorstel.

In het nieuwe stelsel wordt gedifferentieerd, dus excellentie wordt zichtbaar gemaakt. Of de bekostiging aan kwaliteit wordt gekoppeld, hangt af van het advies dat de commissie-Sorgdrager op 1 september 2008 uitbrengt. Daarop loopt de minister niet vooruit. Met de eventuele meerwaarde daarvan zal in de pilots ervaring worden opgedaan.

Bij een instellingsaudit moet inderdaad op alle facetten een voldoende worden gescoord, al is voorstelbaar dat er in de uitwerking twee categorieën worden gemaakt. In de ene categorie worden dan de punten opgenomen waarop gemiddeld voldoende moet zijn gescoord en in de andere alle punten waarop afzonderlijk voldoende moet zijn gescoord. Dan geldt niet dat goede voorzieningen een personeelsbeleid dat niet deugt, kan compenseren. De Kamer krijgt in het voorjaar van 2009 via het ministerieel besluit duidelijkheid over de categorieën, mochten die inderdaad worden gemaakt. Over faciliteiten die per vestiging of per faculteit of opleiding van een instelling verschillen, zoals een scheikundelaboratorium alleen aanwezig hoeft te zijn op de opleiding of faculteit scheikunde, moeten niet alleen vragen tijdens de instellingsaudit worden gesteld, maar ook tijdens de opleidingsaccreditatie. En als een instelling niet op alle punten voldoende scoort, doorstaat zij de audit niet en kan er niet overgegaan worden tot opleidingsaccreditatie. Zij kan eventueel voorlopig worden goedgekeurd als een van haar opleidingen onvoldoende scoort, maar kan hard maken dat zij binnen twee jaar voldoende scoort. Dit wordt in de uitwerking allemaal nader bezien en bepaald.

De minister verwacht dat alle grote instellingen met meerdere opleidingen eerst een instellingsaudit zullen willen doorlopen, zodat daarna het regime van verdiend vertrouwen geldt, dat de opleidingen werk bespaart.

In 2008 wordt er nog een wetsvoorstel gepresenteerd op grond waarvan de positie van docent en student in de medezeggenschapsraad wordt versterkt. Daarin komt het motto van de motie-Besselink «niet goed, geld terug» aan de orde.

Opleidingen kunnen het best bepalen wie er veel verstand van hun opleiding hebben. Aan de andere kant is de onafhankelijkheid niet gegarandeerd als die bepalen dat alleen die mensen in de panels komen. Een goed model is dus dat de opleiding mensen voordraagt en dat de NVAO, een onafhankelijk zbo, nagaat of die mensen onafhankelijk genoeg zijn en genoeg expertise bezitten. Dit garandeert de onafhankelijkheid van de panels en doorbreekt de klantenrelatie die instellingen daarmee kunnen hebben. In de panels moet zeker een student en iemand uit de werkgeversbranche waarop de opleiding betrekking heeft en mits dit toepasselijk is, komen te zitten. Studenten die zich buitengesloten voelen omdat zij te kritisch zouden zijn, kunnen hier bij de NVAO over klagen.

VBI’s gebruiken al een protocol met voorwaarden voor benoeming van een panellid. Een panellid mag minimaal twee jaar niet verbonden zijn geweest aan de desbetreffende instelling en minimaal vijf jaar niet aan de desbetreffende opleiding. Waarschijnlijk wordt het nieuwe criterium dat iemand ook al vijf jaar niet meer verbonden mag zijn aan de instelling.

Het nieuwe stelsel door Actal op administratievelastendruk wordt beoordeeld voordat het aan de Kamer wordt voorgelegd. Dat is wat de minister betreft niet het begin van het einde van de opleidingsaccreditatie, zoals de Vereniging van Universiteiten (VSNU) stelt, al kan hij niet voorspellen wat zijn opvolgers zullen doen.

Er is slechts een lerarenopleiding volgens het accreditatiestelsel geaccrediteerd: de Hogeschool Edith Stein in Hengelo. De overige pabo’s en universitaire lerarenopleidingen zijn bezig met site visits of visitaties. Zij komen in de loop van 2008 en 2009 bij de NVAO langs. De spelregels voor de site visits zijn aangescherpt, zodat de juistheid van de oordelen van de panels beter kan worden gegarandeerd.

De NVAO verkent alvorens over te gaan tot een instellingsaudit of een instelling groot of klein is en uit een of meerdere vestigingen bestaat. De audit wordt dus geen uniforme mal of hoepel.

Met studenten, de VSNU en de HBO-raad heeft de minister intensief over het nieuwe stelsel overlegd. De stem van de studenten klinkt er dus in door. Het overleg met hen wordt voortgezet.

Nadere gedachtewisseling

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) vindt van cruciaal belang dat wordt vastgesteld wat er precies gebeurt in de instellingsaudit en wat in de opleidingsaccreditatie. Opleidingscommissies moeten bij alle opleidingen goed in orde zijn. De instellingen moeten hiervan doordrongen zijn. Bij een instellingsaudit moet dit dus worden nagegaan. Ook moet daarbij nagegaan of de randvoorwaarden voor de opleidingen in orde zijn. De opleidingsaccreditatie moet alleen over de inhoud van de opleiding gaan.

Het nieuwe stelsel lijkt geen tussenstap op weg naar enkel instellingsaccreditatie. Wel is het een tussenstap in de zin dat in een volgende ronde alle grote instellingen zich verplicht voelen of verplicht worden tot het doorlopen van een instellingsaudit. Verder moet de opleidingsaccreditatie per opleiding blijven bestaan.


Mevrouw Besselink (PvdA) is benieuwd naar de uitwerking van de hoofdlijnen van het nieuwe stelsel. Belangrijk is dat er maatwerk wordt geleverd en de instellingsaudit inderdaad geen uniforme mal is, tenzij dat te veel administratieve rompslomp veroorzaakt. Maatwerk houdt in dat wordt nagegaan of iets bij de ene of de andere instelling in de instellingsaudit of in de opleidingsaccreditatie moet worden gemeten.

Hoe gaat de minister studenten informeren van instellingen die de audit niet doorstaan of in een verbetertraject terechtkomen?


De heer Jasper van Dijk (SP) wil duidelijkheid over de vraag vanaf welk moment een instelling recht krijgt op het regime van verdiend vertrouwen. Kan worden gesteld dat alle opleidingscommissies en examencommissies binnen een instelling voldoende moeten scoren voordat het recht hierop ontstaat?

Mag de LSVb zitting nemen in het panel Toets Nieuwe Opleidingen? Hoe kunnen studenten die zich buitengesloten voelen, een klacht indienen bij de NVAO? Klopt het dat de studenten buiten het bestuurlijk beraad over onder andere de pilots worden gehouden? Zo ja, waarom?


De heer Zijlstra (VVD) vraagt nogmaals waarom er niet a priori is gekozen voor een audit op opleidings-/faculteitsniveau. In hoeverre wordt het functioneren van de opleidingscommissies van essentieel belang geacht voor het functioneren van de opleiding, overeenkomstig de mening van de heer Zijlstra en wordt dat gemeten tijdens de opleidingsaccreditatie? Opleidingscommissies worden toch niet beschouwd als kader om de instelling goed te laten functioneren?


De minister antwoordt dat studenten inderdaad zitting mogen nemen in het panel Toets Nieuwe Opleidingen en spreekt de hoop uit dat er dan ook daadwerkelijk studenten voor beschikbaar zijn.

Op instellingsniveau moeten zo veel mogelijk dingen bij de audit worden betrokken, maar sommige dingen kunnen nu eenmaal niet anders dan onder de opleidingsaccreditatie vallen. Dit luistert nauw. Hier zal dus rekening mee worden gehouden bij de uitwerking.

Instellingen zijn ervoor verantwoordelijk dat er een dekkend stelsel van opleidingscommissies is. Dit moet dus aan de orde komen in de instellingsaudits. Als een instelling niet aan opleidingscommissies doet, houdt het op. Een hele instelling niet toelaten tot het regime van verdiend vertrouwen omdat een van de bijvoorbeeld honderd opleidingscommissies niet goed functioneert, is echter het andere uiterste. Dan kan dit opnieuw bij de opleidingsaccreditatie aan bod komen.

Een opleiding die geen accreditatie krijgt, moet ervoor zorgen dat haar studenten hun opleiding kunnen afmaken. Een student mag altijd switchen. Dit is staande praktijk.

Op de hoofdcriteria moet een instelling goed scoren om een instellingsaudit te doorstaan. Op de vraag wat daaronder valt, komt de minister terug bij de uitwerking. Er zal niet worden uitgegaan van een gemiddelde score.

Examencommissies en opleidingscommissies komen bij de instellingsaudit aan de orde.

De minister komt bij de detailinvulling terug op de vraag waar en hoe studenten die zich buitengesloten voelen, kunnen klagen.

Bestuurlijk overleg wordt met de koepels en de studenten gevoerd. Met drie vertegenwoordigende organisaties tegelijk om tafel zitten, lijkt de minister niet praktisch. Het is een kwestie van agenderen.

Toezegging

De minister zegt toe, het ministerieel besluit inzake de criteria voor de instellingsaudit en opleidingsaccreditatie naar de Kamer te zenden, waarbij de Kamer minstens drie weken krijgt om daarop te reageren.


De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Van de Camp

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Schreijer-Pierik

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
La Rocca

1  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Bommel (SP), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Peters (GroenLinks).

2  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jager (CDA), Ormel (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Krom (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Neppérus (VVD), Jansen (SP), Jacobi (PvdA), Cramer (ChristenUnie), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Vermeij (PvdA), Zijlstra (VVD), Thieme (PvdD) en Polderman (SP).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Luijben (SP), Tang (PvdA), Boekestijn (VVD), Bilder (CDA), Biskop (CDA), Koşer Kaya (D66), Van Leeuwen (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Eijsink (PvdA), Depla (PvdA), Van Baalen (VVD), Kant (SP), Blom (PvdA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Heugten (CDA), Brinkman (PVV), Kuiken (PvdA), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD) en Lempens (SP).