Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 2

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het

aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde Begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. Leeswijzer

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2017 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • –  Beleidsagenda
  • –  Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen
  • –  Begroting baten-lastenagentschappen
  • –  Financieel Beeld Zorg
  • –  Diverse bijlagen

De beleidsprioriteiten met betrekking tot de Zorgverzekeringswet worden vermeld in het Financieel Beeld Zorg.

Motie-Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling.

Groeiparagraaf

  • •  In de begroting wordt dit jaar voor het eerst een overzicht opgenomen waarin op artikelniveau wordt aangegeven wat de voorgenomen bestemming is van het naar verwachting op 1 januari 2017 niet-juridisch verplichte deel van het budget. Het gaat om voorgenomen verplichtingen die later in het begrotingsjaar worden vastgelegd al dan niet op grond van achterliggende bestuurlijke afspraken. De voornemens worden kort toegelicht. Het overzicht wordt opgenomen bij de beleidsagenda.
  • •  Tijdens het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag 2014 heeft de Kamer verzocht om de verantwoordingsfunctie van het jaarverslag te verbeteren. In de aanloop naar de voorbereiding van de ontwerpbegroting 2017 is in overleg met de vaste Kamercommissie Zorg verkend hoe deze verbetering kan worden vormgegeven. Dit heeft onder meer geresulteerd in een monitor waarin maatschappelijke doelstellingen zijn geformuleerd en waarbij indicatoren uit de Staat van Volksgezondheid en Zorg zijn opgenomen die iets zeggen over de stand van zaken op het terrein van de zorg. Een overzicht van deze maatschappelijke doelstellingen en de indicatoren is bij de beleidsagenda opgenomen. Daarnaast is een set van 5 indicatoren uit de VWS-monitor gekoppeld aan de beleidsagenda.

Middellangetermijnverkenning 2018–2021 van het CPB

De macro-economische en budgettaire gegevens in deze begroting zijn, zoals altijd, gebaseerd op de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Plan Bureau (CPB). Normaal gesproken bevat een MEV-raming alleen cijfers voor het lopende jaar en het komende jaar, in dit geval dus voor 2016 en 2017. Dit jaar publiceert het CPB echter ook een middellangetermijnraming (MLT) bij de MEV voor de periode 2018–2021. Ook die raming is technisch verwerkt in deze begroting. Het betreft in de VWS-begroting de BKZ-uitgaven en de BKZ-ontvangsten, de zorgtoeslag, de Rijksbijdrage 18- en de BIKK. De hoofdtekst en bijlagen van de Miljoenennota bevatten meer informatie over de verwerking van de MLT.

2. Beleidsagenda1

Wat heb je nodig?

Dat is de vraag waar het om moet draaien in de gezondheidszorg. Wat heb je nodig om gezond te blijven? Om beter te worden? En als beter worden niet meer gaat, wat heb je dan nodig om zo zelfstandig mogelijk te kunnen blijven, met zo hoog mogelijke kwaliteit van leven.

De vraag «Wat heb je nodig?» kan het beste door mensen zelf beantwoord worden, in samenspraak met hun zorgverleners. Het antwoord is voor iedereen anders. Maar het is een cruciale vraag. Juist in een samenleving met meer ouderen, meer chronisch zieken. Juist in een samenleving waarin mensen steeds meer zelf willen bepalen hoe zij hun leven inrichten, daar zelf ook meer mogelijkheden voor hebben. Waarin mensen met één muisklik heel de wereld in huis halen.

Met de omslag in de zorg die wij de afgelopen jaren hebben gemaakt, willen wij mensen de zorg bieden die in deze tijd bij hen past.

De zorg is nu zo ingericht dat die persoonsgerichte aanpak mogelijk is: zorg thuis of dichtbij huis als het kan, verder weg als het moet. En afgestemd op ieders persoonlijke situatie, rekening houdend met wat een ieder zelf nog kan of niet kan. We zien al heel goede voorbeelden waar dit lukt (www.hetzorgverhaal.nl). Tegelijkertijd zien we ook dat ouderen en kwetsbare mensen soms de weg naar de juiste zorg niet kunnen vinden. Dat moeten we in de praktijk oplossen. Daar zetten we ons de komende jaren voor in, samen met de mensen in de zorg en samen met patiënten, cliënten en bewoners.

Hoe gezond voelt u zich?

Vanaf 1990 voelen mensen zich steeds een beetje gezonder. In 2014 gaf 84,3% van de mannen en 79,5% van de vrouwen aan een goede gezondheid te ervaren.

Die praktische en persoonsgerichte aanpak kiezen we ook bij de uitvoering van nieuwe wetten over kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg. We houden nauwlettend de praktijk in de gaten en springen in waar nodig.

Vanzelfsprekend blijft betaalbaarheid een voorwaarde om de zorg voor iedereen toegankelijk te houden. We zijn er mede dankzij de hoofdlijnenakkoorden in geslaagd om de groei van de zorguitgaven (www.hetzorgverhaal.nl/wat-betalen-we-aan-zorg) – zoals we die tot 2012 jaar op jaar zagen – te remmen. Maar van achterover leunen kan geen sprake zijn. Omdat we steeds ouder worden en er medisch gezien steeds meer mogelijk is, blijft de druk op de gezondheidszorg groot en geeft de overheid nog steeds elk jaar meer geld uit aan zorg. Dat geldt zowel voor de langdurige zorg als voor de curatieve zorg. In 2017 is dat bijna 69 miljard euro (www.hetzorgverhaal.nl/zorguitgaven) – bijna één derde van alle uitgaven die de rijksoverheid doet.

Het is cruciaal dat we op de kosten blijven letten, vol inzetten op preventie en daadwerkelijk gebruik maken van de enorme mogelijkheden die innovaties bieden om mensen tegen lagere kosten de zorg te bieden die bij hen past en die tegemoet komt aan wat zij in hun individuele situatie nodig hebben.

Wat heb je nodig om gezond te leven en gezond op te groeien?

Steeds meer mensen beseffen dat hun manier van leven invloed heeft op hun gezondheid. Dat is een goede ontwikkeling. Want hoe goed de zorg ook is, het is altijd beter om ziekte te voorkomen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van mensen zelf. De overheid zorgt voor de randvoorwaarden, maakt gezonde keuzes makkelijk en beschermt mensen die dat zelf niet kunnen.

Wie rookt er nog?

Steeds minder jongeren roken. In 2015 had 10,6% van de jongeren tot 16 jaar in de afgelopen maand gerookt. In 2011 was dat 16,9%.

Veilig opgroeien

Een veilige kindertijd is het fundament voor een gezond en gelukkig leven. Met 95% van de jongeren gaat het goed. Helaas zijn er ook nog steeds kinderen die geen veilig thuis hebben. Dat is onacceptabel. De zorg en ondersteuning van kinderen en gezinnen die het nodig hebben, moet nu in de praktijk verder worden verbeterd. De vraag «Wat heb je nodig?», moet ook hier leidend zijn, zodat we voorkomen dat er te weinig of juist te veel zorg is. De integrale verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de jeugdhulp, biedt hiervoor grote en nieuwe mogelijkheden.

Preventie steeds belangrijker

Wie gezond wil leven, moet daarin niet gehinderd worden. De gezonde keuze moet de makkelijke keuze zijn. Bijvoorbeeld door een breder aanbod van gezonde voeding. Dat betekent minder vet, suiker en zout (www.hetzorgverhaal.nl/vet-zout-en-suiker) in de producten die je koopt in de supermarkt, in de schoolkantine, de sportkantine of het bedrijfsrestaurant. Dat willen we bereiken in samenwerking met het bedrijfsleven.

Wie wil sporten en bewegen (http://www.hetzorgverhaal.nl/sporten-in-de-wijk), moet dit makkelijk kunnen doen. Je hebt een club in de buurt nodig, een trapveldje, een sportcoach die je helpt, veilige straten om te joggen en fietspaden. Om dit voor elkaar te krijgen, werken verschillende ministeries, gemeenten, maatschappelijke organisaties en bedrijven samen in het Nationaal Programma Preventie en de brede maatschappelijke beweging Alles is Gezondheid (www.hetzorgverhaal.nl/de-buurtsportcoach).

Met voorlichtingscampagnes informeren we mensen hoe zij kunnen voorkomen dat ze ziek worden. Bijvoorbeeld door de handen te wassen en op de juiste manier eten te bereiden en te bewaren.

Antibioticaresistentie (www.hetzorgverhaal.nl/antibioticaresistentie)

Het bestrijden van antibioticaresistentie is cruciaal om gezondheidsproblemen te voorkomen. Door verkeerd en kwistig gebruik van antibiotica zijn steeds meer bacteriën ongevoelig voor de middelen die we tot onze beschikking hebben. Steeds meer infecties zijn daardoor moeilijker te behandelen. Antibioticaresistentie ontstaat niet alleen in de zorg, maar ook in de dierhouderij en in het milieu. We werken met alle sectoren samen om antibioticaresistentie terug te dringen. Dit is de zogeheten One Health-aanpak.

Gezondheidsverschillen

Ondanks veel aandacht voor preventie, zien we nog grote verschillen tussen lager- en hogeropgeleiden. Mensen die lager zijn opgeleid, leven vaak minder gezond dan mensen die hoogopgeleid zijn. Daarom proberen wij alle mensen te bereiken met onze bewustwordingscampagnes over de gevaren van roken, drinken en te veel of ongezond eten. Om het gezondheidsbeleid op wijkniveau te ondersteunen, ontwikkelt het RIVM wijkprofielen met de bij ieder profiel behorende pakketten van werkzame interventies.

Kinderen en jongeren zijn kwetsbaar omdat zij geen zeggenschap hebben over hun omgeving en makkelijker beïnvloed worden door het gedrag van anderen. De NIX18 campagne richt zich op jongeren en komend jaar speciaal op kinderen die op het VMBO zitten (www.hetzorgverhaal.nl/roken-alcohol-en-drugs). Jongeren worden ook bewust door de afschrikwekkende afbeeldingen op pakjes sigaretten en met een leeftijdsgrens voor tabaksproducten en e-sigaretten. Samen met verloskundigen, kinderartsen, jeugdartsen, gynaecologen, kraamverzorgenden, verslavingsartsen en huisartsen hebben we de Taskforce Rookvrije Start opgezet om ervoor te zorgen dat zwangere vrouwen en hun omgeving gemotiveerd en beter begeleid worden om te stoppen met roken.

Met de volgende concrete acties willen we komend jaar het verschil maken als het gaat om gezond leven en opgroeien:

  • –  De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt verbeterd: het systematisch zorgen voor veiligheid van (potentiële) slachtoffers krijgt prioriteit. Gemeenten hebben in 2017 26 goed functionerende Veilig Thuis organisaties gerealiseerd, waar professionals en burgers terecht kunnen en goed worden geholpen. We versterken de samenwerking tussen zorg, onderwijs en gemeenten, gericht op een goede uitvoering.
  • –  Het is van belang dat mensen goed geïnformeerd worden over de voor- en nadelen van health-checks en zelftesten en beschermd worden tegen risico’s. Dit zal onder meer worden geregeld in een wetsvoorstel dat we in 2017 aan de Tweede Kamer zullen aanbieden.
  • –  Op Europees niveau is onder Nederlands voorzitterschap afgesproken dat elke lidstaat, en dus ook Nederland, uiterlijk eind 2017 een nationaal plan moet hebben om voedingsproducten te verbeteren. Zo willen we voorkomen dat mensen te veel zout, verzadigde vetten en calorieën binnen krijgen.
  • –  We laten programma’s ontwikkelen om vooral ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking aan het sporten te krijgen. We kijken uit naar de resultaten van de effect- en evaluatiestudies van lopende sportprogramma’s die in 2017 verschijnen.
  • –  Instellingen en professionals gaan in regionale netwerken samenwerken om de verspreiding van resistente bacteriën tegen te gaan en zo antibioticaresistentie aan te pakken. Per 2018 moeten er tien netwerken operationeel zijn.

Welke zorg heb je nodig?

Als mensen toch zorg nodig hebben, weten zij zelf het beste wat wel en niet bij hun situatie past. Daarom hebben wij de positie van patiënten, cliënten en bewoners versterkt, zodat zij kunnen meebeslissen over hun zorg. Thuis, in het ziekenhuis, of in het verpleeghuis.

Niet alleen is er meer informatie, mensen kunnen deze informatie ook makkelijker vinden en begrijpen. En waar vroeger de arts het type behandeling bepaalde, beslissen arts en patiënt nu samen wat de beste optie is. Welke keuzes zijn er als het gaat om onderzoek en behandeling? Wegen de voordelen op tegen de nadelen? Om die afwegingen te kunnen maken is betrouwbare en begrijpelijke informatie nodig. We kunnen daarbij nog veel meer gebruik maken van digitale mogelijkheden, zoals animatievideo’s. Goede informatie geeft patiënten een stevigere positie in het gesprek met hun artsen.

Mede door het Jaar van de Transparantie hebben patiënten meer en betere informatie gekregen over de kwaliteit van behandelingen voor dertig aandoeningen. Er is echter nog een flinke inspanning nodig om iedere patiënt tijdig van gedegen en begrijpelijke informatie te voorzien.

We willen ook de positie van patiënten en premiebetalers tegenover hun zorgverzekeraar sterker maken. Daarom komen we met een wetsvoorstel dat de medezeggenschap van een verzekerde over het beleid van de zorgverzekeraar moet versterken. Ook hebben verzekerden een stem gekregen in het instellen van een onafhankelijke geschillencommissie voor de zorg.

Zeggenschap over je eigen leven is net zo cruciaal als je een beperking hebt of te maken krijgt met de gebreken van het ouder worden. Om zo vrij en onafhankelijk als mogelijk te kunnen blijven functioneren, moet zorg dichtbij huis, of liefst thuis, geleverd kunnen worden, zodat de gang naar het ziekenhuis of verpleeghuis alleen gemaakt hoeft te worden als er geen alternatief is.

Deze omslag is hard nodig: in 2030 is bijna één op de vier Nederlanders ouder dan 65 (www.hetzorgverhaal.nl/zorg-voor-ouderen) en hebben naar schatting zeven miljoen Nederlanders één of meer chronische ziekten, zoals diabetes, hart- en vaatziekten of een longaandoening. Al sinds de jaren tachtig kiezen steeds meer ouderen ervoor zo lang mogelijk thuis te wonen. Ook chronisch zieken doen steeds vaker volop mee in de samenleving, hebben nog een baan en een druk sociaal leven. Dat kan, mede dankzij steeds betere behandelingsmethoden, betere geneesmiddelen en dankzij zorg die steeds vaker thuis of dichtbij huis kan worden geboden. Daarbij gaan we steeds meer uit van de eigen kracht en mogelijkheden die mensen hebben.

Levensverwachting

De levensverwachting bij geboorte is gestegen van 77 jaar in 1990 tot 81,5 jaar in 2015.

Dan is het wel van belang om te weten wat iemand nog wel kan, en wat niet meer. En wat mensen nodig hebben aan zorg en ondersteuning. Dit is niet te bepalen vanuit Den Haag. Dat moet dichterbij huis geregeld worden. Daarom hebben gemeenten vanaf 2015 een aantal zorgtaken overgenomen van het Rijk. Zij kennen hun inwoners en komen bij hen over de vloer. Zij kunnen in een persoonlijk gesprek met mensen bepalen wat nodig is. Dat kan verder gaan dan alleen zorg. Zijn er schulden? Is er sprake van eenzaamheid? Zijn er psychische problemen? De gemeenten hebben meer inzicht en mogelijkheden om al die zaken tegelijkertijd en in samenhang aan te pakken dan de landelijke overheid.

Eenzaamheid

40% van de volwassen bevolking voelt zich eenzaam. Eenzaamheid neemt toe met de leeftijd. Van de groep tussen 75 en 84 voelt bijna 50% zich eenzaam; van de groep 85 plus zelfs bijna 60%.

De decentralisaties zijn pas geslaagd als mensen daadwerkelijk ervaren dat ze goed worden geholpen: tijdige hulp en ondersteuning op maat, thuis of dichtbij huis. In 2017 en de jaren daarna zullen we samen met gemeenten en alle andere betrokkenen met onverminderde inzet verder werken aan deze missie (www.hetzorgverhaal.nl/wmo).

Het regelen van de nieuwe zorgtaken is voor gemeenten niet altijd eenvoudig. Daarom zien wij er op toe dat gemeenten iedereen de ondersteuning geven die nodig is. In veel gemeenten gaat dit goed. Zij kunnen als voorbeeld dienen voor anderen. Gemeenten die het niet goed doen spreken we hierop aan en we ondersteunen bij verbetering.

Wijkverpleegkundige (www.hetzorgverhaal.nl/de-wijkverpleegkundige)

Voor mensen die thuis zorg nodig hebben, is de wijkverpleegkundige enorm waardevol. Hij of zij hoort als eerste de vragen en behoeften van mensen, biedt praktische zorg en geeft de zekerheid dat zorg aan huis altijd goed geregeld is. We hebben meer geld vrijgemaakt voor de wijkverpleegkundige en geregeld dat deze zorg in de buurt vergoed wordt door de zorgverzekering. Zorg van de wijkverpleegkundige telt ook niet mee voor het eigen risico. Zoals dat ook al het geval is bij de huisarts, met wie de wijkverpleegkundige intensief samenwerkt. De volgende stap is om mogelijke belemmeringen die de wijkverpleegkundige tegenkomt (zoals overbodige en onduidelijke regels), weg te nemen. We willen dat de wijkverpleegkundige zo veel mogelijk tijd heeft voor mensen en geen tijd kwijt is aan onnodig papierwerk.

Verpleeghuis (www.hetzorgverhaal.nl/verpleeghuiszorg)

Nu mensen steeds langer thuis wonen, zijn degenen die naar een verpleeghuis gaan steeds ouder en vaak ook zieker. Om de zwaardere en ingewikkelder zorg te kunnen bieden die dan nodig is, moet de kwaliteit van de verpleeghuiszorg beter (http://www.hetzorgverhaal.nl/passende-zorg). De sleutel is een combinatie van een goede organisatie, goed management, ruimte voor professionals en betere vaardigheden van zorgmedewerkers. Om tegemoet te komen aan veranderende zorgvraag en de kwaliteit van de ouderenzorg te verbeteren, heeft het kabinet de bezuinigingen op de verpleeghuizen van 500 miljoen euro geschrapt en structureel extra geld vrijgemaakt voor kwaliteit: het gaat om 210 miljoen euro per jaar voor opleidingen en extra dagbestedingactiviteiten. Als onderdeel van het programma Waardigheid en Trots zetten we de voorlopers in het zonnetje en let de Inspectie voor de Gezondheidszorg scherp op de achterblijvers.

Veilig melden

Ruim één miljoen mensen werken elke dag met hart en ziel aan goede zorg in Nederland. Desondanks gaat er wel eens wat mis. Zorg is mensenwerk. Het is belangrijk dat professionals incidenten durven melden, om herhaling te voorkomen. Ook hebben patiënten of cliënten het recht om te weten dat het mis is gegaan. Daarover moeten zij met hun zorgverlener kunnen praten. Een klachtenfunctionaris bemiddelt hierin. Levert dat niks op, dan kan een patiënt een klacht indienen bij de zorgverlener of de zorginstelling. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg regelt dit.

Vermijdbare sterfte

Aandacht voor patiëntveiligheid werkt! Het aantal patiënten dat in het ziekenhuis kwam te overlijden als gevolg van onnodige fouten is gedaald tussen 2008 en 2011/2012. Van de 100 in het ziekenhuis overleden patiënten, overleden er in 2008 5,5 mede als gevolg van potentieel vermijdbare schade; in 2011/2012 waren dat er 2,6.

Kwaliteit en openheid

Openheid over de kosten en kwaliteit is essentieel als we de zorg goed willen organiseren met kwaliteit hoog in het vaandel. In Kwaliteit loont staan de maatregelen die afspraken hierover tussen zorgaanbieders en -verzekeraars stimuleren. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt strenger toezicht op de toetreding van nieuwe zorgaanbieders. Instellingen bieden ook zelf openheid over hoe zij kwaliteit en veiligheid garanderen voor de patiënt, zeker in het geval van calamiteiten. De Inspectie zal hier scherp op toezien.

Om verzekeraars te prikkelen zich meer te richten op verzekerden die veel zorg nodig hebben, hebben wij de risicoverevening in 2016 verbeterd. Dat was een eerste stap. Komend jaar zullen we de verevening wederom aanpassen en verder verfijnen. Met een meerjarig onderzoeksprogramma zetten we een derde stap voor verdere verbetering van de risicoverevening.

Cultuuromslag in de geestelijke gezondheidszorg

Ook in de geestelijke gezondheidszorg willen we dat kwaliteit loont. Ook mensen met psychische klachten willen de beste behandeling, volgens de laatste stand van wetenschap en praktijk en op maat. Ook zij hebben recht op betrouwbare informatie die makkelijk te vinden is. Hoe lang duurt de behandeling? Wat mag ik verwachten en wat niet? Welke opties zijn er? Wat past bij mij?

De geestelijke gezondheidszorg heeft hiervoor een plan gemaakt, de zogeheten Toekomstagenda gaat uit van patiënten en verstevigt hun positie. De agenda is een begin. Het komt nu aan op de uitvoering in de praktijk. Professionals in de geestelijke gezondheidszorg werken aan een cultuuromslag waarin patiënten met hun zorgverleners meer inzicht krijgen en meer keuzemogelijkheden, kortom meer regie. Om de financiering dit te laten ondersteunen, werkt de sector samen met de Nederlandse Zorgautoriteit aan een nieuwe bekostiging.

Zorgen voor je naaste (www.hetzorgverhaal.nl/mantelzorg)

Mantelzorgers en vrijwilligers zijn onmisbaar in de zorg en verdienen onze steun. Zeker nu steeds meer ouderen zelfstandig thuis willen blijven wonen, wordt er veel van mantelzorgers gevraagd. Mantelzorgers krijgen steeds meer maatschappelijke erkenning en ondersteuning. Toch hebben velen het gevoel dat ze er alleen voor staan. In 2017 is het tijd voor een volgende stap, waaronder meer maatschappelijke bewustwording. Onder meer door een campagne voor een mantelzorgvriendelijke samenleving. Tegelijkertijd moeten we gezamenlijk blijven zoeken naar mogelijkheden om werk en zorgtaken beter te combineren. Ook aan mantelzorgers moeten wij de vraag stellen: Wat heb je nodig?

Aantal mantelzorgers

1 op de 3 Nederlanders van 18 jaar en ouder heeft in 2014 aangegeven – in het jaar voorafgaand aan het onderzoek – een naaste te ondersteunen.

Goede zorg is kijken naar wat mensen echt nodig hebben. Met de volgende concrete acties willen wij komend jaar het verschil maken:

  • –  In het kader van het programma Waardigheid en Trots wordt de basisveiligheid van de instellingen met ingang van 2017 transparant gemaakt en wordt een nieuw kwaliteitskader in gebruik genomen. Met de meerjarige kwaliteitsagenda Samen werken aan een betere gehandicaptenzorg worden bijvoorbeeld activiteiten in gang gezet om de positie van de cliënt te versterken, professionals beter toe te rusten en innovatie en samenwerking te stimuleren. Ook wordt geïnvesteerd in professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van een reeks leer-/werkbijeenkomsten en meer scholing voor zorgprofessionals om de dialoog met de cliënt en/of zijn omgeving te verdiepen. We starten twee grote experimenten (VVT en gehandicaptenzorg) om de langdurige zorg meer persoonsgericht te maken.
  • –  De verbetering van de uitvoering van het persoonsgebonden budget heeft ook in de komende periode onze aandacht. Allereerst willen we de betalingen ook in 2017 stabiel houden. Daarnaast blijven we werken aan een klantvriendelijker en goedwerkend systeem van trekkingsrecht waarmee de budgethouder van het pgb gemakkelijk zelf zijn zaken kan regelen.
  • –  Om samen beslissen meer vorm te geven, worden de drie goede vragen geïntroduceerd in de huisartsenpraktijk en met de partijen in de geestelijke gezondheidszorg is afgesproken dat er meer begrijpelijke informatie beschikbaar komt die ook eenvoudig vindbaar is voor patiënten.
  • –  Door de verbetering van de risicoverevening worden per 2017 naar verwachting 200.000 extra chronisch zieken geïdentificeerd voor wie verzekeraars een passende compensatie ontvangen.
  • –  Voor alle aanbieders van curatieve ggz is het vanaf 1 januari 2017 verplicht om een kwaliteitsstatuut te hebben, zodat patiënten meer informatie hebben om hun keuze voor een zorgaanbieder op te baseren.

Minder taboes, meer begrip

Dementie (www.hetzorgverhaal.nl/leven-met-dementie)

Dementie wordt volksziekte nummer 1. Mensen met dementie wonen in ons dorp, in onze buurt, in onze straat. Soms hebben ze iemand nodig die ziet wat er aan de hand is, als ze het even niet meer weten bij de kapper of zonder bestemming de bus instappen. Oog hebben voor mensen met dementie is een zaak van ons allemaal.

Depressie (www.hetzorgverhaal.nl/leven-met-depressie)

Nederland telt 800.000 mensen met een depressie. Het is de meest voorkomende reden voor een ziekmelding. De maatschappelijke en persoonlijke impact is enorm. Toch zijn depressies en andere psychische problemen vaak nog een taboeonderwerp. Depressie wordt daarbij vaak niet of laat herkend. Met een publiekscampagne willen wij dat patiënten en hun omgeving depressie sneller herkennen en weten wat ze moeten doen en hoe hiermee om te gaan. Zo hopen we voor mensen de drempel te verlagen om bijtijds hulp te zoeken.

Vrouwen met een postnatale depressie

Ongeveer 13 op elke 100 Nederlandse moeders krijgt te maken met een postnatale depressie, die tot 12 maanden na de geboorte kan ontstaan.

Met de volgende acties willen we het komend jaar meer bewustzijn creëren en kennis vergroten:

  • –  Wij willen dat het aantal depressies afneemt en dat de impact van depressie kleiner wordt. Daarom besteedt VWS vanaf het najaar 2016 samen met de betrokken beroepsgroepen en kennisinstellingen aandacht aan depressie via zowel een publiekscampagne depressie als een meerjarenprogramma depressiepreventie.
  • –  Er komt een online training op Samendementievriendelijk.nl, die mensen leert om de signalen van (beginnende) dementie te herkennen en beter om te gaan met patiënten. Ons streven is dat wij in 2020 310.000 «dementievrienden» hebben, voor elke dementerende ten minste één vriend. We maken 30 miljoen euro vrij voor het onderzoeksprogramma Memorabel, dat als doel heeft de diagnoses en behandelmethoden te verbeteren en mensen met dementie meer kwaliteit van leven te bieden.

Werken en vernieuwen in de zorg – wat heb je nodig?

Wetten en regels alleen maken een omslag in de zorg niet mogelijk. Het zijn de mensen die het doen. Om hen bij te staan, hebben we teams gevormd met professionals die praktische hulp en oplossingen bieden en kunnen toelichten welke mogelijkheden regels bieden. Zoals de mensen van het praktijkteam Palliatieve zorg dat bijvoorbeeld in actie kan komen wanneer iemand die in een zorginstelling woont, tóch liever thuis zou willen overlijden. Of het praktijkteam Zorg op de juiste plek, dat de weg weet wanneer iemand die uit het ziekenhuis wordt ontslagen, maar nog niet fit genoeg is om alleen thuis te zijn.

Meer ruimte voor professionals

Regels en registratie helpen om de kwaliteit en veiligheid te verbeteren en daarover openheid te geven. Maar te veel papierhandel gaat ten koste van het werkplezier en de kwaliteit van zorg en belemmeren vernieuwing. Ons doel is dan ook: minder regels, meer tijd voor zorg (www.hetzorgverhaal.nl/specialistische-zorg-in-de-buurt).

Maar het schrappen van onnodige regels is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is daarom mooi om te zien dat zorgverleners met zorgverzekeraars, de Inspectie, de Nederlandse Zorgautoriteit en andere betrokken partijen om tafel gaan om regels tegen het licht te houden. De huisartsen hebben op die manier verschillende overbodige formulieren en registraties afgeschaft waardoor de tijd die zij kwijt waren aan administratie sterk is verminderd. In de langdurige zorg is de CQ-index geschrapt. De index mat de kwaliteit in de ouderenzorg maar werd ervaren als administratieve last. We vervangen deze door een nieuwe en slimmere – nog te ontwikkelen – manier om naar kwaliteit te kijken.

Andere zorgverleners volgen dit najaar en gaan samen om de tafel om overbodige regels tegen het licht te houden.

Overleving kanker

Ruim 85% van de vrouwen met borstkanker is vijf jaar na diagnose nog in leven. Vijfentwintig jaar geleden was dat nog 77%. De overlevingskansen stijgen jaar op jaar.

Innovatieve geneesmiddelen betaalbaar

Er komen steeds meer geneesmiddelen die op de persoon zijn toegesneden. Het gaat om veelbelovende medicijnen die de kwaliteit van leven van ernstig zieke mensen enorm kunnen verbeteren en mensen zelfs kunnen genezen. Tegelijk zijn die middelen zo duur, dat we ze op termijn mogelijk niet meer kunnen betalen. Om dat te voorkomen, hebben we begin 2016 de geneesmiddelenvisie gepubliceerd. Uitgangspunt is dat patiënten die middelen krijgen die veilig zijn en die echt werken, tegen een maatschappelijk aanvaardbare prijs.

We investeren in betere diagnostiek, zodat onnodig medicijngebruik kan worden voorkomen. Want voor medicijnen geldt: baat het niet, dan schaadt het wel. Om een betere inkooppositie te krijgen tegenover de farmaceutische industrie, organiseren we meer samenwerking tussen ziekenhuizen en zorgverzekeraars om samen geneesmiddelen in te kopen. Daarnaast blijft het cruciaal dat dure merkgeneesmiddelen alleen worden ingezet als er geen gelijkwaardig, goedkoper alternatief is. Omdat de meeste geneesmiddelen door internationaal opererende bedrijven worden geproduceerd, trekken we op met andere landen om onze inkooppositie te versterken en informatie over onder meer prijzen en over nieuwe medicijnen die eraan komen, uit te kunnen wisselen.

Gebruik maken van de mogelijkheden van technologie (www.hetzorgverhaal.nl/digitale-zorg)

Mensen maken thuis en op hun werk steeds meer gebruik van tablets, apps en games. Ook in de zorg is slimme, persoonlijke technologie sterk in opkomst. Met behulp van sensoren, slimme pleisters, smartphones, of tablets kunnen mensen tegenwoordig zorg ontvangen waar zij maar willen. Tijd en plaats zijn steeds vaker irrelevant waardoor de zorg zich kan verplaatsen van de wachtkamer naar de woonkamer. Hier liggen grote kansen om de zorg te verbeteren en kosten te besparen. Als we meer kwaliteit, maatwerk en service in de zorg willen en tegelijkertijd kosten willen besparen, moeten we de nieuwe, slimme technologie meer omarmen.

Om de basis voor innovatie op orde te krijgen, investeren we de komende drie jaar jaarlijks 35 miljoen euro in digitale informatie-uitwisseling door ziekenhuizen. De koudwatervrees die er nog is voor nieuwe technologieën moeten we wegnemen. Met een gezamenlijke agenda kijken we wat mensen en instellingen nu eigenlijk nodig hebben om innovaties daadwerkelijk te gebruiken en verder te brengen. Duidelijk is ook dat zorgverleners meer ruimte nodig hebben om maatwerk te kunnen bieden, of nieuwe concepten te ontwikkelen. Daarbij moeten zij zo min mogelijk hinder ondervinden. De nieuwe Wet marktordening gezondheidszorg die wij in 2017 hopen in te voeren, zal veel van die obstakels wegnemen.

Onze maatregelen om professionals te bieden wat zij nodig hebben:

  • –  Om regeldruk merkbaar te verminderen in 2017 krijgen succesvolle trajecten zoals Het experiment regelarme instellingen en Het roer moet om navolging. Een vergelijkbare maatwerkaanpak gaan we bij tenminste vijf beroepsgroepen inzetten. Mensen in het veld bespreken de knelpunten met zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, toezichthouders en VWS en pakken deze aan.
  • –  Om ondernemers in het midden- en kleinbedrijf te ondersteunen bij de opschaling van goede e-Healthinitiatieven, gaat in het najaar van 2016 het «Fast Track eHealth initiatief» van start. Om effectieve zorginnovaties te versnellen en te verbreden, maken we in 2017 afspraken met private partijen via minimaal drie zogenoemde Health Deals.
  • –  Het doel van programma ICT in Ziekenhuizen dat in 2017 begint, is dat alle ziekenhuizen dezelfde standaarden gebruiken en hun informatie onderling, met patiënten en met andere zorgverleners kunnen delen. Ook moet ieder ziekenhuis op termijn over een basisinfrastructuur beschikken aan de hand waarvan medische app’s en e-healthinterventies kunnen worden ingezet op het moment dat zorgverlener en patiënt dit zinvol achten.
  • –  Via het op te richten Platform Expertise Inkoop Geneesmiddelen gaan we in 2017 gezamenlijk inkoop van medicijnen door ziekenhuizen en verzekeraars stimuleren. Om de prijzen te verlagen, krijgt het Bureau Financiële Arrangementen Geneesmiddelen een permanente status. In de «roadmap» geneesmiddelenvisie die na de zomer naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, staan bij alle maatregelen concrete acties genoemd met de daarbij behorende tijdlijnen.

Onze ambitie blijft ook de komende jaren om de zorg nog beter te laten aansluiten op de wensen van mensen, de kwaliteit verder te verbeteren en de kosten te beheersen. Door de omslag te maken naar het voorkomen van ziekten. Door zorg zinnig en zuinig te leveren. En door digitale mogelijkheden in de zorg veel meer te benutten. Afgelopen jaren hebben wij gezien dat mensen in de zorg keihard hebben gewerkt om de veranderingen mogelijk te maken. Komende jaar zetten we samen met hen onze schouders eronder om de praktische problemen en uitvoeringsmoeilijkheden die zich nog voordoen, op te lossen. Voor goede en betaalbare zorg, nu en in de toekomst.

BELANGRIJKSTE BELEIDSMATIGE MUTATIES

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (uitgaven) Bedragen x € 1.000
 

Artikel nr

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand ontwerpbegroting 2016 (inclusief NvW)

 

14.556.514

14.943.880

15.080.193

15.286.502

15.774.027

0

Belangrijkste mutaties

             

De NIPT betreft een screening tijdens de zwangerschap. De test kan onder andere het downsyndroom opsporen zonder dat sprake is van een verhoogd risico op een miskraam. Omdat opname in het basispakket afhankelijk is van de advisering van het Zorginstituut (en de Gezondheidsraad) kan de NIPT als eerste test niet eerder dan per 2018 opgenomen worden in het basispakket. In 2017 zal de bekostiging daarom lopen via een subsidieregeling.

01

0

26.000

0

0

0

0

In een bindend advies is de schadevergoeding die VWS aan Erasmus MC moet betalen vanwege het niet nakomen van twee toezeggingen uit 2009 vastgesteld op € 235,9 miljoen (stand ultimo 2014, exclusief rente). Erasmus MC lijdt schade als gevolg van handelingen en investeringen die het zonder de toezeggingen niet zou hebben verricht respectievelijk gedaan. Erasmus MC heeft op basis van de toezeggingen een nieuwbouwproject met een onrendabele top (lasten ongedekt door relevante inkomsten) ondernomen en zou zonder de toezeggingen een dergelijk nieuwbouwproject niet hebben uitgevoerd (TK 25 268, nrs. 120 en 126). VWS betaalt in 2015 en 2016 een bedrag van € 85 miljoen en het restant in 2017. Aangezien de schadevergoeding die VWS aan Erasmus MC moet betalen wordt betaald vanuit de VWS-begroting, zijn de hiervoor gereserveerde middelen overgeheveld naar de VWS-begroting. Ze blijven behoren tot het Budgettair Kader Zorg.

02

85.000

81.000

0

0

0

0

In het hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg 2014–2017 is overeengekomen dat betrokken partijen gezamenlijk een agenda opstellen om zorginhoudelijke verbetering te bewerkstelligen binnen een beperktere beschikbare groei. Daarmee moet de sector niet alleen efficiënter gaan werken maar ook inspelen op demografische en maatschappelijke veranderingen. ICT speelt een belangrijke rol bij het vormgeven van de gewenste verbeterslag. Om de agenda van de sector te faciliteren wordt gedurende drie jaar een jaarlijkse bijdrage van € 35 miljoen beschikbaar gesteld voor het programma ICT in ziekenhuizen.

02

0

35.000

35.000

35.000

0

0

De niet-benodigde middelen voor de uitvoering van de subsidieregeling integrale tarieven worden overgeheveld naar het premiegefinancierde BKZ om weer te worden toegevoegd aan de sector medisch-specialistische zorg.

02

– 18.840

– 50.000

– 25.000

– 16.000

10.000

0

Dit betreft de bijstelling van de uitgavenraming Rijksbijdrage 18- naar aanleiding van de actuele raming van het CPB.

02

0

– 216.200

– 260.900

– 292.500

– 286.000

– 226.000

Dit betreft de bijstelling van de Rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) naar aanleiding van de actuele ramingen van het CPB.

03

14.600

– 85.700

– 263.100

– 436.800

– 610.300

– 549.300

Dit betreft de reservering van middelen ten behoeve van de bijdrage van de gemeenten aan de uitvoeringskosten van de trekkingsrechten PGB door de SVB.

03

0

35.100

0

0

0

0

Dit betreft de bijstelling van de uitgavenraming zorgtoeslag naar aanleiding van de actuele ramingen van het CPB.

08

– 170.410

– 809.318

– 573.853

– 377.911

– 165.666

– 197.024

Verhoging van de zorgtoeslag door het structureel lager vaststellen van de normpercentages die de hoogte van de zorgtoeslag vaststellen.

08

0

352.000

352.000

352.000

352.000

352.000

Overige mutaties

11

162.971

59.436

81.704

56.592

– 5.695

15.959.630

Stand ontwerpbegroting 2017

 

14.629.835

14.371.198

14.426.044

14.606.883

15.068.366

15.339.306

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten) Bedragen x € 1.000
 

Artikel nr

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand ontwerpbegroting 2016 (inclusief NvW)

 

174.663

91.663

96.663

91.663

91.663

0

Belangrijkste mutaties

             
               

Overige mutaties

 

21.111

– 2.126

– 2.178

1.276

1.172

92.826

Stand ontwerpbegroting 2017

 

195.774

89.537

94.485

92.939

92.835

92.826

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van voorgenomen uitgaven die naar verwachting op 1 januari 2017 nog niet juridisch zijn verplicht. Het gaat om gereserveerde middelen die later in het begrotingsjaar worden verplicht. In veel gevallen liggen er ook bestuurlijke afspraken aan deze voornemens ten grondslag. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn dan ook niet te beschouwen als middelen die zonder meer vrijelijk beschikbaar zijn voor alternatieve aanwending.

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bijdragen x € 1.000)

Art.

Naam artikel

Artikeltotaal

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridische verplichte uitgaven

Bestemming van de niet juridisch verplichte uitgaven

1

Volksgezondheid

653.099

627.943

96,1%

25.156

3,9%

949

voor preventie schadelijke stoffen

             

4.697

voor gezonde leefstijl en gewicht

             

1.300

voor preventiecoalities

             

500

voor nader onderzoek naar de doodsoorzaak van kinderen (NODOK)

             

4.474

voor terugdringen van antibioticaresistentie

             

500

voor het amendement Voortman: Voorlichting tieners bij zwangerschap

             

3.000

voor de uitvoering van de subsidieregeling Publieke Gezondheid

             

591

voor gezondheidsbescherming algemeen

             

325

voor product en voedselveiligheid

             

70

voor preventie schadelijke middelengebruik ADT

             

250

voor het stimuleringsprogramma versterking GGD’en

             

250

voor de crisisbeheersing volksgezondheid

             

1.000

voor de preventie van infectieziekten

             

150

voor ethisch verantwoord handelen

             

2.000

voor kinkhoestvaccinatie zwangere vrouwen

             

5.000

voor de aanschaf antivirale middelen

             

100

voor de bijdrage college toelating bestrijdingsmiddelen

2

Curatieve zorg

3.816.813

3.799.353

99,5%

17.460

0,5%

8.750

voor ICT in ziekenhuizen

             

2.250

voor antibioticaresistentie

             

1.000

voor de geneesmiddelenvisie

             

800

voor de campagne orgaandonatie

             

400

voor de campagne vervalsingen

             

800

voor donatie bij leven

             

3.460

voor overige bestuurlijk gebonden subsidies en opdrachten

3

Langdurige zorg en ondersteuning

3.768.067

3.744.067

99,4%

24.000

0,6%

4.000

voor de evaluatie van de HLZ en de doorontwikkeling van de monitor langdurige zorg

           

5.000

voor Waardigheid en Trots

           

1.200

voor informatiebeleid- en voorziening

           

6.000

voor het zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

           

2.000

voor antibioticaresistentie

           

5.800

voor de kwaliteit van de gehandicaptenzorg

               

4

Zorgbreed beleid

915.450

888.428

97,0%

27.022

3,0%

1.500

voor opleiden ziekenhuisartsen

             

2.500

voor de toekomstvaste langdurige zorg en ondersteuning

             

2.000

voor de innovatie beroepen en opleidingen

             

2.000

voor het versterken van de regionale arbeid- en opleidingsmarkt

             

2.000

voor de bijdragen onderzoekprogramma’s SCP/CPB/Staat van VenZ/RVS

             

4.600

voor de taakherschikking & vernieuwing opleidingen

             

2.000

voor het programma Deltaplan dementie

             

400

voor het programma Ambient Assistent Living

             

500

voor het programma Zwangerschap en Geboorte

             

3.900

voor de financiering van innovatieve zorg of ondersteuning (Nationaal Programma Ouderenzorg)

             

5.622

voor overige bestuurlijk gebonden subsidies en opdrachten

5

Jeugd

115.531

51.464

44,5%

64.067

55,5%

60.824

voor de vergoedingen aan jeugdhulporganisaties die te maken hebben met bijzondere transitiekosten

             

2.250

voor de opdrachten, met name voor de aanpak van kindermishandeling, professionalisering, informatievoorziening

             

993

voor de subsidies die in het kader van kindermishandeling nog verstrekt moeten worden

6

Sport en bewegen

126.704

123.780

97,7%

2.924

2,3%

80

voor opdrachten op het terrein van Kennis en Innovatie

             

194

voor subsidieaanvragen op het terrein van Gehandicaptensport

             

700

voor subsidieaanvragen op het terrein van Topsportevenementen

             

1.950

voor subsidieaanvragen op het terrein van Sport en Bewegen in de buurt

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII

273.515

271.462

99,2%

2.053

0,8%

2.053

voor programma's op het terrein van educatie en projecten toekomst herinnering

8

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

4.448.121

4.448.121

100,0%

0

0,0%

0

Niet van toepassing

                 

Totaal aan niet verplichte uitgaven

   

162.682

     

MEERJARENPLANNING BELEIDSDOORLICHTINGEN

Artikel1

Naam artikel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Geheel artikel?

1

Volksgezondheid2
             

Nee

 

1. Gezondheidsbescherming

         

X

   
 

2. Ziektepreventie

X

         

X

 
 

3. Gezondheidsbevordering

 
X3
           
 

4. Ethiek

               

2

Curatieve Zorg 4
             

Nee

 

1. Kwaliteit en veiligheid

 

X

           
 

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

   

X

         
 

3. Bevordering werking van het stelsel

X

             

3

Langdurige zorg en ondersteuning

     

X

     

Ja

4

Zorgbreed beleid 5
             

Nee

 

1. Positie cliënt

X

         

X

 
 

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

X

           
 

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

   

X

         
 
4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten6
               
 

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

 

X

           

5

Jeugd 7

X

   

X

     

Ja

6

Sport en bewegen

   

X

       

Ja

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II

     

X

     

Ja

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

       

X

   

Ja

Noot 1: Het meest recente overzicht van afgeronde beleidsdoorlichtingen kan hier worden ingezien. Voor overig beleidsonderzoek wordt verwezen naar de bijlage evaluaties en overig onderzoek.

Noot 2: Voor artikel 1 is, gegeven de diversiteit van de beleidsonderwerpen en de omvang van het beleidsartikel, gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten.

Noot 3: Hiervoor is een IBO Gezonde Leefstijl uitgevoerd.

Noot 4: Voor artikel 2 is in eerste instantie gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten. In 2022 wordt het artikel als geheel doorgelicht.

Noot 5: Voor artikel 4 is, gegeven de diversiteit van de beleidsonderwerpen en de omvang van het beleidsartikel, gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten.

Noot 6: Voor artikelonderdeel 4.4 is geen doorlichting gepland. Binnen de inrichting van uitvoeringsactiviteiten en de daarmee samenhangende beheerskosten vindt per ZBO vijfjaarlijks een evaluatie plaats op grond van de Kaderwet ZBO’s.In 2014 zijn de NZa en ZiNL geëvalueerd. Bij de NZa is dit in samenhang met de evaluatie van de Wmg gebeurd. Gegeven de aard van artikelonderdeel 4.4 is een beleidsdoorlichting niet aan de orde.

Noot 7: Met de transitie van de Jeugdzorg is de structuur van begrotingsartikel 5 aangepast. De resterende budgettaire gevolgen van beleid, die tot 2016 op artikel 5.1 en 5.2 stonden, worden in artikel 5.3 ondergebracht. De beleidsdoorlichting van artikel 5.1 is in 2015 aan de Tweede Kamer verzonden (TK 32 772, nr. 3).

Toelichting per artikel(-onderdeel)

Artikel 1

  • 1.1  Het beleid dat voortvloeit uit het Nationaal Programma Preventie (NPP) beslaat het grootste deel van artikel 1. De komende jaren worden evaluaties op onderdelen van artikel 1 uitgevoerd. Deze beleidsevaluaties worden betrokken in een integrale beleidsdoorlichting van artikel 1. Deze is in 2020 gereed.
  • 1.2  De beleidsdoorlichting Ziektepreventie is in 2015 naar de Tweede Kamer verzonden (TK 32 772, nr. 5).
  • 1.3  In 2015/2016 is het IBO Gezonde Leefstijl uitgevoerd en wordt naar verwachting in de tweede helft van september naar de Tweede Kamer verzonden.
  • 1.4  Het beleid van Ethiek wordt voor een belangrijk deel vormgegeven door wetgeving. Hiervoor vindt geen beleidsdoorlichting plaats. Medisch-ethische wetgeving wordt over het algemeen eens per 5 jaar geëvalueerd. Deze wetsevaluaties zijn onafhankelijke onderzoeken, waarvan de resultaten naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van artikelonderdeel 1.4 Ethiek.

Artikel 2

  • 2.1  Het beleid op het gebied van kwaliteit en (patiënt-)veiligheid wordt nu doorgelicht en is eind 2016 gereed. Hierbij wordt een aantal (externe) onderzoekstrajecten rond het VMS-veiligheidsprogramma ziekenhuizen betrokken.
  • 2.2  De doorlichting van het beleid gericht op toegankelijkheid en betaalbaarheid van het stelsel (gereed in 2017) vindt plaats op basis van evaluaties van subsidies en regelingen die onder dit artikelonderdeel vallen.
  • 2.3  Het beleid om de werking van het stelsel te bevorderen is in 2015/2016 doorgelicht, hierbij is onder andere de evaluatie onverzekerden en wanbetalers betrokken. De beleidsdoorlichting is naar de Tweede Kamer verzonden (TK 32 772, nr. 12).

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel. In 2022 zal het artikel in zijn geheel worden doorgelicht.

Artikel 3

Vanwege de hervorming van de langdurige zorg (HLZ) is een brede beleidsdoorlichting gepland in 2018.

Artikel 4

  • 4.1  De beleidsdoorlichting op het terrein van de positie van de cliënt is in januari 2016 naar de Tweede Kamer verzonden (TK 32 772, nr. 10).
  • 4.2  De evaluaties stagefonds en regionaal arbeidsmarktbeleid worden in de beleidsdoorlichting (2016) van de opleidingen, beroepenstructuur en de arbeidsmarkt binnen de zorg betrokken.
  • 4.3  De evaluatie van ZonMw (2016) wordt bij de doorlichting (2017) van het kennisontwikkelingsbeleid betrokken.
  • 4.4  Binnen de inrichting van uitvoeringsactiviteiten en de daarmee samenhangende beheerskosten vindt per ZBO vijfjaarlijks een evaluatie plaats op grond van de Kaderwet ZBO’s. In 2014 zijn de NZa en het ZiNL geëvalueerd. Bij de NZa is dit gebeurd in samenhang met de evaluatie van de Wmg. Gegeven de aard van dit artikelonderdeel is een beleidsdoorlichting niet aan de orde.
  • 4.5  In het najaar van 2015 is een beleidsdoorlichting gestart naar de zorg en jeugdzorg op Caribisch Nederland, in navolging van de in 2015 uitgevoerde evaluatie van de Wet op de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba (WolBES). De doorlichting wordt in 2016 aan de Tweede Kamer verzonden.

Bovenstaande beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van artikelonderdeel 4.4.

Artikel 5

  • 5.1  Het beleid op het gebied van ondersteuning bij opvoeden en opgroeien is in 2014–2015 doorgelicht en begin 2015 aan de Kamer verzonden (TK 32 772, nr. 3). Voor 2015 en verder staan geen uitgaven begroot op dit artikelonderdeel.
  • 5.2  Voor 2015 en verder staan geen uitgaven begroot op dit artikelonderdeel.
  • 5.3  De jeugdzorg en de daarmee gemoeide begrotingsuitgaven zijn per 2015 gedecentraliseerd. Na drie jaar wordt deze decentralisatie geëvalueerd. De beleidsinstrumenten op artikel 5.3 worden in 2018 doorgelicht.

Bovengenoemde beleidsdoorlichting bestrijkt het totale artikel.

Artikel 6

De Topsportcyclus loopt van 2013 tot en met 2016. De doorlichting van het sportbeleid is gepland in 2017.

Bovengenoemde beleidsdoorlichting bestrijkt het totale artikel.

Artikel 7

Het beleid rondom uitkeringen en pensioenen oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers en de herinnering aan WOII wordt in 2018 doorgelicht.

Bovengenoemde beleidsdoorlichting bestrijkt het totale artikel.

Artikel 8

  • 8.1  Het beleid omtrent de zorgtoeslag wordt in 2019 doorgelicht.
  • 8.2  De Wtcg is per 2014 afgeschaft.

OVERZICHT GARANTIES EN ACHTERBORGSTELLINGEN

In reactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen heeft het kabinet in 2013 voor nieuwe en bestaande risicoregelingen een garantiekader opgesteld (TK 33 750, nr 13). In lijn met het kabinetsbeleid gaat VWS terughoudend om met het gebruik van risicoregelingen. Conform de afspraken binnen het kabinet worden in deze paragraaf de garanties en achterborgstelling van VWS uitgebreid toegelicht.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

 

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantieplafond 2017

Totaal plafond

2

Voorzieningen tbv De Hoogstraat

begrotingswet

9.631

0

397

9.234

0

397

8.837

0

8.837

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

1958

322.939

0

41.903

281.036

0

37.976

243.060

0

243.060

3

Voorzieningen tbv verpleeghuizen

financiering

19.215

0

2.870

16.345

0

4.640

11.705

0

11.705

3

Voorzieningen tbv psychiatrische instellingen

1958

27.624

0

2.865

24.759

0

2.865

21.894

0

21.894

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigen inrichtingen

1958

9.975

0

1.456

8.519

0

1.492

7.027

0

7.027

3

Voorzieningen tbv overige instellingen

1958

862

0

171

691

0

196

495

0

495

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

1958

24.668

0

2.118

22.550

0

2.118

20.432

0

20.432

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigeninrichtingen

rijksregeling

7.367

0

588

6.779

0

1.849

4.930

0

4.930

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

rijksregeling

79.541

0

7.633

71.908

0

6.896

65.012

0

65.012

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

rijksregeling

503

0

47

456

0

48

408

0

408

3

Niet sedentaire personen

 

972

0

127

845

0

127

718

0

718

 

TOTAAL

 

503.297

0

60.175

443.122

0

58.604

384.518

0

384.518

Toelichting

Doel en werking garantieregeling

De in de tabel vermelde verstrekte garanties komen voort uit drie aparte regelingen: de Garantieregeling inrichtingen voor gezondheidszorg 1958, de Rijksregeling Dagverblijven voor gehandicapten inzake erkenning, subsidiëring, verlening van garanties en toezicht uit 1971 en de Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor gehandicapten, ook uit 1971. De betreffende regelingen dateren uit een tijd dat de overheid een expliciete verantwoordelijkheid had voor bouw en spreiding van intramurale zorgvoorzieningen. Door het afgeven van de garanties was het voor zorginstellingen eenvoudiger om via institutionele beleggers, en in latere jaren door banken, financiering te krijgen voor investeringen in hun vastgoed.

Beheersing risico’s en versobering

De Rijksgarantieregelingen zijn rond de eeuwwisseling gesloten voor nieuwe gevallen waardoor het financiële risico van het Ministerie van VWS door reguliere en vervroegde aflossing van de uitstaande leningen geleidelijk wordt afgebouwd. De laatste rijksgegarandeerde lening loopt af in 2043. Het monitoren van de instellingen aan wie een rijksgarantie verstrekt is, alsmede van de leningen (bijv. renteherziening), wordt sinds 2004 in mandaat uitgevoerd door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) namens de Minister van VWS (Besluit van 17 december 2003, Stcrt. 2004, nr. 7, blz. 11).

Instellingen die financieel in de gevarenzone dreigen te komen, worden door het WFZ onder verscherpte bewaking gesteld waarbij onder meer frequent informatie wordt ingewonnen. Indien een zorginstelling met een geborgde lening niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen dan neemt het Ministerie van VWS in een dergelijk geval de betalingsverplichting van de zorginstelling over. Dit betekent dat een schade niet ineens hoeft te worden uitgekeerd, maar ook verspreid over de resterende looptijd van de lening kan worden betaald.

Premiestelling en kostendekkendheid

De bovengenoemde regelingen zijn rond de eeuwwisseling gesloten. Voor de afgegeven garanties worden geen risicopremies doorberekend en dit is op basis van de afgesloten contracten ook niet mogelijk.

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo

2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

2.630

0

2.630

0

0

0

0

0

0

Toelichting

In 2014 is de Stichting Vastgoed Pasana failliet verklaard. Deze stichting beschikte over garanties voor een aantal leningen op grond van bovenstaande garantieregelingen. In 2015 heeft het Rijk deze financiële verplichtingen aan de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) in één keer afgelost voor een bedrag van ruim € 2,6 miljoen (TK 32 299, nr. 43).

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantieplafond 2017

Totaal plafond

Art. 2

GO Cure

26.851

1.525

25.326

1.545

23.781

23.781

Toelichting

Garantie ondernemingsfinanciering cure

De tijdelijke regeling Garantie Ondernemingsfinanciering Curatieve Zorg (GO Cure) is in het kader van de kredietcrisis ingesteld om de bouw in de curatieve gezondheidszorg te stimuleren. Ziekenhuizen, categorale instellingen, geestelijke gezondheidszorg en zelfstandige behandelcentra hebben tot en met 2012 gebruik kunnen maken van de regeling. Bij de GO Cure heeft de overheid garanties verstrekt voor 50% van een nieuwe banklening vanaf € 1,5 tot € 50 miljoen, met een maximale looptijd van 8 jaar. De verstrekte garanties lopen af in 2020. De GO Cure maakt deel uit van de bredere Garantieregeling Ondernemingsfinanciering (GO) die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. De cijfermatige gegevens van de GO Cure zijn daarom tevens opgenomen onder de GO in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Omschrijving

2016

2017

Achterborgstelling

8.148,1

7.921,7

Bufferkapitaal

266,6

274,9

Obligo

243,2

237,7

Stand begrotingsreserve

0

5,0

Toelichting

Doel en werking garantieregeling

De bovenstaande tabel is gebaseerd op gegevens van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Het WFZ verstrekt garanties aan financiële instellingen voor leningen van de bij het WFZ aangesloten leden. De Staat is achterborg voor het WFZ. Het WFZ is voortgekomen uit de financieringsproblemen voor zorginstellingen die ontstonden begin jaren ’90 van de vorige eeuw. Het WFZ is door de koepels in de sector opgericht om de financiering voor zorginstellingen te vergemakkelijken en daarmee de continuïteit van de zorg veilig te stellen. Het totaal bedrag aan uitstaande verplichtingen is in 2016, volgens de raming van het WFZ, € 8.148,1 miljoen.

Beheersing risico’s en versobering

De risico’s voor het Ministerie van VWS van de achterborg worden beperkt door een aantal maatregelen. Allereerst kent het WFZ een selectieve toelating. Voor deelname aan het WFZ moeten zorginstellingen hun financiële situatie voldoende op orde hebben. Daarnaast worden garanties alleen verstrekt aan vertrouwenwekkende investeringen. Te risicovolle projecten worden niet geborgd. Verder zijn aangesloten leden gebonden aan het reglement van het WFZ en de daarin omschreven risicobeperkende bepalingen. Een deelnemer mag bijvoorbeeld niet zonder toestemming van het WFZ gebruik maken van rentederivaten. In het kader van het kabinetsbeleid van versobering van risicoregelingen heeft een evaluatieonderzoek van het WFZ plaatsgevonden. Dit onderzoek is in maart 2015 afgerond (TK 34 000 XVI, nr. 108). Het onderzoek laat zien dat de doelstellingen van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) nog steeds actueel zijn: bevorderen van de continuïteit van financiering, beperken van de macrorentekosten en stimuleren van goed financieel management bij zorginstellingen. Het WFZ, met het Rijk als achterborg, speelt kortom nog steeds een waardevolle rol bij de financierbaarheid van investeringen in zorgvastgoed.

Premiestelling en kostendekkendheid

Het Ministerie van VWS ontvangt geen premie voor de achterborg. Zorginstellingen betalen een eenmalige premie (disagio) voor de garantstelling aan het WFZ. Hiermee bouwt het WFZ een risicovermogen op waarmee eventuele claims kunnen worden gedekt. Als dit risicovermogen onvoldoende zou zijn om eventuele schades te dekken, kunnen de deelnemers aan het WFZ via de zogenaamde obligo worden verplicht een financiële bijdrage te leveren van maximaal 3% van de uitstaande garanties van de instelling. Als het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van de deelnemers tezamen niet voldoende zijn voor het WFZ om aan zijn verplichtingen richting geldverstrekkers te kunnen voldoen, kan het WFZ zich richting VWS beroepen op de achterborg. Dit houdt in dat op dat moment VWS het WFZ van een lening zal voorzien zodat het WFZ aan zijn verplichtingen kan voldoen. Het WFZ heeft nog nooit een beroep hoeven doen op de obligoverplichting van de WFZ-deelnemers.

Begrotingsreserve

Het is nog nooit nodig is geweest voor het WFZ om de achterborg van het Rijk in te roepen. Niettemin is besloten om in het kader van de verdere beperking van de risico’s vanaf het jaar 2017 een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg. Deze begrotingsreserve is opgenomen onder artikel 9.

Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijdlening

2

IJsselmeerziekenhuizen

2.000

2 jaar

De Stichting IJsselmeerziekenhuizen heeft in het voorjaar van 2009 twee leenovereenkomsten (van € 12,5 respectievelijk € 2 miljoen) gesloten met VWS als gevolg van financiële problemen. De IJsselmeerziekenhuizen werden destijds aangemerkt als systeemziekenhuis waarbij de continuïteit van zorg moest worden gewaarborgd. In mijn brief aan de Kamer van 10 december 2014 over de inventarisatie van specifieke toezeggingen staan deze leningen vermeld (TK 34 000-XVI, nr. 95). Over de afbetaling van de twee leningen zijn afspraken gemaakt. Op grond daarvan komt de terugbetaling van de achtergestelde lening van € 2 miljoen te vervallen; dit is verwerkt in de begroting. Van de andere lening dient nog € 2 miljoen te worden terugbetaald.

Maatschappelijke doelstellingen en indicatoren

Monitor

De Kamer heeft naar aanleiding van het wetgevingsoverleg over het VWS-jaarverslag 2014 verzocht de verantwoordingsfunctie van het jaarverslag te verbeteren. In overleg met de werkgroep van de Vaste Kamercommissie is verkend hoe deze verbetering kan worden vormgegeven. Dit heeft geresulteerd in de VWS-monitor, een handzaam overzicht met het doel om meer inzicht te verkrijgen in hoe het met de gezondheid(szorg) in Nederland gesteld is. De kerncijfers die gekoppeld zijn aan de maatschappelijke doelstellingen en bijbehorende indicatoren zijn te vinden op: www.StaatVenZ.nl.

 

Toegankelijkheid

Betaalbaarheid

Kwaliteit

Betrokken samenleving

Zorg rond de geboorte

Doelstellingen

• Optimale keuzevrijheid voor type bevalling en begeleiding/meest geschikt

• Goed geïnformeerde keuzes kunnen maken

• Een gezond kind op de wereld zetten is voor iedereen betaalbaar

• Voorkomen relatief hoge geboortesterfte en/of

• Perinatale sterfte zo laag mogelijk

• Snel herstel in gezinsverband

• Vroegsignalering van medische en sociale problemen

Indicatoren

• % Bereik acute verloskunde binnen 45 minuten1

• Aantal verloskundigen

• Kosten nuljarigen2

• Kosten geboortezorg

• Foetale sterfte

• Neonatale sterfte

• Moedersterfte

• % Deelname PSIE (zwangerschapsscreening)

• % postnatale depressie

Gezond blijven

Doelstellingen

• Er is een laagdrempelige ondersteuning naar behoefte

• Er is goed aanbod van gezondheidsbevordering voor groepen

• De investering in preventie draagt bij aan voorkomen zware zorg later

• Preventie vindt kosteneffectief plaats

• Gezond en veilig opgroeien

• Het bevorderen van een gezonde leefstijl

• Stimuleren sociale netwerken, sport en bewegen, maatschappelijk en vrijwilligerswerk

Indicatoren

• Aantal JOGG-gemeenten (Jongeren op Gezond Gewicht, Nationaal Programma Preventie)

• Aantal JGZ-organisaties

• Aanbod verslavingszorg

• Uitgaven aan preventie

• % (jongeren) met overgewicht

• % rokers (onder jongeren)

• Levensverwachting in goed ervaren gezondheid

• % deelname screeningen

• % deelname sport en bewegen 12+-ers

• % deelname sport en bewegen jongeren

Beter worden Doelstellingen

• De cliënt centraal: mensen kunnen bij voldoende zorgaanbieders binnen redelijke termijn terecht

• Stijging macrokosten blijft beperkt

• Aandacht voor ongewenste stapeling eigen betalingen

• Zinnige zorg en therapietrouw

• Zorg met zo min mogelijk belasting en zo veel mogelijk resultaat voor patiënt

• Mensen herstellen snel en worden ook tijdens ziekteproces in staat gesteld te participeren

Indicatoren

• Wachttijden: % dat boven Treeknormen zit

• % boven 15 minuten aanrijtijden ambulances

• Percentage van de totale collectieve uitgaven dat wordt besteed aan de gezondheidszorg

• Uitgaven aan zorg per sector (GGZ, eerste lijn, MSZ)

• Aantal wanbetalers Zvw en onverzekerden

• Potentieel vermijdbare sterfte

• Zorggerelateerde schade

• Vermijdbare ziekenhuisopnamen: aantal ziekenhuisopnamen per 100.000 inwoners per jaar voor diabetes/astma/COPD/hartfalen

• Gemiddelde ligduur in ziekenhuizen

• % Ziekteverzuim

Leven met een chronische ziekte en beperkingen Doelstellingen

• De cliënt centraal: mensen kunnen bij voldoende zorgaanbieders binnen redelijke termijn terecht

• Stijging macrokosten blijven beperkt

• Beperken stapeling eigen betalingen

• Maatwerk gericht op participatie en zelfredzaamheid

• Ervaren kwaliteit van leven

• Stimuleren maatschappelijke participatie

Indicatoren

• Gebruik zorg met verblijf en gebruik zonder verblijf (wijkverpleging)

• Wachtlijst Wlz (treeknormen)

• Uitgaven Wlz

• Uitgaven Wmo

• Kosten per chronische ziekte (bijvoorbeeld diabetes)

• Percentage zorgverleners dat aangeeft dat de kwaliteit van zorg verleend door de eigen afdeling/team niet goed is

• % Bevolking dat een goede gezondheid ervaart

• Ziektelast naar chronische ziekte

• Verloren levensjaren uitgesplitst naar chronische ziekte

• Mensen met een lichamelijke beperking die betaald werk hebben

• Aantal mantelzorgers

• Eenzaamheid: % volwassenen dat zich eenzaam voelt

Zorg in de laatste fase

Doelstellingen

• De cliënt centraal: mensen kunnen bij voldoende zorgaanbieders binnen redelijke termijn terecht

• Onnodig doorbehandelen voorkomen door goede (kennis over) palliatieve zorg

• De wensen van de cliënt (welke zorg en waar) staan centraal

• Cliënten en naasten ondersteunen om laatste levensfase zo lang mogelijk in of nabij eigen sociale omgeving door te kunnen brengen

Indicatoren

• Aanbod en gebruik palliatieve zorg

• Uitgaven laatste levensjaar

   

Noot 1: Cijfer staat in De Staat

Noot 2: Er is een cijfer maar (nog) niet in de Staat

3. Beleidsartikelen

Beleidsartikel 1 Volksgezondheid

1. Algemene doelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

 

1981

1990

2000

2005

2010

2011

2012

2013

2014

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                 

– mannen

72,7

73,8

75,5

77,2

78,8

79,2

79,1

79,4

79,9

– vrouwen

79,3

80,1

80,6

81,6

82,7

82,9

82,8

83,0

83,3

2. Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                 

– mannen

59,9

60,6

61,5

62,5

63,9

63,7

64,7

64,6

64,9

– vrouwen

62,4

61,9

60,9

61,8

63,0

63,3

62,6

63,5

64,0

1. Bron absolute levensverwachting: Staat van Volksgezondheid en Zorg

2. De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2014 bedroeg 83,3 jaar. Dat is 3,4 jaar hoger dan die van mannen (79,9 jaar). Sinds 1981 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1981 een winst van 7,2 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 4,0 jaar ouder geworden.

3. Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: CBS-StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981. Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave van de Minister van VWS is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – indien mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ), ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet en de Tabakswet. Op het gebied van voedselveiligheid en consumenteninformatie zijn vrijwel uitsluitend Europese Verordeningen rechtstreeks van toepassing.

De Minister vervult de volgende rollen:

Stimuleren:

  • –  Bevorderen dat mensen gezonder leven door gezonde keuzes makkelijker te maken en te zorgen voor betrouwbare informatie over een gezonde leefstijl.

Financieren:

  • –  Financieren van doelmatige, kwalitatieve en toegankelijke bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing van levensbedreigende ziekten, zoals borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.
  • –  Financiering van de neonatale hielprikscreening en de prenatale screening.
  • –  Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere de financiering van het Rijksvaccinatieprogramma en de bescherming tegen infectieziekten.
  • –  Financiering voor het uitvoeren van wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.
  • –  Financiering van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting.
  • –  Financiering van de abortusklinieken.
  • –  Financiering van de landelijke ondersteuningsstructuur ten behoeve van de kwaliteit en doelmatigheid van publieke gezondheid.

Regisseren:

  • –  Het opstellen van een wettelijk kader voor bescherming van consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen en het handhaven ervan door de NVWA.
  • – 

    Het opstellen van een wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak en doen handhaven ervan door gemeenten respectievelijk de NVWA.

    Inzetten op een gezonder aanbod van voeding (Akkoord Verbetering Productsamenstelling).

    Aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze de makkelijke keuze is.

  • –  Het tegengaan van ontstaan en verspreiding van antibioticaresistentie in de gezondheidszorg, voedsel, milieu en binnen de dierhouderij, in nauwe samenwerking met het Ministerie van EZ.
  • –  Opstellen wettelijk kader en doen handhaven van de kwaliteit van de jeugdgezondheidszorg.
  • –  In het geval van A-ziekten (Wet publieke gezondheid) geeft de Minister leiding aan de bestrijding van deze infectieziekten.
  • –  Coördinatie van het interdepartementaal drugsbeleid en zorgen voor het wettelijk kader (Opiumwet) en voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.
  • –  Het formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

3. Beleidswijzigingen

Beoordelingskamer vaccins:

In de periode van juli 2014 tot juli 2016 heeft een proefperiode met de beoordelingskamer vaccins (een samenwerking tussen de Gezondheidsraad (GR) en het Zorginstituut Nederland) plaatsgevonden. Op basis van het advies dat de GR en het Zorginstituut (ZiNL) in juli 2016 hierover hebben uitgebracht zal in 2017 een structurele invulling worden gegeven aan de beoordeling van vaccinaties en vaccins. Het doel is het proces rond advisering over vaccinaties en vaccins te stroomlijnen zodat de in Nederland beschikbare vaccins optimaal kunnen worden benut.

Terugdringen van antibioticaresistentie

Antibioticaresistentie is een sluipende bedreiging voor de volksgezondheid. Tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in 2016 was antibioticaresistentie daarom een belangrijk thema. De raadsconclusies op het gebied van zorg en landbouw die aan het eind van het voorzitterschap zijn vastgesteld, vormen de basis voor gezamenlijke afspraken tussen zorg en landbouw in de EU. Er zijn op het zorgdomein 32 zorgpartijen betrokken bij de uitvoering van het plan van aanpak (TK 32 620, nr. 159). Belangrijkste is het tot stand komen van regionale zorgnetwerken vanaf 2017, met als doel uitbraken te voorkomen en verspreiding van antibioticaresistentie in de regio terug te dringen. Voor dieren wordt met EZ samengewerkt om het volksgezondheidsbelang bij maatregelen in de dierhouderij goed te borgen. Op het terrein van innovatie is een landelijke structuur opgezet waarin wetenschap, onderzoek en farmacie gezamenlijk werken aan het ontwikkelen en implementeren van nieuwe antibiotica en alternatieven voor antibiotica. Op het gebied van milieu- en voedselveiligheid wordt door onderzoek beter inzicht in de transmissieroutes van (resistente) bacteriën naar de mens verkregen. In 2017 worden gerichte beleidsmaatregelen afgesproken en in gang gezet.

Preventiecoalities

Zorgverzekeraars en gemeenten moeten beter samenwerken om preventieve activiteiten voor risicogroepen meer in samenhang aan te bieden. Het Ministerie van VWS bevordert dit vanaf 2017 met een subsidieregeling waarmee het mogelijk wordt een beperkt deel van de coördinatiekosten via het Rijk te financieren. De effecten van de regeling worden gemonitord. Aan de Tweede Kamer wordt hierover jaarlijks gerapporteerd.

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

De NIPT betreft een screening tijdens de zwangerschap. De test kan onder andere het downsyndroom opsporen zonder dat er sprake is van een verhoogd risico op een miskraam. Omdat eventuele opname in het basispakket afhankelijk is van de advisering van het Zorginstituut (en de Gezondheidsraad) kan de NIPT als eerste test niet eerder dan per 2018 opgenomen worden in het basispakket. In 2017 zal de bekostiging derhalve lopen via een subsidieregeling.

Health checks

Consumenten krijgen een steeds uitgebreidere keuze als het gaat om health checks. De huidige wettelijke kaders sluiten daar niet meer bij aan. Voor 2017 is het voornemen om een herziening van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) voor te bereiden. De wetswijziging beoogt meer ruimte voor innovatie op dit terrein, de mogelijkheid voor mensen om zelf te kiezen voor de health check die zij nodig vinden en waarborgen voor de kwaliteit.

Depressiepreventie

Depressie is één van de zes speerpunten van het preventiebeleid. Depressie is een belangrijk probleem voor de volksgezondheid: per jaar krijgen ruim 560.000 mensen een depressie en in totaal leiden circa 800.000 mensen aan een depressie. Depressie staat al jaren in de top vijf van aandoeningen met hoogste ziektelast, hoogste ziektekosten en grootste veroorzaker van arbeidsverzuim. Ambitie in het Nationaal Programma Preventie (NPP) Alles is gezondheid is dat het aantal mensen met een depressie afneemt. Streven is om de incidentie en impact van depressie in 2030 met 1/3 af te laten nemen. Daarvoor is het nodig dat meer mensen uit de hoogrisicogroepen bereikt worden met depressiepreventie. Om dit te realiseren besteedt VWS vanaf 2017 samen met de betreffende beroepsgroepen en kennisinstellingen de komende jaren aandacht aan depressie via zowel een publiekscampagne depressie als een meerjarenprogramma depressiepreventie. VWS zet middelen in voor het uitvoeren van dit meerjarenprogramma om te komen tot meer aandacht voor depressiepreventie, te beginnen bij jongeren en jonge vrouwen, een sluitende ketenaanpak, juiste inzet van preventieve interventies voor zowel signaleren als behandelen en het opnemen van deze werkwijze in opleiding, richtlijnen en werkwijze van beroepsgroepen.

Evaluatie Drank- en Horecawet

In 2016 is de Drank- en Horecawet geëvalueerd. In het eerste kwartaal van 2017 wordt de kabinetsreactie op de evaluatie naar beide Kamers gestuurd.

Rookvrij opgroeien

Niet roken vóór, tijdens en na de zwangerschap is een nieuw speerpunt binnen het beleid voor tabaksontmoediging. In het najaar van 2016 start een publiekscampagne om het bewustzijn ten aanzien van rookvrij opgroeien te vergroten, de rol van de sociale omgeving van (aanstaande) ouders maakt hiervan onderdeel uit. Daarnaast is een Taskforce Rookvrij Opgroeien ingesteld die gedurende een periode van 2 jaar bewustwording en onderlinge samenwerking onder professionals moet bevorderen, zodat (aanstaande) ouders vaker gemotiveerd en beter begeleid worden bij het stoppen met roken.

Gezonde School

Een groot aantal programma’s op het gebied van Gezonde School loopt eind 2016 af (onder andere de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl, Gezondeschool.nl, vignet Gezonde School). De PO-, VO- en MBO-raad, het RIVM en GGD GHOR Nederland komen gezamenlijk, in afstemming met instituten en fondsen tot een nieuw plan Gezonde School voor de periode 2017–2020. De Ministeries van OCW, VWS, SZW en EZ zijn hierbij nauw betrokken. De Tweede Kamer wordt voor het einde van 2016 geïnformeerd over de samenhangende visie op Gezonde School en de activiteiten die hieruit voor 2017 en verder voortvloeien.

Aanpak gezondheid vergunninghouders

Naar aanleiding van het uitwerkingsakkoord verhoogde asielinstroom van 28 april 2016 wordt in 2016, 2017 en 2018 in overleg met de VNG ingezet op de ondersteuning van gemeenten bij het bevorderen van de gezondheid van nieuwe vergunninghouders. Daarbij wordt aangesloten bij de migratieketen (huisvesting, integratie, school, werk) en het bestaande gezondheidsbeleid. Hiervoor worden via het Ondersteuningsteam asielzoekers en vergunninghouders (OTAV, samenwerkingsverband Rijk en VNG) en GGD, 25 regiocoördinatoren ingezet. De concrete behoeften van gemeenten en beschikbare kennis en instrumenten worden landelijk bijeengebracht in een kennisdelingsprogramma, gecoördineerd door Pharos. Dit moet er toe leiden dat gemeenten in 2018 de kennis en vaardigheden bezitten en concrete activiteiten verrichten om de gezondheid van statushouders te bevorderen, geborgd binnen het lokale gezondheidsbeleid.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

625.302

599.956

646.009

637.798

654.104

649.991

650.700

                   

Uitgaven

591.257

604.871

653.099

643.568

656.749

650.957

650.700

Waarvan juridisch verplicht

   

96,1%

       
                   

1. Gezondheidsbescherming

104.033

107.126

104.232

121.156

121.831

120.213

118.591

                 
 

Subsidies

2.134

2.792

4.251

6.468

8.089

6.468

4.846

   

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie

2.020

2.788

4.247

6.462

8.083

6.462

4.840

   

Overig

114

4

4

6

6

6

6

                   
 

Opdrachten

1.227

2.949

1.450

1.787

1.509

1.509

1.509

   

Aanschaf Jodiumtabletten

0

774

0

0

0

0

0

   

Overig

1.227

2.175

1.450

1.787

1.509

1.509

1.509

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

100.569

101.047

98.430

97.592

96.925

96.927

96.927

   

Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit

79.647

80.198

81.550

81.380

81.386

81.388

81.388

   

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

20.526

18.700

15.846

14.956

14.273

14.273

14.273

   

Overig

396

2.149

1.034

1.256

1.266

1.266

1.266

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

21

237

0

0

0

0

0

   

Overig

21

237

0

0

0

0

0

                   
 

Bijdragen aan medeoverheden

82

101

101

15.309

15.308

15.309

15.309

   

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

0

101

101

101

101

101

101

   

Lokaal verbinden

0

0

0

15.208

15.207

15.208

15.208

   

Overig

82

0

0

0

0

0

0

               

2. Ziektepreventie

416.453

428.378

477.291

452.555

465.235

461.044

462.404

                 
 

Subsidies

207.238

212.626

247.469

221.933

221.647

212.483

210.184

   

Ziektepreventie

7.633

11.989

16.337

14.733

14.598

8.934

8.934

   

RIVM: Regelingen publieke en seksuele gezondheid

199.604

200.637

204.824

207.200

207.049

203.549

201.250

   

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

0

0

26.308

0

0

0

0

                   
 

Opdrachten

284

709

11.528

7.653

14.683

14.683

14.683

   

(Vaccin)onderzoek

284

0

10.270

7.427

7.427

7.427

7.427

   

Overig

0

709

1.258

226

7.256

7.256

7.256

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

207.352

214.064

217.315

221.990

227.926

232.899

236.558

   

RIVM: Opdrachtverlening Centra

207.352

214.064

217.315

221.990

227.926

232.899

236.558

                 
 

Bijdragen aan medeoverheden

1.579

979

979

979

979

979

979

   

Overig

1.579

979

979

979

979

979

979

               

3. Gezondheidsbevordering

50.805

51.089

53.827

52.176

52.102

52.102

52.103

                   
 

Subsidies

33.082

32.460

33.744

32.272

31.705

31.705

31.705

   

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

1.787

2.115

7.515

7.515

7.207

7.207

7.207

   

Gezonde leefstijl en gezond gewicht

10.326

11.339

12.270

12.240

12.340

12.540

12.540

   

Letselpreventie

4.325

4.172

4.207

4.187

3.612

3.612

3.612

   

Bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

4.751

4.676

4.472

2.855

2.855

2.855

2.855

   

Bevordering van seksuele gezondheid

2.631

2.815

2.767

2.767

2.867

2.867

2.867

   

Overig

9.263

7.343

2.513

2.708

2.824

2.624

2.624

                 
 

Opdrachten

3.647

4.340

4.814

4.636

5.054

5.054

5.054

   

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

2.782

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

   

Communicatie verhoging leeftijdsgrenzen alcohol en tabak

0

0

1.060

1.060

1.060

1.060

1.060

   

Overig

865

1.240

654

476

894

894

894

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

0

105

190

190

265

265

265

   

Overig

0

105

190

190

265

265

265

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

55

700

700

700

700

700

   

Overig

0

55

700

700

700

700

700

                 
 

Bijdragen aan medeoverheden

14.076

14.129

14.379

14.378

14.378

14.378

14.379

   

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

14.076

13.932

13.932

13.932

13.932

13.932

13.932

   

Overig

0

197

447

446

446

446

447

               

4. Ethiek

19.966

18.278

17.749

17.681

17.581

17.598

17.602

                 
 

Subsidies

16.573

16.877

16.688

16.699

16.599

16.616

16.620

   

Abortusklinieken

15.705

15.551

15.523

15.534

15.534

15.551

15.555

   

Beleid Medische Ethiek

868

1.326

1.165

1.165

1.065

1.065

1.065

                   
 

Opdrachten

210

382

332

332

332

332

332

   

Overig

210

382

332

332

332

332

332

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

1.130

1.019

729

650

650

650

650

   

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

1.130

1.019

729

650

650

650

650

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

2.053

0

0

0

0

0

0

   

ZiNL: Rijksbijdrage abortusklinieken

2.053

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

21.221

7.403

7.403

7.403

10.903

10.903

10.903

   

Bestuurlijke boetes

4.112

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

   

Overig

17.109

3.151

3.151

3.151

6.651

6.651

6.651

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 302,2 miljoen is 95% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de tot en met 2016 aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies en de Subsidieregeling publieke gezondheid en de financiering van de abortusklinieken.

Opdrachten

Van het budget voor 2017 van € 18,1 miljoen is 88% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van verplichtingen die tot en met 2016 zijn aangegaan.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2017 aan het RIVM, de NVWA en het CIBG. Op basis van het offertetraject is het budget 2017 van € 316,7 miljoen voor 98% juridisch verplicht.

Bijdragen aan medeoverheden

Dit betreft de heroïneverstrekking door gemeenten op medisch voorschrift via een toevoeging aan het gemeentefonds, de bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de bijdrage aan Caribisch Nederland inzake medisch voorschrift via een toevoeging aan het gemeentefonds. Het budget voor 2017 van € 15,5 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Dit betreft de afgifte van Schengenverklaringen via het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het budget voor 2017 van € 0,7 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

5. Toelichting op de instrumenten

1. Gezondheidsbescherming

Subsidies

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie

In 2017 zal verdere uitwerking worden gegeven aan de voornemens die zijn opgenomen in landelijke nota gezondheidsbeleid die in december 2015 (TK 32 793, nr. 204) is verschenen.

  • – 

    Nationaal Programma Preventie (NPP)

    In het najaar 2016 zal een besluit worden genomen over de wijze van voortzetting van het NPP

  • – 

    Betrouwbaarheid van de publieke gezondheidszorg

    Het Stimuleringsprogramma Betrouwbare publieke gezondheid loopt tot eind 2017.

    In 2017 wordt een aantal concrete eindproducten opgeleverd. Eind 2017 zijn bestuurlijk gedragen veldnormen gereed voor de vier pijlers van de GGD (monitoren, uitvoeren gezondheidsbescherming, coördinatie bij crises en toezicht). De resultaten van het onderzoek van de IGZ naar de vier pijlers worden meegenomen in de implementatie van deze veldnormen. Daarnaast komt een set landelijke indicatoren beschikbaar ten aanzien van de inzet en effectiviteit van de publieke gezondheid. Ook in 2017 is er in het stimuleringsprogramma aandacht voor de verbinding tussen publieke gezondheid en het sociaal domein.

  • – 

    Preventiecoalities

    Dit betreft het faciliteren van preventiecoalities. Deze hebben als doel het stimuleren van samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars door middel van een bijdrage aan de coördinatiekosten van preventieve activiteiten bij risicogroepen.

  • – 

    Veenkoloniën

    Tijdens de begrotingsbehandeling van VWS in 2014 heeft de Tweede Kamer het amendement-Wolbert aangenomen. Dit amendement vraagt om een regionale aanpak van gezondheidsachterstanden in de Veenkoloniën waar meerdere gemeenten en regionale (zorg)organisaties bij betrokken zijn. VWS financiert deze regionale aanpak, het programma besteedt nadrukkelijk aandacht aan de wensen, behoefte en participatie van bewoners.

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De Minister van VWS is opdrachtgever voor het agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA heeft een centrale rol bij het bewaken van de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten op grond van de wettelijke normen en ontvangt hiertoe financiering van de Minister van VWS. In totaal ontvangt de NVWA in 2017 € 81,6 miljoen.

In onderstaande tabel is weergegeven hoe het aantal verloren levensjaren door voedselinfecties zich ontwikkelt.

Kengetallen voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland gegevens 2014 (RIVM Letter Reports disease burden 2012, 2013, 2014 en 2016; M. Bouwknegt et al.)

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)1
 

2011

2012

2013

2014

Toxoplasma gondii

2.000

1.950

1.930

1.950

Campylobacter spp.

1.650

1.560

1.430

1.530

Salmonella spp.

680

1.3502

600

500

S. aureus toxine

670

670

670

670

C. perfringens toxine

490

490

490

490

Norovirus

300

300

280

280

Rotavirus

210

185

210

100

B. cereus toxine

100

100

100

100

Listeria monocytogenes

140

90

60

180

STEC O157

56

57

60

60

Giardia spp.

17

14

13

13

Hepatitis-A virus

9

9

8

10

Cryptosporidium spp.

8

8

8

8

Hepatitis-E virus

2

2

2

3

Totaal

6.330

6.780

5.850

5.890

Noot 1: Vanwege noodzakelijke modelaanpassingen zijn de getallen voor 2011 en 2012 enigszins afwijkend van de getallen die in 2014 in de begroting zijn gerapporteerd.

Noot 2: Deze geschatte stijging met ca. 700 DALY’S komt door de Salmonella-uitbraak in 2012 ten gevolge van besmette gerookte zalm.

Bron: Nationaalkompas, RIVM

DALY=Disability Adjusted Life Year. Maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaarequivalenten). In deze maat komen de drie belangrijke aspecten van de volksgezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit van leven en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal kan afwijken van de som van de weergegeven getallen.

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

Het RIVM heeft de wettelijke taak periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. Het RIVM heeft samen met een consortium van kennisinstellingen in 2016 de eerste versie van de Staat voor Volksgezondheid en Zorg uitgebracht (www.staatvenz.nl). Op deze website worden actuele en eenduidige cijfers over de domeinen van het Ministerie van VWS gepresenteerd. In 2017 wordt de Staat verder gevuld. Het RIVM brengt verder elke vier jaar de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) uit. In 2017 zullen trendscenario’s worden gepresenteerd en verschijnen drie thematische toekomstverkenningen. In totaal is voor het RIVM in 2017 € 15,8 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

ZonMw voor uitvoering van het preventieprogramma

Het vijfde Preventieprogramma (PP5) levert kennis op die bijdraagt aan de doelstellingen van het Nationaal Programma Preventie (NPP). Het kader voor PP5 wordt naast het NPP gevormd door vier thema’s waarop VWS aan ZonMw om onderzoek heeft gevraagd:

  • –  Kennis die bijdraagt aan algemene aspecten van preventiebeleid.
  • –  Kennis die tot verdere verbetering van het instrumentarium leidt.
  • –  Enkele specifieke onderzoeksterreinen passend bij de domeinen van het NPP.
  • –  Monitoring van uitvoeringsprogramma’s (het voorstel voor een monitor specifiek voor het NPP wordt nader uitgewerkt).

De hiervoor beschikbare middelen (€ 5 miljoen in 2017) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «Toelichting op de instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdragen aan medeoverheden

Lokaal verbinden

Het huidige programma «Gezond in ...» (TK 32 620, nr. 132) loopt tot en met 2017 via een decentralisatie-uitkering. In 2017 wordt besloten hoe deze gelden vanaf 2018 worden ingezet.

2. Ziektepreventie

Subsidies

Ziektepreventie

De Minister zorgt op het terrein van de ziektepreventie subsidies (€ 16,3 miljoen) voor een goede bescherming tegen infectieziekten, preventie van chronische ziekten en de jeugdgezondheidszorg (JGZ) door onder andere te zorgen voor:

  • –  Een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden.
  • –  Het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen.
  • –  Subsidiëring van de stichting Q-support om patiënten, die na de Q-koorts-epidemie te maken hebben met langdurige klachten, te ondersteunen, te adviseren en te begeleiden.
  • –  Het ondersteunen van de oprichting van het Kennisplatform Intensieve Veehouderij en Humane Gezondheid dat handvatten kan meegeven aan lokale bestuurders voor de afweging van gezondheid in de bestuurlijke beslissingen bij ontwikkelingen in de veehouderij.
  • –  Financiering van het vervolgonderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden ten behoeve van kennisvermeerdering over eventuele risico’s van ziekteverwekkers afkomstig uit de veehouderij.
  • –  Financiering van onder andere de herijking en implementatie van richtlijnen voor goed gebruik van antibiotica, de versterking van de positie van ziekenhuizen en GGD’en, nieuwe vormen van bekostiging van diagnostiek en behandeling, en onderzoek om de ontwikkeling van nieuwe antibiotica en alternatieven voor antibiotica te stimuleren zoals verwoord in de kamerbrief van 24 juni 2015 over de aanpak van antibioticaresistentie (TK 32 620, nr. 159).
  • –  Financiering van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

RIVM: Regelingen publieke en seksuele gezondheid

De Subsidieregeling publieke gezondheid wordt uitgevoerd door het RIVM en bestaat uit:

  • –  Het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker (€ 121,9 miljoen). Het financieren van het Nationaal Programma Grieppreventie. Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60-plussers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie, zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 37,1 miljoen).
  • –  Het financieren van soa-onderzoek en aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie (€ 33,9 miljoen).

Verder verstrekt het RIVM subsidies op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies op het terrein van de seksuele gezondheid (€ 12 miljoen). Inhoudelijk is dit onderwerp opgenomen onder het artikelonderdeel Gezondheidsbevordering.

Kengetallen Deelname aan vaccinatieprogramma, bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

1. Percentage deelname aan Rijksvaccinatieprogramma

94,0%

94,5%

95,2%

95,0%

95,4%

95,5%

95,4%

94,8%

2. Percentage deelname aan Nationaal Programma Grieppreventie

73,5%

71,5%

70,4%

68,9%

65,7%

62,4%

59,6%

52,8%

3. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek borstkanker

82,4%

82,0%

81,5%

80,7%

80,1%

79,7%

79,4%

78,8%

4. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

66,6%

66,0%

65,3%

64,3%

65,0%

63,9%

64,7%

64,6%

5. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek darmkanker

71,3%

6. Percentage deelname aan hielprik

99,9%

99,8%

99,8%

99,7%

99,5%

99,5%

99,5%

99,3%

Bron:

1. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Voor het verslagjaar 2016 (betreft alle vaccinaties gegeven t/m 2015) is dit percentage 94,2%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2013 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd.

2.Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage gevaccineerde personen in de groep patiënten die conform het advies van de Gezondheidsraad in aanmerking komen voor vaccinatie tegen influenza.

3. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek borstkanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 50–75 jarige vrouwen.

4.Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 30–65 jarige vrouwen.

5. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage personen dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek (screening) naar dikkedarmkanker.

6. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage pasgeborenen dat gescreend is.

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

De NIPT betreft een screening tijdens de zwangerschap. De test kan onder andere het downsyndroom opsporen zonder dat er sprake is van een verhoogd risico op een miskraam. Omdat eventuele opname in het basispakket afhankelijk is van de advisering van het Zorginstituut (en de Gezondheidsraad) kan NIPT als eerste test niet eerder dan per 2018 opgenomen worden in het basispakket. In 2017 zal de bekostiging lopen via een subsidieregeling (€ 26,3 miljoen).

Opdrachten

(Vaccin)onderzoek

Er is onder andere budget beschikbaar voor vaccinonderzoek (€ 5,8 miljoen), ontwikkeling van het Respiratoir syncytieel virus (RSV)-vaccin (€ 2,8 miljoen) en onderzoek naar alternatieven voor dierproeven (€ 1,7 miljoen). Vanaf 2013 zijn deze taken ondergebracht bij de Projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein (ALT). Het voornemen is om het onderdeel (vaccin)onderzoek van Projectdirectie ALT met ingang van 2017 te privatiseren.

Bijdragen aan agentschappen

RIVM: Opdrachtverlening Centra

Het RIVM stelt zich tot doel om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen en te bevorderen. Het RIVM doet dit door middel van het (doen) uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en advisering op het terrein van volksgezondheid en het voeren van de regie op diverse terreinen van de publieke gezondheid. Binnen het RIVM zijn hiertoe verschillende centra actief, zoals:

  • –  Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) dat financiële middelen ontvangt voor het vervullen van zijn taken ten aanzien van de preventie en bestrijding van infectieziekten met specifiek ook aandacht voor antimicrobiële resistentie, het bevorderen van seksuele gezondheid door de ondersteuning van professionals bij een goede uitvoering en taken op het gebied van vaccinologie (€ 45,9 miljoen). Voor de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma is € 90,2 miljoen beschikbaar.
  • –  Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) dat financiële middelen ontvangt voor het uitvoeren van zijn coördinerende taken gericht op de voorlichting over bevolkingsonderzoeken, het Nationaal Programma Grieppreventie en pre- en neonatale screeningen en de kwaliteit van de uitvoering en monitoring ervan. Mensen die tot de betreffende doelgroep behoren, kunnen vrijwillig aan de bevolkingsonderzoeken deelnemen (€ 14,1 miljoen). Ook verzorgt het CVB de uitvoering van de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (€ 19,4 miljoen), het Nationaal Programma Grieppreventie (NPG) (€ 13,1 miljoen) en de hielprik (€ 19,1 miljoen).
  • –  Het Centrum Gezondheid en Milieu (CGM) dat financiële middelen ontvangt om de Minister van VWS en de regio’s bij te staan met gezondheidskundige advisering, advisering over het uitvoeren van gezondheidsonderzoek en risicoanalyses over mogelijke gezondheidseffecten en over psychosociale nazorg. Vragen over gezondheid en veiligheid in relatie tot milieu en het voorkomen van incidenten en rampen komen samen bij het CGM. Het CGM is erop gericht deze kennis waar nodig te ontwikkelen, te borgen en te ontsluiten voor professionals en bestuurders (€ 6 miljoen).
  • –  De Dienst Vaccinatievoorzieningen en Preventieprogramma’s (DVP) die ervoor zorgt dat er voldoende goede en betaalbare vaccins en antisera beschikbaar zijn voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het Nationaal Programma Grieppreventie (NPG) en calamiteiten (€ 1,9 miljoen). Voor de aanschaf van Antivirale middelen is € 4,6 miljoen beschikbaar.
  • –  Het Centrum Gezond Leven (CGL) dat financiële middelen ontvangt met als doel samenhangende en effectieve lokale gezondheidsbevordering te faciliteren. Het CGL bevordert het gebruik van erkende leefstijlinterventies, onder meer door beschikbare interventies overzichtelijk te presenteren en te beoordelen op kwaliteit en samenhang en het versterken van gezondheidsbeleid via diverse handreikingen. Daarnaast voert het CGL het programma «Structurele versterking Gezondeschool.nl» uit (€ 2,9 miljoen).

3. Gezondheidsbevordering

Subsidies

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

Organisaties zoals het Trimbos-instituut ontvangen instellings- en projectsubsidies voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik en voor andere VWS-beleidsterreinen, zoals de geestelijke gezondheidszorg. Het Trimbos-instituut zet zich in om wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie te geven aan professionals en burgers. Voorbeelden zijn de uitvoering van de Nationale Drug Monitor (NDM), het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS), onderzoek op het gebied van uitgaansdrugs en de campagne NIX18. Voor 2017 gaat het om projectsubsidies van circa € 1,3 miljoen en bij de instellingssubsidies gaat het in totaal om circa € 6,1 miljoen.

Gezonde leefstijl en gezond gewicht

De gezonde keuze moet zo makkelijk mogelijk worden gemaakt voor de Nederlandse bevolking, jong en oud. Om te voorzien in de juiste informatie over gezonde voeding voor burgers en professionals wordt subsidie verleend aan het Voedingscentrum.

Om gemeenten, scholen, sportverenigingen en andere lokale partijen te stimuleren om een gezonde(re) omgeving te creëren en in te zetten op een stijging van het aantal jongeren op een gezond gewicht in minimaal 75 (JOGG-)gemeenten in 2020, wordt de stichting Jongeren Op Gezond Gewicht (TK 34 080 A, nr. 1) gesubsidieerd. Hierbij werkt de stichting samen met diverse partijen: overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Vanuit Care for Obesity wordt door middel van 6 proeftuinen in 2017 en 2018 voorzien in een landelijk model voor een sluitende ketenaanpak op obesitas voor kinderen.

Ten slotte worden in nauwe samenwerking met de Ministeries van OCW, EZ en SZW kinderen in het onderwijs en voorschoolse voorzieningen gestimuleerd tot een gezonde leefstijl. Onderdeel daarvan is het streven dat alle schoolkantines beschikken over een gezond aanbod volgens de richtlijnen van het Voedingscentrum.

De totale geraamde subsidies voor gezonde voedingskeuze en gezond gewicht, inclusief de bredere inzet op Gezonde School en Gezonde Kinderopvang, bedragen € 12,3 miljoen in 2017.

Letselpreventie

Voor letselpreventie is € 4,2 miljoen beschikbaar. De Stichting VeiligheidNL ontvangt € 3,5 miljoen voor het uitvoeren en monitoren van haar activiteiten die zijn gericht op letselpreventie door middel van interventies en programma’s voor bijvoorbeeld jongeren en ouderen.

Bevordering van kwaliteit en toegankelijkheid van zorg

De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden (€ 3 miljoen). Het gaat daarbij om mensen die minder vaardig zijn in het verkrijgen, begrijpen en gebruiken van informatie over (hun) gezondheid bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen. Verder worden gemeenten geactiveerd om lokale gezondheidsachterstanden structureel aan te pakken. Het lokale proces wordt ondersteund door het landelijk stimuleringsprogramma waarin kennis van werkzame interventies, goede voorbeelden en ervaringen worden samengebracht, onder regie van Pharos en Platform31. Hiermee is € 1,5 miljoen gemoeid.

Bevordering van de seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (onder andere Stichting Ambulante FIOM), dan wel via het RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers, Soa-Aids Nederland en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen. De middelen aan het RIVM staan verantwoord onder het artikelonderdeel Ziektepreventie. Naar aanleiding van een landelijke impuls aan onbedoeld zwangeren en tienermoeders ontvangt FIOM ook in 2017 een subsidie van € 0,5 miljoen. Uitgangspunt hierbij is dat de expertise op dit gebied wordt behouden en verder kan worden uitgedragen aan de hele sector. Voor deze impuls worden vooralsnog ook in 2018 middelen gereserveerd, waarna dit in de regulier zorg en ondersteuning moet zijn verankerd.

Overig

Dit betreft enkele kleine subsidies (onder € 1 miljoen) gebundeld voor onder andere verslavingszorg en gezonde leefstijl jeugd.

Opdrachten

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

De geraamde kosten voor de medicatie voor de medische heroïnebehandeling zijn € 3,1 miljoen; zie verder onder Bijdragen aan medeoverheden.

Bijdragen aan medeoverheden

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

VWS verstrekt een financiële bijdrage (circa € 13,9 miljoen) aan gemeenten voor het binnen een gesloten systeem aanbieden van een behandeling van een beperkte groep langdurige opiaatverslaafden, waarbij naast methadon medicinale heroïne wordt verstrekt.

Kengetallen Gezondheidsbevordering (in procenten)
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Rokers 18 jaar e.o.1

28,6

26,9

27,0

24,5

24,7

25,7

26,3

Rokers laatste maand, 12–16 jaar 2
   

16,9

     

10,6

Alcoholgebruik laatste maand, 12–16 jaar

   

37,8

     

25,5

Cannabisgebruik laatste jaar, 12–16 jaar

   

6,0

     

8,2

Cannabisgebruik laatste jaar 18 jaar e.o.3

6,8

       

7,6

8,5

Overgewicht 18 jaar e.o. 4

46,4

47,3

47,3

47,1

47,1

49,4

49,3

Overgewicht 4–18 jaar

13,2

13,3

12,5

12,3

11,7

11,9

11,6

Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures (x 1.000)5

640

600

600

590

430

519

 

Noot 1: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM

Noot 2: Jeugd en Riskant Gedrag 2015, Trimbos-instituut

Noot 3: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Door wijziging in meetmethoden na 2009 zijn de cijfers met 2014 en 2015 beperkt vergelijkbaar.

Noot 4: Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Door wijziging in meetmethoden tussen 2009–2010 en 2013–2015 zijn de cijfers vóór en na deze perioden slechts in beperkte mate te vergelijken.

Noot 5: Kerncijfers LIS, VeiligheidNL. De daling in 2013 is toe te schrijven aan een technisch registratieprobleem in dat jaar.

4. Ethiek

Subsidies

Abortusklinieken

Sinds de inwerkingtreding van Wet langdurige zorg vindt de subsidiëring van de abortusklinieken (€ 15,5 miljoen) plaats via de subsidieregeling Abortusklinieken. De abortusklinieken dienen over een Waz-vergunning (Wet afbreking zwangerschap) te beschikken.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

Het CIBG verzorgt het secretariaat van de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting.

De secretariaten van de regionale toetsingscommissies euthanasie en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen zijn bij een uitvoeringseenheid van het Ministerie van VWS ondergebracht. De daarmee samenhangende middelen (€ 3,7 miljoen) staan geraamd op artikel 10 onder Personele uitgaven kerndepartement.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De CCMO is verantwoordelijk voor het waarborgen van de bescherming van proefpersonen bij medisch-wetenschappelijk onderzoek door middel van toetsing aan de hiervoor geldende wettelijke bepalingen en protocollen. De CCMO ontvangt hiervoor een jaarlijkse bijdrage van € 2,2 miljoen. Deze middelen staan geraamd op artikel 10 bij het onderdeel Personele uitgaven SCP en raden.

Vanwege de implementatie van EU-verordening no 536/2014 voor klinisch geneesmiddelenonderzoek, die naar verwachting in 2018 in werking zal treden, zal de CCMO een aantal extra taken en bevoegdheden krijgen.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

In het kader van haar handhavingsbeleid schrijft de NVWA bestuurlijke boetes uit. De ten gunste van de algemene middelen komende ontvangsten die hieruit voortvloeien worden geraamd op € 4,3 miljoen in 2017.

Overig

Dit betreft geraamde ontvangsten als gevolg van in eerdere jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten (€ 3,1 miljoen).

Beleidsartikel 2 Curatieve zorg

1. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk verantwoorde kosten.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) de wettelijke basis van dit stelsel.

Vanuit deze verantwoordelijkheid vervult de Minister de volgende rollen:

Stimuleren:

  • –  Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt)veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.
  • –  Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren. Belangrijk daarin zijn de initiatieven om verspilling in de zorg tegen te gaan.
  • –  Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.
  • –  Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening.
  • –  Het bevorderen dat verzekerden beschikken over de juiste en begrijpelijke informatie om een keuze te kunnen maken voor een zorgverzekering.

Financieren:

  • –  Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek.
  • –  Het financieren van onderzoek dat gericht is op een snellere ontwikkeling van waarde toevoegende medische producten en behandelwijzen tegen aanvaardbare prijzen.
  • –  Het financieren van onderzoek dat bijdraagt aan kwalitatief goed gepast gebruik van genees- en hulpmiddelen.
  • –  Het financieren van initiatieven voor het ontwikkelen van alternatieve verdienmodellen voor geneesmiddelenontwikkeling.
  • –  Verbetering van de kwaliteit van de zorg door financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in GGZ-instellingen.
  • –  Het (mede)financieren van het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector.
  • –  Het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie.
  • –  Het financieren van bijwerkingenregistraties en onderzoek ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.
  • –  Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het (deels) compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan onverzekerde (verwarde) personen, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.
  • –  Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.
  • –  Het financieren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren.

Regisseren:

  • –  Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.
  • –  Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.
  • –  Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld het BIG-register) die worden bijgehouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.
  • –  De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

3. Beleidswijzigingen

Uitvoeren visie Geneesmiddelen

Het toegankelijk houden van innovatieve geneesmiddelen tegen aanvaardbare prijzen staat centraal in het te voeren beleid. Met de ter beschikking gestelde middelen wordt ingezet op het verbeteren van de informatievoorziening door het ontwikkelen en regulier uitvoeren van een nationale horizonscan dure geneesmiddelen, het oprichten van een platform inkoop dure geneesmiddelen, het ontwikkelen en uitvoeren een actieplan gepast gebruik en het aanbrengen van aanpassingen aan het geneesmiddelenvergoedingssysteem in de vorm van het uitvoeren van selectieve herberekeningen en het invoeren van een vergoedingsafslag. Daarnaast wordt voor dure geneesmiddelen een maatregel ingevoerd in de Zorgverzekeringswet (de zogenoemde «sluis»).

Voorts worden middelen ter beschikking gesteld voor het ontwikkelen van alternatieve businessmodellen voor de ontwikkeling van geneesmiddelen. Daarnaast worden ter bevordering van innovatie aan ZonMw nieuwe middelen ter beschikking gesteld voor diagnostisch onderzoek. Doel hiervan is om nieuwe methoden te implementeren die sneller en nauwkeuriger de juiste middelen voor de juiste patiënt te selecteren. In de «roadmap» geneesmiddelenvisie die na de zomer naar de Kamer wordt gestuurd, staan per maatregel concrete acties genoemd met de daarbij behorende tijdlijnen.

Veiligheid, kwaliteit en doelmatigheid van hulpmiddelen

In het kader van meer kwaliteit in de zorg wordt ook een impuls gegeven aan het hulpmiddelenbeleid. Er wordt in overleg met betrokken partijen onder meer gewerkt aan het ontwikkelen van richtlijnen en kwaliteitsnormen op het terrein van continentie-, stoma- en diabeteshulpmiddelenzorg. De eerste resultaten zullen eind dit jaar gereed zijn. Met een intensivering via een ZonMw-programma Goed Gebruik Hulpmiddelen wordt doelmatigheid en kwaliteit in de hulpmiddelenzorg verbeterd. Door de hogere eisen die in Europees verband aan de veiligheid en kwaliteit van hulpmiddelen worden gesteld, wordt er van alle actoren in de markttoelatingsketen, van fabrikant tot inspectie, meer verwacht. VWS zal erop toezien dat er in 2017 een duidelijk implementatietraject wordt gestart waarbij de nieuwe eisen zich daadwerkelijk vertalen in meetbaar verbeterd beleid. Dit betreft voorlichting aan betrokkenen zoals de industrie, het aanscherpen van het markttoezicht, (het bijdragen aan) de totstandkoming van gemeenschappelijke specificaties door de Europese Commissie en geharmoniseerde normen, de (voorwaarden voor) klinisch onderzoek en het stimuleren van de ontwikkeling van producten met een meerwaarde voor de patiënt. Het RIVM zal vaker producten aan een onderzoek onderwerpen en gaat zich inzetten om zich als Europees referentielaboratorium/expertcentrum te positioneren op het terrein van medische hulpmiddelen.

Beleid en organisatie donorwerving in ziekenhuizen

Voor het bereiken van een zo groot mogelijk aantal orgaantransplantaties is de inzet en kennis in ziekenhuizen van cruciaal belang. De nu structureel in te bedden werkwijze is geïntroduceerd tijdens de in de jaren 2009–2016 uitgevoerde pilots in het kader van het masterplan orgaandonatie. Verwachte opbrengsten hiervan zijn het optimaliseren van de toestemmingen van nabestaanden, kwalitatief goede uitnameprocedures met zo min mogelijk belasting voor de nabestaanden en een optimale donorherkenning. Streven is financiering per 2018 uit de premie, in 2017 is hiervoor nog subsidie noodzakelijk.

Agenda gepast gebruik en transparantie ggz

Op basis van de Agenda voor gepast gebruik en transparantie in de ggz (agenda ggz voor gepast gebruik) hebben partijen een model kwaliteitsstatuut opgesteld. Voor alle aanbieders van curatieve ggz is het vanaf 1 januari 2017 verplicht om een kwaliteitsstatuut te hebben, zodat patiënten meer informatie hebben om hun keuze voor een zorgaanbieder op te baseren. Vanaf 2017 mogen alleen regiebehandelaren die voorkomen in het model kwaliteitsstatuut declareren. In 2017 moet een dertigtal zorgstandaarden gereed zijn. Voorts werken partijen in 2017 onder aanvoering van de NZa aan een nieuwe bekostiging voor de ggz die beter aansluit bij de zorginhoud en die in 2019 gereed moet zijn. Ook is een onderzoeksprogramma voor de ggz van start gegaan. In 2017 is voor de uitvoering van dit onderzoeksprogramma € 5 miljoen beschikbaar.

Programma Gender en gezondheid

In mei 2015 heeft ZonMw de kennisagenda Gender en gezondheid gepubliceerd. Op verzoek van de Minister heeft ZonMw in aansluiting daarop een programmeringsstudie uitgevoerd die januari 2016 is gepubliceerd. Tijdens het symposium van Women Inc (maart 2016) heeft VWS bekendgemaakt dat VWS vanaf 2016 € 12 miljoen beschikbaar stelt voor de uitvoering van het bij ZonMw in te richten onderzoeksprogramma Gender en gezondheid. Concrete doelstellingen en acties staan in dit onderzoeksprogramma.

Zorgnetwerken Antibioticaresistentie (ABR)

De samenwerking tussen instellingen en tussen de verschillende sectoren in de zorg is nog niet sterk genoeg georganiseerd om de ABR-problematiek toekomstbestendig te kunnen beheersen.

Ziekenhuizen, verpleeghuizen, revalidatieklinieken en andere zorgaanbieders, zoals huisartsen, thuiszorg en GGD’en waartussen patiënten relatief vaak worden verplaatst, zullen regionaal in een netwerkverband moeten samenwerken. Een landelijke uniforme structuur met één aanspreekpunt en één verantwoordelijke die aanspreekbaar is als het niet goed loopt, is wenselijk.

Het huidige Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) biedt een basis als structuur om de belangrijkste partijen bijeen te brengen en de taken die nodig zijn binnen het netwerk uit te kunnen voeren.

Alleen op deze manier is het mogelijk de verspreiding van infectieziekten en antibioticaresistentie op een effectieve manier te bestrijden. Voor het opzetten en de uitvoering van deze netwerken wordt vanaf 2017 € 7,5 miljoen vrijgemaakt. Vanaf 2019 loopt dit bedrag op tot € 15,1 miljoen. Per 2018 moeten er tien netwerken operationeel zijn.

Risicoverevening

Per 2017 zal de Zorgverzekeringswet volledig risicodragend worden uitgevoerd door zorgverzekeraars.

Ook in 2017 zullen weer diverse onderzoeken worden uitgevoerd met als doel om de risicoverevening in de toekomst verder te verbeteren. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van de uitkomsten van een brede, fundamentele discussie die in 2016 is gevoerd.

Partijen hebben diverse inhoudelijke verbeteringen aangedragen. Deze inhoudelijke verbeteringen zijn besproken in de Werkgroep Ontwikkeling Risicoverevening (WOR) en leiden tot een onderzoeksprogramma ten behoeve van het risicovereveningsmodel 2018 en een meerjarig onderzoeksprogramma. Het meerjarige onderzoeksprogramma bevat onderzoeken waarvan de resultaten niet direct betrekking hebben op het vereveningsmodel voor komend jaar vanwege een fundamentele vraagstelling en langere doorlooptijd.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

8.697.819

3.678.480

675.197

2.963.307

3.090.875

3.173.410

3.221.435

               

Uitgaven

4.614.648

4.228.774

3.816.813

3.418.455

3.103.057

3.173.410

3.222.651

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,5%

       
               

1. Kwaliteit en veiligheid

118.505

133.030

163.134

165.347

166.685

134.802

134.804

                 
 

Subsidies

111.162

122.404

154.054

155.726

157.249

125.712

125.714

   

IKNL en NKI

51.542

51.730

51.730

51.730

51.730

51.730

51.730

   

Zwangerschap en geboorte

3.574

3.505

3.819

3.886

3.555

3.088

3.088

   

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

3.264

3.303

3.647

3.647

3.647

3.647

3.647

   

Nictiz

5.113

5.412

5.412

5.412

5.412

5.412

5.412

   

Ontsluiten patiëntgegevens ziekenhuizen

0

0

35.000

35.000

35.000

0

0

   

Orgaandonatie en transplantatie

11.890

11.260

11.214

11.214

11.214

11.214

11.214

   

Onderzoek Onco XL

0

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

FES/LSH projecten

6.855

7.742

1.085

0

0

0

0

   

UMC Groningen: Lifelines project

0

3.498

0

0

0

0

0

   

Expertisefunctie zintuigelijk gehandicapten

21.263

21.644

21.633

21.633

21.633

21.633

21.633

   

Antibioticaresistentie

0

500

7.500

10.000

15.100

15.100

15.100

   

Inloophuizen kankerpatiënten

0

450

450

450

450

450

450

   

Uitvoering Agenda gepast gebruik en transparantie ggz

0

1.500

2.500

0

0

0

0

   

Overig

7.661

11.860

8.064

10.754

7.508

11.438

11.440

                 
 

Opdrachten

3.855

6.994

5.631

6.549

6.579

6.233

6.233

   

Publiekscampagne orgaandonatie

1.461

1.720

1.720

1.720

1.720

1.720

1.720

   

Overig

2.394

5.274

3.911

4.829

4.859

4.513

4.513

     

 

Bijdragen aan agentschappen

3.488

3.632

3.449

3.072

2.857

2.857

2.857

   

CIBG: Donorregister

2.746

2.380

2.380

2.380

2.380

2.380

2.380

   

Overig

742

1.252

1.069

692

477

477

477

               

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

4.324.964

3.925.032

3.468.912

3.147.578

2.826.218

2.930.153

2.993.153

                 
 

Subsidies

14.224

20.879

31.217

30.067

29.648

27.621

30.621

   

Sluitende aanpak personen met verward gedrag

0

1.500

14.000

14.000

14.000

14.000

14.000

   

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

1.314

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Anonieme e-mental health

925

2.000

0

0

0

0

0

   

Vertrouwenspersoon in de ggz

6.204

6.204

6.204

6.204

6.204

6.204

6.204

   

Suïcidepreventie

0

4.133

4.062

3.662

3.562

3.562

3.562

   

Kwaliteitsimpuls apothekers

0

2.858

2.823

2.848

1.964

0

0

   

Overig

5.781

2.184

2.128

1.353

1.918

1.855

4.855

                 
 

Bekostiging

4.306.800

3.894.089

3.424.884

3.101.784

2.781.183

2.887.784

2.947.784

   

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

2.470.800

2.508.700

2.490.500

2.618.400

2.748.800

2.855.400

2.915.400

   

Rijksbijdrage dempen premie ten gevolgen van HLZ

1.804.000

1.353.000

902.000

451.000

0

0

0

   

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

32.000

32.389

32.384

32.384

32.383

32.384

32.384

                 
 

Opdrachten

2.670

8.646

10.852

13.800

13.616

12.977

12.977

   

Uitvoeren visie geneesmiddelen

0

800

2.000

2.700

2.700

2.700

2.700

   

Kwailteit, veiligheid, doelmatigheid hulpmiddelen

0

0

1.000

2.000

3.000

3.000

3.000

   

Publiekscampagne Depressie

0

1.000

0

0

0

0

0

   

Overig

2.670

6.846

7.852

9.100

7.916

7.277

7.277

                   
 

Bijdragen aan agentschappen

1.270

1.406

1.328

1.296

1.140

1.140

1.140

   

CIBG: WPG/GVS/APG

1.270

1.406

1.328

1.296

1.140

1.140

1.140

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

12

631

631

631

631

631

   

ZiNL: Uitvoering Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

0

12

631

631

631

631

631

               

3. Bevorderen werking van het stelsel

171.179

170.712

184.767

105.530

110.154

108.455

94.694

                 
 

Subsidies

37.183

22.267

1.362

1.362

10.362

11.362

1.362

   

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

1.085

952

1.221

1.221

1.221

1.221

1.221

   

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

35.920

20.160

0

0

9.000

10.000

0

   

Overig

178

1.155

141

141

141

141

141

                 
 

Inkomensoverdrachten

113.098

112.017

105.926

23.840

19.460

16.787

13.025

   

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

25.297

26.927

24.836

23.750

19.370

16.697

12.935

   

Schadevergoeding Erasmus MC

85.000

85.000

81.000

0

0

0

0

   

Overig

2.801

90

90

90

90

90

90

     

 

Opdrachten

4.746

8.419

4.593

4.593

4.593

4.566

4.566

   

Risicoverevening

1.857

1.906

1.906

1.906

1.906

1.906

1.906

   

Uitvoering zorgverzekeringstelsel

361

1.152

502

502

502

475

475

   

Patiëntenvervoer Waddeneilanden

0

3.000

0

0

0

0

0

   

Overig

2.528

2.361

2.185

2.185

2.185

2.185

2.185

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

16.152

17.871

15.586

15.586

15.588

15.588

15.588

   

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

16.152

17.871

15.586

15.586

15.588

15.588

15.588

                 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

10.074

53.147

55.996

55.998

55.999

56.000

   

Zorginstituut Nederland: Onverzekerden en wanbetalers

0

6.278

42.642

42.640

42.642

42.643

42.644

   

Zorginstituut Nederland: Doorlichten pakket

0

3.271

10.355

13.356

13.356

13.356

13.356

   

Overig

0

525

150

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

64

4.153

4.153

4.153

4.153

4.153

   

VenJ: Bijdrage C2000

0

64

4.153

4.153

4.153

4.153

4.153

               

Ontvangsten

98.455

60.955

60.955

60.955

60.955

60.955

60.955

   

Wanbetalers en onverzekerden

85.785

59.902

59.902

59.902

59.902

59.902

59.902

   

Overig

12.670

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

1.053

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2017 van € 186,6 miljoen is 93% juridisch verplicht. Het betreft diverse subsidies op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid, subsidies ter bevordering van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en subsidies die de werking van het stelsel bevorderen.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2017 van € 3,6 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van verzekerden jonger dan 18 jaar en de bekostiging van de compensatie van (een deel van) de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2016 van € 105,9 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de schadevergoeding aan het Erasmus MC en de overgangsregeling FLO/VUT voor het ambulancepersoneel.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 21,1 miljoen is 87% juridisch verplicht. Het betreft diverse opdrachten op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid en opdrachten die de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en de werking van het stelsel moeten bevorderen.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 20,4 miljoen is 97% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CJIB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 53,8 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het Zorginstituut Nederland voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet en de middelen aan het Zorginstituut Nederland voor stringent pakketbeheer.

Bijdragen aan ander begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2016 van € 4,2 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan C2000.

5. Instrumenten

1. Kwaliteit en veiligheid

Subsidies

Integraal kankercentrum Nederland (IKNL) en Nederlands Kanker Instituut (NKI)

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) is een kennis- en kwaliteitsinstituut voor professionals en bestuurders in de oncologische en palliatieve zorg met als doel deze zorg voortdurend te verbeteren. Het IKNL draagt bij aan het verbeteren van de oncologische en palliatieve zorg door het verzamelen van gegevens, het opstellen van richtlijnen, het bewaken van kwaliteit, het faciliteren van samenwerkingsverbanden en bij- en nascholing. In totaal is voor de uitvoering van deze activiteiten in 2017 een bedrag van € 34,5 miljoen beschikbaar.

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI) is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. VWS financiert het Nederlands Kanker Instituut met als doel fundamenteel, translationeel en klinisch kankeronderzoek te bevorderen ten behoeve van verbetering van de overleving van kanker en kwaliteit van leven van de patiënt. Het NKI wordt op een aantal gebieden van fundamenteel en translationeel onderzoek gerekend tot de nationale en internationale top, zo blijkt o.a. uit internationale site-visits. In totaal is in 2017 een bedrag beschikbaar van € 17,2 miljoen. Ongeveer € 6,4 miljoen daarvan is bestemd voor de kapitaallasten.

Zwangerschap en geboorte

Vanaf het uitbrengen van het advies van de stuurgroep Zwangerschap en Geboorte «een goed begin» in 2010 is ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de geboortezorg. De recente cijfers over de perinatale sterfte laten zien dat er sprake is van een dalende trend. Dat is goed nieuws. De cijfers uit verschillende andere Europese landen laten zien dat een verdere daling van de perinatale sterfte mogelijk is. De komende jaren zal daarom nog steeds worden ingezet op het doorvoeren van verbeteringen in de geboortezorg.

In 2017 is voor zwangerschap en geboorte in totaal circa € 3,8 miljoen beschikbaar. Hiervan worden het College Perinatale Zorg (CPZ) en Perined (de gefuseerde organisatie van de Perinatale Audit Nederland (PAN) en Perinatale Registratie Nederland (PRN) gesubsidieerd. Daarnaast is er voor de periode 2017–2021 € 12,2 miljoen beschikbaar voor een voortzetting van het ZonMw-programma Zwangerschap en geboorte op basis van de nieuwe onderzoeksagenda «Een gezonde start voor moeder en kind; Integrale zorg rondom zwangerschap en geboorte». De middelen voor dit ZonMw-programma zijn overgeheveld naar artikel 4.

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

De Stichting Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) beheert de landelijke databank met alle pathologie-uitslagen en het computernetwerk voor de gegevensuitwisseling met alle pathologielaboratoria in Nederland. Voor de uitvoering van deze activiteiten is in 2017 een bedrag beschikbaar van € 3,6 miljoen.

Nictiz

Het Nationaal ICT Instituut in de Zorg (Nictiz) is het landelijke expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. Voor de invulling van de coördinerende functie die Nictiz heeft bij de ontwikkeling van ICT- en informatiestandaarden en implementatieondersteuning bij het gebruik van deze standaarden is in 2017 een bedrag van € 5,4 miljoen beschikbaar. Om de zorgsector te ondersteunen bij de efficiënte inzet van eHealth, analyseert en duidt Nictiz ontwikkelingen in het gebruik van ICT in de zorg. Tevens fungeert Nictiz als nationaal en internationaal kennis- en expertisecentrum en vervult het een verbindende rol bij de ontwikkeling en het gebruik van ICT in de zorg.

Ontsluiten patiëntgegevens ziekenhuizen

Gedurende de periode 2017–2019 stel het Ministerie van VWS jaarlijks € 35 miljoen beschikbaar aan ziekenhuizen om hen in staat te stellen hun ICT-infrastructuur patiëntgerichter te maken, zodat de patiënt toegang krijgt tot zijn gegevens en deze kan gebruiken voor regie over zijn gezondheid (bijvoorbeeld door de inzet van apps of delen met andere zorgverleners).

Orgaandonatie en transplantatie

Tabel: aantal orgaandonoren en aantal getransplanteerde organen

Bron: Nederlandse Transplantatiestichting. In de tabel is te zien dat gedurende een reeks van jaren zowel het aantal donoren als het aantal transplantaties toeneemt.

Ziekenhuizen in zeven landelijke regio’s rond de academische centra van Groningen, Nijmegen, Maastricht, Utrecht, Amsterdam, Leiden en Rotterdam krijgen subsidie voor beleid en organisatie rond orgaandonatie. Daarnaast wordt een deel van de Zelfstandig Uitname Teams (ZUT) gefinancierd voor zover deze niet onder de beschikbaarheidbijdrage postmortale orgaandonatie vallen. Het streven is erop gericht deze activiteiten vanaf 2018 vanuit de premie te financieren. Voor 2017 is een bedrag van € 6,7 miljoen gereserveerd.

De Regeling Donatie bij leven zorgt er voor dat niet-medische kosten die ontstaan door het bij leven afstaan van een nier worden vergoed aan de donor. In 2015 is de regeling geëvalueerd. Dit leidde er toe dat de regeling met ingang van 1 juli 2016 is aangepast. De aanpassingen betreffen onder meer het invoeren van een minimumvergoeding bij inkomstenderving voor ondernemers. De regeling wordt uitgevoerd door de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS). In 2017 is € 0,8 miljoen beschikbaar.

De NTS krijgt op structurele basis subsidie voor activiteiten op het terrein van voorlichting over orgaandonatie en het ondersteunen en monitoren van de donorwerving in ziekenhuizen. In 2017 gaat het om een bedrag van € 3,7 miljoen

Onderzoek OncoXL

Een aantal universiteiten zal haar excellente onderzoek op het gebied van kankeronderzoek bundelen in een virtueel onderzoeksinstituut (werktitel OncoXL). Hiermee wordt het onderzoek versterkt en wordt samenwerking met het bedrijfsleven geïntensiveerd. VWS heeft (net als OCW en EZ) toegezegd € 2 miljoen per jaar aan bij te dragen. Het initiatief zal naar verwachting eind 2016 van start gaan.

Expertisefunctie zintuiglijk gehandicapten

Per 1 januari 2015 is de extramurale zintuiglijk gehandicaptenzorg (ZG) overgaan vanuit de AWBZ naar de Zvw. De specifieke expertisefunctie van de aanbieders van ZG-zorg (voor Kennisinfrastructuur, R&D en innovatie en Voorlichting en kennisoverdracht) past niet binnen de Zvw, omdat zij niet onder te brengen is in prestaties ten behoeve van individuele cliënten. Via een instellingssubsidie wordt er voor zorg gedragen dat de expertisefunctie gecontinueerd kan worden. Voor 2017 is een bedrag van € 21,6 miljoen beschikbaar. Het komende jaar zal een onderzoek plaatsvinden naar de inrichting, reikwijdte en financiering van de expertisefunctie met als doel een andere manier van financieren vanaf 2018.

Antibioticaresistentie

Met veldpartijen zijn in 2015 doelstellingen overeengekomen die zijn vastgelegd in de meerjarenagenda ABR. Voor het verbeteren van de samenwerking tussen instellingen (ziekenhuizen, verpleeghuizen, revalidatieklinieken en andere zorgaanbieders, zoals huisartsen, thuiszorg en GGD’en in een regio) en tussen de verschillende sectoren zal oplopend naar 2019 € 15,1 miljoen worden vrijgemaakt. In 2017 is € 7,5 miljoen beschikbaar. Doel is om de antibioticaresistentieproblematiek in de zorg toekomstbestendig te kunnen beheersen. Hiertoe zullen zorgnetwerken worden gevormd. De middelen worden ingezet om professionals in te schakelen die het netwerk aansturen en ondersteunen en de kennis over antibioticaresistentie en infectiepreventie op niveau zullen brengen en houden. Daarnaast worden diagnostische testen ingezet bij uitbraken of preventieve activiteiten zoals prevalentiescreenings.

Inloophuizen kankerpatiënten

De stichting Inloophuizen en Psycho-oncologische centra Samenwerking en Ondersteuning (IPSO) ontvangt in de periode 2016–2019 projectsubsidie om het kwaliteitsbeleid van inloophuizen en psycho-oncologische centra door te ontwikkelen en te borgen. Ook zal de psychosociale zorg en ondersteuning in de oncologische zorgketen op regionaal niveau worden versterkt door alle relevante partijen in de regio samen te brengen en de formele en informele zorg onderling af te stemmen. In 2017 is € 0,5 miljoen beschikbaar.

Uitvoering Agenda gepast gebruik en transparantie in de ggz

De uitvoering van de Agenda voor gepast gebruik en transparantie in de ggz (TK 25 424, nr. 292) wordt gefinancierd met zowel begrotingsmiddelen als met middelen uit het BKZ. Op de begroting is voor 2017 en 2018 een bedrag van respectievelijk € 1,5 miljoen en € 2,5 miljoen gereserveerd. Deze middelen zijn bestemd voor herstelacademies en zelfregienetwerken voor patiënten in de ggz, voor projecten ter versterking van het zelfmanagement van patiënten in de ggz (middelen voor deze projecten gaan naar het Landelijk Platform GGz) en voor destigmatisering (middelen gaan naar de Stichting samen sterk zonder stigma).

Daarnaast is er de komende jaren 10 miljoen beschikbaar voor een ZonMw onderzoeksprogramma voor de ggz. De middelen voor dit programma zijn overgeheveld naar artikel 4.

Overig

Hier worden onder meer geraamd de subsidies voor de stichting Lareb (Teratologieservice en bijwerkingenregistratie en -analyse Rijksvaccinatieprogramma) € 1,4 miljoen en de subsidies aan de stichting Geneesmiddelenbulletin (€ 0,5 miljoen) en de stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik voor Medicijnbalans (€ 0,5 miljoen). Ook worden hier de middelen geraamd voor een programma translationeel onderzoek. Voor 2017 is hiervoor een bedrag geraamd van € 1,3 miljoen.

Opdrachten

Publiekscampagne orgaandonatie

De publiekscampagne orgaandonatie is er op gericht het publiek te informeren over orgaandonatie en een positieve houding over het onderwerp orgaandonatie tot stand te brengen.

De nieuwe campagne «Een leven redden. Je hebt het in je.» wil twijfels en onzekerheden wegnemen, in eerste instantie door mensen aan te sporen het gesprek over orgaandonatie met elkaar aan te gaan. Voor de campagne wordt € 1,7 miljoen gereserveerd.

Programma Gender en gezondheid

Voor het doen van onderzoek naar genderverschillen in de gezondheidszorg, en het beter verspreiden van kennis gaat ZonMw de komende jaren het programma «Gender en gezondheid» uitvoeren. VWS stelt hiervoor in totaal € 12 miljoen ter beschikking. De middelen hiervoor zijn overgeheveld naar artikel 4.

Doelmatigheid UMC's/Citrienfonds

Vanaf 2014 is voor een periode van 5 jaar een bedrag van € 25 miljoen beschikbaar gesteld aan de Nederlandse Federatie van Universitair medische centra (NFU) voor projecten die een bijdrage leveren aan een duurzame gezondheidszorg. Dit gebeurt in de vorm van een fonds, genaamd het Citrienfonds. Kern van het fonds is dat gewerkt wordt aan de belangrijkste uitdaging van dit moment: hoe zorgen we dat de kwaliteit van de zorg goed blijft of zelfs nog beter wordt én de zorg ook in de toekomst betaalbaar blijft?

De NFU heeft samen met het Ministerie van VWS een inventarisatie gemaakt van mogelijke projecten die hieraan kunnen bijdragen. Dit betreft onder andere het initiatief «registratie aan de bron» en «naar regionale oncologienetwerken». Deze gekozen projecten kunnen nog wijzigen als gevolg van nieuwe inzichten. ZonMw coördineert het traject. Na afloop van het fonds zal worden geëvalueerd in welke mate de doelstellingen zijn behaald. De middelen hiervoor zijn opgenomen onder artikel 4.

Experiment topklinische ziekenhuizen

Vanaf 2014 is voor een periode van vier jaar een bedrag van € 30 miljoen toegezegd aan een aantal Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen (STZ) voor een experiment waarmee een combinatie van zeer specialistische zorg en onderzoek in bovengenoemde ziekenhuizen gefinancierd kan worden. De middelen hiervoor zijn opgenomen onder artikel 4.

Overig

Hier worden onder meer de kosten voor het implantatenregister geraamd (€ 0,5 miljoen), de kosten voor de campagne vervalste geneesmiddelen (€ 0,5 miljoen) en de kosten van het vervolgprogramma Zwangerschap en Geboorte van ZonMw ter borging van de kennisinfrastructuur van negen regionale consortia. Hierdoor kan antwoord worden gegeven op nieuwe vragen die essentieel zijn om de ingeslagen weg van daling van perinatale sterfte voort te zetten (€ 0,8 miljoen in 2017).

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: Donorregister

Het CIBG verzorgt het Donorregister waarin de keuze omtrent orgaandonatie van burgers wordt vastgelegd. Hiervoor is in 2017 € 2,4 miljoen gereserveerd.

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies

Sluitende aanpak personen met verward gedrag

Voor een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag wordt een samenhangend pakket aan maatregelen genomen waarvoor in 2016 € 15 miljoen en vanaf 2017 jaarlijks € 30 miljoen beschikbaar is gesteld.

Om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland de zorg krijgt die hij/zij nodig heeft, wordt een subsidieregeling opgesteld waar zorgaanbieders – onder strikte voorwaarden – de kosten kunnen declareren voor zorg aan mensen die onverzekerd zijn. Deze subsidieregeling dekt alleen de eerste nood af. Opzet van de regeling is nadrukkelijk om deze mensen hierna alsnog zo snel mogelijk te verzekeren. Voor deze subsidieregeling is een budget van € 1,5 miljoen beschikbaar in 2016 en € 12 miljoen vanaf 2017.

Tevens is er op de begroting vanaf 2017 jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar voor onder andere de voortzetting van de activiteiten van het aanjaagteam verwarde personen en voor de verbetering van de kwaliteit van het vervoer van deze doelgroep.

Voor het vervoer zelf wordt vanaf 2017 jaarlijks € 6 miljoen beschikbaar gesteld. De middelen hiervoor zijn opgenomen bij de premie uitgaven aan ambulancezorg welke worden toegelicht in het Financieel Beeld Zorg.

Daarnaast is er voor de periode 2017–2021 in totaal een bedrag van € 48 miljoen beschikbaar voor een meerjarig ZonMw programma om projecten en initiatieven te faciliteren die bijdragen aan het realiseren van een regionale sluitende aanpak voor personen met verward gedrag. De middelen hiervoor zijn opgenomen onder artikel 4.

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

Het is van belang dat er in grootschalige nieuwbouwlocaties, waar nog niet voldoende patiënten wonen, geïntegreerde eerstelijnszorg wordt aangeboden. Daarom worden gezondheidscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties contractueel belast met het aanbieden van die zorg bij wijze van dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat zij de taak hebben om op die locaties geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiertoe zullen zij gedurende de aanloopperiode (maximaal vijf jaar) subsidie ontvangen. Hiervoor is voor 2017 € 2 miljoen gereserveerd.

Vertrouwenspersoon in de ggz

De patiëntenvertrouwenspersoon is de onafhankelijke ondersteuner van cliënten in de ggz. De werkzaamheden van de patiëntenvertrouwenspersoon hebben een wettelijke basis in de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en het besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz. Met de subsidie stelt VWS de Stichting Patiëntvertrouwenspersoon (PVP) in staat deze wettelijke taak onafhankelijk van de instellingen uit te voeren. Daarnaast financiert VWS de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP) om uitvoering te geven aan de motie-Joldersma c.s. (TK 30492, nr. 23). In deze motie is verzocht om in iedere ggz-instelling een familievertrouwenspersoon beschikbaar te hebben. Een familievertrouwenspersoon voorziet familieleden en naasten van advies, bijstand en informatie over de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg. De omvang van de financiering is gebaseerd op een landelijk dekkend netwerk van familievertrouwenspersonen die ondersteuning van hoogwaardige kwaliteit kunnen bieden, zorg draagt voor het werken in triade als methodiek en als uitgangspunt van de samenwerking met de ggz-instellingen. De inzet en steun vanuit het familievertrouwenswerk is in het kader van de instellingssubsidie onlosmakelijk verbonden aan familie van patiënten die reeds in zorg zijn.

In totaal is voor deze activiteiten in 2017 een bedrag beschikbaar van € 6,2 miljoen.

Suïcidepreventie

De impact van een (poging tot) suïcide is groot, zowel voor de nabestaanden en naasten als voor de omgeving en de samenleving. Het aantal suïcides vertoonde sinds 2008 in Nederland een stijgende lijn. De cijfers over het aantal suïcides in 2014 zijn voor het eerst gedaald met ongeveer 1% (van 1.857 in 2013 naar 1.839 in 2014).

VWS financiert ten behoeve van acute anonieme hulp die 24/7 beschikbaar is, Stichting 113Online. De instellingssubsidie voor Stichting 113Online (per 1 januari 2016 gefuseerd met Ex 6) is met ingang van 2016 substantieel verhoogd om meer hulp te kunnen bieden en haar expertisefunctie te kunnen verstevigen. De hoogte van de instellingssubsidie loopt gefaseerd op van € 3,1 miljoen. in 2017 tot € 3,6 miljoen in 2019.

Daarnaast financiert VWS de coördinatie en het aanjagen van de uitvoering van de Landelijke agenda suïcidepreventie en een regionale aanpak om suïcidepreventie vorm te geven (Supranet). De Landelijke agenda heeft een looptijd van 2014–2017, de regionale aanpak wordt gedurende 2016–2018 gefinancierd. De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de landelijke suïcidecijfers en de uitvoering van deze agenda. In totaal is voor deze activiteiten in 2017 een bedrag beschikbaar van € 0,9 miljoen.

Naar aanleiding van de aangenomen motie Van der Staaij (TK 25424, nr. 264), is voor de periode 2016–2020 een bedrag van € 3,2 miljoen beschikbaar gesteld aan ZonMw ten behoeve van een meerjarig onderzoeksprogramma suïcidepreventie. Met de uitvoering van onderzoek is in 2016 een start gemaakt. De middelen hiervoor zijn opgenomen onder artikel 4.

Memorabel

Voor het vervolg op het ZonMw onderzoeksprogramma Memorabel (deel 2) is in totaal € 32 miljoen beschikbaar voor de periode 2017–2020. Met dit programma wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek naar zowel de oorzaken, preventie, diagnostiek en behandeling van dementie en de zorg voor mensen met dementie. Voor de curatieve zorg is hier jaarlijks € 3 miljoen voor beschikbaar gesteld, die zijn overgeheveld naar artikel 4.

Kwaliteitsimpuls apothekers

In het bestuurlijk overleg Farmacie is het belang van de apotheker als zorgverlener in de eerste lijn benadrukt. De apotheker werkt samen met andere zorgverleners in een sterke, geïntegreerde eerste lijn zo dicht mogelijk bij de patiënt. Om de huidige generatie openbaar apothekers, net als de nieuwe generatie openbaar apothekers, klaar te stomen voor de veranderingen in het beroep en te borgen dat zij bekwaam zijn en blijven in het verlenen van farmaceutische patiëntenzorg wordt via een subsidie aan de KNMP een stimuleringsprogramma voor competentieontwikkeling van openbaar apothekers op de gewenste gebieden georganiseerd. In 2017 is hiervoor € 2,8 miljoen gereserveerd.

Bekostiging

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie Zvw. De rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds (circa € 2,5 miljard) voorziet in de financiering van deze premie.

Rijksbijdrage demping premie ten gevolgen van HLZ

De transitie van de AWBZ naar de Wlz, waarbij tevens overhevelingen plaatsvinden van de AWBZ naar de Zvw, zorgt voor een effect op de Zvw-premie. Een tegengesteld effect doet zich voor als gevolg van de overheveling van de jeugd-ggz naar de gemeenten. Om het gesaldeerde premie-effect te dempen is een rijksbijdrage ingevoerd. Deze rijksbijdrage loopt af van € 1,804 miljard in 2015 naar € 0 in 2019. In 2017 is de rijksbijdrage circa € 0,9 miljard.

Zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

Zorgaanbieders kunnen een bijdrage vragen aan het Zorginstituut Nederland als zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen en de kosten daarvan niet of niet volledig verhaalbaar blijken op de patiënt. Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet (Zvw, art. 122a) gestelde voorwaarden. Voor compensatie aan de zorgaanbieders is in 2017 € 32,4 miljoen beschikbaar.

Opdrachten

Uitvoeren visie geneesmiddelen en kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid hulpmiddelen

Voor het uitvoeren van de visie geneesmiddelen is een bedrag van € 2 miljoen in 2017 oplopend naar € 2,7 miljoen vanaf 2018 gereserveerd. Voor het verbeteren van de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de hulpmiddelenvoorziening is in 2017 een bedrag gereserveerd van € 1 miljoen in 2017 oplopend naar € 3 miljoen in 2019.

Aanvulling ZonMw-programma Doelmatigheidsonderzoek

Tijdens de behandeling van de begroting 2015 is het amendement van het lid Rutte (TK 34 000 XVI, nr. 39) aangenomen voor de financiering van de cyclus omtrent zorgevaluaties, aanpassing van richtlijnen en inkoopbeleid van zorgverzekeraars. Doel is hiermee de kwaliteit en doelmatigheid in de zorg te bevorderen. Hierbij zal een inhoudelijke link worden gelegd met de Kwaliteits- en Doelmatigheidsagenda Medisch-Specialistische Zorg (hoofdlijnenakkoord MSZ). Hiertoe wordt het budget voor het doelmatigheidsprogramma bij ZonMw voor drie jaar verhoogd met in totaal € 3 miljoen (gegeven de looptijd van het hoofdlijnenakkoord t/m 2017). Deze middelen worden verantwoord op artikel 4.

Overig

Het resterende deel van het budget voor opdrachten is onder andere bestemd voor opdrachten op het gebied van de Uitvoering wet verplichte GGZ, Monitoring van effecten Basis GGZ, Dwang in de Zorg en de Publiekscampagne GGZ informatievoorziening rond geneesmiddelen door de stichting Farmaceutische Kengetallen, Medicijnbalans, een monitor voorschrijven huisartsen, vervaardiging van FTO-materialen (voor farmacotherapeutisch overleg) en informatievoorziening voor de patiënt.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: WGP/GVS/APG

Het agentschap zorgt voor het register van apotheekhoudende huisartsen (€ 0,2 miljoen), het Geneesmiddelenvergoedingensysteem (€ 0,4 miljoen) en het uitvoeren van de Wet Geneesmiddelenprijzen (€ 0,6 miljoen). Daarnaast verzorgt het CIBG de vergunning- en ontheffingverlening op grond van diverse wetten.

3. Ondersteuning van het stelsel

Subsidies

Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen

De subsidie voor het project «Zorgverzekeringslijn» bij de Stichting Kwaliteit en Geschillen wordt de komende jaren voortgezet. In 2017 gaat het om een bedrag van € 1,2 miljoen. De activiteiten van de Zorgverzekeringslijn voorzien in informatie en advies over de zorgverzekering, de verzekeringsplicht, wat te doen bij betalingsproblemen of onverzekerdheid en biedt zo nodig en gewenst een doorverwijzing naar lokaal welzijnswerk of schuldbemiddeling. Deze activiteiten worden op de volgende wijze uitgevoerd:

  • •  Telefonisch informatie- en adviespunt voor vragen over de zorgverzekering.
  • •  Via Zorgverzekeringslijn.nl wordt aan jongeren van (bijna) 18 jaar en ouder, personen die onlangs in Nederland zijn komen wonen en/of werken, wanbetalers en onverzekerden informatie verstrekt over de Zorgverzekeringswet.
  • •  Diverse voorlichtingsmaterialen.
  • •  Voorlichting in de vorm van onder meer gastlessen over verzekeringsplicht en gevolgen van wanbetaling aan jongeren.

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

De budgetten in de jaren 2019 en 2020 betreffen nabetalingen in het kader van de subsidieregeling overgang integrale tarieven MSZ 2015 en 2016. Op aanvraag wordt 80% van het subsidiebedrag van € 100.000 per specialist uitgekeerd. Bij de vaststelling in 2019 respectievelijk 2020 volgt het restant van 20%.

Inkomensoverdrachten

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

Bij de afschaffing van de regelingen rond Functioneel Leeftijdsontslag/Vervoegde Uittreding (FLO/VUT) rond 2006 heeft de rechter destijds bepaald dat de kosten van het overgangsrecht in de tarieven voor de publieke ambulancediensten dienden te worden verwerkt. Om de continuïteit van ambulancezorg te garanderen en om een ongelijk speelveld tussen de verschillende soorten ambulancediensten (publiek, B3 en particulier) te voorkomen zijn vervolgens afspraken gemaakt over de vergoeding van het overgangsrecht ouderenregelingen voor de verschillende diensten. Deze afspraken zijn afhankelijk van de cao’s die voor de verschillende diensten golden. Met elk van de groepen is een overeenkomst gesloten, waarin is geregeld dat een groot deel van de kosten bij VWS gedeclareerd kan worden. Om verschillen in de tariefstelling ten gevolge van de ouderenregelingen te voorkomen, is ervoor gekozen de betalingen van alle drie deze regelingen via de begroting van VWS te laten verlopen (bijdrage 2017 € 24,8 miljoen).

Schadevergoeding Erasmus MC

In een bindend advies is de schadevergoeding die VWS aan Erasmus MC moet betalen vanwege het niet nakomen van twee toezeggingen uit 2009 vastgesteld op € 235,9 miljoen (stand ultimo 2014, exclusief rente). Erasmus MC lijdt schade als gevolg van handelingen en investeringen die het zonder de toezeggingen niet zou hebben verricht respectievelijk gedaan. Erasmus MC heeft op basis van de toezeggingen een nieuwbouwproject met een onrendabele top (lasten ongedekt door relevante inkomsten) ondernomen en zou zonder de toezeggingen een dergelijk nieuwbouwproject niet hebben uitgevoerd (TK 25 268, nrs. 120 en 126). VWS heeft in 2015 en 2016 een bedrag van € 85 miljoen betaald en voldoet het restant in 2017 (€ 81 miljoen).

Opdrachten

Risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan de gewijzigde omstandigheden in de zorg. In de brief «Kwaliteit loont» (TK 31 765, nr. 116) is al aangekondigd dat extra middelen worden vrijgemaakt voor onderzoek en de begeleidingscapaciteit binnen het ministerie. Hiervoor is in 2017 circa € 1,9 miljoen beschikbaar.

Naar aanleiding van de fundamentele discussie wordt de lijn doorgezet om bij de verbetering van de risicoverevening voor de kosten van de somatische zorg inclusief wijkverpleging en de kosten van de geestelijke gezondheidszorg, de aandacht te richten op het beter compenseren voor chronisch zieken en andere verzekerden die veel zorg gebruiken. Voor verzekeraars wordt het hierdoor aantrekkelijk om zich te richten op deze groep verzekerden. Verder vindt er een kwantitatieve analyse plaats van de werking van het vereveningssysteem.

Verdere ontwikkeling DBC’s

De middelen op de begroting van VWS voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de DBC-systematiek worden beschikbaar gesteld aan de NZa. Deze middelen worden geraamd op artikel 4 Zorgbreed beleid.

Bijdragen aan agentschappen

CJIB: onverzekerden en wanbetalers

Het kabinet vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering (Wet Ovoz) worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het Zorginstituut Nederland (ZiNL)2 in samenwerking met de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Bij niet nakomen van de verzekeringsplicht kan tot twee keer een bestuursrechtelijke boete worden opgelegd. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). De uitvoeringskosten van het ZiNL, de SVB en het CJIB worden door VWS betaald. Hiervoor is in 2017 voor het CJIB € 15,6 miljoen beschikbaar. Nieuw in 2017 zijn de kosten voor het opzetten en uitvoeren van een gegevensuitwisseling met zorgverzekeraars van personen die ingevolge de Zorgverzekeringswet verzekerd zijn, maar geen grondslag hebben voor verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg. Dit zijn mogelijk ten onrechte verzekerde personen.

Op grond van de wanbetalersregeling in de Zvw worden wanbetalers (www.staatvenz.nl/kerncijfers/wanbetalers-zorgverzekering) die geen premie betalen bij een premieachterstand van zes maanden overgedragen aan het ZiNL. Via onder andere bronheffing betalen zij verplicht een bestuursrechtelijke premie die vanaf 1 juli 2016 125% van de gemiddelde nominale Zvw-premie bedraagt. De uitvoeringskosten van het ZiNL worden door VWS betaald. Van de bestuursrechtelijke premie die wanbetalers betalen vloeit 23% naar de ontvangsten op de VWS-begroting. De overige ontvangsten vloeien in het Zorgverzekeringsfonds.

Vanaf 1 juli 2016 is de Regeling Uitstroom bijstandsgerechtigden in werking getreden. Door samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars kan de gemeente bijstandsgerechtigden selecteren voor duurzame uitstroom uit het bestuursrechtelijke premieregime.

De gemeente houdt op de uitkering premie én een aflossingsbedrag in voor het aflossen van schuld bij de zorgverzekeraar. Als mensen de regeling drie jaar volhouden kunnen ze uitstromen. De resterende schuld wordt dan kwijtgescholden.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Zorginstituut Nederland: onverzekerden en wanbetalers

Het Zorginstituut verricht activiteiten op het gebied van het opsporen van onverzekerden. Hiervoor is in 2017 € 42,6 miljoen beschikbaar. Zie verder de toelichting hiervoor bij Bijdragen aan agentschappen (CJIB).

Zorginstituut Nederland: Doorlichten pakket

In het regeerakkoord Rutte-Asscher is afgesproken dat het Zorginstituut Nederland (ZiNL) jaarlijks een deel van het verzekerd pakket zal doorlichten (stringent pakketbeheer/systematische doorlichting pakket). Hiervoor wordt aan het ZiNL aanvullend budget beschikbaar gesteld ten behoeve van de uitbreiding van personele capaciteit en onderzoek. Voor 2017 is een budget van € 10,4 miljoen beschikbaar.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

VenJ: Bijdrage C2000

VWS draagt 4,8% bij aan de exploitatiekosten van het digitale communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, C2000. Daarmee is het aandeel van de ambulancezorg gedekt. Deze uitgaven bedragen voor 2017 € 4,2 miljoen.

Ontvangsten

Wanbetalers en onverzekerden

De ontvangsten als gevolg van de aan wanbetalers opgelegde bestuursrechterlijke premie worden met ingang van 2012 voor 30/130ste deel toegevoegd aan de begroting van VWS, waaruit de uitvoeringskosten worden gefinancierd.

Op 1 juli 2016 is de wet «Verbetering wanbetalersmaatregelen» inwerking getreden. Met deze wet komen de bestuurlijke boeten, bedoeld in de artikelen 9b en 9c (onverzekerdenregeling), niet meer ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds, maar vloeien naar de ontvangsten op de VWS- begroting (artikel 9c, 4e lid, Zvw) www.staatvenz.nl/kerncijfers/onverzekerden-zorgverzekering. Voor 2017 worden de totale ontvangsten op de VWS-begroting (voor zowel wanbetalers als onverzekerden) geraamd op € 59,9 miljoen.

Beleidsartikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

1. Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat 1. ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en 2. – wanneer dit nodig is – thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg biedt. Daarbij worden ondersteuning en zorg aangeboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag en de weerbaarheid van de burger staan centraal. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

In dit begrotingsartikel zijn de begrotingsuitgaven voor de maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg opgenomen.

De premie-uitgaven en -ontvangsten op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ).

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een effectief en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit of thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen.

Gemeenten dragen zorg voor de ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het budget voor de Wmo 2015 wordt via de integratie-uitkering Sociaal domein aan gemeenten uitgekeerd. Daarnaast ontvangen gemeenten budget voor de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging, de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, en de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten namens Wlz-uitvoerders overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Regisseren:

  • –  De Minister stelt de wettelijke kaders van de Wmo 2015 en de Wlz vast en stuurt onder meer door het maken van bestuurlijke afspraken.
  • –  De Minister is verantwoordelijk voor het monitoren en evalueren van de werking van de Wmo 2015 en de Wlz.

Stimuleren:

  • –  De Minister stimuleert vernieuwing in de maatschappelijk ondersteuning en de langdurige zorg en jaagt deze aan. Vernieuwing wordt hoofdzakelijk door burgers, cliëntenorganisaties, gemeenten, zorg- en welzijnsaanbieders en zorgverzekeraars vormgegeven.
  • –  De Minister stimuleert de ontwikkeling en verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg en initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de ondersteuning en zorg te versterken.

Financieren:

  • –  De Minister draagt zorg voor het financieren van de Wmo 2015 en de Wlz.
  • –  De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de Wlz en door het financieren van partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE).

3. Beleidswijzigingen

Voor 2017 ligt de focus op de praktijk – zorgen dat het werkt – en vernieuwing.

De beleidswijzigingen voor 2017 zijn:

  • –  In de brief «Waardig leven met zorg» van 26 februari 2016 (TK 34 104, nr. F) zijn tien acties aangekondigd om in samenwerking met het veld de uitvoering van de langdurige zorg de komende drie jaar te vernieuwen. De tien acties – waarvan het overgrote deel per 2017 tot implementatie leidt- zijn erop gericht de toegang tot/overgang naar de Wlz soepeler te laten verlopen, zorgaanbieders en zorgkantoren echt naar cliënten te laten luisteren, het zorgaanbod op hun wensen toe te snijden en meer te innoveren. Voorts geldt dat in 2017 twee experimenten met persoonsvolgende bekostiging in de Wlz starten: één experiment voor de sector verpleging en verzorging in de regio Zuid-Limburg en één experiment voor de sector gehandicaptenzorg in de regio Rotterdam.
  • –  Op 10 februari 2015 is het programma «Waardigheid en Trots, liefdevolle zorg voor onze ouderen» gepresenteerd, met als doel om de verpleeghuiszorg in Nederland te verbeteren (TK 31 765, nr. 124). Het plan bevat een brede aanpak waarbij op 5 speerpunten 25 projecten worden uitgevoerd. In 2017 wordt het nieuwe kwaliteitskader geïmplementeerd dat in 2016 wordt opgeleverd, werken 180 aanbieders op verschillende onderwerpen aan het verbeteren van de kwaliteit en worden de resultaten hiervan gedeeld met de rest van de sector en worden regionaal debatten gevoerd over verpleeghuiszorg van de toekomst. De Tweede Kamer wordt tweemaal per jaar over het programma geïnformeerd door voortgangsrapportages.
  • –  In 2017 zullen de stappen in het actieprogramma voor de kwaliteit in de gehandicaptenzorg, waarmee in de aanloop van 2016 is begonnen, nader worden uitgewerkt ter ondersteuning van de speerpunten (TK 24 170, nr. 152).
  • –  Via het onderzoeksprogramma «Memorabel» zijn de afgelopen vier jaar belangrijke onderzoeken naar zowel de oorzaken, preventie, diagnostiek en behandeling van dementie en de zorg voor mensen met dementie gestart. Ook de internationale samenwerking bij onderzoek door deelname aan het Joint Programme Neurodegenerative Diseases Research (JPND) laat zien dat Nederlands dementie-onderzoek van hoog niveau is. De onderzoeksprojecten leveren beide goede resultaten op. Voor een voortzetting van Memorabel en de deelname aan JPND is via ZonMw in totaal aanvullend € 32 miljoen subsidie beschikbaar voor de periode 2017–2020. Het doel is de komende jaren deze zorg nog verder te verbeteren en te werken aan de volledige implementatie van de zorgstandaard dementie. Het Deltaplan Dementie ontwikkelt in samenspraak met betrokken veldpartijen een zorgverbeterprogramma dementie, zodat degenen die met dementie te maken krijgen, zo goed mogelijke zorg krijgen als zij dat nodig hebben. Alleen zorg is echter niet genoeg voor mensen met dementie en hun naasten. Zij moeten ook in het dagelijks leven begrip en ondersteuning krijgen van de gehele samenleving en deel blijven uitmaken van de samenleving. Daarom is een subsidie van € 2,3 miljoen verstrekt voor de opstart van het programma Dementievrienden. Het Deltaplan Dementie werkt hierin samen met Alzheimer Nederland en PGGM. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief van 9 mei 2016 (TK 25 424, nr. 313). De beoogde totale programmaduur is 5 jaar. In 2017 zal worden besloten over subsidie voor het vervolg, waarbij dan het doel zal zijn voor eind 2017 ten minste 50.000 mensen als dementievriend hebben geregistreerd.
  • –  Per 2017 wordt de regeling Palliatieve terminale zorg verlengd en beperkt gewijzigd. De wijzigingen verruimen de reikwijdte van de regeling en faciliteren een bredere inzet van de vrijwillige palliatieve terminale zorg. De nieuwe regeling loopt tot 2022.
  • –  Tijdens de verdere ontwikkeling van het programma antibioticaresistentie is gebleken dat in de langdurige zorg extra inspanningen nodig zijn om de doelstellingen te halen zoals die in juni 2015 met de partijen in het veld zijn overeengekomen. De extra inspanningen in 2017 richten zich op betere hygiëne, zorgvuldiger antibiotica voorschrijven en extra informatie over de prevalentie en incidentie van bijzonder resistente micro organismen (BRMO).
  • –  Op 2 mei 2016 is de ontwikkelagenda «Voortgang en ambitie Wmo, volwaardig meedoen» aan de Tweede Kamer gepresenteerd (TK 29 538, nr. 214). Met organisaties van cliënten en de VNG zal op basis van een landelijke ontwikkelagenda ook in 2017 de doorontwikkeling van de uitvoering op lokaal en regionaal niveau van impulsen worden voorzien, zodat het voor de cliënt merkbaar beter wordt. De activiteiten zijn er op gericht om de positie van de cliënt te versterken, echt maatwerk in levensbrede (integrale) ondersteuning mogelijk te maken en een inclusieve samenleving, verrijkt met maatschappelijke initiatieven te bevorderen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de ontwikkelagenda.
  • –  In 2017 heeft het platform inclusie, een centrale rol bij de implementatie van het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een handicap en zal het onder andere gemeenten, maatschappelijke organisaties en sectoren ondersteunen om tot concrete acties te komen die bijdragen aan een meer toegankelijke en inclusieve samenleving. De ambitie van het Verdrag is dat iedereen, mensen met of zonder een beperking, volwaardig kan deelnemen aan de samenleving.
  • –  De afgelopen jaren heeft de overheid beleid ontwikkeld om de mantelzorger te ondersteunen. Zijn juridische positie is versterkt en ondersteuning als respijtzorg krijgt steeds meer vorm. Er is erkenning dat mantelzorg deel uitmaakt van de «driehoek» van de cliënt, professionele zorg en mantelzorgverlener. In 2017 is het tijd voor een volgende stap, met daarin aandacht voor verdere integrale ondersteuning van mantelzorger met bijvoorbeeld aandacht voor werk en mantelzorg of huisvesting en mantelzorg alsook voor meer maatschappelijke bewustwording. Onderdeel hiervan is een campagne voor een mantelzorgvriendelijke samenleving.
  • –  In 2017 is het beleid op het terrein van pgb-trekkingsrechten gericht op het structureel verbeteren, toekomstbestendig maken en meer gebruiksvriendelijk inrichten van het trekkingsrecht voor de budgethouder: hoofdcomponenten hierbij zijn het op nieuwe wijze ontwikkelen van een portaal, standaardiseren en digitaliseren en taken en verantwoordelijkheden van de verstrekker beter borgen.
  • –  In 2017 wordt de pilot integraal pgb afgerond en worden de geleerde lessen (succesfactoren en leerpunten) opgenomen in een eindrapport dat aan de Tweede Kamer zal worden gestuurd. De AMvB integraal pgb en de bestuurlijke afspraken tussen de staatssecretarissen van VWS, SZW en OCW maken het mogelijk dat de gemeenten Delft en Woerden tot 1 juli 2017 kunnen experimenteren. Gedurende het traject worden de geleerde lessen en knelpunten geïnventariseerd door TNO.
  • –  De transitie naar een betere aansluiting van het huidige zorgaanbod en de vraag om langer zelfstandig te wonen met nieuwe zorgarrangementen, zal meerdere jaren beslaan. In regio’s of gemeenten worden afspraken gemaakt tussen gemeenten, woningcorporaties en zorgaanbieders over het aantal geschikte woningen en de te leveren zorg en ondersteuning om mensen langer zelfstandig te kunnen laten wonen. Zoals aangekondigd in de brief «Reactie op het Eindrapport «Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen»» van 23 mei 2016 (TK 32 847, nr. 228) bereiden de Staatssecretaris van VWS en de Minister voor Wonen en Rijksdienst met de VNG een ondersteuningsprogramma voor de ontwikkeling van een meerjarige, integrale visie en uitvoeringsagenda op het gebied van wonen en zorg. Dit ondersteuningsprogramma is eind 2016 gereed en wordt in 2017 geïmplementeerd.
  • –  Om vernieuwing in de thuisondersteuning te stimuleren wordt een kennis- en ontwikkelprogramma thuisondersteuning opgezet, zoals is aangekondigd in de brief Uitgangspunten voor een toekomstvaste langdurige zorg en ondersteuning van 4 december 2015 (TK 29 282, nr. 238). In dit programma worden goede voorbeelden en innovaties uit lokale pilots gericht op integrale thuisondersteuning verzameld, ten behoeve van een brede verspreiding van deze kennis. De gemeenten die pilots gaan doen worden in 2016 geworven en de eerste resultaten en kennisproducten worden in 2017 verwacht en verspreid.
  • –  In 2017 zal tevens de nadruk blijven liggen op en geïnvesteerd worden in het versterken van burger- en cliëntregie (onder andere right to challenge), een vermindering van de regeldruk en administratieve lasten voor burgers en instellingen en het verbeteren van de informatie aan cliënten en de informatie-uitwisseling tussen de verschillende ketenpartners.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

7.052.568

3.815.527

317.872

3.756.684

3.799.426

3.854.224

3.918.381

               

Uitgaven

3.604.436

3.734.022

3.768.067

3.756.684

3.799.426

3.854.224

3.918.381

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,4%

       
               

1. Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

113.809

91.186

87.815

87.153

87.254

87.921

87.923

                 
 

Subsidies

31.381

24.737

21.435

21.864

21.966

22.633

22.634

   

Movisie

8.204

7.198

7.225

7.225

7.225

7.225

7.225

   

Volwaardig meedoen

3.971

4.515

1.700

0

0

0

0

   

Wmo-werkplaatsen

2.685

2.600

2.600

2.600

0

0

0

   

Ondersteuning vrijwilligers

0

1.400

1.000

1.000

0

0

0

   

Mezzo

3.262

3.200

3.160

3.160

3.160

3.160

3.160

   

Siriz (opvang specifieke groepen)

1.518

1.517

1.500

750

0

0

0

   

Aanpak Laaggeletterdheid

0

2.000

2.000

2.000

0

0

0

   

Overig

11.741

2.307

2.250

5.129

11.581

12.248

12.249

                 
 

Inkomensoverdrachten

20.867

0

0

0

0

0

0

   

Mantelzorg ondersteuning

20.867

0

0

0

0

0

0

                 
 

Opdrachten

60.329

66.449

66.380

65.289

65.288

65.288

65.289

   

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

55.645

60.564

60.652

60.652

60.652

60.652

60.652

   

Evaluatie Wmo 2015

0

980

1.680

0

0

0

0

   

Categorale opvang slachtoffers mensenhandel

0

1.700

1.700

0

0

0

0

   

Overig

4.684

3.205

2.348

4.637

4.636

4.636

4.637

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

1.232

0

0

0

0

0

0

   

SVB: uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning

1.232

0

0

0

0

0

0

               

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

3.490.627

3.642.936

3.680.252

3.669.531

3.712.172

3.766.303

3.830.458

                 
 

Subsidies

79.651

110.744

107.261

106.079

107.713

108.343

111.498

   

Compensatieregeling pgb-trekkingsrechten

0

20.000

0

0

0

0

0

   

Vilans

5.158

4.689

4.689

4.689

4.689

4.689

4.689

   

Centrum Consultatie en Expertise (CCE)

11.194

11.349

11.158

10.989

10.892

10.892

10.892

   

InVoorZorg! (IVZ)

22.541

5.598

6.933

0

0

0

0

   

Joodse en Indische instellingen

2.593

2.504

2.415

2.265

2.115

1.888

1.608

   

Palliatieve zorg

21.163

21.543

23.610

24.123

24.662

25.215

25.790

   

Dementie

38

3.163

3.200

3.200

3.200

3.200

0

   

Waardigheid en trots

2.432

17.500

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

   

Antibioticaresistentie

0

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Kwaliteit gehandicaptenzorg

0

1.600

5.800

5.800

5.800

5.800

5.800

   

Overig

14.532

22.798

22.456

28.013

29.355

29.659

35.719

                 
 

Bekostiging

3.250.000

3.380.300

3.463.300

3.489.000

3.530.000

3.583.500

3.644.500

   

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

3.250.000

3.380.300

3.463.300

3.489.000

3.530.000

3.583.500

3.644.500

                 
 

Opdrachten

4.188

4.986

3.407

3.573

3.579

3.579

3.579

   

Overig

4.188

4.986

3.407

3.573

3.579

3.579

3.579

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

2.735

2.882

55

54

54

54

54

   

CIBG: Opdrachtgeverschap

2.735

2.824

0

0

0

0

0

   

Overig

0

58

55

54

54

54

54

                 
 

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

154.053

143.924

106.229

70.825

70.826

70.827

70.827

   

Uitvoeringskosten SVB pgb-trekkingsrechten

76.241

72.644

35.100

0

0

0

0

   

Centrum Indicatiestelling Zorg

77.811

71.268

68.573

68.269

68.269

68.269

68.269

   

ZiNL: iWlz

0

0

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Overig

1

12

556

556

557

558

558

               

Ontvangsten

2.755

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

   

Overig

2.755

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget van circa € 128,7 miljoen is 85% juridisch verplicht. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget van circa € 3,5 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK).

Opdrachten

Van het beschikbare budget van circa € 69,8 miljoen is 94% reeds juridisch verplicht. Het betreft met name bovenregionaal gehandicaptenvervoer ad € 60,7 miljoen.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget circa € 106,2 miljoen is 100% reeds juridisch verplicht. Het betreft met name de bijdrage aan het CIZ van € 68,6 miljoen.

5. Toelichting op de instrumenten

1. Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (≥ 65 jaar) en de algemene bevolking in 2015 (percentages)

* < 65 jaar. Bij mensen met een verstandelijke beperking gaat het om (on)betaald werk, zowel 65-plus als 65-min.

Bron: Nivel Participatiecijfers 2008–2015

Bovenstaand kengetal toont de participatie van thuiswonende mensen met beperkingen, ouderen en de algemene bevolking in 2015 op basis van de participatiemonitor van het NIVEL. Het kengetal geeft inzicht in de participatie op negen deelgebieden. Het overkoepelende beeld dat naar voren komt is in 2015 hetzelfde als in de jaren ervoor: op alle deelgebieden zijn verschillen in participatie tussen de groep mensen met beperkingen en de algemene bevolking. Met name op het gebied van betaald werk zijn de verschillen groot. Op veel andere deelgebieden is de participatie van mensen met een verstandelijke beperking ook een stuk lager dan in de algemene bevolking. De participatie van ouderen (≥65 jaar) is vergelijkbaar met die van de algemene bevolking (met uitzondering van betaald werk en opleiding).

Subsidies

Movisie

Het kennisinstituut Movisie ontvangt in 2017 circa € 7,2 miljoen subsidie voor het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen ten behoeve van een adequate uitvoering van de Wmo 2015 en aanpalende terreinen.

Volwaardig meedoen

Samen met cliëntorganisaties en de VNG zijn drie prioritaire doelstellingen vastgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van de uitvoering de Wmo 2015 zodat op termijn: 1) de positie van de cliënt versterkt is (zodat het goede gesprek kan plaatsvinden), 2) er daadwerkelijk maatwerk wordt geboden in levensbrede ondersteuning (gericht op participatie en zelfredzaamheid) en 3) er een inclusieve samenleving wordt bevorderd, verrijkt door maatschappelijke initiatieven. Om deze doelen te realiseren ontvangen het programma «Aandacht voor Iedereen»(AVI) en de Koepel Adviesraden sociaal domein beiden een subsidie van in totaal € 1,7 miljoen.

Wmo-werkplaatsen

In 2017 worden de 14 Wmo-werkplaatsen voor € 2,6 miljoen gesubsidieerd. Dit zijn regionale samenwerkingsverbanden van hogescholen en lectoraten, gemeenten en zorg- en welzijnsinstellingen, gericht op praktijkonderzoek en deskundigheidsbevordering op het terrein van maatschappelijke ondersteuning.

Ondersteuning vrijwilligers

In 2016 is gestart met een impuls aan de versterking van de ondersteuning van vrijwilligers op lokaal niveau (€ 1,4 miljoen, amendement Dik-Faber en Van der Staaij TK 34 000-XVI, nr. 38). Dit gebeurt in een programma van drie jaar, onder de vlag van de Vereniging Nederlandse Organisatie Vrijwilligerswerk (NOV) en het Landelijk Overleg Vrijwilligers in de Zorg (LOVZ).

Mezzo

Mezzo ontvangt in 2017 instellingssubsidie vanwege hun kennis en activiteiten gericht op het versterken en verlichten van mantelzorgers en vrijwilligers (€ 3,2 miljoen).

Siriz

Voor een landelijke impuls voor de hulp aan onbedoeld zwangeren en tienermoeders ontvangt Siriz ook in 2017 een subsidie van € 1,5 miljoen. Uitgangspunt hierbij is dat de expertise op dit gebied wordt behouden en verder kan worden uitgedragen aan de hele sector. Voor deze impuls worden vooralsnog ook in 2018 middelen gereserveerd, waarna dit in de reguliere zorg en ondersteuning moet zijn verankerd.

Aanpak laaggeletterdheid

Het actieprogramma «Tel mee met taal» is een integrale aanpak van de ministeries OCW, SZW en VWS om in periode 2016–2018 gezamenlijk taalachterstanden te voorkomen, het lezen te bevorderen en laaggeletterdheid te bestrijden. Het programma biedt ondersteuning aan gemeenten, provincies en maatschappelijke organisaties. VWS participeert in het programma omdat laaggeletterdheid een negatief effect heeft op welzijn en gezondheid. Het gezamenlijke jaarlijkse budget is € 18 miljoen, waarvan € 2 miljoen vanuit VWS wordt bijgedragen.

Opdrachten

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer (BRV)

Mensen met een mobiliteitsbeperking kunnen gebruik maken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (ook bekend als Valys) per (deel)taxi (circa € 60,7 miljoen in 2017).

Over het geheel genomen geven de pashouders het reizen met het BRV een hoog waarderingscijfer (zie onderstaand overzicht).

Bron & toelichting

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2015, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidies

Vilans

Vilans is het kenniscentrum voor de langdurige zorg. Vilans werkt aan de beschikbaarheid van een kennisinfrastructuur voor professionals in de langdurige zorg. Het doel is om op basis van kennis de kwaliteit van de uitvoering te verbeteren (€ 4,7 miljoen).

Stichting Centrum Consultatie en Expertise (CCE)

De stichting CCE ontvangt subsidie voor diverse activiteiten rond het hanteerbaar maken van probleemsituaties bij cliënten in de langdurige zorg die kampen met ernstige en aanhoudende gedragsproblemen. Zo mobiliseert het CCE in dit kader expertise en ondersteuning op maat via een netwerk van circa 600 velddeskundigen (consultatiefunctie inclusief signalering en feedback) en toetst het CCE aanvragen voor diverse toeslagen (toeslag reguliere meerzorg, meerzorg pgb-ZZP en extramurale interventies Kinderdienstencentra). CCE ontvangt hiervoor een subsidie (€ 11,2 miljoen).

InVoorZorg! (IVZ)

Via «InVoorZorg!» worden zorgaanbieders geholpen met het invoeren van bestaande vernieuwingen. Gezien het kwaliteitsvraagstuk in de verpleeghuiszorg, is «InVoorZorg!» vanaf 2015 omgevormd tot een stimuleringsprogramma voor aanbieders van verpleeghuiszorg met een urgent kwaliteitsprobleem. Verpleeghuizen met een urgent kwaliteitsprobleem kunnen een beroep doen op «InVoorZorg!». Hiervoor is in 2017 € 6,9 miljoen beschikbaar.

Joodse en Indische instellingen

Een aantal Joodse en Indische instellingen ontving, in aanvulling op de reguliere bekostiging, budgettoeslagen in verband met de specifieke problematiek van de eerste generatie Joodse en Indische oorlogsgetroffenen van de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de veranderingen in de bekostiging in de Zvw en AWBZ konden deze toeslagen niet meer via de NZa worden verstrekt. Vanaf 1 januari 2015 zijn deze toeslagen omgezet in een subsidie. De subsidie zal jaarlijks, met een afbouw, tot en met het jaar 2025 worden verstrekt aan deze doelgroep (€ 2,4 miljoen).

Palliatieve zorg

De rijksoverheid verstrekt vanuit de subsidieregeling Vrijwillige Palliatieve Zorg instellingssubsidies aan organisaties voor vrijwillige palliatieve zorg (€ 17,5 miljoen). Het gaat hierbij om inzet van vrijwilligers en vrijwillige zorg in bijna-thuis-huizen, hospices, de thuissituatie en in zorginstellingen. Daarnaast is vanuit de subsidies netwerken palliatieve zorg een bijdrage mogelijk voor de coördinatie van de netwerken palliatieve zorg (€ 3,7 miljoen). Ten slotte wordt via ondersteuning van de instellingen Agora, Vrijwillige Palliatieve Terminale Zorg (VPTZ), Fibula (netwerken) en Stichting Pal gezorgd dat de verbinding met het veld aanwezig blijft om projecten voor kwaliteitsverbetering uit te voeren.

Via ZonMw (zie artikel 4) verstrekt de rijksoverheid een subsidie voor het Nationaal programma ouderenzorg, waarmee belangrijke verbeteringen in de zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen worden gerealiseerd. In het Nationaal Programma Ouderenzorg zijn sinds 2008 vele nieuwe interventies ontwikkeld en wetenschappelijk onderzocht. Hiermee worden belangrijke – door ouderen gewenste – verbeteringen in de zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen gerealiseerd. Er is via ZonMw in totaal € 10 miljoen subsidie beschikbaar gesteld voor 2015, 2016 en een deel van 2017 om, met betrokkenheid van de regionale netwerken ouderenzorg, de implementatie te versnellen. Het jaar 2016 is het laatste jaar van het NPO maar van enkele programma- activiteiten is de afronding in 2017 voorzien. Het gaat om bijvoorbeeld de verspreiding van de resultaten die in de loop van 2016 beschikbaar zijn gekomen, het overbrengen van kennis en ervaring naar het programma «Gewoon Bijzonder» en de eindevaluatie van het programma. Het digitale platform «Beteroud.nl» faciliteert voor alle mensen die hieraan meewerken of anders betrokken zijn de uitwisseling van kennis en ervaring. Het is ook het beoogde platform voor partijen die gezamenlijk verder willen werken aan de verbeteringen van de zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen.

Daarnaast wordt een subsidie verstrekt voor het vervolg op het onderzoeksprogramma Memorabel (Memorabel deel 2). Met dit programma wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek naar zowel de oorzaken, preventie, diagnostiek en behandeling van dementie en de zorg voor mensen met dementie. Er is via ZonMw in totaal € 32 miljoen subsidie beschikbaar voor de periode 2017–2020.

Ook worden subsidies verstrekt voor Gewoon Bijzonder, nationaal programma gehandicapten, waarmee wordt gewerkt aan de inhoud en de structuur van het kennisbeleid in deze sector en voor »Palliantie. Meer dan Zorg» binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg dat in 2015 van start is gegaan.

In het kader van Gewoon Bijzonder, het nationaal programma gehandicapten (gestart medio 2015, looptijd 8 jaar; uitvoerder ZonMw) zal in 2017 verder worden ingezet op het ontwikkelen van kennis, bundelen en verspreiden van bestaande kennis in de gehandicaptensector en richting het onderwijs. Ook zal het traject richting het sociaal domein verder worden vormgegeven en zal worden bezien waar het traject Verbeteren Kwaliteit Gehandicaptenzorg en het nationaal programma Gewoon Bijzonder elkaar kunnen versterken.

Dementie

In 2017 gaat de regering verder met de aanvullende maatregelen voor deze doelgroep die zijn aangekondigd in de brief «Samenleven met dementie» die op 8 juli 2015 aan de Tweede Kamer is aangeboden (TK 25 424, nr. 281). Er is gekozen voor een brede benadering die bestaat uit verschillende pijlers: (1) dementievriendelijke samenleving; (2) netwerken rondom de mensen met dementie en de mantelzorger; (3) structureel verbeteren van dementiezorg en (4) (regel)ruimte voor dementiezorg. De maatregelen bestaan uit het stimuleren van:

  • –  de dementievriendelijke samenleving door steun aan het programma «Dementievrienden» in het kader van het Deltaplan Dementie en activiteiten op advies van de Werkgroep vanuit Dementie Bekeken, zoals nader toegelicht in de brief van 9 mei 2016 (TK 25 424, nr. 313);
  • –  een verbetertraject, langs de lijnen van de Zorgstandaard Dementie, voor tijdige, passende en continue zorg en ondersteuning;
  • –  de herziening van de Zorgstandaard Dementie;
  • –  de begeleiding bij experimenten met zorg en ondersteuning over domeinen heen;
  • –  de «Monitor woonvormen dementie» van het Trimbos-instituut;
  • –  de «Dementie verhalenbank» van de stichting Dementie verhalenbank.

Voor de periode 2016–2020 is het totale budget € 16 miljoen.

Waardigheid en trots

Voor de uitvoering van het programma «Waardigheid en Trots» is via de begroting € 25 miljoen beschikbaar. In het onderdeel «ruimte voor verpleeghuizen» krijgen verpleeghuislocaties de ruimte om in themagroepen te werken aan een verbeterplan en een best practice te worden. Er doen ruim 180 zorginstellingen met ruim 700 locaties mee. Het ondersteuningsprogramma Kwaliteitsverbetering Verpleeghuizen is gericht op verbetering van de kwaliteit van zorg in verpleeghuizen waar sprake is van urgente kwaliteitsproblemen zoals vastgesteld door IGZ, de Wlz-uitvoerder en/of de bestuurder zelf. Jaarlijks kunnen 50 organisaties instromen. Het nieuwe kwaliteitskader en een leidraad voor een verantwoorde personeelssamenstelling worden in 2017 geïmplementeerd.

Antibioticaresistentie

Een aantal voorlopers in de langdurige zorg in Nederland heeft alle aspecten die van belang zijn om antibioticaresistentie te beheersen voor elkaar. Het gaat om voldoende basishygiëne, restrictief maar voldoende voorschrijven van antibiotica en het beheersen van uitbraken met BRMO. Er is echter ook een groot aantal instellingen die nog niet aan de vereisten voldoet. Via subsidies wordt ondersteuning voor deze instellingen gefaciliteerd om hun beleid aan te passen aan de vereisten.

Kwaliteit gehandicaptenzorg

Om een extra impuls te geven aan de kwaliteit in de gehandicaptenzorg en het bestaan van cliënten te verbeteren is een actieprogramma opgesteld waarvoor de komende jaren extra middelen beschikbaar zijn gesteld (€ 5,8 miljoen per jaar). De acties zullen nader worden uitgewerkt en gericht zijn op de speerpunten: versterking van de positie van de cliënt, investeringen in cliënten met bijzondere zorg- en ondersteuningsvragen, toegeruste, betrokken professionals, sturen met visie en bevorderen samenwerking en transparantie, (technologische) innovatie en samenwerking.

Overig

Dit betreft onder andere de uitgaven voor de transitie Hervorming Langdurige Zorg, toe te kennen loon- en prijsbijstelling, en subsidies met een beperkt kasbeslag in 2017 (onder de € 1 miljoen).

Bekostiging

Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 en wordt ingezet om de lagere premieopbrengst als gevolg van de grondslagverkleining van de Wlz te compenseren. De raming voor 2017 bedraagt circa € 3,5 miljard.

Opdrachten

Overig

Dit betreft onder andere de doorontwikkeling van de monitor langdurige zorg en Zorg op de kaart.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Uitvoeringskosten SVB pgb-trekkingsrechten

Dit betreft onder andere  € 35,1 miljoen dat uit het gemeentefonds is genomen voor de bekostiging van de SVB voor de uitvoeringskosten van het pgb-trekkingsrecht voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet tezamen. Ook in 2017 zal de bekostiging van de SVB voor de uitvoeringskosten voor het gemeentelijke deel via de begroting van VWS verlopen.

Centrum Indicatiestelling Zorg

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzorgt de onafhankelijke en regelgebonden indicatiestelling voor de Wlz (€ 68,6 miljoen inclusief de loon- en prijsbijstelling voor 2016). 2017 zal het eerste jaar worden dat het CIZ alle transitiewerkzaamheden heeft afgerond en op basis van een volledig uitgewerkt en ingevoerd klantbedieningsconcept de werkzaamheden zal verrichten.

ZiNL: iWlz

Vanaf 1 januari 2015 werken ketenpartners binnen de Wlz met de iWlz 1.0-berichtenstandaard. Dit is een uniforme systematiek waarmee indicatieorganen, zorgkantoren en zorgaanbieders elektronisch informatie over cliënten kunnen uitwisselen. Het Zorginstituut Nederland (ZiNL) draagt zorg voor de specificaties van iWlz, de standaarden en de bedrijfsregels en begeleidt de implementatie. Daarvoor ontvangt het ZiNL een bijdrage van VWS (€ 2 miljoen).

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen voornamelijk subsidieontvangsten naar aanleiding van de subsidievaststellingen.

Beleidsartikel 4 Zorgbreed beleid

1. Algemene doelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan.

Daar waar publieke belangen in het geding zijn die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

Stimuleren:

  • –  Dat verzekerden, waaronder patiënten, een stevige positie innemen in het zorgstelsel, ondermeer door goed samenwerkende patiënten- en gehandicaptenorganisaties.
  • –  Van kwalitatief goede en veilige zorgverlening met keuzevrijheid voor consumenten.
  • –  Van transparantie over kwaliteit en kosten van zorg.
  • –  Van een logische beroepenstructuur die aansluit op de huidige en toekomstige zorg- en ondersteuningsvraag.
  • –  Van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel door kwalitatief goede en samenhangende opleidingen.
  • –  Van innovaties in de zorg en de ontwikkeling en toepassing van ontwikkelde kennis.
  • –  Van betrokken partijen om het aanbod van (jeugd)zorg in Caribisch Nederland te verbeteren. Wat de zorg betreft conform de aanbevelingen van de Commissie Goedgedrag en wat jeugd betreft conform de bestuurlijke afspraken uit 2009; En beiden conform de door het kabinet overgenomen aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting 2011–2015 die in 2016 is afgerond.
  • –  Van initiatieven om fouten en fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen en fraude aan te pakken.

Financieren:

  • –  Van patiënten- en gehandicaptenorganisaties om de belangen van verzekerden, waaronder patiënten in het systeem te behartigen en hen goed te infomeren.
  • –  Van ZBO’s (CAK, NZa, ZiNL, CSZ) om hun wettelijke verantwoordelijkheid in het zorgstelsel invulling te kunnen geven.
  • –  Van projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg (ZonMw).
  • –  Van agentschappen (CIBG, RIVM) om hun taken in het zorgstelsel uit te voeren.
  • –  Van betrokken partijen met een subsidie om informatie over de kwaliteit van het zorgaanbod snel te ontsluiten voor patiënten.
  • –  Van instrumenten om personeel in de zorg goed op te leiden en bij te scholen (Stagefonds, kwaliteitsimpuls ziekenhuispersoneel, subsidieregelingen opleidingen publieke gezondheidszorg en jeugd-ggz).
  • –  Van zorg en welzijn in Caribisch Nederland.

Regisseren:

  • –  Van een stevige positie van de patiënt in het zorgstelsel door wet- en regelgeving en toepassing en handhaving daarvan, zoals de Wet BIG.
  • –  Dat alle betrokken partijen in de zorg in staat zijn hun verantwoordelijkheid in het zorgstelsel waar te maken.
  • –  Van goed bestuur in de zorg en het toezicht daarop.
  • –  Van de dialoog tussen betrokken partijen, gericht op de toekomstige (arbeidsmarkt-) uitdagingen en de (arbeidsmarkt-)gevolgen van de transities.
  • –  Van verlagen van regeldruk in de zorg.
  • –  Van het voorkomen van systeemrisico’s bij financiering in de zorg.
  • –  Door het ontwikkelen van een wettelijk kader voor de taken van ondermeer NZa en ZiNL.
  • –  Van het tot stand komen van een passend aanbod van (jeugd)zorg in Caribisch Nederland.
  • –  Van de totstandkoming, implementatie en monitoring van een ketenbrede aanpak voor preventie, toezicht, opsporing en handhaving op het gebied van fraude, oneigenlijk gebruik en onrechtmatig declareren in de zorg.

3. Beleidswijzigingen

Positie cliënt

In de beleidsdoorlichting op dit artikelonderdeel (TK 32 772, nr. 10) is onder andere de aanbeveling gedaan om op korte termijn de financiële armslag van de patiënten- en gehandicaptenorganisaties groter te maken. Dit is opgevolgd door de instellingssubsidie vanaf 2017 te verhogen (TK 29 214, nr. 73).

Toegezegd is de Tweede Kamer rond de zomer van 2017 te informeren over de conclusies van de verkenning voor een meer fundamentele herziening van het beleidskader subsidiering pg-organisaties per 1 januari 2019. Omdat dit meer tijd in beslag neemt is het gewijzigde beleidskader nu vastgesteld tot 1 januari 2019.

Innovatie en zorgvernieuwing

De activiteiten zijn mede gericht op het bereiken van de drie doelstellingen die het kabinet in 2014 heeft geformuleerd ter ondersteuning van de brede maatschappelijke beweging naar meer zelfredzaamheid, meer zelfregie en meer zelfzorg. In 2019 heeft 80% van de chronisch zieken toegang tot bepaalde medische gegevens (van de overige Nederlanders 40%), kan 75% van de chronisch zieken en kwetsbare ouderen die dit wil en er toe in staat is zelfstandig metingen uitvoeren en deze op afstand laten monitoren en heeft iedereen die zorg en ondersteuning thuis ontvangen de mogelijkheid om 24 uur per dag met een zorgverlener te communiceren.

In vervolg op de succesvolle internationale eHealthweek die in het kader van het EU-voorzitterschap in 2016 heeft plaatsgevonden, zal begin 2017 een meerdaags landelijk eHealth evenement worden georganiseerd. Centrale doelstelling is burgers, zorgprofessionals en bestuurders bekend te maken met de mogelijkheden die digitaal ondersteunde zorg kan bieden, en handreikingen te doen voor een succesvolle toepassing en implementatie.

Bij het introduceren van nieuwe gebruiksmogelijkheden blijkt opschaling van lokale naar regionale of landelijke toepassing in de praktijk traag te verlopen door financiële, regeltechnische of organisatorische obstakels. Teneinde de doorlooptijd van innovatieve toepassingen te verkorten, ontwikkelen wij samen met het Ministerie van EZ, Startupdelta en private partners een «fasttrack», waarin veelbelovende innovaties begeleid worden naar voldragen nationale en internationale implementaties. Voor dit initiatief is over een periode van vier jaar in totaal € 20 miljoen beschikbaar.

In 2017 zullen de uitkomsten van een Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar het innovatiebeleid in de zorg beschikbaar komen.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Er wordt versterkt ingezet op verdere vermindering van de bureaucratie in de zorg. Dit om in de hele zorgsector te komen tot een betekenisvolle en merkbare vermindering van de ervaren regeldruk zodat er meer ruimte komt voor de zorgprofessional. De vernieuwde aanpak krijgt onder andere vorm door domeinoverstijgende zorgaanbieders te ondersteunen om regelarme werkwijzen in de praktijk te brengen en binnen de maatwerkaanpak samen met betrokken partijen vanuit het gezichtspunt van de (zorg)professional concrete knelpunten aan te pakken.

Om te bepalen of het beleid op dit artikelonderdeel doeltreffend en doelmatig is zal deze in 2017 worden doorgelicht. De onderzoeksopzet van de beleidsdoorlichting wordt dit jaar aan de Kamer aangeboden. De mogelijke effecten en voornemens zullen hun beslag hebben op de periode na 2017.

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Om de taken die door intermediaire organisaties voor VWS worden uitgevoerd doelmatiger te organiseren zijn taakoverhevelingen in gang gezet. Het streven is om vanuit het Zorginstituut Nederland de vier burgerregelingen (wanbetalers-, onverzekerden-, gemoedsbezwaarden – en de buitenlandregeling (inclusief het Nationaal contactpunt)) en de uitvoering van de compensatieregeling voor zorg aan onverzekerbare vreemdelingen per 1 januari 2017 over te hevelen naar het Centraal administratiekantoor (CAK).

Met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en enkele andere wetten in verband met aanpassingen van de tarief- en prestatieregulering en het markttoezicht op het terrein van de gezondheidszorg (TK 34 445), zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) duidelijker worden gepositioneerd, zodat deze als een robuuste en onafhankelijke autoriteit kan functioneren. De zorgspecifieke fusietoets en het instrument van de aanmerkelijke marktmacht, die nu nog bij de NZa liggen, zullen overgaan naar de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en een deel van de reguleringstaken zal worden overgeheveld van de NZa naar het Ministerie van VWS. Het betreft de huidige verplichting voor de NZa om op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg beleidsregels over prestatie- en tariefregulering vast te stellen. Door de overheveling wordt het voor de sector duidelijker dat alleen VWS over de beleidsvorming gaat en dat de NZa alleen aangesproken kan worden op de wijze waarop zij uitvoering geeft aan dit beleid.

Opleidingen beroepenstructuur en arbeidsmarkt

In 2017 staat de samenwerking tussen overheid, onderwijs en arbeidsmarkt centraal. Dat is nodig om het huidige en toekomstige personeel optimaal voor te bereiden op de eisen die nu en in de toekomst aan de zorg worden gesteld. Het advies van de commissie Innovatie, Zorgberoepen en Opleidingen van het Zorginstituut over een passend opleidingscontinuüm zal in de praktijk geïmplementeerd moeten worden. Het Zorgpact en het regionaal arbeidsmarktbeleid moeten dit faciliteren en stimuleren. In nauw overleg met de landelijke en regionale sociale partners in de zorg en met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt bekeken hoe de gevolgen van de veranderende zorg en ondersteuning voor verschillende groepen werknemers op een verantwoorde manier kunnen worden opgevangen.

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)

In 2017 zal de gewijzigde Wet BIG van kracht worden, met daarin opgenomen verbeteringen voor de herkenbaarheid van de zorgverlener, voorbehouden handelingen, de cosmetische sector en het tuchtrecht.

Verbeteren van het zorgaanbod Caribisch Nederland

In 2016 is een beleidsdoorlichting opgesteld met betrekking tot het gevoerde beleid van 2011 tot en met 2015 ten aanzien van de (jeugd)zorg in Caribisch Nederland. Het kabinet zal in het najaar 2016 de doorlichting, voorzien van een reactie, aan de Tweede Kamer sturen en daar in aangeven welke aanbevelingen op welke wijze zullen worden meegenomen in het beleid voor 2017 en verdere jaren.

Jeugdzorg in Caribisch Nederland

De focus voor de jeugd ligt op het bieden van goede basisvoorzieningen. Voorbeelden zijn de verbetering van de jeugdgezondheidszorg, het bieden van opvoedingsondersteuning, het versterken van seksuele educatie, het verbeteren van de gezinsvoogdij en een sluitende aanpak van kindermishandeling.

Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude

Een verdere verbetering van rechtmatigheid in de zorg vraagt een integrale aanpak waarin elke partij in de keten zijn verantwoordelijkheid neemt. VWS zet hier op in door het programmaplan Rechtmatige Zorg: aanpak fouten en fraude 2015–2018 (TK 28 828, nr. 89) uit te voeren. De verschillende activiteiten in het programmaplan voorzien in een samenhangende aanpak op de thema’s: samenwerking, preventie, controle en handhaving. In de begroting van VWS zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering van de activiteiten uit dit programma. Het gaat hierbij onder andere om de inrichting en doorontwikkeling van het centraal meldpunt zorgfraude (CMZF), de verdere ondersteuning van gemeenten bij fraudepreventie en handhaving in het gemeentelijk domein, en de vorming en inzet van een pool van onafhankelijk deskundige artsen ten behoeve van mogelijke inzet bij strafrechtelijke onderzoeken. Daarnaast versterkt VWS het toezicht en de (strafrechtelijke) handhaving in de zorg. Hiertoe zijn extra middelen beschikbaar gesteld waarmee meer (en complexere) strafrechtelijke onderzoeken kunnen worden opgepakt. Deze middelen zijn ten behoeve van de Inspectie SZW en het Openbaar Ministerie (OM) overgeheveld naar de begrotingen van de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid respectievelijk Veiligheid en Justitie.

Jaarlijks rapporteert VWS over de activiteiten en behaalde resultaten uit het programmaplan. In het najaar van 2016 komt de vijfde voortgangsrapportage Rechtmatige Zorg beschikbaar.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

1.146.830

825.541

811.100

832.601

886.352

904.433

783.184

               

Uitgaven

873.245

939.812

915.450

910.828

913.697

904.433

897.680

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,0%

       
               

1. Positie cliënt

24.556

25.943

24.796

24.772

24.771

24.771

24.773

                 
 

Subsidies

17.890

20.105

20.615

20.591

20.591

20.591

20.592

   

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

17.463

19.555

20.337

20.313

20.313

20.313

20.313

   

Overig

427

550

278

278

278

278

279

                 
 

Opdrachten

5.466

5.766

4.181

4.181

4.180

4.180

4.181

   

Ondersteuning cliëntorganisaties

3.144

3.144

3.798

3.851

4.000

4.000

4.000

   

Overig

2.322

2.622

383

330

180

180

181

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

1.200

72

0

0

0

0

0

   

CIBG: Landelijk Meldpunt Zorg

1.000

0

0

0

0

0

0

   

Overig

200

72

0

0

0

0

0

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

389.110

436.126

439.622

434.611

436.342

436.708

436.782

                   
 

Subsidies

373.060

421.504

424.856

418.210

419.248

419.548

419.621

   

Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

135.468

191.433

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

   

Stageplaatsen zorg/Stagefonds

109.950

112.000

112.020

112.020

112.021

112.021

112.021

   

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

16.634

20.615

21.000

21.000

21.000

21.000

21.000

   

Vaccinatie stageplaatsen zorg

4.504

4.700

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

   

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

19.433

38.197

38.800

38.800

38.800

38.000

38.000

   

Opleidingsplaatsen jeugd ggz

0

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

1.550

   

Versterking regionaal onderwijs- en arbeidsmarktbeleid

7.949

8.500

11.500

10.500

10.500

10.500

10.500

   

Innovatie, beroepen en opleidingen

0

2.412

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

   

Vernieuwing arbeidsmarkt sociaal domein

0

1.000

2.000

1.500

0

0

0

   

Veilige gegevensuitwisseling en authenticatie in de zorg

0

779

5.122

4.170

3.083

0

0

   

Pilots Opleiding tot ziekenhuisarts

0

0

4.500

2.800

1.650

700

0

   

Overig

79.122

40.318

11.564

9.070

13.844

18.977

19.750

                 
 

Opdrachten

4.619

7.390

8.293

8.293

8.986

9.051

9.051

 

Arbeidsmarktonderzoek

2.042

1.250

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

   

Celsus

0

650

800

500

500

500

500

   

Overig

2.577

5.490

5.493

5.793

6.486

6.551

6.551

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

11.431

7.232

6.473

6.399

6.399

6.400

6.400

   

CIBG: bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register en SVB-Z

11.431

7.232

6.073

5.999

5.999

6.000

6.000

   

RIVM: opleiding publieke gezondheidssector en kosten van ziekten

 

0

400

400

400

400

400

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

0

0

0

1.709

1.709

1.709

1.710

   

ZiNL: sectie Zorgberoepen en opleidingen

0

0

0

1.709

1.709

1.709

1.710

               

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

124.203

143.753

147.789

148.438

148.705

133.229

122.503

                 
 

Subsidies

7.711

17.549

13.524

11.790

11.660

5.019

5.019

   

Nivel

5.835

6.121

5.682

5.149

5.019

5.019

5.019

   

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

0

6.428

7.842

6.641

6.641

0

0

   

Jaar van de transparantie

1.805

5.000

0

0

0

0

0

   

Overig

71

0

0

0

0

0

0

                 
 

Opdrachten

226

1.812

1.797

1.797

1.797

497

497

   

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

0

1.333

1.300

1.300

1.300

0

0

   

Overig

226

479

497

497

497

497

497

                 
 

Bijdragen aan agentschappen

2.535

1.478

4.550

4.518

4.502

4.502

4.502

   

CIBG: WTZi en JMV

750

1.300

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

   

Overig

1.785

178

550

518

502

502

502

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

113.731

122.914

127.918

130.333

130.746

123.211

112.485

   

ZonMw: programmering

113.731

122.914

127.768

130.333

130.746

123.211

112.485

   

Overig

0

0

150

0

0

0

0

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

227.614

212.451

187.343

185.445

183.365

186.017

186.138

                 
 

Subsidies

80

26

0

0

0

0

0

   

Uitvoering Wtcg

80

26

0

0

0

0

0

                 
 

Opdrachten

2.526

219

401

451

451

451

451

   

Uitvoering Wtcg

156

184

0

0

0

0

0

   

Overig

2.370

35

401

451

451

451

451

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

225.008

212.182

186.912

184.964

182.884

183.036

183.157

   

CAK

100.916

84.189

76.353

76.081

74.761

74.790

74.791

   

NZa

52.756

57.002

55.794

55.639

55.051

55.053

55.053

   

Zorginstituut Nederland

67.738

68.433

52.207

50.474

50.170

50.170

50.170

   

CSZ

2.700

2.558

2.558

2.770

2.902

3.023

3.143

   

CBZ

898

0

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

24

30

30

30

2.530

2.530

   

EZ: ACM

0

0

0

0

0

2.500

2.500

   

Overig

0

24

30

30

30

30

30

               

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

106.717

117.525

113.945

117.093

120.045

123.239

127.015

                 
 

Subsidies

0

0

0

0

0

0

0

                 
 

Bekostiging

106.717

117.525

113.945

117.093

120.045

123.239

127.015

   

Zorg en welzijn

104.083

114.787

111.607

114.756

117.903

121.097

124.873

   

Overig

2.634

2.738

2.338

2.337

2.142

2.142

2.142

               

6. Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude

1.044

4.014

1.955

469

469

469

469

                 
 

Subsidies

444

2.204

1.500

450

450

450

450

   

Overig

444

2.204

1.500

450

450

450

450

                 
 

Opdrachten

600

1.810

455

19

19

19

19

   

Overig

600

1.810

455

19

19

19

19

               

Ontvangsten

36.609

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

   

Overig

36.609

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 460,5 miljoen is 94% juridisch verplicht. Het betreft de subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, subsidies opleidingen, beroepen en arbeidsmarktbeleid, een subsidie aan Nivel en voor de fraudeaanpak.

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 113,9 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de zorg, welzijn en jeugdzorg van Caribisch Nederland.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 15,1 miljoen is 78% juridisch verplicht. Het betreft onder andere opdrachten gericht op de ondersteuning van patiënten- en cliëntenorganisaties, arbeidsmarktonderzoek, opdrachten aan Celsus (de academie voor betaalbare zorg) en opdrachten gericht op de fraudeaanpak.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 11 miljoen is 95% juridisch verplicht. Het betreft onder andere bijdragen aan het CIBG ten behoeve van werkzaamheden in verband met het beheer van een aantal registers.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 314,8 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan het Zorginstituut Nederland, NZa, CAK, CSZ en ZonMw.

5. Toelichting op de instrumenten

1. Positie cliënt

Subsidies

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Er worden subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal benut worden voor goede zorg en ondersteuning (€ 20,3 miljoen in 2017). Doel is het inbrengen van cliëntenervaringen en het cliëntperspectief voor beter beleid, zorg en ondersteuning. Daarnaast kunnen patiënten en gehandicapten hun ervaringsdeskundigheid uitwisselen, zodat zij hun eigen leven met ziekte of beperking zo goed mogelijk kunnen inrichten en de zorg ontvangen die het beste bij hun behoeften past.

Opdrachten

Ondersteuning cliëntenorganisaties

Met PGO-support, een onafhankelijke netwerkorganisatie die versterking en ondersteuning biedt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, is een overeenkomst gesloten voor de ondersteuning van de cliëntenorganisaties bij het opstellen van subsidieaanvragen en het inbrengen van het cliëntenperspectief. Deze overeenkomst is voor onbepaalde tijd maar kan vanaf 2019 worden bijgesteld (€ 3,8 miljoen in 2017).

2. Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Subsidies

Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

Doel van de Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg (looptijd 2014–2017) is de ziekenhuizen en UMC’s te stimuleren de benodigde investeringen in het personeel te realiseren, zodat de medewerkers in staat zijn om ook in de toekomst de steeds ingewikkelder wordende zorgverlening passend te kunnen blijven leveren. In 2017 is voor de kwaliteitsimpuls € 200 miljoen beschikbaar.

Stageplaatsen zorg/Stagefonds

Doel van het Stagefonds Zorg is het beschikbaar komen van een voldoende aantal kwalitatief goede stageplaatsen via een relatief stabiel en op toekomstige zorgbehoeften gebaseerd stageaanbod. Het Stagefonds is één van de instrumenten die VWS inzet om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. Zorginstellingen die een stage aanbieden aan studenten van bepaalde zorgopleidingen krijgen een tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van deze studenten, waardoor zij in de kwaliteit en de kwantiteit van de stages kunnen investeren. In 2016 is het Stagefonds geëvalueerd (TK 29 282, nr. 252). Op basis van de evaluatie is besloten om het Stagefonds voort te zetten. In 2017 en verder wordt het Stagefonds voortgezet met een budget van € 112 miljoen per jaar.

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

Per 1 oktober 2012 is de Subsidieregeling opleidingen publieke gezondheidszorg 2013–2017 in werking getreden. Op grond van deze regeling kan een instellingssubsidie worden verstrekt aan opleidingsinrichtingen die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid voor de profielen infectieziektebestrijding, jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde of tuberculosebestrijding verzorgen. De regeling heeft als doel te stimuleren dat voldoende gespecialiseerde artsen worden opgeleid voor de uitvoering van de Wet publieke gezondheidszorg en de Jeugdwet. In 2017 is hiervoor € 21 miljoen beschikbaar.

Vaccinatie stageplaatsen zorg

De Subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg (€ 4,8 miljoen in 2017) draagt eraan bij dat jaarlijks 30 à 35 duizend stagiairs voorafgaand aan hun stage gevaccineerd worden tegen hepatitis B. Dit komt ten goede aan de volksgezondheid en voorkomt studie-uitval of -vertraging.

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

Zorgverleners moeten daar ingezet worden waar ze het beste tot hun recht komen. Nieuwe beroepsbeoefenaren (verpleegkundig specialisten (vs) en physician assistants (pa)) worden speciaal opgeleid om minder complexe en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Er komen meer opleidingsplaatsen voor deze nieuwe beroepen. Volgens de laatste cijfers van het Landelijk Platform PA/VS stijgt de instroom van 480 in studiejaar 2015–2016 naar 620 in studiejaar 2016–2017. Voor 2017 is hiervoor een bedrag van € 38,8 miljoen beschikbaar.

Opleidingsplaatsen jeugd ggz

Sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 wordt de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren tot 18 jaar (jeugd-ggz) niet langer vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) gefinancierd. De bekostiging van de jeugd-ggz valt sinds dat moment onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, waarmee de opleidingsplekken niet langer in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsbijdrage medische vervolgopleidingen. Om instellingen die niet langer zorg verlenen uit hoofde van de Zvw alsnog in aanmerking te laten komen voor bekostiging van opleidingsplaatsen is er vanaf 2015 een Subsidieregeling opleidingen in een jeugd-ggz-instelling 2015–2017. Hierin zijn de regels vastgelegd voor de verstrekking van subsidies voor opleidingsplaatsen voor de opleiding tot gezondheidszorg psycholoog, psychiater, psychotherapeut en klinisch psycholoog in een (ggz-)instelling die zich uitsluitend richt op de kinder- en jeugdpsychiatrie. De regeling heeft als doel te borgen dat dergelijke zorgverleners tijdens hun opleiding ook praktijkervaring in deze sector kunnen opdoen. In 2017 is hiervoor € 1,6 miljoen beschikbaar.

Versterking regionaal onderwijs- en arbeidsmarktbeleid

Om de noodzakelijke omslag in denken en werken in de zorg daadwerkelijk vorm te geven is op regionaal niveau een goede dialoog tussen zorginkopers, zorgaanbieders, werknemers, cliënten en het onderwijs noodzakelijk. Regionale samenwerking tussen aanbieders uit verschillende branches en sectoren is bovendien van groot belang om te kunnen anticiperen op de arbeidsmarktopgave die voortkomt uit deze nieuwe organisatie van de zorg. VWS ondersteunt deze dialoog via onder andere het Zorgpact en RegioPlus. Via Regioplus, de koepel van regionale werkverbanden in zorg en welzijn, wordt in 2017 een subsidie van € 8,5 miljoen beschikbaar gesteld. Met deze subsidie wordt in elke regio gewerkt aan een viertal programmalijnen, te weten strategisch arbeidsmarktbeleid, werven met beleid, duurzame inzetbaarheid en kwalificeren voor zorg en welzijn. Vanuit deze regionale arbeidsmarktinfrastructuur wordt ook een aanzienlijke bijdrage geleverd aan bijvoorbeeld de uitvoering van de sectorplannen, waarmee meer dan 80.000 scholingstrajecten in gang zijn gezet. Voor het versterken van het regionale arbeidsmarktbeleid is € 11,5 miljoen gereserveerd.

Innovatie beroepen en opleidingen

De omslag in de zorg en ondersteuning vraagt een beroepencontinuüm dat mee verandert. Aanpassing van bestaande beroepen, experimenteren met nieuwe zorgberoepen en taakherschikking tussen beroepen spelen daarbij een belangrijke rol. Dit heeft ook gevolgen voor de wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg en de uitvoering daarvan, hetgeen tot extra uitgaven in 2017 zal leiden. Voor innovatie op het terrein van beroepen en opleidingen in de zorg en ondersteuning is in 2017 € 12 miljoen geraamd.

Vernieuwing arbeidsmarkt sociaal domein

Op 4 december 2015 zijn afspraken gemaakt met de bonden en VNG over een toekomstvaste langdurige zorg en ondersteuning. Onderdeel van die afspraken is het bieden van nieuw perspectief aan medewerkers in het sociaal domein door vernieuwing van de ondersteuning thuis, bijvoorbeeld door het creëren van nieuwe integrale functies in de thuisondersteuning. VWS ondersteunt de landelijke en regionale partijen bij het maken van deze omslag. Specifiek voor de oudere medewerkers is een extra impuls afgesproken gericht op het ondersteunen van oudere medewerkers in deze vernieuwing. Hiervoor is in 2017 € 2 miljoen beschikbaar.

Veilige gegevensuitwisseling en authenticatie in de zorg

Zorgpartijen hebben een gezamenlijk plan opgesteld voor de implementatie van gespecificeerde toestemming zoals bepaald in het wetsvoorstel Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens. Voor de uitvoering van dit plan is voor de periode 2016–2018 een subsidie beschikbaar gesteld van in totaal € 1,9 miljoen. In 2017 is ruim € 1 miljoen beschikbaar. De toename van elektronische informatie-uitwisseling in de zorg en de groei in het gebruik van eHealth toepassingen vragen om een veilige en betrouwbare authenticatie door patiënten en door zorgverleners die dit thans doen met behulp van de UZI-pas.

Voor het doorontwikkelen, implementeren en stimuleren van het gebruik van veilige authenticatie in de zorg is in 2017 € 4 miljoen beschikbaar.

Pilots Opleiding tot Ziekenhuisarts

VWS verleent sinds 2012 subsidie voor pilot trajecten met opleidingsplaatsen tot ziekenhuisarts. Het achterliggend doel van de pilots is om meer inzicht te krijgen in welke mate de opzet van een opleiding tot ziekenhuisarts, een toegevoegde waarde biedt voor de (toekomstige) beroepen- en opleidingsstructuur in de zorg. Er zijn twee trajecten met driejarige opleidingen gesubsidieerd. Begin 2016 is besloten om nieuwe opleidingsplaatsen voor de ziekenhuisarts te subsidiëren om zo de instroom in de opleiding te kunnen continueren. Besloten is om 16 extra opleidingsplaatsen te subsidiëren. In 2017 is hiervoor € 4,5 miljoen geraamd.

Overig

Hieronder vallen ondermeer de subsidie voor « Het Bewustzijnsproject» met als doel kosteneffectief werken in de zorg te verankeren in opleidingsplannen; de subsidie voor het project «dedicated schakeljaar» gericht op het sneller doorlopen van de medische vervolgopleiding; de instellingssubsidies voor acht beroepsorganisaties ten behoeve van de uitvoering van artikel 14 wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg en het programma aanpak disfunctionerende artsen.

De overige subsidiemiddelen die niet apart benoemd zijn binnen dit artikelonderdeel worden ondermeer ingezet ter dekking van de kosten die samenhangen met de uitvoering van de Wet Normering Topinkomens in de zorg en het verlenen van subsidies aan de partijen die betrokken zijn bij het proces van bekostiging van medische vervolgopleidingen, zoals het capaciteitsorgaan.

Opdrachten

Arbeidsmarktonderzoek

De beschikbaarheid van betrouwbare arbeidsmarktinformatie is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende arbeidsmarkt. Hiertoe wordt geïnvesteerd in eenduidige en voor iedereen toegankelijke arbeidsmarktinformatie via onder andere het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn, waaraan ook de sociale partners in zorg en welzijn een belangrijke bijdrage leveren. De arbeidsmarktinformatie uit het onderzoeksprogramma is beschikbaar via de vernieuwde website www.azwinfo.nl. Daarnaast wordt voorzien in een versterking van het regionaal arbeidsmarktonderzoek. Voor arbeidsmarktonderzoek is in 2017 € 2 miljoen gereserveerd.

Celsus

Om een kennisprogramma te ontwikkelen dat het vraagstuk van stijgende zorguitgaven in al zijn aspecten in kaart brengt en verbindingen tussen academische en beleidsmatige kennis en ervaring te verbeteren is, samen met IQ Health Care – Radboud Universiteit Nijmegen, Celsus, academie voor betaalbare zorg opgericht. Hiervoor is € 2,7 miljoen beschikbaar in de jaren 2012–2017, waarvan € 0,8 miljoen beschikbaar is in 2017. Celsus kent zowel langlopend onderzoek (door verschillende promovendi) als kortdurend (beleids)onderzoek, biedt opleidingen aan, verbindt onderzoekers en beleidsmakers en verspreidt kennis over dit onderwerp.

Overig

De overige bedragen worden ingezet voor de ontwikkeling van kennis en expertise op het terrein van de zorg, voor beleid en praktijk. Daarbij gaat het onder meer om bijdragen aan de onderzoeksprogramma’s van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Centraal

Planbureau (CPB), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS). De concrete onderzoeksopdrachten die hieronder vallen worden niet separaat benoemd binnen dit artikelonderdeel.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: bijdrage voor onder andere BIG-register, UZI-register, SBV-Z en toezicht en handhaving WNT

  • –  Het CIBG is als registerautoriteit verantwoordelijk voor het beheer van het BIG-register. In het BIG-register kunnen zowel Nederlands als buitenlands gediplomeerde zorgverleners zich registreren. De buitenlands gediplomeerden die in de Nederlandse gezondheidszorg willen werken moeten – voor zover zij niet vallen onder de automatische erkenning van diploma’s op grond van de Europese regelgeving – een aanvraag indienen voor een verklaring van vakbekwaamheid of voor een erkenning van de opleidingstitel(s) of de beroepskwalificatie. Voor de procedure van buitenlands gediplomeerden ontvangt het CIBG een financiële bijdrage.
  • –  Het UZI-register (Unieke Zorgverlener Identificatie register) van het CIBG verstrekt UZI-passen aan zorgaanbieder en indicatieorganen waarmee unieke identificatie van zorgaanbieders en indicatieorganen in de zorg mogelijk wordt gemaakt.
  • –  De Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z) van het CIBG is een betrouwbare bron voor het leveren van burgerservicenummers (BSN’s) aan de zorgsector.
  • –  In de Wet Normering Topinkomens (WNT) is in artikel 5 het toezicht en de handhaving geregeld. Voor de zorg is het toezicht en de handhaving ondergebracht bij het CIBG.

In totaal is voor al deze taken in 2016 € 6,1 miljoen gereserveerd.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Zorginstituut Nederland: sectie Zorgberoepen en Opleidingen

Op 10 april 2015 is het rapport «Naar nieuwe zorg en zorgberoepen: de contouren» uitgebracht over de verandering in zorgvraag en wat dit betekent voor de zorg (TK 29 282, nr. 221). In november 2016 verschijnt het vervolgadvies van de Commissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen over het opleidingscontinuüm dat daarbij past. In 2017 staat de implementatie van het advies van de commissie centraal. De middelen voor 2016 en 2017 (€ 1 miljoen per jaar) staan op onderdeel 4 (Inrichting uitvoeringsactiviteiten) van dit artikel geraamd.

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidies

Nivel

Voor onderzoek naar de effectiviteit en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en (de relatie tussen) de verschillende partijen in de zorg wordt subsidie verleend (€ 5,7 miljoen in 2017) aan het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Het Nivel ontwikkelt en beheert hiertoe databases, panels en monitors.

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

Voor het bereiken van een verbeterde informatiepositie van burgers, verbeterde informatie-uitwisseling tussen zorgverleners en brede beschikbaarheid van eHealth-toepassingen als telemonitoring, beeldschermzorg en domotica worden door het programma Innovatie en Zorgvernieuwing subsidies verstrekt aan initiatieven die aan deze doelen bijdragen. Zo vindt, samen met Zorgverzekeraars Nederland, financiering plaats van het programma MedMij. In dit programma onder voorzitterschap van de NPCF worden de eisen en standaarden ontwikkeld waaraan digitale persoonlijke gezondheidsomgevingen moeten voldoen, gebruik makend van koploperervaringen uit de praktijk.

Vitavalley en Zorginovatie.nl organiseren het Landelijk Netwerk Zorginnovatie, waarmee structureel vorm wordt gegeven aan het delen van expertise, nationaal en internationaal uitwisselen van kennis en het tot stand brengen van bovenregionale samenwerking en versterking van ecosystemen gericht op zorginnovatie.

Tevens vindt onderzoek plaats naar de wijze waarop de kennis en expertise over de opzet van succesvolle zorgnetwerken zoals Parkinsonnet beschikbaar kan worden gemaakt ten behoeve van andere aandoeningen.

In totaal is er voor het programma Innovatie en Zorgvernieuwing € 7,8 miljoen gereserveerd.

Opdrachten

Programma Innovatie en zorgvernieuwing

Binnen het programma I&Z worden activiteiten uitgevoerd waarvoor in 2017 aan diverse partijen opdrachten worden verstrekt. Ingezet wordt enerzijds op vergroting van kennis over toepassingsmogelijkheden en nieuwe vormen van zorgorganisatie en anderzijds op het vergroten van de opschalingspotentie van veelbelovende initiatieven. Zo wordt begin 2017 een meerdaags landelijk eHealthevenement georganiseerd, wordt bijgedragen aan het vergroten van digitale vaardigheden van burgers en zorgprofessionals en worden ervaringsdeskundigen geschoold in het participeren in zorginnovatieprocessen.

In 2016 zijn de instrumenten Health Deals en Health Impact Bonds geïntroduceerd. Doelstelling is om in 2017 minimaal drie Health Deals en twee Health Impact Bonds te sluiten.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: WTZi (toelatingen) en Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV)

Op grond van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) dienen instellingen die zorg willen aanbieden, die op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg voor vergoeding in aanmerking komt, een toelating te hebben. De uitvoering van de WTZi (toelatingen) vindt plaats bij het CIBG. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de WTZi wordt aangepast om scherper toezicht op kwaliteit te houden (TK 31 765, nr. 116). Daarbij zal een meldplicht voor alle nieuwe zorgaanbieders worden geïntroduceerd.

Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording (JMV) verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. Zij zijn verplicht om een aantal gegevens aan te leveren aan de hiervoor bedoelde database. Alle partijen die een rol spelen binnen het zorgstelsel hebben toegang tot deze uniforme, digitale informatie via www.jaarverslagenzorg.nl.

Verkend zal worden of Standard Business Reporting (SBR) als alternatieve aanlevermethode gebruikt kan worden voor het JMV. SBR wordt zowel binnen de overheid als het bedrijfsleven gezien als de «rapportagestandaard voor gestructureerd digitaal gegevensverkeer». Voor zorginstellingen kan SBR in de toekomst tot een vermindering van de administratieve lasten leiden.

De totale geraamde bijdrage is € 4 miljoen in 2017.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

ZonMw

ZonMw is een intermediaire organisatie die op programmatische wijze projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laat uitvoeren. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit, relevantie en samenhang. In onderstaande tabel zijn de activiteiten uitgesplitst naar de verschillende beleidsterreinen waarop de programma’s bij ZonMw betrekking hebben.

Overzichtstabel geraamde programma-uitgaven ZonMw 2017–2021 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal ZonMw

127.768

130.333

130.746

123.211

112.485

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere Preventieprogramma's, Antibioticaresistentie, Infectieziektebestrijding en Translationeel Adult Stamcelonderzoek

29.021

23.587

25.712

24.824

26.713

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere Doelmatigheidsonderzoek, Goed Gebruik Geneesmiddelen, Topzorg, Citrienfonds, Verwarde personen, Gender en gezondheid, Zwangerschap en geboorte en onderzoeksprogramma GGz

65.471

69.244

73.377

69.132

60.877

Artikel 3 Maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg: onder andere Nationaal Programma Ouderenzorg, Palliantie, meer dan Zorg, «Gewoon Bijzonder»: nationaal programma gehandicapten en Active and Assisted Living

19.174

21.719

19.011

17.055

14.910

Artikel 5 Jeugd: onder andere Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd, Versterking Uitvoeringspraktijk JGZ, Effectief Werken in de Jeugdsector en Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg

8.944

9.838

8.202

9.178

7.803

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere Onderzoeksprogramma Sport, Kennis- en innovatieagenda sport en Sportimpuls

5.158

5.945

4.445

3.022

2.182

Op de andere begrotingsartikelen staan ook begrotingsposten op het gebied van Kennisontwikkeling en innovatie, bijvoorbeeld RIVM (artikel 1), Nivel (artikel 2), Vilans (artikel 3) en Movisie (artikel 3).

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CAK

Het CAK voert diverse wettelijke taken uit, te weten:

  • •  de centrale betaling aan 3.500 instellingen voor langdurige zorg (namens de Wlz-uitvoerders) (Wlz);
  • •  het innen van de eigen bijdragen voor langdurige zorg (Wlz);
  • •  het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015);
  • •  het verstrekken van de Schengenverklaringen;
  • •  het beheer van de website Regelhulp.

Daarnaast is het CAK bezig met de afhandeling van de laatste werkzaamheden rond de afgeschafte Wtcg en CER.

Ook wordt met de maatregelen uit de wet «verbetering wanbetalersmaatregelen» (die 1 juli 2016 in werking is getreden) de komende jaren gewerkt aan het verminderen van het aantal wanbetalers. Onderdeel daarvan is het aanwijzen van groepen die onder voorwaarden uit de wanbetalersregeling kunnen stromen.

Tot slot wordt er naar gestreefd om het CAK in 2017 verantwoordelijk te maken voor de uitvoering van de burgerregelingen wanbetalers, onverzekerden, gemoedsbezwaarden en de zogeheten buitenlandtaak, inclusief het Nationaal contactpunt. Dit geldt ook voor de uitvoering van de regeling voor compensatie van verleende zorg aan onverzekerbare vreemdelingen «Overgang van taken van het Zorginstituut Nederland naar het CAK» is op 5 april 2016 aangenomen door de Eerste Kamer. Het beschikbare budget in 2017 bedraagt € 76,4 miljoen.

NZa

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn tarieven en prestaties in de zorg reguleren, toezien op de rechtmatige uitvoering van de Zvw en op de recht- en doelmatige uitvoering van de Wlz, alsmede de naleving van de Wmg.

Het beschikbare budget in 2017 bedraagt circa € 55,8 miljoen. Dit is inclusief de middelen vanaf 2017 voor het doorontwikkeld centraal meldpunt zorgfraude (€ 1 miljoen).

Zorginstituut Nederland

Het Zorginstituut Nederland adviseert over het verzekerde Zvw- en Wlz-pakket, stimuleert de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en zorgt er voor dat iedereen toegang heeft tot begrijpelijke en betrouwbare informatie over de kwaliteit van geleverde zorg (het Kwaliteitsinstituut). Daarnaast adviseert het Zorginstituut over de gewenste ontwikkeling van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg (de adviescommissie Innovatie Zorgberoepen & Opleidingen).

Tot slot is het Zorginstituut de fondsbeheerder van het Zorgverzekeringsfonds, het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en het Fonds Langdurige Zorg en is uitvoerder van de financiering van zorgverzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening) en bevordert de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wlz.

Het Kwaliteitsinstituut, als onderdeel van het Zorginstituut, heeft met betrekking tot transparantie een belangrijke rol en is daarom gemandateerd (Staatscourant 27102, nr. 1) voor het verstrekken van subsidies voor de stimulering van de transparantie over de kwaliteit van zorg (Staatscourant 26926) (€ 5 miljoen).

Het beschikbare budget bedraagt in 2017 circa € 52,2 miljoen. De budgettaire gevolgen van de taakoverhevelingen van het ZiNL naar het CAK worden in 2017 in beeld gebracht.

CSZ

Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. In 2017 is hiervoor € 2,6 miljoen gereserveerd.

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging

Zorg en Welzijn

Per 1 januari 2011 is er één zorgverzekering voor iedereen in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat iedereen die legaal op Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont en/of werkt is verzekerd van zorg. De totale geraamde kosten die naar verwachting in 2017 gemoeid zijn met de (jeugd)zorg op Caribisch Nederland bedragen circa € 111,6 miljoen. circa € 2,4 miljoen hiervan is voor de jeugdzorg op Caribisch Nederland beschikbaar. De rest van de middelen voor de jeugdzorg, circa € 2,5 miljoen, worden verantwoord op artikel 10. Op alle drie eilanden is een Centrum voor Jeugd en Gezin.

6. Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude

Subsidies

VWS werkt aan het realiseren van de totstandkoming en monitoring van een ketenbrede aanpak voor preventie, toezicht, opsporing en vervolging op het gebied van onrechtmatigheden in de zorg. De invulling van deze aanpak vindt plaats door uitvoering van het Programmaplan Rechtmatige Zorg: aanpak fouten en fraude 2015–2018.

VWS draagt met subsidies bij aan initiatieven op het terrein van het versterken van rechtmatige zorg. VWS subsidieert de VNG om gemeenten te ondersteunen bij het voorkomen en aanpakken van fouten en fraude in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. De ondersteuning krijgt onder andere vorm via een informatiepunt bij de VNG voor gemeenten, relevante beleidsproducten voor gemeenten zoals een gegevensmatrix en handreikingen hoe om te gaan met fraudesignalen en het verzorgen van een reeks van regiobijeenkomsten voor gemeenten om de opgedane kennis actief te verspreiden. Het OndersteuningsTeam Fraudesignalen van de VNG adviseert gemeenten in huis over hoe om te gaan met concrete fraudesignalen.

Daarnaast onderzoekt VWS in samenwerking met andere partijen de mogelijkheden om pgb-budgethouders een instrument te bieden om een keuze te maken voor een pgb-zorgaanbieder. Ervaringen van andere budgethouders, deelname aan keurmerken en informatie over de betrouwbaarheid van de zorgaanbieder maken mogelijk onderdeel uit van dit instrument.

Verder zijn op 5 juli 2016 afspraken gemaakt met de KNMG, het Openbaar Ministerie, de Inspectie SZW en de FIOD over de inzet van een pool van onafhankelijk deskundige artsen die kunnen worden ingezet bij het anonimiseren van medische persoonsgegevens in strafrechtelijke onderzoeken. VWS subsidieert via de KNMG de inzet van deze artsen.

Opdrachten

VWS heeft een stimulerende en regisserende rol. Door de inzet van een mix van instrumenten wordt het programmaplan Rechtmatige Zorg uitgevoerd. Dit wordt in sommige gevallen gedaan door een opdracht zoals de verbetering van de gegevensuitwisseling tussen partijen van de Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ).

Beleidsartikel 5 Jeugd

1. Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als ouders of het ondersteunende sociale netwerk hun rol niet kunnen vervullen, is er een taak weggelegd voor de overheid om jeugdigen met hulp op maat naar een zelfstandige toekomst te leiden. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten passende hulp krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

Met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 zijn gemeenten bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de ondersteuning, hulp en zorg van jeugdigen (jeugdhulp) die voorheen viel onder de Wet op de Jeugdzorg, de Zorgverzekeringswet (jeugd-geestelijke gezondheidszorg) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (zorg voor jeugdigen met een verstandelijke beperking). De Ministers van VWS en VenJ zijn systeemverantwoordelijk voor het gedecentraliseerde stelsel van jeugdhulp waaronder het wettelijk kader (de Jeugdwet).

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • –  Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdhulp geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.
  • –  Bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door gemeenten in staat te stellen de werking van het stelsel voor de aanpak van kindermishandeling op lokaal en regionaal niveau te verbeteren.
  • –  Het stimuleren van gemeenten om de samenhang tussen beleid en uitvoering op de terreinen van zorg, school en werk te verbeteren.
  • –  Een landelijke kennisinfrastructuur voor beleidsontwikkeling en -implementatie en zorgvernieuwing en hierbij gemeenten en het veld van jeugdhulp de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Financieren:

  • –  Financieren van de gemeenten via het gemeentefonds (integratie-uitkering sociaal domein) om hun verantwoordelijkheid voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet waar te maken.
  • –  Uitvoeren van de Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten Jeugdwet.
  • –  Uitvoeren van de Subsidieregeling schippersinternaten.

Regisseren:

  • –  Het wettelijk kader (Jeugdwet) dat regels bevat voor de inrichting van het systeem onder andere op het gebied van toegang, kwaliteit en beleidsinformatie.
  • –  Bestuurlijk overleg met de relevante actoren in het jeugdstelsel gericht op het realiseren van de maatschappelijke doelen van het jeugdstelsel.
  • –  De Inspectie Jeugdzorg (IJZ), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de aanbieders van jeugdhulp.
  • –  Monitoren en evalueren van de werking van het jeugdstelsel. De Jeugdwet verplicht tot een evaluatie na 3 jaar.

3. Beleidswijzigingen

  • –  In 2017 en volgende jaren wordt volop ingezet op verbetering van de uitvoeringspraktijk. Een belangrijk aandachtspunt zal de verbetering zijn van de hulp aan jongeren die 18 jaar worden, onder meer door verbeterde aansluiting op andere domeinen zoals de Wmo. Samen met de VNG, het Ministerie van VenJ en het Nederlands Jeugdinstituut worden gemeenten en zorgaanbieders ondersteund met goede voorbeelden en regionale workshops.We stimuleren het werken in wijkteams met een gezamenlijk programma van de kennisinstituten. Met www.denieuwepraktijk.nl bieden we een platform voor zorgprofessionals, zorgaanbieders en gemeenten om goede voorbeelden te delen.
  • –  Om de vernieuwing van het zorglandschap soepel te laten verlopen bemiddelt de Transitie Autoriteit Jeugdhulp (TAJ) ussen gemeenten en aanbieders. Er is een Transitiebudget beschikbaar om noodzakelijke frictiekosten te financieren. Er is een landelijk regievoerder bovenregionaal aanbod aangesteld die het samenspel van de regio’s coördineert rond de toekomst van de gespecialiseerd jeugdhulp. Gezien de cruciale rol van de TAJ in de transitie, zal in 2017 een eventuele verlenging van een jaar van de TAJ worden overwogen. Rekening houdend met het ritme van de subsidieaanvragen in 2016 en 2017 zal het subsidiebudget gelijk blijven.
  • –  In 2017 vindt onder leiding van ZonMw een tussenevaluatie van de Jeugdwet plaats. De evaluatie wordt voorjaar 2018 aan het parlement aangeboden.

Gepaste zorg

  • –  Kinderen moeten de zorg krijgen die ze nodig hebben zonder dat er sprake is van over- of onderbehandeling. In 2017 volgt een nieuw plan voor «gepaste zorg» van de beroepsgroepen en het onderwijs.
  • –  Met het Interventieteam Onderwijs en Zorg wordt een duurzame oplossing geboden voor kinderen die door hun problemen en beperkingen langdurig niet naar school gaan (zogenoemde thuiszitters).

Kinderen veilig

  • –  In 2017 wil het Rijk in samenwerking met de VNG gemeenten in staat stellen om op lokaal/regionaal niveau een goed werkend stelsel voor de aanpak van geweld in huiselijke kring te realiseren. De rol van het advies en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis) is hierin speerpunt. Evenals die van professionals. Op basis van de uitkomsten van het advies van de heer Sprokkereef over het aanscherpen van het gebruik van de meldcode en de werkwijze Veilig Thuis, wordt in 2017 invulling gegeven aan de benodigde activiteiten.
  • –  In 2017 zal de inrichting van de organisatie van het landelijk aanbod voor forensisch-medische expertise worden aangepast. Doel is om deze inrichting aan te laten sluiten op het netwerk van een landelijk dekkende infrastructuur voor slachtoffers van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld dat door gemeenten wordt ontwikkeld en eind 2018 operationeel moet zijn.
  • –  De commissie De Winter heeft in mei 2016 de uitkomsten gepubliceerd van het vooronderzoek naar geweld in de jeugdzorg, met als conclusie dat verder onderzoek zinvol is. Het door de commissie in te stellen vervolgonderzoek dat in de zomer van 2016 start, zal doorlopen tot medio 2018. Het Ministerie van VenJ is het eerstverantwoordelijke ministerie voor deze commissie.

Professionalisering jeugdhulp

  • –  In 2017 voeren branche- en beroepsorganisaties, cliëntenorganisaties en gemeenten met financiële steun van VWS – totaal € 13,4 miljoen voor een periode van vier jaar – gezamenlijk het werkprogramma Professionalisering jeugdhulp 2015–2018 uit. Belangrijke elementen in het werkprogramma zijn:
    • ○  Ontwikkelen, versterken en borgen van een gemeenschappelijke basis in het handelen van jeugdprofessionals.
    • ○  Stimuleren van een lerende sector waarbij veldpartijen gezamenlijk beoordelen hoe de kwaliteit van de beroepsbeoefenaar zich ontwikkelt en wat er nodig is om ontvankelijk te zijn voor veranderingen in de omgeving.
    • ○  De te zetten stappen om te borgen dat alle professionals werkzaam in de jeugdhulp op een HBO- of WO-functie of hoger, ook geregistreerde professionals worden.
  • –  In 2016 is het principebesluit genomen dat de jeugdsector aansluit bij het Kwaliteitsinstituut. Dit biedt onder andere de kans om in 2017 het beheer en het onderhoud van de 14 richtlijnen jeugdhulp te borgen in het Kwaliteitsregister van het Kwaliteitsinstituut.

Preventie van extremisme

  • –  In 2017 wordt een gezamenlijk plan van VWS, OCW, SZW en VenJ uitgevoerd om het sociaal domein beter toe te rusten bij de aanpak van extremisme. Voor de uitvoering van het plan is de komende drie jaar jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar voor een kenniscentrum voor professionals in het jeugddomein, onderzoek, ontwikkelkosten van opleidingen (op maat) en pilots waarmee ervaringen van kansrijke interventies overgedragen kunnen worden.
  • –  In 2016 heeft speciaal rapporteur Azough goede ervaringen én plekken waar samenwerking niet vanzelf tot stand komt in kaart gebracht en geanalyseerd wat daarbij de onderliggende problemen zijn. De goede ervaringen en de knelpunten heeft zij gebundeld. Deze uitkomsten worden in 2017 gebruikt om het gesprek tussen jeugdwelzijnwerkers en onderwijsprofessionals te stimuleren, dit met als doel om in kaart te brengen wat goed en minder goed werkt in de strijd tegen radicalisering en extremisme.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

117.034

202.864

115.531

61.943

70.805

72.473

55.875

                   

Uitgaven

110.430

202.864

115.531

61.943

70.805

72.473

55.875

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

44,5%

       
               

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

0

0

0

0

0

0

0

               

2. Noodzakelijke en passende zorg

0

0

0

0

0

0

0

               

3. Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

110.430

202.864

115.531

61.943

70.805

72.473

55.875

                 
   

103.068

191.927

104.971

51.052

59.733

60.733

44.135

   

Schippersinternaten

20.076

18.578

18.577

18.577

18.577

18.577

18.577

   

Participatie

1.630

1.769

2.050

2.011

1.958

1.958

1.959

   

Kennis, beleidsinformatie en kindermishandeling

8.268

9.017

8.879

7.462

7.462

7.462

7.462

   

Jeugdhulp

56.511

38.330

20.791

19.757

31.736

32.736

16.137

   

Transitie jeugd

16.582

124.233

54.674

3.245

0

0

0

                   
 

Opdrachten

3.522

9.608

9.280

9.427

9.608

10.276

10.276

   

Kennis, beleidsinformatie en kindermishandeling

1.119

3.703

3.434

2.199

2.199

2.199

2.199

   

Jeugdhulp

1.023

1.902

2.631

6.478

6.659

7.327

7.327

   

Transitie jeugd

1.349

3.432

2.465

0

0

0

0

   

Overig

31

571

750

750

750

750

750

                   
 

Bijdragen aan agentschappen

1.209

1.307

1.258

1.259

1.259

1.259

1.259

   

Overig

1.209

1.307

1.258

1.259

1.259

1.259

1.259

                   
 

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

0

0

0

0

                   
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

2.631

22

22

205

205

205

205

   

OCW: Onderwijskosten JeugdzorgPlus en kijkwijzer

183

22

22

205

205

205

205

   

Overig

2.448

0

0

0

0

0

0

                   

Ontvangsten

11.647

82.508

4.508

4.508

4.508

4.508

4.508

   

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

0

4.423

4.423

4.423

4.423

4.423

4.423

   

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

8.099

78.000

0

0

0

0

0

   

Noodzakelijke en passende zorg

3.548

85

85

85

85

85

85

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies. Projectsubsidies kunnen meerjarig zijn. Van het beschikbare budget voor 2017 van € 105 miljoen is circa 41% juridisch verplicht. Het betreft de vergoeding van kapitaallasten gesloten jeugdzorg, subsidies aan schippersinternaten, het Nederlands jeugdinstituut, de Nationale jeugdraad, LOC, de Nederlandse vereniging pleeggezinnen en het Kinderrechtencollectief.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 9,3 miljoen is circa 76% juridisch verplicht. Het betreft kaseffecten van opdrachten uit 2016.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 1,3 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het CIBG voor de uitvoeringskosten en het beheer van de Verwijsindex risicojongeren.

5. Instrumenten

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

Subsidies

Schippersinternaten

Voor de opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten ontvangen internaten subsidie (€ 18,6 miljoen). In verband met een dalend kindertal is het budget ten opzichte van voorgaande jaren structureel verlaagd met € 4 miljoen.

Participatie,

Op grond van het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind worden activiteiten gesubsidieerd die de rechten van kinderen onder de aandacht brengen en jongeren laten participeren. Daarom worden activiteiten van de Nationale Jeugdraad (de landelijke vereniging van jongerenorganisaties) en Unicef gesubsidieerd, waaronder (media)campagnes.

Subsidies en opdrachten

Kennis, beleidsinformatie en kindermishandeling

Voor kennis & beleidsinformatie en kindermishandeling is een bedrag van € 12,3 miljoen beschikbaar voor subsidies en opdrachten.

Voor het verzamelen van gegevens door het CBS zijn middelen beschikbaar ten behoeve van de beleidsinformatie. Het CBS publiceert twee keer per jaar statistieken en rapportages over het jeugdhulpgebruik per gemeente.

Daarnaast wordt de Jeugdmonitor eenmaal per jaar gepubliceerd. Deze bevat een aantal maatschappelijke indicatoren die het brede jeugdveld bestrijken, te weten: wonen, school, werken, middelengebruik, politiecontacten en kindermishandeling.

De aanpak van kindermishandeling is een belangrijk onderdeel van de brede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties De exacte invulling van projecten is afhankelijk van de uitkomsten van het traject Aanscherping meldcode en werkwijze Veilig Thuis dat in 2016 wordt afgerond. Om de inzet van de benodigde forensisch-medische expertise op peil te houden tot de aansluiting met het netwerk van een landelijk dekkende infrastructuur voor slachtoffers van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld is volbracht, krijgen de twee landelijke organisaties de Forensische Polikliniek Kindermishandeling en het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling overbruggingsfinanciering. De aansluiting is in 2018 voorzien.

Jeugdhulp

Voor de vergoeding van de kosten kapitaallasten gesloten jeugdzorg zijn middelen begroot (€ 18 miljoen), professionalisering van de jeugdzorg (€ 4 miljoen) en meerdere kleine opdrachten en subsidies. In totaal is in 2017 € 20,8 miljoen beschikbaar voor subsidies en € 2,6 miljoen voor opdrachten.

Transitie Jeugdwet

Hier zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering van de Jeugdwet. Het betreft onder meer de organisatiekosten van de Transitieautoriteit Jeugd. Om noodzakelijke jeugdhulp te kunnen blijven bieden kan er door jeugdhulpinstellingen subsidie worden aangevraagd voor bijzondere transitiekosten. De Transitieautoriteit Jeugd geeft advies over de subsidieaanvragen. Voor deze subsidieregeling is in 2017 circa € 54,7 miljoen beschikbaar voor subsidies en € 2,5 miljoen voor opdrachten.

Kennisprogramma’s jeugd

De middelen voor de ZonMw-programma’s worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

De kennisprogramma’s van ZonMw zijn gericht op de gewenste vernieuwing van de jeugdhulp. Vanaf 2013 loopt het programma «Effectief werken in de jeugdsector» van ZonMw, dat een vervolg is op het programma «Zorg voor jeugd». Naast de ontwikkeling van effectieve instrumenten en interventies is de programma gericht op de rol die de cliënt, de professional en de organisatie hebben op de effectiviteit van ondersteuning en zorg; evenals op de relatie die bestaat tussen deze dimensies. Ook wordt de effectiviteit van preventie onderzocht.

Met het programma «Academische Werkplaatsen (Transformatie) Jeugd 2015–2020» wordt met de inmiddels beproefde werkplaatsformule ondersteuning geboden aan de transformatie jeugd, op het niveau van de 42 gemeentelijke jeugdregio’s. Academische werkplaatsen jeugd verbinden de werelden van wetenschap, praktijk, onderwijs en beleid met structurele inbreng van ouders en jongeren. Zo brengen werkplaatsen kennis samen die nodig is voor de aanpak van praktische vraagstukken in de jeugdsector. Verkregen kennis wordt direct vertaald naar praktijk of beleid in de vorm van toepasbare kennisproducten.

Ontvangsten

In 2017 worden alleen ontvangsten verwacht van niet volledig uitgeputte subsidies. Na het vaststellen van deze subsidies wordt het te veel bevoorschotte bedrag teruggevorderd. Deze ontvangsten worden totaal geraamd op € 4,5 miljoen.

Beleidsartikel 6 Sport en bewegen

1. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden aanwezig zijn en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Stimuleren:

  • –  Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen uit verschillende sectoren, zodat op lokaal niveau passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden tot stand komen en blijven.
  • –  Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Financieren:

  • –  Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die er aan bijdragen dat er voor iedere Nederlander passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden in de buurt aanwezig zijn.
  • –  Het faciliteren en mede financieren van de top 10 ambitie. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport, ook tijdens topsportevenementen in eigen land.
  • –  Het (mede) financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

3. Beleidswijzigingen

De uitwerking van de beleidsbrief «Sport» (TK 30 234, nr. 37) vormt het fundament voor het huidige sportbeleid. In 2017 wordt op enkele dossiers een belangrijke stap gezet:

  • –  De eerste stappen worden gezet in de uitvoering van de Nationale Kennisagenda Sport en Bewegen. Belangrijk doel is dat de Nederlandse sportpraktijk direct kan profiteren van nieuwe wetenschappelijke gegevens en inzichten. Daarbij wordt waarde gehecht aan borging van de opbrengsten van het huidige onderzoekprogramma sport.
  • –  Het actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» wordt in 2017 aangepast en vernieuwd. Dit houdt in dat binnen het actieplan de focus meer gelegd wordt op de zwakkere verenigingen waar relatief meer incidenten en excessen plaatsvinden. Ook wordt er in het bijzonder aandacht besteed aan de verdere opleiding van bestuurders van verenigingen omdat zij vanuit hun functie een grote invloed hebben op het creëren van een veilig en plezierig sportklimaat. Tevens wordt een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden om de integriteit van de sport verder te versterken.
  • –  Het programma «Sport en Bewegen in de Buurt» wordt in 2017 op basis van de ervaringen en effecten tot nu toe, op een aantal punten aangepast. Zo wordt voor het realiseren van nieuw sport- en beweegaanbod het maximaal aan te vragen bedrag per sportimpulsaanvraag verlaagd en wordt een verplichte cofinanciering ingevoerd om zodoende de kans op borging van het nieuwe aanbod te vergroten. Daarnaast zal meer aandacht worden gevraagd voor kwetsbare doelgroepen zoals ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking, ook om beter aansluiting te vinden binnen het sociaal domein. Tot slot zal in 2017 binnen de sportimpuls ruimte worden gecreëerd voor een aantal kleinere experimenten die extra input geven voor en meegenomen worden in de voorbereiding van een nieuw beleidskader.
  • –  In 2017 wordt een nieuw voorzieningenbeleid voor topsporters ingevoerd. Uitgangspunt is dat de financiële voorziening sober is ingericht en er scherper wordt gekeken naar wie hiervoor in aanmerking komt.
  • –  In 2016 is de Nederlandse Sportraad ingesteld. Deze raad is ingesteld om te adviseren over de vraag op welke manier meer rendement kan worden gehaald voor Nederland uit het organiseren van (grote) sportevenementen. In 2017 staan de thema’s professionalisering, versterken ondernemerschap en versterken maatschappelijke impact centraal.
  • –  Het nieuwe topsportbeleid, zoals beschreven in de Sportagenda 2017+ van NOC*NSF en de sportbonden, bouwt grotendeels voort op het beleid dat in de Sportagenda 2013–2016 is ingezet: focus op (potentieel) succesvolle takken van sport en topsporters om zo tot de 10 beste topsportlanden ter wereld te horen. De richting van het toekomstige topsportbeleid wordt door VWS ondersteund. VWS zet vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid een aantal herkenbare accenten neer, waaronder: blijvende aandacht voor integriteit in de topsport, het versterken van de positie van topsporters, het vastleggen van afspraken met topsporters over hun maatschappelijke inzet, voldoende aandacht voor paralympische topsport en het stimuleren van een divers topsportlandschap dat uitnodigt om te presteren.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

63.971

67.727

112.747

118.729

128.045

112.373

117.782

               

Uitgaven

73.079

66.458

126.704

128.509

128.045

128.608

128.452

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,7%

       
               

1. Passend sport- en beweegaanbod

25.144

19.340

79.514

83.461

82.869

83.431

82.920

                 
 

Subsidies

16.468

14.984

22.272

26.222

25.632

26.193

25.681

   

Gehandicaptensport

3.071

1.921

1.849

1.848

1.848

1.848

1.848

   

Verantwoord sporten en bewegen

2.418

104

292

292

292

621

609

   

Sport en bewegen in de buurt

3.459

5.622

12.880

16.832

16.241

16.473

15.973

   

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

7.520

7.337

7.251

7.250

7.251

7.251

7.251

                 
 

Bekostiging

8.638

3.400

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

   

Compensatie van betaalde energiebelasting

8.638

400

0

0

0

0

0

   

Energiebesparing en duurzame energie

0

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

                   
 

Opdrachten

38

203

0

0

0

0

0

   

Sport en bewegen in de buurt

38

203

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan medeoverheden

0

753

47.755

47.753

47.751

47.752

47.753

   

Sport en bewegen in de buurt

0

664

47.755

47.753

47.751

47.752

47.753

   

Energiebesparing en duurzame energie

0

89

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

6.487

6.486

6.486

6.486

6.486

   

Energiebesparing en verduurzaming

0

0

6.487

6.486

6.486

6.486

6.486

               

2. Uitblinken in sport

41.006

39.098

38.343

36.000

36.002

36.002

36.002

                 
 

Subsidies

29.783

26.477

27.748

25.406

25.407

25.407

25.407

   

Topsportevenementen

6.771

4.631

7.231

4.891

4.891

4.891

4.891

   

Topsportprogramma's

21.465

20.188

19.016

19.015

19.015

19.015

19.015

   

Dopingbestrijding

1.547

1.658

1.501

1.500

1.501

1.501

1.501

                 
 

Inkomensoverdrachten

11.025

12.441

10.415

10.414

10.415

10.415

10.415

   

Stipendiumregeling

11.025

12.441

10.415

10.414

10.415

10.415

10.415

                 
 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

198

180

180

180

180

180

180

   

Dopingbestrijding

198

180

180

180

180

180

180

               

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

6.929

8.020

8.847

9.048

9.174

9.175

9.530

                 
 

Subsidies

6.626

7.929

8.479

8.680

8.806

8.807

9.162

   

Kennis als fundament

6.626

7.929

8.479

8.680

8.806

8.807

9.162

                 
 

Opdrachten

251

29

306

306

306

306

306

   

Kennis als fundament

251

29

306

306

306

306

306

                 
 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

52

62

62

62

62

62

62

   

Overig

52

62

62

62

62

62

62

               

Ontvangsten

274

740

740

740

740

740

740

   

Overig

274

740

740

740

740

740

740

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Belastinguitgaven:

Naast de genoemde begrotingsuitgaven zijn er ook belastinguitgaven: diensten door sportbonden en sportorganisaties aan de aangesloten sportclubs en diensten van sportclubs aan hun leden zijn vrijgesteld van BTW, als de bond, organisatie of club geen winstoogmerk heeft en de diensten te maken hebben met sportbeoefening. Hiermee is in 2017 een bedrag van circa € 46 miljoen gemoeid. Deze uitgaven zijn terug te vinden in bijlage 5 van de Miljoenennota (Belastinguitgaven en Inkomstenbeperkende regelingen).

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 58,5 miljoen is 95% juridisch verplicht in verband met de financiering van aangegane verplichtingen voor instellingssubsidies en meerjarige projectsubsidies. Het betreft onder meer de instellingssubsidies aan NOC*NSF, het Kenniscentrum sport en de Anti-Doping Autoriteit Nederland. Bij de projectsubsidies betreft het onder meer de Sportimpuls voor lokale sport- en beweegaanbieders en het programma «Naar een veiliger sportklimaat».

Bekostiging

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 3 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de subsidieregeling energiebesparing en verduurzaming.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 10,4 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de Stipendiumregeling voor topsporters.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2017 van € 47,8 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de bestuurlijke afspraken met de Vereniging Nederlandse Gemeenten over de inzet van buurtsportcoaches binnen de gemeenten.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget voor 2017 vand € 6,5 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de subsidieregeling energiebesparing en duurzame energie.

5. Instrumenten

1. Passend sport- en beweegaanbod

In 2015 deed 53% van de personen van 12 jaar en ouder wekelijks aan sport. Dit percentage is sinds 2001 stabiel. Ruim de helft van de Nederlanders van 12 jaar en ouder beweegt voldoende volgens de combinorm, dat wil zeggen voldoet aan de norm gezond bewegen (voor volwassenen is dat minstens een half uur matig intensieve lichamelijke activiteit op minimaal vijf dagen per week en voor jongeren een uur matig intensief bewegen op alle dagen van de week) en/of de fitnorm (minimaal drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit).

Bron: www.staatvenz.nl

Subsidies

Gehandicaptensport

Sport en bewegen is voor iedereen, ook voor gehandicapten en chronisch zieken, van belang ter stimulering van een gezonde leefstijl. In 2015 is een nieuw beleidskader gehandicaptensport gestart waarbij de focus ligt op het bevorderen dat iedereen met een beperking sport- en beweegmogelijkheden in de regio gemakkelijker kan vinden en het aantal passende mogelijkheden wordt uitgebreid en versterkt. Om de sportdeelname van gehandicapten te bevorderen worden meerjarige subsidies aan NOC*NSF, VSG, Mee Nederland, Sportkracht 12 en SOS beschikbaar gesteld. In 2017 is hiervoor € 1,8 miljoen beschikbaar.

Verantwoord sporten en bewegen

Om het aantal sportblessures te verminderen is in 2016 een nieuw meerjarig programma sportblessurepreventie (via ZonMw) gestart dat zich richt op sporten met het hoogste aantal blessures. Daartoe zijn middelen overgeboekt naar artikel 4.3 Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling (€ 0,7 miljoen). Daarnaast wordt in het kader monitoring en kennisfunctie met betrekking tot blessurepreventie een subsidie aan Stichting VeiligheidNL verstrekt. In totaal is in 2017 € 0,3 miljoen beschikbaar.

Sport en bewegen in de buurt

In het kader van het programma Sport en Bewegen in de buurt wordt subsidie verstrekt voor onder meer de sportimpuls. Deze regeling is bedoeld om lokale initiatieven voor het creëren van een passend sport- en beweegaanbod in de buurt tot stand te brengen, waaronder speciale initiatieven voor kinderen met overgewicht en voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. De uitvoering van de sportimpuls is uitbesteed aan ZonMw. Daarnaast worden subsidies verstrekt voor ondersteuning van partijen bij het implementeren van de buurtsportcoaches en van de sportimpuls en voor monitoring van het programma. Tevens wordt ingezet op competentieontwikkeling pedagogische en organisatorische vaardigheden van het vrijwilligerskader in het lokale sport- en beweegveld. Totaal is in 2017 € 12,9 miljoen beschikbaar.

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

Iedereen moet veilig en met plezier kunnen sporten zonder last te hebben van intimidatie of geweld. Daartoe wordt subsidie verleend aan NOC*NSF (circa € 7,3 miljoen), dat de uitvoering van het programma verzorgt in nauwe samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB). Bij de uitvoering van dit programma zijn 42 andere sportbonden actief betrokken.

Bekostiging

Energiebesparing en duurzame energie

Aan de Stichting Waarborgfonds Sport wordt € 3 miljoen beschikbaar gesteld voor het verlenen van borgstellingen voor leningen van sportverenigingen die willen investeren in energiebesparende maatregelen en/of duurzame energie.

Bijdragen aan medeoverheden

Sport en bewegen in de buurt

Gemeenten stellen professionals aan als buurtsportcoaches en buurtcultuurcoaches. Zij leggen verbindingen tussen sport en sectoren als onderwijs, cultuur, zorg, welzijn en buitenschoolse opvang. De middelen (€ 47,8 miljoen in 2017) worden via het gemeentefonds in de vorm van decentralisatie-uitkeringen aan de gemeenten beschikbaar gesteld. Ook het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap draagt hier met € 10,9 miljoen aan bij. Per fte ontvangen de deelnemende gemeenten een rijksbijdrage van € 20.000. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor cofinanciering van € 30.000 per fte.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Energiebesparing en duurzame energie

Per 1 januari 2016 is de subsidieregeling voor energiebesparende maatregelen en duurzame energie in de sport van start gegaan. Deze regeling heeft als doel energiebesparende maatregelen en duurzame energie te stimuleren bij sportaccommodaties. De regeling komt voort uit de motie van de leden Bruins Slot en Dijkstra (TK 33 400 XVI, nr. 108). Met de regeling worden de sportverenigingen gestimuleerd maatregelen te nemen zoals LED-verlichting, isolatie, zonnepanelen en zonneboilers. De regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In 2017 is hiervoor € 6,5 miljoen beschikbaar.

2. Uitblinken in sport

De medailleklassementen zijn een momentopname, maar geven wel een indicatie van de mate waarin Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de beste tien sportlanden.

Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische en Paralympische Zomerspelen
Kengetal: Positie Nederland in medailleklassement Olympische en Paralympische Winterspelen

Bron: De medailleklassementen van de Olympische zomer- en winterspelen worden opgesteld door het International Olympic Committee (IOC).

In Turijn 2006 deed Nederland niet mee aan de Paralympische Winterspelen.

Subsidies

Topsportevenementen

Er zijn middelen beschikbaar voor (sport)organisaties voor het verkrijgen en organiseren van aansprekende topsportevenementen in Nederland (€ 7,2 miljoen). Daarbij ligt de focus op strategische evenementen en op vergroting van de maatschappelijke spin-off daarvan.

Topsportprogramma’s

Om de top 10 ambitie waar te kunnen maken voeren NOC*NSF en de sportbonden topsportprogramma’s uit. VWS verleent subsidie aan NOC*NSF (€ 19 miljoen) om bij te dragen aan de uitvoering van die topsportprogramma’s.

Subsidies en Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dopingbestrijding

Voor het tegengaan van dopinggebruik worden op basis van internationale afspraken subsidies (€ 1,5 miljoen) en bijdragen (€ 0,2 miljoen) verleend aan (inter)nationale anti-dopingorganisaties.

Inkomensoverdrachten

Stipendiumregeling

Het Fonds voor de Topsporter verzorgt het uitkeren van een stipendium aan A-topsporters en nationale toptalenten met een inkomen dat lager is dan het minimumloon. Zo kunnen zij zich vrij maken voor hun sportcarrière. Het Fonds voor de Topsporter zorgt bovendien voor het uitkeren van onkostenvergoedingen aan topsporters. De bijdrage bedraagt € 10,4 miljoen.

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Subsidies

Kennis als fundament

Een aantal boegbeelden uit sport, bedrijfsleven, wetenschap en overheid is door de Minister van VWS gevraagd om voor de komende jaren een Kennis- en Innovatieagenda sport op te stellen en uit te voeren:

  • •  Topteam Sport (www.sportinnovator.nl) geeft met het programma Sportinnovator een belangrijke impuls aan een rendabel ecosysteem voor sportonderzoek en innovatie. Regionale centra voor sportinnovatie worden (tijdelijk) gesubsidieerd en er vindt begeleiding plaats via het Topteam. Een belangrijk initiatief is ook de Sport Data Valley, waarin data kunnen worden gedeeld en gezamenlijke projecten tussen sportonderzoekers en sportinnovatoren kunnen worden opgezet.
  • •  Op 25 april 2016 is de «Kennisagenda Sport en Bewegen – Van traplopen tot podium» verschenen. De kennisagenda is in opdracht van het Topteam opgesteld. Er is € 6 miljoen beschikbaar voor de periode tot en met 2020, waarvan € 0,9 miljoen in 2017. Deze middelen zijn aanvullend op de huidige inzet op het programma Sportinnovator. Het is de inzet om zo te komen tot een geïntegreerd programma voor sportonderzoek en innovatie.

De VWS-middelen voor het verder brengen van het sportonderzoek zullen in partnerschap met de NWO-familie, ZonMw en NRPO-SIA worden ingezet.

Daarnaast wordt ingezet op het valideren van kansrijke sport- en beweeginterventies en op het borgen en verspreiden van beschikbare kennis via het Kenniscentrum en Kennisportal sport.

Het Mulier Instituut, het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) krijgen subsidie om de monitoring van kernindicatoren in de sport uit te voeren. In totaal is voor kennissubsidies € 8,5 miljoen beschikbaar in 2017.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Overig

In internationaal verband vindt afstemming plaats binnen de Europese Unie en in de Raad van Europa. Daarbij hebben onder meer zaken als goed sportbestuur, doping, spelersmakelaars en matchfixing de aandacht. Voor onderzoeken en bijdragen, onder meer voortvloeiend uit de European Partial Agreement on Sports, is € 0,1 miljoen beschikbaar.

Beleidsartikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

1. Algemene doelstelling

De zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Het is belangrijk om de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat blijvend betekenis kan worden gegeven aan het verhaal van «de oorlog». Ook dit is onderdeel van de leidende begrippen «ereschuld» en «bijzondere solidariteit» ten aanzien van de deelnemers aan voormalig verzet en de oorlogsgetroffenen. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor (nabestaanden van) mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar juist ook voor nieuwe generaties. Generaties van nu en later moeten – ook als de eerste generatie is weggevallen – betekenis kunnen geven aan alle facetten van deze geschiedenis. Dat geldt zowel voor de oorlog zoals deze zich in Nederland en Europa heeft afgespeeld, en dan vooral de Holocaust als dieptepunt van het menselijk handelen, als voor de oorlog (en de Bersiap-periode – 1945–1949) in voormalig Nederlands-Indië. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II is gerelateerd aan hedendaagse vraagstukken van grondrechten, democratie, (internationale) rechtsorde en vrijheid. De invulling hiervan vindt plaats langs vier domeinen benodigde kennis, museale functie, educatie en informatie alsmede herdenken, eren en vieren.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • –  De herinnering aan WO II blijvend betekenis laten houden.

Financieren:

  • –  Subsidiëring van begeleidende instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen.
  • –  Subsidiëring van instellingen die de herinnering aan de WO II levend houden.

Regisseren:

  • –  Het in stand houden en ondersteunen van een infrastructuur die het mogelijk maakt de zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II te garanderen en de herinnering aan WO II blijvend betekenis te laten houden.
  • –  Het actueel houden van de wet – en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

(Doen) uitvoeren:

  • –  Opdrachtgever van en toezichthouder op de zelfstandige bestuursorganen Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) en Sociale Verzekeringsbank, afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen (SVB-V&O), voor toepassing en uitvoering van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.
  • –  Opdrachtgever van en toezichthouder op het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) voor het invullen van herdenken, eren en vieren.

3. Beleidswijzigingen

Op het terrein van de «erfenis van WO II» vindt het kabinet continuïteit en toekomstbestendigheid belangrijk.

Het beleid voor 2017 is:

  • –  Bijdragen aan continuïteit, kwaliteit en toekomstgerichtheid van het stelsel van voorzieningen en uitvoeringsorganisaties door middel van het monitoren en zo nodig bijsturen van ontwikkelingen op het terrein van de zorg- en dienstverlening en de herinnering WO II.
  • –  Zeker stellen dat (de uitvoering van) het wettelijk stelsel van pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II actueel en effectief blijft, ondanks een door demografische ontwikkelingen steeds kleinere doelgroep.
  • –  Invulling geven aan de beschreven ambitie van veldpartijen voor het levend houden van de herinnering WO II langs de domeinen kennis (onder leiding van het NIOD), museale functie (onder leiding van de Stichting Musea en Herinneringscentra 40–45 (SMH), educatie en informatie (SMH en NC) en herdenken, eren en vieren (NC): het betreft de uitwerking van de Commissie Cohen. De ambities zijn onder andere gericht op het vormgeven van herdenken en vieren, ook naar aanleiding van het visiedocument hierover van het NC.
  • –  Voorzetten bestaand beleid: inhoudelijke en financiële ondersteuning van projecten en organisaties stroomlijnen met de beschreven ambities. De herinnering aan de WO II kan hierbij verbonden worden met hedendaagse vragen van burgerschap.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

574.551

42.179

273.515

257.860

242.211

227.859

213.985

                   

Uitgaven

301.646

311.387

273.515

257.860

242.211

227.859

213.985

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,2%

       
               

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II

16.262

17.944

21.127

21.026

21.026

21.026

20.851

                 
 

Subsidies

16.107

17.141

20.300

20.199

20.199

20.199

20.024

   

Nationaal Comité 4 en 5 mei

5.803

5.562

4.837

4.837

4.526

4.526

4.526

   

Nationale herinneringscentra

1.814

1.848

1.791

1.791

1.791

1.791

1.791

   

Zorg- en dienstverlening

5.955

5.473

7.745

7.745

7.745

7.745

7.745

   

Overig

2.535

4.258

5.927

5.826

6.137

6.137

5.962

                 
 

Bekostiging

0

400

400

400

400

400

400

   

Overig

0

400

400

400

400

400

400

                   
 

Opdrachten

155

403

403

403

403

403

403

   

Overig

155

403

403

403

403

403

403

                   
 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

24

24

24

24

24

   

Overig

0

0

24

24

24

24

24

               

2. Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II

285.384

293.443

252.388

236.834

221.185

206.833

193.134

                 
 

Inkomensoverdrachten

271.095

278.322

239.213

224.679

210.049

195.696

181.997

   

Wetten en regelingen verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

262.000

249.100

239.213

224.679

210.049

195.696

181.997

   

Backpay

0

19.000

0

0

0

0

0

   

Overig

9.095

10.222

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

14.289

15.121

13.175

12.155

11.136

11.137

11.137

   

SVB

10.956

10.986

10.292

9.759

9.271

8.785

8.012

   

PUR

3.160

2.761

2.299

1.949

1.557

1.200

1.200

   

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

37

0

0

0

0

0

0

   

Overig

136

1.374

584

447

308

1.152

1.925

               

Ontvangsten

3.765

5.013

901

901

901

901

901

   

Overig

3.765

5.013

901

901

901

901

901

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget circa € 20,3 miljoen is 90% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget van € 0,4 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van wachtgelden, de vervoerskosten en de niet op grond van een wettelijke regeling of ziektekostenregeling vergoede kosten van behandeling door stichting Centrum «45, inclusief de noodzakelijke verblijfskosten en deels de vergoeding in de FPU plus- en WW/BWU-regeling voor ex-werknemers van de Stichting 1940–1945.

Opdrachten

Van het beschikbare budget van € 0,4 miljoen is 80% juridisch verplicht. Het betreft opdrachten ten behoeve van de herinnering aan WO II en de zorg- en dienstverlening.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget van € 239,2 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget van € 13,2 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR).

5. Toelichting op de instrumenten

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II

Uit het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2016 van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, dat sinds 2001 jaarlijks wordt uitgevoerd, blijkt dat driekwart van de Nederlanders de herdenking op 4 mei (heel) belangrijk vindt. Dit draagvlak is groot door de tijd heen, maar is licht gedaald ten opzichte van 2015 toen 79% aangaf de herdenking op 4 mei (heel) belangrijk te vinden. Een ruime meerderheid van de Nederlanders vindt niet dat de herdenking per definitie aan betekenis verliest alleen maar omdat de Tweede Wereldoorlog steeds verder achter ons ligt. Dit komt mede doordat een toenemend aantal mensen de laatste jaren een andere – meer actuele – invulling aan 4 mei is gaan geven. Ten aanzien van de viering van 5 mei geeft driekwart van de Nederlanders aan dat zij de viering van 5 mei (heel) belangrijk vinden. Dit draagvlak was de afgelopen jaren minder groot, maar is sinds 2015 stabiel. Ruim zeven op de tien geven aan zich op 5 mei verbonden te voelen met elkaar en zich solidair te voelen met mensen die niet in vrijheid leven. Een even grote groep staat stil bij het feit dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Een meerderheid geeft aan 5 mei belangrijk te vinden vanwege nieuws en actualiteiten (73%) en ruim driekwart vindt dat 5 mei zijn actualiteitswaarde blijft behouden zolang er oorlog en onderdrukking bestaan en vindt dat de viering van 5 mei ook in de toekomst door moet gaan.

Subsidies

Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC)

Het ministerie van VWS verleent een instellingssubsidie van circa € 4,5 miljoen aan het NC voor de organisatie van de nationale herdenking op 4 mei en de viering op 5 mei en activiteiten op het brede terrein van de herinnering aan WO II. Daarnaast ontvangt het NC een subsidie voor gastsprekers van € 0,3 miljoen.

Monument

Mijn opa droeg een gele ster

en mocht plotseling niet meer

met zijn moeder naar het park

Mijn oma woonde in een kamp

en moest buigen voor Japanners

in de felle rode zon

Mijn opa deelde zijn kamer

met een Duitse soldaat

het pistool ligt nog op zolder

Mijn oma werd pas na de oorlog

geboren op een boerderij

precies een jaar na de bevrijding

Op haar twaalfde hoorde ze

hoe haar ouders in de oorlog

joden en piloten verstopten in de schuur

En in deze twee minuten

vraag ik me af

wat er gebeurd zou zijn

als die Duitser die nacht

bij een ander van die vier was ondergebracht

was ik er dan geweest?

Sterre Wolthers (16) uit Haren heeft op 4 mei 2016 haar gedicht voordragen tijdens de Nationale Herdenking op de Dam.

Nationale herinneringscentra

Het Ministerie van VWS verleent instellingssubsidies aan de vier nationale herinneringscentra: Kamp Vught, Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum. Deze spelen een belangrijke rol in de blijvende betekenis van en de collectieve herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Gezien de bezoekersaantallen wordt het bereik van de herinneringscentra steeds groter. Naast het beheer en behoud van historische plekken gaat het vooral om educatieve activiteiten die vanuit de herinneringscentra worden georganiseerd. In totaal gaat het om een bedrag van circa € 1,8 miljoen in 2017.

Zorg- en dienstverlening

Na WO II is in Nederland voor de deelnemers aan het voormalig verzet en de oorlogsslachtoffers geleidelijk een – in de wereld uniek – stelsel van pensioenen, uitkeringen en hulp- en dienstverlening ontstaan, vanuit de principes van «ereschuld» tegenover de deelnemers aan het voormalig verzet en «bijzondere solidariteit» tegenover de oorlogsslachtoffers. Het aantal voormalig verzetdeelnemers en oorlogsgetroffen neemt gestaag af. Gezien deze ontwikkeling moeten ook de uitvoeringsorganisaties zich aanpassen. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening zijn gewaarborgd. Het Ministerie van VWS begeleidt en faciliteert deze ontwikkeling, bijvoorbeeld door samenwerking of fusie te stimuleren tussen die instellingen waar het organisatorisch draagvlak van de afzonderlijke organisaties te smal dreigt te worden.

Om zorg- en dienstverlening (maatschappelijk werk, sociale dienstverlening) aan (erkende) verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, worden subsidies (in totaal in 2017 circa € 7,7 miljoen) verleend aan gespecialiseerde instellingen.

Overig

Dit betreft onder andere subsidies voor het levend houden van de herinnering WO II langs de domeinen kennis, museale functie, educatie en informatie en overige subsidies met een beperkt kasbeslag in 2017 (onder andere subsidies op grond van het «Beleidskader voor de subsidiering van projecten en activiteiten ten behoeve van de participatie en emancipatie van de Sinti en Roma in Nederland»).

2. Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II

Inkomensoverdrachten

Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

De wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden alleen nog bijgesteld als wijzigingen in aanpalende wetten, bijvoorbeeld op het terrein van zorg en sociale zekerheid, dat noodzakelijk maken. In het kader van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit WO II (Wuv, Wubo en Wbp) worden onder andere tegemoetkomingen (inkomensafhankelijk) en vergoedingen (inkomensonafhankelijk) voor bijzondere voorzieningen toegekend als onderdeel van de totale uitkering. Het betreft met name uitgaven voor medische voorzieningen, huishoudelijke hulp, «deelname maatschappelijk verkeer» en overige voorzieningen zoals vervoer.

Voor 2017 is circa € 239,2 miljoen beschikbaar, waarvan het merendeel voor de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (circa € 140,5 miljoen). Voor de Wubo en de Wbp is in 2017 € 62,2 miljoen respectievelijk € 30,6 miljoen beschikbaar.

Bedragen x € 1 miljoen

Bron: SVB

Wuv = Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945; Wubo = Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945; Wbp = Wet buitengewoon pensioen 1940–1945; AOR= Algemene Ongevallenregeling.

Bovenstaande figuur geeft een overzicht van (de ontwikkeling van) de totale programma-uitgaven in het kader van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen over de periode 2015–2021. De uitgaven betreffen ramingen inclusief een aanname voor de wettelijk verplichte indexering voor loon- en prijsbijstelling. De uitgaven dalen geleidelijk met circa 5% per jaar.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

SVB en PUR

Om pensioenen, uitkeringen en bijzondere voorzieningen te kunnen toekennen aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, worden in 2017 bijdragen (circa € 12,6 miljoen) ter beschikking gesteld aan de SVB en de PUR.

Indicator: percentage eerste aanvragen dat door de PUR en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld.

Bron: Jaarverslag van de PUR en de SVB 2015

De realisatie van de gestelde behandeltermijnen is voor de eerste aanvragen, ondanks het toevoegen van de uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR), in 2015 op hetzelfde niveau gebleven als in 2014. Het aantal nieuwe «eerste» aanvragen in 2013 was 619 en in 2014 546 per jaar en in 2015 (inclusief AOR) 797 per jaar.

De percentages voor de afhandeling van de eerste aanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv), de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp). De feitelijke behandeltijd is mede afhankelijk van derden (geldt met name voor medische gegevens). Er wordt door de SVB gestreefd naar minimale doorlooptijden. Het percentage aanvragen dat is afgehandeld binnen de (verlengde) wettelijke termijn is een cruciale indicator voor de kwaliteit van de wetsuitvoering.

Beleidsartikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

1. Algemene doelstelling

De zorg financieel toegankelijk houden.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren:

  • •  Financieren van de zorgtoeslag. Vaststellen van de hoogte van de zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.
  • •  De uitbetaling van de tegemoetkomingen Wtcg aan rechthebbenden waarvan het rekeningnummer in 2016 pas bekend wordt en de tegemoetkoming alsnog kan worden uitbetaald (Wtcg 2009 t/m Wtcg 2013).
  • •  De tegemoetkoming voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.

3. Beleidswijzigingen

Zorgtoeslag

Met ingang van 2017 is de zorgtoeslag structureel verhoogd. Deze verhoging wordt bereikt door de normpercentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen structureel lager vast te stellen (0,35 procentpunt bij alleenstaanden en 0,70 procentpunt bij meerpersoonshuishoudens). Omdat in 2016 tot een tijdelijke verhoging besloten was stijgt de zorgtoeslag nu vrijwel evenveel als de standaardpremie. De Zorgtoeslag groeit iets minder vanwege de stijging van het minimumloon en omdat zowel de normpercentages als de afbouwpercentages iets stijgen als gevolg van een maatregel uit 2010.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

4.825.515

4.261.922

4.448.121

4.992.974

5.437.581

5.800.972

5.996.392

                   

Uitgaven

4.825.515

4.261.922

4.448.121

4.992.974

5.437.581

5.800.972

5.996.392

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
                 
 

Inkomensoverdrachten

4.825.515

4.261.922

4.448.121

4.992.974

5.4.37.581

5.800.972

5.996.392

   

1. Zorgtoeslag

4.741.888

4.212.885

4.405.980

4.952.733

5.399.282

5.762.673

5.958.093

   

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

41.778

7.738

3.842

1.942

0

0

0

   

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

41.849

41.299

38.299

38.299

38.299

38.299

38.299

               

Ontvangsten

800.656

0

0

0

0

0

0

   

Overig

800.656

0

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget voor 2017 van ruim € 4,4 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de wettelijke regelingen zorgtoeslag, Wtcg en TSZ.

5. Instrumenten

Inkomensoverdrachten

Zorgtoeslag

De Belastingdienst kent als tegemoetkoming in de kosten van de nominale premie Zvw en het gemiddeld eigen risico de zorgtoeslag toe aan alle burgers die daar recht op hebben en toeslag aanvragen (zie onderstaand figuur). Hierdoor betaalt idealiter niemand een groter dan aanvaardbaar deel aan Zvw-premie. De raming voor 2017 is circa € 4,4 miljard. De gemiddelde zorgtoeslag was in 2015 € 866 voor een eenpersoonshuishouden en € 1.107 voor een tweepersoonshuishouden.

Kengetal: Het aantal «voorlopige» toekenningen per eenpersoons/ en tweepersoonshuishouden.

Bron: Belastingdienst

In bovenstaande figuur staat de stand van het aantal toekenningen voor de zorgtoeslag voor het betreffende toeslagjaar. De cijfers betreffen de stand op 1 juli 2016. In de stand van het aantal toekenningen zijn zowel definitieve als voorlopige toekenningen meegenomen. Het aantal ontvangers zorgtoeslag in een jaar kan hoger of lager uitvallen, omdat de zorgtoeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Als alle aanvragen definitief toegekend zijn, is pas duidelijk hoeveel rechthebbenden er zijn.

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

Chronisch zieken en gehandicapten ontvangen een algemene tegemoetkoming in de meerkosten die zij hebben als gevolg van hun chronische ziekte of handicap. De raming voor 2017 is circa € 3,8 miljoen. Dit bedrag bestaat uit nabetalingen over de tegemoetkomingsjaren 2009 t/m 2013. Het betreft betalingen aan rechthebbenden waarvan het rekeningnummer (alsnog) beschikbaar is gekomen.

De Wtcg is per 1 januari 2014 afgeschaft (EK 33 726, A). Doordat de tegemoetkoming een jaar later wordt uitbetaald dan dat de rechten zijn opgebouwd, heeft eind 2014 de grote betaalronde van de tegemoetkomingen over 2013 plaatsgevonden. In 2015 en 2016 hebben nog betalingen plaatsgevonden, bijvoorbeeld aan personen van wie het rekeningnummer pas later bekend werd. Ook in 2017 zullen er nog betalingen worden gedaan aan rechthebbenden waarvan de rekeningnummers bekend worden.

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

Conform het begrotingsakkoord 2014 blijft de fiscale aftrek mogelijk van uitgaven voor specifieke zorgkosten. De TSZ-regeling is een tegemoetkomingsregeling voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren. De raming voor 2017 is € 38,3 miljoen.

Ontvangsten

VWS baseert zich bij zijn raming van de zorgtoeslag op ramingen van het CPB ten aanzien van de inkomensontwikkeling van huishoudens en het daaruit volgende recht op zorgtoeslag. De belastingdienst maakt hier gebruik van bij de voorlopige toekenning van de zorgtoeslag. De inkomensramingen zullen bij een deel van de huishoudens echter te hoog of te laag uitvallen. Er volgen dan terugvorderingen en nabetalingen bij de definitieve vaststelling. Deze worden niet geraamd waardoor er in de budgettaire tabel aan de ontvangstenkant geen bedrag wordt opgenomen voor 2017. Bij Slotwet worden de uitgavenramingen aangepast aan de werkelijke realisaties (inclusief de nabetalingen) en worden de gerealiseerde terugvorderingen aan de ontvangstenkant in beeld gebracht en zo nodig toegelicht.

4. Niet-beleidsartikelen

Beleidsartikel 9 Algemeen

1. Inleiding

In dit niet-beleidsartikel worden de departementsbrede uitgaven vermeld die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel.

2. Ministeriële verantwoordelijkheid

Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het stimuleren, afstemmen en waarborgen van internationale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport. Op specifieke gebieden wordt hiertoe nadrukkelijk samengewerkt met andere ministeries. Vooral de samenwerking met de Ministeries van Buitenlandse Zaken (WHO, drugs, geneesmiddelenbeleid en life sciences and health), Veiligheid en Justitie (drugs), Economische zaken (antimicrobiële resistentie, life sciences and health, geneesmiddelenbeleid en voedselveiligheid) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (EU) is hierbij van belang.

3. Prioriteiten 2017

Het is van belang om de afspraken die we onder het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie hebben gemaakt, verder uit te werken. Hierbij is het vooral van belang om zorg te dragen dat lidstaten nationale plannen op het gebied van antibiotica resistentie gaan maken en dat er een nieuw EU actieplan komt. Op het terrein van het geneesmiddelen- en prijsbeleid moet de vrijwillige samenwerking tussen die lidstaten, verder worden geconcretiseerd en erop worden toegezien dat de overeengekomen analyse van het stelsel van incentives die marktexclusiviteit creëren, wordt vormgegeven op een wijze die meerwaarde geeft. Op het terrein van productverbetering moet worden gezorgd dat het afgesproken actieplan tussen bedrijven, lidstaten en de Europese Commissie, verder zal worden vormgegeven. Op het terrein van het sportbeleid moeten de afspraken ten aanzien van transparantie bij de toewijzing van grote sportevenementen, worden uitgewerkt. Hiertoe wordt samenwerking gezocht met de aankomende voorzitterschappen, de Europese Commissie en andere lidstaten.

Samenwerking op Europees en mondiaal niveau

Het Ministerie van VWS vertegenwoordigt Nederland met betrekking tot de voor volksgezondheid, welzijn en sport relevante onderwerpen bij internationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties (VN). Contacten met een beperkt aantal, voor het Ministerie van VWS belangrijke landen, worden gestimuleerd. Het gaat dan om contacten met landen als China en India, de politiek en groeiende economische mogendheden en de Verenigde Staten. Bovendien ondersteunt het Ministerie van VWS activiteiten op het gebied van economische diplomatie voor een beperkt aantal landen in samenspraak met het Ministerie van Economische en het Ministerie van Buitenlandse zaken en mede vanuit de behoeften van het bedrijfsleven. Waar dit gewenst is, wordt voor het Partners in International Business programma van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland advies gegeven over het government to government onderdeel in dit programma. Ook bevordert het ministerie een goede aansluiting tussen het VWS kennisbeleid, topsectorenbeleid en de Europese onderzoek- en innovatie-instrumenten, waaronder Horizon2020, het actieprogramma Volksgezondheid en het EIP Active and Healthy Ageing.

Specifiek met betrekking tot de WHO kan worden gemeld dat Nederland tijdens de 69ste World Health Assembly (23-28 mei 2016) is gekozen tot lid (één van de 34) van de Executive Board (Uitvoerende Raad). Eind 2017 loopt het huidige partnerschapprogramma met de WHO (2014–2017) af. In 2017 zal een nieuw vierjarig partnerschapprogramma (2018–2021) worden opgesteld.

Daarnaast zal samen met de Minister van BHOS worden gewerkt aan de implementatie van de actiepunten uit de gezamenlijke beleidsreactie op de IOB-doorlichting van de WHO 2011–2015. Het rapport en de beleidsreactie zijn op 8 juli 2016 door de Ministers voor BHOS en van VWS aan het parlement aangeboden. Concreet betekent dit het volgende voor de inzet van Nederland:

  • 1)  pleiten voor een duurzaam en structureel financieringsmodel door verhoging van de verplichte contributie;
  • 2)  in nauwe samenwerking met gelijkgezinde landen druk blijven uitoefenen op de Wereldgezondheidsorganisatie om institutionele hervormingen door te voeren, opdat een heldere efficiënte aansturing van de WHO tot stand komt;
  • 3)  toezien op snelle en volledige implementatie van het nieuwe medische noodhulp programma, inclusief een mondiaal implementatieplan Internationale Gezondheidsregeling;
  • 4)  streven naar concrete resultaten op de inhoudelijke Nederlandse prioriteiten, te weten grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, terugdringen van antibioticaresistentie, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en toegang tot geneesmiddelen.

Internationale samenwerking

Op het gebied van internationale samenwerking is toenemende aandacht voor internationale grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Besmettelijke ziekten stoppen niet bij grenzen en tekorten aan gezondheidswerkers hebben een mondiale dimensie. Er wordt samengewerkt met andere lidstaten en binnen multilaterale organisaties om de verspreiding van ziekten te beperken en om te komen tot de ontwikkeling van geneesmiddelen en vaccins ter bestrijding en voorkoming van deze ziekten, en in het bijzonder voor het tegengaan van antimicrobiële resistentie. Ook zal Nederland in 2017 activiteiten entameren in het kader van de Global Health Security Agenda in vervolg op de ministeriele bijeenkomst in oktober 2016.

Internationaal personeels- en detacheringsbeleid

Om internationaal goed samen te kunnen werken, plaatst en detacheert het Ministerie van VWS medewerkers in het buitenland en bij multilaterale organisaties, zoals bij de World Health Organization (Geneve of Kopenhagen) en bij de Europese Commissie in Brussel.

De personele en materiële uitgaven met betrekking tot internationale samenwerking staan vermeld op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

31.095

25.718

28.185

32.367

35.515

40.515

40.515

               

Uitgaven

33.736

25.718

28.185

32.367

35.515

40.515

40.515

               

1. Internationale samenwerking

4.843

7.107

5.127

5.127

5.127

5.127

5.127

                   
 

Opdrachten

75

2.215

0

0

0

0

0

   

Overig

75

2.215

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

3.964

4.563

5.127

5.127

5.127

5.127

5.127

   

World Health Organization

3.260

3.539

3.868

3.868

3.868

3.868

3.868

   

Overig

704

1.024

1.259

1.259

1.259

1.259

1.259

                 
 

Bijdrage aan agentschappen

804

329

0

0

0

0

0

   

Overig

804

329

0

0

0

0

0

               

3. Eigenaarsbijdrage RIVM

28.893

18.611

18.058

17.240

15.388

15.388

15.388

                   
 

Bekostiging

28.893

18.611

18.058

17.240

15.388

15.388

15.388

   

Eigenaarsbijdrage RIVM

28.893

18.611

18.058

17.240

15.388

15.388

15.388

               

4. Begrotingsreserve achterborg WFZ-garanties

0

0

5.000

10.000

15.000

20.000

20.000

                 
 

Garanties

0

0

5.000

10.000

15.000

20.000

20.000

   

Overig

0

0

5.000

10.000

15.000

20.000

20.000

               

Ontvangsten

0

283

0

0

0

0

0

   

Overig

0

283

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

1. Internationale samenwerking

Bij internationale samenwerking gaat het erom dat een gemeenschappelijke benadering meerwaarde biedt boven een nationale aanpak. De nadruk moet liggen op het zoeken naar oplossingen voor grensoverschrijdende problemen, waarbij er concrete meerwaarde moet zijn vanuit de missie van het Ministerie van VWS. VWS ontplooit activiteiten om invulling te geven aan de internatonale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport met een beperkt aantal landen en met multilaterale organisaties bij het vormgeven van onze internationale ambities binnen de gezondheidszorg.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

World Health Organization

In 2014 is VWS een nieuw partnerschapprogramma (2014–2017) met de World Health Organization (WHO) gestart. Hiermee is in totaal een bedrag van € 15,9 miljoen over 4 jaar gemoeid. De bijdrage voor 2017 bedraagt € 3,9 miljoen.

3. Eigenaarsbijdrage RIVM

Bekostiging

Eigenaarsbijdrage RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een agentschap van het Ministerie van VWS en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de Ministeries van VWS, IenM, EZ en SZW. Op dit artikel worden middelen voor het Strategisch Programma RIVM (SPR) en een aantal overige specifieke eigenaarsbijdragen geraamd (in 2017 circa € 18,1 miljoen).

Het SPR (€ 10,9 miljoen) bestaat uit onderzoek en andere werkzaamheden die het RIVM uitvoert om de kennis en expertise te ontwikkelen die nodig zijn voor de continuïteit van het instituut. Zo kan het RIVM zijn toekomstige taken voor de opdrachtgevers adequaat uitvoeren, op zowel de middellange als de lange termijn. Het SPR richt zich enerzijds op lacunes in actuele kennis en anderzijds op nieuwe ontwikkelingen. Bij de start van elke nieuwe vierjarige ronde worden inhoudelijke speerpunten gekozen. De speerpunten dekken de kennisdomeinen af, waarop het RIVM zijn kennis en kunde moet vernieuwen of intact moet houden.

Het SPR 2015–2018 omvat zes speerpunten. Alle opdrachten worden jaarlijks geëvalueerd en door de Commissie van Toezicht gevolgd om de kennispositie van het instituut te garanderen. De Wet op het RIVM vormt de wettelijke basis voor het SPR dat dit instituut uitvoert. Deze wet bepaalt dat de directeur-generaal RIVM jaarlijks een programma van onderzoek opstelt. Hierin beschrijft hij welke inzichten het instituut moet verwerven om zijn taken adequaat te kunnen uitvoeren. Het programma is gericht op de continuïteit van het RIVM op de langere termijn, bedoeld om te kunnen anticiperen op nieuwe kennisvragen van de opdrachtgevers op de middellange en lange termijn en om de positie van het RIVM in het wetenschappelijk veld te handhaven en waar nodig te versterken. Met deze wettelijke bepaling laat de wetgever zien dat het RIVM professioneel zelfstandig is. In het licht van de betekenis van het SPR voor de toekomstige kennispositie van het RIVM is het budget hiervoor belegd bij de plaatsvervangend secretaris-generaal van VWS, als eigenaar van het agentschap RIVM. Om deze reden worden deze middelen bekostigd vanuit dit niet-beleidsartikel.

De resterende middelen (€ 3,6 miljoen) zijn bestemd voor specifieke huisvestingskosten (€ 2,6 miljoen) en organisatieontwikkeling (€ 1 miljoen). De specifieke huisvestingskosten zijn gerelateerd aan kosten als gevolg van wijzigingen in de huisvesting van het RIVM. Dit zijn deels Rijksbreed wijzigingen (aanpassing Rijkshuisvestingsstelsel per 1 januari 2016), maar ook specifieke wijzigingen als gevolg van verkoop van het ALT (BTW-compensatie). Naast de specifieke huisvestingskosten doet de eigenaar gelijk aan de opdrachtgevers van het RIVM (via de tarieven) ook een bijdrage in de organisatieontwikkeling (RIVM brede ontwikkelingen zoals: digitale document huishouding, aanpassingen SAP en leer-werk-trajecten).

4. Begrotingsreserve achterborg WFZ

Garanties

In het kader van het kabinetsbeleid van versobering van risicoregelingen heeft een evaluatieonderzoek van het WFZ plaatsgevonden. Dit onderzoek is in maart 2015 afgerond (TK 34 000 XVI, nr. 108). Het onderzoek laat zien dat de doelstellingen van het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) nog steeds actueel zijn: bevorderen van de continuïteit van financiering, beperken van de macrorentekosten en stimuleren van goed financieel management bij zorginstellingen. VWS ontvangt geen premie voor de achterborg. In het kader van de verdere beperking van de risico’s is daarom besloten een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg.

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

1. Inleiding

In dit niet-beleidsartikel wordt ingegaan op de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

299.399

302.883

259.117

252.502

250.877

245.999

245.737

                   

Uitgaven

300.730

302.924

259.159

252.508

250.877

245.999

245.737

 

– Personele uitgaven

206.155

215.658

201.812

197.256

196.897

193.063

193.523

   

waarvan eigen personeel

188.569

198.146

193.590

190.777

190.049

186.052

185.844

   

waarvan externe inhuur

15.575

15.100

5.813

4.069

4.438

4.601

5.269

   

waarvan overige personele uitgaven

2.011

2.412

2.409

2.410

2.410

2.410

2.410

 

– Materiële uitgaven

94.575

87.266

57.347

55.252

53.980

52.936

52.214

   

waarvan ICT

5.480

8.750

5.712

5.609

5.609

5.632

5.629

   

waarvan bijdrage SSO's

45.535

36.372

27.769

28.358

28.416

28.393

28.243

   

waarvan overige materiële uitgaven

43.560

42.144

23.866

21.285

19.955

18.911

18.342

                   

Ontvangsten

 

35.866

25.573

6.731

11.679

6.633

6.529

6.520

   

Overig

35.866

25.573

6.731

11.679

6.633

6.529

6.520

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Nadere uitsplitsing apparaatsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie van VWS

300.730

302.924

259.159

252.508

250.877

245.999

245.737

                   

Personele uitgaven kerndepartement

136.598

139.721

123.458

118.701

118.331

115.131

115.592

   

waarvan eigen personeel

123.410

127.153

116.674

113.661

112.922

109.734

109.527

   

waarvan externe inhuur

11.557

10.886

5.104

3.360

3.729

3.717

4.385

   

waarvan overige personele uitgaven

1.631

1.682

1.680

1.680

1.680

1.680

1.680

                   

Materiële uitgaven kerndepartement

75.915

64.303

38.188

36.671

35.399

35.355

34.633

   

waarvan ICT

3.508

4.884

2.348

2.313

2.313

2.316

2.313

   

waarvan bijdrage SSO's

45.125

32.193

23.298

24.197

24.255

24.312

24.162

   

waarvan overige materiële uitgaven

27.282

27.226

12.542

10.161

8.831

8.727

8.158

               

Personele uitgaven inspecties

54.336

62.852

64.639

64.846

64.848

64.217

64.216

   

waarvan eigen personeel

50.473

58.114

63.397

63.603

63.605

62.974

62.973

   

waarvan externe inhuur

3.483

4.008

513

513

513

513

513

   

waarvan overige personele uitgaven

380

730

729

730

730

730

730

               

Materiële uitgaven inspecties

12.731

18.346

15.516

15.156

15.156

15.156

15.156

   

waarvan ICT

1.092

3.061

2.961

2.961

2.961

2.961

2.961

   

waarvan bijdrage SSO's

407

3.948

4.260

3.950

3.950

3.950

3.950

   

waarvan overige materiële uitgaven

11.232

11.337

8.295

8.245

8.245

8.245

8.245

               

Personele uitgaven SCP en raden

15.221

13.085

13.715

13.709

13.718

13.715

13.715

   

waarvan eigen personeel

14.686

12.879

13.519

13.513

13.522

13.344

13.344

   

waarvan externe inhuur

535

206

196

196

196

371

371

   

waarvan overige personele uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

                   

Materiële uitgaven SCP en raden

5.929

4.617

3.643

3.425

3.425

2.425

2.425

   

waarvan ICT

880

805

403

335

335

355

355

   

waarvan bijdrage SSO's

3

231

211

211

211

131

131

   

waarvan overige materiële uitgaven

5.046

3.581

3.029

2.879

2.879

1.939

1.939

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Apparaatskosten agentschappen, ZBO’s en RWT’s (Bedragen x € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal apparaatskosten agentschappen

411.716

392.918

427.725

425.152

422.783

423.218

422.958

               

Agentschap College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen

39.097

35.750

38.250

38.250

38.250

38.250

38.250

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

45.678

42.758

42.675

43.102

43.533

43.968

44.408

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

326.941

314.410

346.800

343.800

341.000

341.000

340.300

               

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

303.5801

295.694

266.813

263.708

261.093

260.888

261.009

               

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

6.239

6.216

5.916

5.516

5.366

5.366

5.366

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

68.981

71.268

68.573

68.269

68.269

68.269

68.269

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

100.916

84.189

76.353

76.081

74.761

74.790

74.791

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

3.160

2.761

2.299

1.949

1.557

1.200

1.200

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Commissies (METC’s)

1.845

2.517

2.363

2.260

2.267

2.267

2.267

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

51.617

57.002

55.794

55.639

55.051

55.053

55.053

Zorginstituut Nederland (ZiNL)

67.738

68.433

52.207

50.474

50.170

50.170

50.170

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

2.374

2.558

2.558

2.770

2.902

3.023

3.143

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

710

750

750

750

750

750

750

Noot 1: Het totaalbedrag wijkt af van het jaarverslag. Dit is het gevolg van de toevoeging van het ZBO College ter Beoordeling van Geneesmiddelen aan de tabel.

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

2.1 Toelichting apparaatsuitgaven kerndepartement

Op dit artikel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel geraamd die nodig zijn voor het functioneren van het kerndepartement.

De personele uitgaven kerndepartement bestaan uit alle personeelsuitgaven van het kerndepartement inclusief de inhuur van externen voor zowel primaire als ondersteunende processen. De materiële uitgaven hebben uitsluitend betrekking op de ondersteunende processen.

Dit omvat onder andere ICT, bijdragen aan shared service organisaties (SSO’s) en overige materiële kosten zoals huisvestingskosten.

De ontwikkeling van de budgetten wordt in 2017 en opvolgende jaren beïnvloed door enerzijds de personele taakstelling uit het kabinet Rutte I en anderzijds een aantal intensiveringen. Een deel van deze intensiveringen is van tijdelijke aard en hangt samen met de zorgvuldige implementatie van de gecompliceerde en veelomvattende beleidsagenda van VWS. Bij eerste suppletoire begroting 2016 zijn reeds enkele meerjarige intensiveringen toegelicht. Op het gebied van personele uitgaven zal in 2017 de informatiseringsfunctie (I-functie) binnen het ministerie zijn versterkt. Daarnaast vindt er een gerichte intensivering plaats op de middelen voor structureel onderhoud en beheer van de diverse ICT-voorzieningen.

De actuele raming voor de uitgaven voor externe inhuur is aanmerkelijk lager dan de realisatie van de afgelopen jaren. Naar verwachting zal het budget (en de realisatie) als gevolg van interne herschikkingen lopende het begrotingsjaar hoger worden.

In de suppletoire begrotingen zullen deze mutaties worden gemeld en zo nodig toegelicht.

Apparaatsuitgaven kernministerie 2017 onderverdeeld naar Directoraat-Generaal (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Apparaats-uitgaven

Directoraat-generaal Volksgezondheid

27.266

Directoraat-generaal Curatieve zorg

14.774

Directoraat-generaal Langdurige zorg

15.298

Totaal beleid

57.338

Secretaris-generaal/(plaatsvervangend) secretaris-generaal

104.308

Totaal apparaatsuitgaven kerndepartement

161.646

Extracomptabele tabel invulling taakstelling (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

Structureel

Departementale taakstelling (totaal)

16.900

26.200

30.550

30.850

         

Inspecties

       

IGZ

630

1.440

1.800

1.800

IJZ

70

160

200

200

Totaal inspecties

700

1.600

2.000

2.000

         

Agentschappen

       

CIBG

300

800

1.000

1.000

RIVM

4.400

7.900

9.300

9.300

Totaal Agentschappen

4.700

8.700

10.300

10.300

         

ZBO's/RWT's

       

CAK

200

500

600

600

ZiNL

500

500

1.200

1.500

ZonMw

300

700

850

850

CIZ

2.600

6.100

7.500

7.500

Totaal ZBO's/RWT's

3.600

7.800

10.150

10.450

         

Kennisinfrastructuur

       

Preventie, jeugd en sport

3.600

3.600

3.600

3.600

Langdurige zorg

3.300

3.300

3.300

3.300

Curatieve zorg

1.000

1.200

1.200

1.200

Totaal kennisinfrastructuur

7.900

8.100

8.100

8.100

2.2 Toelichting apparaatsuitgaven inspecties

Inspectie voor de Gezondheidszorg

Het kunnen beschikken over goede, veilige zorg wanneer dat nodig is, is een essentieel publiek goed. Of het nu in de rol van betrokken familielid, patiënt of cliënt is, burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat zorgprofessionals adequaat behandelen, verzorgen en begeleiden en de fabrikant van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen veilige producten levert. De verantwoordelijkheid voor dat vertrouwen ligt bij de zorgaanbieder en fabrikant. De inspectie ziet erop toe dat zorgaanbieders en fabrikanten deze verantwoordelijkheid nakomen. Vanuit het maatschappelijk belang bij veilige en verantwoorde zorg houdt de inspectie scherp, deskundig en onafhankelijk toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg.

In haar toezicht gaat de IGZ uit van de intrinsieke motivatie van zorgaanbieders om veilige en goede zorg te verlenen. Dit vat zij in de term «gezond vertrouwen», wat ook de titel is van het Meerjarenbeleidsplan 2016–2019 van de IGZ. Dit gezond vertrouwen is niet vanzelfsprekend: het is een dynamisch proces waarvoor steeds weer de resultaten van de zorgaanbieder over goede zorg de basis vormen. Bij onwil, onvermogen en roekeloos gedrag van bestuurders en zorgverleners, treedt de inspectie direct op. Door het toezicht op deze manier in te richten wil de IGZ bijdragen aan het gezonde vertrouwen van eenieder in de Nederlandse zorg.

Ontwikkelingen zoals de decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten, de invoering van de Wet kwaliteit en klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de vorming van het medisch specialistisch bedrijf in de ziekenhuizen, maken dat de zorgsector volop in beweging is. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen zorgaanbieder en patiënt in zorginstellingen en thuis. Deze transities vragen veel van de mensen die in de zorg werkzaam zijn: zij moeten en willen zorg blijven leveren die aan alle kwaliteitseisen voldoet. Daarbij veranderen de kwaliteitseisen zelf ook: het perspectief en de behoeften van de patiënt staan hierin steeds meer centraal.

De IGZ werkt er naar toe een meer proactieve toezichthouder te zijn, die belangrijke thema’s weet te agenderen bij het zorgveld en politiek, maar ook kan ingrijpen voordat risico’s zich voordoen. Daarnaast spreekt de inspectie zorgprofessionals en -bestuurders nadrukkelijker aan op hun verantwoordelijkheden voor de kwaliteit van de zorg en de bewaking daarvan. Het perspectief van de burger, die soms patiënt of cliënt is, vormt voor de zorg en daarmee ook voor het toezicht een belangrijk uitgangspunt.

Kortom, de zorgsector is volop in beweging, maar de IGZ beweegt mee: de ontwikkelingen in de zorg, gecombineerd met nieuwe wetgeving, risicothema’s en de eigen ontwikkeling vormen een ambitieuze uitdaging naast de «reguliere» taak van de IGZ op het gebied van toezicht en handhaving. Een goed voorbeeld van een punt waarop de IGZ in beweging is, is de voorgenomen fusie met de Inspectie Jeugdzorg (IJZ) die in 2017 voltooid zal zijn. Beide inspecties gaan dan verder onder de naam «Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd».

Inspectie Jeugdzorg

De Inspectie Jeugdzorg voert samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie het landelijk toezicht in het kader van de Jeugdwet uit. Zij ziet toe op de kwaliteit van de jeugdhulp, de jeugdbescherming en jeugdreclassering en op de naleving van de wetgeving. De inspectie stimuleert met haar toezicht de voorzieningen tot goede en veilige verzorging, opvoeding en behandeling van kinderen in de jeugdhulp en in de jeugdbescherming en jeugdreclassering en de ondersteuning van ouders en verzorgers van die kinderen. De inspectie draagt er met haar toezicht aan bij dat de samenleving er op kan vertrouwen dat kinderen en ouders op tijd en op maat de hulp en zorg krijgen van de instellingen en de professionals. Het onafhankelijk oordeel over de kwaliteit van de jeugdhulp, de jeugdbescherming en jeugdreclassering is relevant voor de professional, de instelling en de overheid en helpt bij het verbeteren van die kwaliteit.

De inspectie verzamelt informatie over de kwaliteit, vormt zich een oordeel en grijpt zo nodig in. Daarnaast kijkt de inspectie of het beleid goed werkt. Daarover doet de inspectie gevraagd en ongevraagd voorstellen tot verbeteringen aan de betreffende instellingen en verantwoordelijke overheden.

De Inspectie Jeugdzorg houdt op grond van de Jeugdwet en een aantal andere wetten en regelingen toezicht op de volgende organisaties:

  • •  jeugdhulpaanbieders;
  • •  instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering;
  • •  certificerende instelling voor jeugdbescherming en jeugdreclassering;
  • •  Veilig Thuis (advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling);
  • •  Raad voor de Kinderbescherming;
  • •  justitiële jeugdinrichtingen;
  • •  vergunninghouders voor interlandelijke adoptie;
  • •  opvangvoorzieningen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen;
  • •  schippersinternaten.

Binnen het bredere sociaal domein werkt de inspectie samen met de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Veiligheid en Justitie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het samenwerkingsverband Samenwerkend Toezicht Jeugd/Toezicht Sociaal Domein.

De inspectie werkt onder verantwoordelijkheid van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Veiligheid en Justitie en is organisatorisch onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De begroting 2017 bedraagt € 6,8 miljoen.

De Minister heeft de Tweede Kamer op 18 maart 2016 geïnformeerd over haar voornemen om te komen tot een fusie tussen de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie voor de Gezondheidszorg tot de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, daar deze inspecties in de praktijk al steeds nauwer samenwerken in het kader van het gezamenlijk toezicht op basis van de Jeugdwet. De voorbereidingen voor de fusie zijn in werking gezet, inclusief de voorbereiding van de benodigde wijzigingen in de wetgeving.

Sociaal en Cultureel Planbureau

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, opgericht bij koninklijk besluit op 30 maart 1973. Het koninklijk besluit is per 1 april 2012 ingetrokken en vervangen door de Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus (1 april 2012).

Het SCP verricht zelfstandig onderzoek en rapporteert – gevraagd en ongevraagd – aan de regering, de Eerste- en Tweede Kamer, ministeries en andere maatschappelijke en overheidsorganisaties. De belangrijkste taken van het SCP zijn:

  • •  Het beschrijven van de situatie op sociaal en cultureel terrein in Nederland en de te verwachte ontwikkelingen.
  • •  Het bijdragen aan verantwoorde keuzen van doeleinden en middelen in het sociaal en cultureel beleid en het ontwikkelen van alternatieven.
  • •  Het beoordelen van het gevoerde beleid, speciaal het interdepartementale beleid.

Het SCP verricht daartoe sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de leefsituatie en de opvattingen van de burger, evenals naar het (overheids)beleid dat daarop van invloed is. Het werk van het SCP omvat de terreinen van nagenoeg alle Ministeries. Eens per jaar geeft het SCP een overzicht van de voorgenomen activiteiten in een werkprogramma. Het werkprogramma wordt gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

Activiteiten SCP 2017

Aantal rapporten

Uren in 2017

Uitgaven in 2017 (bedragen x € 1.000)

1. Wetenschappelijk onderzoek

45

82.789

10.800

2. Kennisverspreiding

9.199

1.200

3. Totaal

45

91.988

12.000

Toelichting

1. Wetenschappelijk onderzoek

Het onderzoeksprogramma van het SCP staat in het teken van het ondersteunen van het beleid van de overheid, waar dat gericht is op het behoud en de verhoging van het welzijn en het welbevinden van de Nederlandse burger en samenleving. Veel van de door het SCP in 2017 uit te voeren projecten vloeien voort uit eerder gemaakte afspraken of verkregen opdrachten.

In oneven jaren brengt het SCP «De Sociale Staat van Nederland» uit (een brede inventarisatie van de levensomstandigheden van de Nederlandse bevolking), in even jaren een meer thematisch Sociaal Cultureel Rapport.

Er zijn langjarige afspraken over de opstelling van bijvoorbeeld de Verdiepende studie Integratie, de Emancipatiemonitor, «De Sociale Staat van het Platteland», «Het Cultureel Draagvlak», de pgb-monitor en de ontwikkeling van ramingsmodellen voor de vraag naar jeugdzorg en langdurige zorg. Veel van het SCP-onderzoek is gebaseerd op door het CBS verzamelde en ter beschikking gestelde gegevens. Daarnaast laat het SCP zelf ook enkele grote surveys uitvoeren. Ook in 2017 zal het SCP ten behoeve van het kabinet rapporteren over de uitkomsten van het in 2008 gestarte onderzoek naar zorgen en maatschappelijke kwesties die leven onder de bevolking en van belang zijn voor de politiek («Continu Onderzoek Burgerperspectieven»).

2. Kennisverspreiding

Vele SCP-medewerkers hebben contacten met of maken deel uit van voor het SCP relevante wetenschappelijke of maatschappelijke organisaties, of hebben vanwege hun SCP-werk of -expertise een adviserende rol in allerlei gremia. Kennisverspreiding via presentaties, artikelen, papers e.d. zijn een belangrijk onderdeel van het werk.

Een kerntaak van het SCP is het adviseren van departementen en andere overheidsinstanties op basis van de beschikbare kennis en inzichten. De positionering van het bureau binnen de rijksoverheid maakt het mogelijk deel te nemen aan het commissie- en advieswerk binnen de overheid (onderraden en voorportalen). Afgezien van deze vorm van indirecte advisering brengt het bureau ook met regelmaat adviezen uit aan (beleidsdirecties van) departementen. Deze advisering kan zeer uiteenlopend van karakter zijn, bijvoorbeeld via participatie in de kenniskamers van verschillende Ministeries.

Raad voor Volksgezondheid en Samenleving

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) is een onafhankelijk adviesorgaan voor de regering en de beide kamers der Staten-Generaal. De RVS heeft tot taak strategische adviezen te geven over het te voeren beleid. De vraagstukken waarover de RVS adviseert zijn per definitie domeinoverstijgend. De RVS werkt aan een sterkere verbinding met VWS alsmede met andere departementen, zoals OCW, BZK, SZW en VenJ. Vanuit zijn onafhankelijke positie en opdracht laat de RVS zijn licht schijnen over toekomstige strategische beleidsvraagstukken voor zorg en gezondheid. Hierbij beziet de RVS de mogelijkheid om dit in samenwerking met andere kennisinstellingen te doen.

De RVS heeft bij zijn start gekozen voor het opstellen van een meerjarige werkagenda 2015–2018, met de volgende vier thema’s: (1) Veranderende verzorgingsstaat, (2) Verantwoord sturen, (3) De belofte van wetenschap en technologie en (4) De levensloop levenslang en levensbreed. Het werken met een meerjarige werkagenda past bij de brede opdracht van de RVS en biedt ruimte om gedurende het jaar een vraag of probleem te agenderen. Dit kan leiden tot een gevraagd of ongevraagd advies van de RVS.

Het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG) is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de RVS dat informeert over nieuwe ontwikkelingen op het snijvlak van ethiek, gezondheid en beleid. Het CEG publiceert jaarlijks signalementen over ethische thema’s en geeft uitvoering aan de publieksfunctie, onder meer via de website www.ceg.nl (kennisbron over ethische thema’s) en diverse publieksbijeenkomsten, waaronder de jaarlijkse Els Borst Lezing. In 2017 zal het CEG extra aandacht besteden aan de verbetering van de publieksfunctie, onder meer door het vernieuwen van de website.

Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan en heeft als taak de regering en het parlement van advies te dienen over de stand van kennis ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid.

Het werkterrein van de Gezondheidsraad omvat de volgende aandachtsgebieden: preventie, gezondheidszorg, voeding, leefomgeving, arbeidsomstandigheden, innovatie en kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd adviezen uit. In september stelt de Minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast (www.gezondheidsraad.nl).

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onverdeeld

1. Inleiding

Dit niet-beleidsartikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Verplichtingen

0

– 48.875

– 33.462

– 29.611

– 31.080

– 31.084

– 31.062

                   

Uitgaven

0

– 48.917

– 33.446

– 29.652

– 31.080

– 31.084

– 31.062

                   
 

1. Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

2. Prijsbijstelling

0

4.580

1.629

4.443

4.474

4.470

4.492

 

3. Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

 

4. Taakstelling

0

– 53.497

– 35.075

– 34.095

– 35.554

– 35.554

– 35.554

               

Ontvangsten

0

5.000

0

0

0

0

0

 

Overig

0

5.000

0

0

0

0

0

Loonbijstelling

Op dit onderdeel worden de in het kader van de loonbijstelling ontvangen bedragen geboekt totdat toerekening plaatsvindt aan begrotingsartikelen.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de in het kader van de prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt totdat toerekening plaatsvindt aan begrotingsartikelen. Het betreft nog niet toegedeelde middelen van de prijsbijstelling tranche 2016.

Onvoorzien

De grondslag voor dit onderdeel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. VWS maakt hier in 2017 geen gebruik van.

Taakstelling

Op dit onderdeel worden taakstellingen geboekt in afwachting van concrete invulling. De actuele stand omvat grosso modo de taakstellende onderuitputting die op de VWS-begroting is ingeboekt en die jaarlijks bij de tweede suppletoire begroting wordt ingevuld.

5. Begroting agentschappen

1. Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (ACBG)

1.1 Inleiding

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) bestaat uit een College en een secretariaat dat is ondergebracht in een agentschap (ACBG). Het College is een organisatie met een zelfstandige bevoegdheid, een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De uitvoeringsorganisatie ter ondersteuning van het CBG is een baten-lastenagentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Naast de taken voor het CBG ondersteunt het agentschap tevens het Ministerie van Economische Zaken (EZ) bij de uitvoering van veterinaire geneesmiddelenbeoordeling en -bewaking door de Commissie Registratie Diergeneesmiddelen (CRD) en het Ministerie van VWS bij de beoordeling van nieuwe voedingsmiddelen.

De belangrijkste taken op basis van de Geneesmiddelenwet, de Diergeneesmiddelenwet en Europese Verordeningen zijn voor het CBG:

  • –  Verstrekken, handhaven en schorsen van handelsvergunningen op basis van de beoordeling van werkzaamheid, risico’s en kwaliteit;
  • –  Vaststellen van de afleverstatus humaan, dus het bepalen of het geneesmiddel uitsluitend op recept, uitsluitend via de apotheek, via de drogist of in de vrije verkoop verkrijgbaar mag zijn;
  • –  Vaststellen van de afleverstatus veterinair, dus het bepalen of het diergeneesmiddel uitsluitend door een dierenarts mag worden toegediend, afgeleverd mag worden door dierenarts of apotheker, op recept afgeleverd mag worden door dierenarts, apotheker of vergunninghouder, of vrij verkrijgbaar is;
  • –  Geneesmiddelenbewaking;
  • –  Geven van wetenschappelijk advies in het kader van geneesmiddelontwikkeling.

De meest up-to-date informatie over de organisatiestructuur, collegesamenstelling en achtergrondinformatie over processen en procedures vindt men op de CBG-website: www.cbg-meb.nl.

1.2 Begroting 2017

Begroting van baten en lasten ACBG voor het jaar 2017 (bedragen x € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

192

225

225

225

225

225

225

Opbrengst overige departementen

683

612

612

612

612

612

612

Opbrengst derden

45.867

39.163

41.663

41.663

41.663

41.663

41.663

Rentebaten

7

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal baten

46.749

40.000

42.500

42.500

42.500

42.500

42.500

               

Lasten

             

Apparaatskosten

39.807

36.500

39.000

39.000

39.000

39.000

39.000

– Personele kosten

26.110

23.500

25.500

25.500

25.500

25.500

25.500

Waarvan:

           

0

eigen personeel

22.961

21.500

23.500

23.500

23.500

23.500

23.500

externe inhuur

3.149

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Waarvan overige personele kosten

0

0

0

0

0

0

0

               

– Materiële kosten

13.697

13.000

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

Waarvan:

             

apparaat ICT

3.750

2.000

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

bijdrage SSO's

0

0

0

0

0

0

0

Waarvan overige materiële kosten (ZBO college)

710

750

750

750

750

750

750

               

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

1.749

3.500

3.500

3.500

3.500

3.500

3.500

– Materieel

1.181

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– Immaterieel

568

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal lasten

41.556

40.000

42.500

42.500

42.500

42.500

42.500

               

Saldo van baten en lasten

5.193

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

Voor het jaar 2017 en verder jaren verwacht ACBG meer werkzaamheden en daarmee een hogere omzet uit aanvragen dan voorheen; daarom is de opbrengst derden voor de jaren 2017 en verder € 2,5 miljoen hoger dan het uitgangspunt dat voor eerdere jaren gold.

Baten

Het ACBG verwacht van opdrachtgever VWS een bedrag van € 0,225 miljoen te ontvangen ter dekking van de kosten van het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen.

Het Bureau Diergeneesmiddelen van het ACBG verricht voor het Ministerie van Economische zaken (EZ) beleidsondersteunende activiteiten. Hiervoor is een bedrag begroot van € 0,612 miljoen.

In de volgende tabel wordt de omzet derden 2017 verdeeld naar productgroepen. De hierbij gehanteerde tarieven zijn gebaseerd op de regeling Geneesmiddelenwet en de Diergeneesmiddelenregeling.

Opbrengst derden naar productgroepen (bedragen x € 1.000)

Productgroep

Omzet

Beoordelen van nationale aanvragen

2.000

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

7.300

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

400

Beoordelen DCP's

10.513

Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

250

Jaarvergoedingen (humaan en dieren)

18.900

Bureau Diergeneesmiddelen

2.300

Totaal opbrengst derden

41.663

Onderstaand worden de productgroepen kort toegelicht.

Beoordelen van nationale aanvragen

Het beoordelingsproces van een nationale aanvraag betreft de aanvraag van een handelsvergunning voor een nieuw op de Nederlandse markt te brengen geneesmiddel. De handelsvergunning wordt door het ACBG afgegeven. Het betreffende geneesmiddel komt alleen in Nederland op de markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

Om een Europese handelsvergunning voor een geneesmiddel van de Europese Commissie toegekend te krijgen, moet de fabrikant de centrale procedure volgen. De fabrikant kan dan een handelsvergunning krijgen die in alle EU-lidstaten geldig is. De coördinatie van de centrale procedure berust bij het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMA).

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP (Mutual Recognition Procedure)

In een MRP-procedure heeft een andere EU-lidstaat een handelsvergunning verleend. Het ACBG beoordeelt of deze geneesmiddelen, op basis van het beoordelingsrapport van de andere lidstaat, toegelaten kunnen worden tot de Nederlandse markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: DCP (Decentrale Procedure)

Een Decentrale Procedure kan door de fabrikant worden gebruikt om een handelsvergunning in meerdere lidstaten te verkrijgen als nog in geen enkel land een handelsvergunning is verkregen. De fabrikant kan een EU-lidstaat vragen om het beoordelingsproces te verrichten. Deze lidstaat wordt dan Referentieland (RMS). Na het beoordelingsproces starten de overige lidstaten een MRP-procedure.

Beoordeling van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

Het ACBG verricht beoordelingswerkzaamheden voor homeopathische geneesmiddelen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen. Nieuwe voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen of voedselingrediënten die voor 15 mei 1997 niet in significante mate in de Europese Gemeenschap voor de menselijke voeding zijn gebruikt.

Jaarvergoedingen

Voor het op de markt brengen van een geneesmiddel moet door de registratiehouder jaarlijks een vergoeding worden betaald.

Bureau Diergeneesmiddelen

Het Bureau Diergeneesmiddelen beoordeelt en verleent vergunningen voor de productie en distributie van diergeneesmiddelen.

Lasten

Onderdeel van de materiële lasten is de subsidie aan het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, ter waarde van € 2,2 miljoen. Dit bedrag wordt door VWS (subsidieverstrekker) toegewezen aan Lareb.

Het ACBG werkt voor de markt en meer «aanvragen» betekent meer omzet, dus ook meer werk. De personele kosten zijn verhoogd in verhouding tot de vermeerderde omzet. Investeringen in ICT zullen tot verhoogde ICT-kosten leiden.

Er wordt thans een inventarisatie gemaakt van een nieuwe ICT-oplossing voor het ACBG voor de komende jaren.

1.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht ACBG voor het jaar 2017 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1. Rekening-courant RHB 1 januari

11.309

17.070

17.070

17.070

17.070

17.070

17.070

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+/+)

44.578

40.000

42.500

42.500

42.500

42.500

42.500

Totaal uitgaven operationele kasstroom (–/–)

– 38.706

– 38.500

– 41.000

– 41.000

– 41.000

– 41.000

– 41.000

2. Totaal operationele kasstroom

5.872

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Totaal investeringen (–/–)

– 111

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+/+)

3. Totaal investeringskasstroom

– 111

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

4a. Eenmalige uitkering aan moederdepartement (–/–)

Eenmalige storting door het moederdepartement (+/+)

Aflossingen op leningen (–/–)

Beroep op leenfaciliteit (+/+)

4. Totaal financieringskasstroom

5. Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4)

17.070

17.070

17.070

17.070

17.070

17.070

17.070

Toelichting kasstroomoverzicht

De investeringen 2017 hebben voornamelijk betrekking op vervanging van kantoorautomatisering (primair proces systeem ICI).

1.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren c.q. kengetallen ACBG voor het jaar 2017
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Generiek

             

1. Tarieven/uur (bedragen in €)

85

85

85

85

85

85

85

2. Omzet per productgroep (bedragen x € 1.000)

             

– Boordelen van nationale aanvragen

1.554

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

– Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

8.769

5.600

7.300

7.300

7.300

7.300

7.300

– Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

496

400

400

400

400

400

400

– Beoordelen van Europese aanvragen: DCP

12.762

10.213

10.513

10.513

10.513

10.513

10.513

– Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

49

250

250

250

250

250

250

– Bureau Diergeneesmiddelen

2.740

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

– Jaarvergoedingen

19.414

18.400

18.900

18.900

18.900

18.900

18.900

– Overig

83

3. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

288

280

290

290

290

290

290

4. Saldo van baten en lasten (% van de baten)

11,1%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Specifiek

             

1. Gegronde klachten

14

32

25

25

25

25

25

2. Zaken per fte

85

86

86

86

86

86

86

               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Liquiditeit (current ratio; norm: > 1,5)

1,26

1

1

1

1

1

1

2. Solvabiliteit (debt ratio)

0,72

0,92

0,92

0,92

0,92

0,92

0,92

3. Rentabiliteit eigen vermogen

0,75

0

0

0

0

0

0

4. Percentage externe inhuur ten opzichte van totale personele kosten

9,5%

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

5. Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

>90%

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tarieven/uur

Uurtarieven om de kostenefficiency aan te tonen. Deze indicator is een gemiddelde over alle functies waarbij naar het primaire proces exclusief onderzoekskosten wordt gekeken.

Omzet per productgroep

De omzet per productgroep geeft inzicht in de samenstelling van de totale omzet van het ACBG. De samenstelling en omvang worden deels beïnvloed door internationaal opgelegde (EMA) tarieven. Op grond van marktontwikkelingen wordt rekening gehouden met een daling van de nationale afzet en ondanks een verwachte stijging van de tarieven die het ACBG hanteert, wordt rekening gehouden met een consolidatie van de omzet op het niveau 2016. Bij centrale Europese aanvragen verwachten we daarentegen een omzetstijging en verder wordt er vanaf 2015 een vergoeding ontvangen voor de eerder onbetaalde werkzaamheden in het kader van geneesmiddelenbewaking.

De diverse zaken (producttypes) zijn verschillend qua werkbelasting; binnen de omzet vinden substantiële verschuivingen plaats, met andere woorden de samenstelling van de omzet kan jaarlijks wijzigen.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime equivalenten werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. De toename van het aantal vaste medewerkers houdt verband met toegenomen structurele werkzaamheden. Daarnaast is sprake van beperking van externe inhuur/uitbesteding.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten. Het ACBG streeft er naar als agentschap kostenneutraal te opereren. De omzet wordt bepaald door de marktvraag en deels door de internationaal opgelegde (EMA) tarieven.

Aantal gegronde klachten

Het aantal gegronde klachten wordt bijgehouden om inzicht te krijgen in de geleverde kwaliteit van de productie. Het streven is het aantal gegronde klachten niet te laten stijgen.

Aantal zaken per fte

Het aantal zaken per fte wordt bijgehouden om de efficiency van de productie inzichtelijk te maken.

2. CIBG

2.1 Inleiding

De maatschappij roept om transparantie. Betrouwbare registers zijn steeds belangrijker. Organisaties, mensen en soms zelfs de gezondheid van mensen zijn hiervan afhankelijk. Als agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zorgt het CIBG voor een betrouwbare verzameling, verwerking en koppeling (gegevensknooppunten) van (gecertificeerde) gegevens en uitlevering aan gebruikers. Het CIBG heeft een breed takenpakket zoals het BIG-register, het Donorregister, Registerleraar en het UZI-register. Meer informatie over de organisatie en taken van het CIBG is te vinden op: www.cibg.nl.

Het CIBG heeft de ambitie om binnen de rijksoverheid op termijn dé organisatie te worden op het gebied van registers voor (gewaarmerkte) identiteiten. De organisatie wil waarde creëren voor opdrachtgevers en de maatschappij door deskundig te zijn en betrouwbare informatie klant- en opdrachtgevergericht te koppelen en ter beschikking te stellen.

Het CIBG staat opnieuw voor een uitdagend jaar. Met slimme organisatie en digitale communicatie streeft het CIBG naar kwalitatief goede en betrouwbare dienstverlening. Er is geïnvesteerd in een meer flexibele manier van werken: digitaal en eigentijds. Hiermee gaan we komend jaar verder. We verhuizen naar een nieuwe locatie en gaan daar activiteitgerelateerd werken. We professionaliseren onze IT en de werkprocessen en zetten de eerste stappen naar het creëren van een generiek systeem voor alle dienstverlening van het CIBG.

2.2 Begroting

Begroting van agentschap CIBG voor het jaar 2017 (bedragen x € 1.000)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

Baten

             

Omzet moederdepartement

22.860

18.655

21.221

21.433

21.648

21.864

22.083

Omzet overige departementen

4.835

4.088

4.490

4.535

4.580

4.626

4.672

Omzet derden

21.436

22.590

21.821

22.039

22.260

22.482

22.707

Rentebaten

1

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

49.132

45.333

47.532

48.007

48.488

48.972

49.462

Lasten

Apparaatskosten

45.678

42.758

42.675

43.102

43.533

43.968

44.408

– Personele kosten

20.346

19.348

19.572

19.768

19.965

20.165

20.367

waarvan eigen personeel

15.783

17.370

17.970

17.788

17.985

18.185

18.387

waarvan externe inhuur

2.903

1.978

1.602

1.980

1.980

1.980

1.980

waarvan overige personele kosten

1.660

0

0

0

0

0

0

– Materiële kosten

25.332

23.410

23.103

23.334

23.568

23.803

24.041

waarvan apparaat ICT

6.446

6.916

6.916

6.985

7.055

7.126

7.197

waarvan bijdrage aan SSO’s

3.440

3.900

3.900

3.939

3.978

4.018

4.058

waarvan overige materiële kosten

15.446

12.594

12.287

12.410

12.535

12.659

12.786

Rentelasten

5

100

100

101

102

103

104

Afschrijvingskosten

3.312

2.475

4.757

4.804

4.853

4.901

4.950

– Materieel

13

10

9

9

9

9

9

waarvan apparaat ICT

13

10

9

9

7

6

5

– Immaterieel

3.299

2.465

4.748

4.795

4.844

4.892

4.941

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

48.995

45.333

47.532

48.007

48.488

48.972

49.462

Saldo van baten en lasten

137

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

De omzet moederdepartement bestaat uit de omzet op basis van opdrachten vanuit de beleidsdirecties van VWS, zoals Vakbekwaamheidsverklaring, Donorregister, TZI, SBVZ en WNT. Daarnaast is er bij het CIBG ook sprake van omzet op basis van opdrachten van andere departementen, zoals OCW-registers en Register Diergeneeskundigen. Een stijgend aandeel van de omzet is afkomstig van derden (burgers en bedrijven). Deze hangt samen met het verrichten van verschillende (wettelijke) registratieactiviteiten, het verstrekken van UZI-passen en -certificaten, het verlenen van vergunningen en ontheffingen tegen door het departement vastgestelde tarieven alsmede met de verkoop van medicinale cannabis.

De omzet overige departementen stijgt als gevolg van uitbreiding van bestaande taken zoals het Lerarenregister en het Schoolleidersregister. (OCW)

Lasten

De lasten bewegen mee met de verwachte uitbreiding van taken. De afschrijvingen nemen toe als gevolg van investeringen met als grootste post de investering in het digitaliseringsprogramma van de werkprocessen.

Omzet per opdrachtgever (bedragen x € 1.000)
 

Omzet 2017

MEVA

7.870

EST

35

GMT

4.237

PG

810

MC

3.886

DJ

1.230

IGZ

928

VWS Bijdrage I-Strategie

1.720

Reeds gefinancierd

505

   

Subtotaal VWS

21.221

OCW

1.630

EZ

490

Reeds gefinancierd

2.370

Subtotaal overige departementen

4.490

BIG-(her)registratie

8.290

Vakbekwaamheid

150

UZI-register

8.780

Vergunningen

953

Medische hulpmiddelen

511

Opiaten

561

BMC

1.830

RIN

746

Subtotaal Derden

21.821

Totaal

47.532

2.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht CIBG voor het jaar 2016 (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

15.518

16.090

10.890

5.290

2.690

5.490

3.290

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

5.680

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

 

–/– totaal uitgaven operationele kasstroom

3.768

10.000

9.000

0

5.000

5.000

5.000

2.

Totaal operationele kasstroom

1.912

– 4.000

– 3.000

6.000

1.000

1.000

1.000

–/– totaal investeringen

– 9.144

– 6.000

– 4.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

3.

Totaal investeringskasstroom

– 9.144

– 6.000

– 4.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

–/– aflossingen op leningen

– 277

– 1.200

– 2.600

– 3.200

– 3.200

– 3.200

– 3.200

+/+ beroep op leenfaciliteit

6.000

4.000

1.000

1.000

1.000

1.000

4.

Totaal financieringskasstroom

– 277

4.800

1.400

1.400

– 2.200

– 2.200

– 2.200

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

8.009

10.890

5.290

2.690

5.490

3.290

1.090

Toelichting

De totale begrote ontvangsten voor 2017 zijn ruim € 47 miljoen, de totale uitgaven voor 2017 zijn naar verwachting € 50 miljoen.

De operationele kasstroom fluctueert tevens als gevolg van de instroom van inschrijfgelden periodieke herregistratie in 2018, er wordt in 2018 éénmalig betaald voor 5 jaar, de baten en kosten worden ook over deze 5 jaar verdeeld.

Er wordt in 2016 een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor een investering van € 6 miljoen. in ICT-systemen (digitaliseringsprogramma van de werkprocessen). De totale investeringen hebben vrijwel geheel betrekking op ICT en behoren tot de immateriële activa. Er wordt uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 5 jaar. Voor de geplande investeringen vanaf 2017 wordt later bezien of een beroep op de leenfaciliteit noodzakelijk is.

2.4 Doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren CIBG voor het jaar 2017
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

 

Stand Slotwet

Vastgestelde begroting

         

Omschrijving generiek deel

1. Kostprijzen per product (groep)

– Beschikking BIG-register

174,41

96,61

125,00

125,00

125,00

125,00

125,00

– Beschikking herregistratie BIG

96,61

125,00

125,00

125,00

125,00

125,00

– Vakbekwaamheidsverklaring

5.922

5.255

5.182

5.182

5.182

5.182

5.182

– Vergunning Farmatec

1.408

2.769

2.769

2.769

2.769

2.769

2.769

– UZI-pas/certificaat

357,31

290,51

259,54

259,54

259,54

259,54

259,54

– Wilsbeschikking Donorregister

11,83

11,9

11,9

11,9

11,9

11,9

11,9

2. Omzet per productgroep (x 1.000)

5.536

8.290

– BIG-register + herregistratie

6.550

8.290

8.290

8.290

8.290

– Vakbekwaamheid

2.470

2.890

2.850

2.850

2.850

2.850

2.850

– Farmatec

1.815

1.240

1.240

1.240

1.240

1.240

1.240

– UZI-register

10.216

11.940

8.980

8.980

8.980

8.980

8.980

– Donorregister

2.367

2.380

2.380

2.380

2.380

2.380

2.380

3. Saldo van baten en lasten (%)

0,28%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

4. Aantal fte totaal (excl. ext inhuur)

227,07

238,4

261,38

261,38

261,38

261,38

261,38

   

 

Omschrijving specifiek deel

   

 

1. productievolume

– Beschikkingen BIG register

13.235

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

– Beschikking herregistratie BIG

54.000

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

– Vakbekwaamheidverklaringen

480

550

550

550

550

550

550

– Vergunningen Farmatec

863

450

450

450

450

450

450

– UZI-pas/certificaat

28.590

41.100

34.600

34.600

34.600

34.600

34.600

– Wilsbeschikkingen donorregister

181.396

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

2. Aantal klachten / bezwaar en beroep

– vakbekwaamheidverklaringen

8

10

10

10

10

10

10

– wilsbeschikkingen donorregister

10

5

5

5

5

5

5

3. Doorlooptijden (dagen)

             

– wilsbeschikkingen donorregister

11

16

16

16

16

16

16

Toelichting

Het overzicht doelmatigheidsindicatoren bevat een selectie van de belangrijkste producten uit het takenpakket van het CIBG die op basis van prijs maal hoeveelheid worden afgerekend.

Omzet per productgroep

Bij de BIG-herregistraties is de omzet niet gelijk aan het volume x kostprijs omdat de kostprijs is gebaseerd op een meerjarig gemiddelde en het volume per jaar sterk fluctueert. Daarom wordt de omzet ook op basis van het aantal ingeschrevenen in het register gespreid geboekt over 5 jaar.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij de baten-lastendienst per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Aantallen per productgroep

De genoemde producten hebben met uitzondering van de herregistratie een vrij stabiele instroom.

Aantal klachten/bezwaar en beroep

Aantal afgehandelde klachten en gegronde bezwaren.

Doorlooptijden

De gemiddelde netto doorlooptijd in dagen.

3. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

3.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2004 is het RIVM een baten-lasten agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gevestigd in Bilthoven (in 2019/2020 volgt verhuizing naar een nieuw gebouw op de Uithof Utrecht). Het RIVM bevordert door onderzoek, uitvoering en ondersteuning de publieke gezondheid en een gezonde leefomgeving. Kerntaak van het RIVM is het verrichten van onderzoek en het wereldwijd verzamelen van kennis. De uitkomsten daarvan dienen als beleidsondersteuning voor de overheid. Het RIVM voert onderzoek uit voor de Ministeries van VWS, IenM, EZ, SZW en DEF, voor diverse inspecties (waaronder ILT, NVWA en ANVS) en voor internationale organisaties zoals de Europese Unie, de WHO en de Verenigde Naties. Informatie over de resultaten van het RIVM-onderzoek is te vinden via de thematische ingangen van de website www.rivm.nl. Het RIVM vervult ook regiefuncties en verzorgt de landelijke coördinatie van preventie- en interventieprogramma’s, zoals het Rijksvaccinatieprogramma (RVP).

3.2 Begroting 2017

Begroting van baten en lastenagentschap RIVM voor het jaar 2017 (bedragen x € 1.000)
 

2015

Stand Slotwet

2016 Vastgestelde begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             

Omzet moederdepartement

245.963

238.595

252.600

250.200

247.600

247.800

247.600

Omzet overige departementen

70.500

60.975

70.000

70.000

70.000

70.000

69.500

Omzet derden

19.461

17.800

27.800

27.700

27.700

27.700

27.700

Rentebaten

1

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

913

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

336.838

317.370

350.400

347.900

345.300

345.500

344.800

               

Lasten

             

Apparaatskosten

326.942

314.410

346.800

343.800

341.000

341.000

340.300

– Personele kosten

122.527

119.760

137.200

135.800

135.000

135.000

134.800

waarvan eigen personeel

105.697

102.500

117.700

116.500

115.800

115.800

115.800

waarvan externe inhuur

9.295

10.760

13.100

12.900

12.800

12.800

12.800

waarvan overige p-kosten

7.535

6.500

6.400

6.400

6.400

6.400

6.200

– Materiële kosten

204.415

194.650

209.600

208.000

206.000

206.000

205.500

waarvan apparaat ICT

14.214

10.075

15.000

14.800

14.700

14.700

14.700

waarvan bijdrage aan SSO’s

9.193

5.550

9.700

9.600

9.500

9.500

9.500

waarvan overige m-kosten

181.007

179.025

184.900

183.600

181.800

181.800

181.300

Rentelasten

1

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

3.326

2.960

3.600

4.100

4.300

4.500

4.500

– Materieel

3.212

2.935

3.600

3.600

3.600

3.600

3.600

waarvan apparaat ICT

1.911

1.050

2.100

2.100

2.100

2.100

2.100

– Immaterieel

24

25

0

500

700

900

900

Overige kosten

1.035

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

1.035

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

331.213

317.370

350.400

347.900

345.300

345.500

344.800

               

Saldo van baten en lasten

5.625

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

Baten

De omzetbedragen voor 2017 voor de primaire opdrachtgevers (VWS, IenM, EZ, SZW en DEF) zijn ramingen op grond van de verwachte opdrachtvolumes bij ongewijzigd beleid voor de komende jaren, waarin thans bekende ontwikkelingen zijn meegenomen. De overige omzetbedragen zijn gebaseerd op lopende en naar verwachting nog af te sluiten contracten met overige (derden) opdrachtgevers.

De hoogte van de omzet is afhankelijk van overeenstemming tussen opdrachtgevers en het RIVM over aard en omvang van de te verrichten activiteiten en – daarmee samenhangend – de in rekening te brengen kosten (zijnde uren x tarief plus directe projectgebonden kosten). De geraamde omzetbaten van VWS-eigenaar zijn hoofdzakelijk bestemd voor het strategisch onderzoek van het RIVM (SPR) en als aanvullend huisvestingsbudget.

De geraamde omzetbaten van VWS-opdrachtgevers betreffen inkomsten die het RIVM op grond van lopende werkprogramma’s en thans bekende ontwikkelingen verwacht te verkrijgen door opdrachtverlening door de beleidsdirecties van VWS en de IGZ. De geraamde baten van IenM, EZ, SZW en DEF volgen uit werkzaamheden die op het taakveld milieu in relatie tot volksgezondheid worden uitgevoerd in opdracht van de beleidsdirecties van IenM, de Inspectie Leefomgeving en Transport (IenM), EZ, de NVWA (EZ), SZW en DEF. Omzetbaten van derden verkrijgt het RIVM door het uitvoeren van werkzaamheden voor derden in Nederland en in internationaal verband (EU, WHO en VN).

Lasten

De personele kosten bedragen voor 2017 circa € 137,2 miljoen, waarin inbegrepen circa € 11,7 miljoen voor ambtelijk personeel en circa € 13,1 miljoen voor externe inhuur. Ten opzichte van 2016 is rekening gehouden met een indexatie van de loonkosten. De externe inhuur maakt 10% van de totale loonkosten uit.

De materiële kosten bedragen in 2017 circa € 209,6 miljoen. Een groot deel betreft uitvoeringskosten voor het Rijksvaccinatieprogramma (circa € 102 miljoen).

Afschrijvingskosten zijn op basis van de te verwachte investeringen omtrent de bouw van een nieuw administratief systeem ter ondersteuning van de uitvoering van het RVP, NHS en PSIE.

Eerder opgelegde bezuinigingstaakstellingen waaronder Rutte II zijn in de opgenomen baten en lasten verwerkt.

3.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht RIVM voor het jaar 2017 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2015

Stand Slotwet

2016 Vastgestelde begroting

2017

2018

2019

2020

2021

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

34.148

57.763

57.226

57.913

57.788

57.622

57.622

                 
 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

355.524

317.647

348.733

347.917

345.300

345.500

344.800

 

–/– totaal uitgaven operationele kasstroom

– 320.959

– 315.224

– 345.554

– 343.933

– 341.167

– 341.000

– 340.342

2.

Totaal operationele kasstroom

34.565

2.423

4.287

3.975

4.133

4.500

4.459

                 
 

– /– totaal investeringen

– 2.030

– 2.960

– 3.600

– 4.100

– 4.300

– 4.500

– 4.500

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

4

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 2.026

– 2.960

– 3.600

– 4.100

– 4.300

– 4.500

– 4.500

                 
 

– /– eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 8.925

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

– /– aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 8.925

0

0

0

0

0

0

                 

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

57.763

57.226

57.913

57.788

57.622

57.622

57.580

Toelichting kasstroomoverzicht

Het RIVM investeert jaarlijks in software en licenties, gebouwinstallaties en infrastructuur, laboratoriumapparatuur, vervoermiddelen, IT en audiovisuele apparatuur en facilitaire apparatuur. Dit betreft vervangingsinvesteringen, nodig om de continuïteit te waarborgen. In 2017, 2018 en 2019 zal er waarschijnlijk een investering plaats vinden in het administratieve systeem ter ondersteuning van de uitvoering van het RVP (Rijksvaccinatieprogramma), NHS (Nationale Hielprik Screening) en PSIE (Prenatale Screening Infectieziekten). Hiervoor wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit agentschappen.

3.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren RIVM voor het jaar 2017
 

2015

Stand Slotwet

2016 Vastgestelde begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Omschrijving generiek deel

             

1. Uurtarieven:

             

– Gewogen uurtarief in €

104

105

105

105

105

105

105

– Ontwikkeling uurtarief

(2015 = 100)

100

101

101

101

101

101

101

2. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

1.487

1.579

1.618

1.602

1.602

1.592

1.592

3. Saldo van baten en lasten (%)

1,7%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Liquiditeit

(current ratio; norm: > 1,5)

1,19

1,19

1,19

1,19

1,19

1,19

1,19

2. Solvabiliteit (debt ratio)

0,88

0,87

0,88

0,88

0,88

0,88

0,88

3. Rentabiliteit eigen vermogen

34,8%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

4. Percentage externe inhuur t.o.v. totale personele kosten

8,1%

9,5%

10,0%

10,0%

10,0%

10,0%

10,0%

5. Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

93,4%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

6. Declarabiliteit % primair proces

63,7%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

65,0%

7. fte overhead als % totaal aantal fte

17,3%

22,0%

22,0%

22,0%

22,0%

22,0%

22,0%

8. Ziekteverzuim

3,4%

4,0%

4,0%

4,0%

4,0%

4,0%

4,0%

9. % F-gesprekken gevoerd

66,2%

80,0%

8,0%

80,0%

80,0%

80,0%

80,0%

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Generieke indicatoren

  • 1.  Uurtarieven: het RIVM hanteert als indicator voor de doelmatigheid het gemiddeld gewogen uurtarief. De uurtarieven worden jaarlijks door de eigenaar vastgesteld. De hoogte van de tarieven wordt onder meer bepaald door de ontwikkeling van de loonkosten, de materiële kosten (waaronder huisvestingslasten) en het aantal te declareren uren per medewerker evenals efficiencytaakstellingen.
  • 2.  Aantal fte: opgenomen is het aantal fulltime equivalenten werkzaam bij het RIVM per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. Het percentage externe inhuur 2017 bedraagt 10,0% (incl. SSC Campus). De ontwikkeling van het aantal verwachte fte is gekoppeld aan de verwachte ontwikkeling van de orderportefeuille van het RIVM.
  • 3.  Saldo van baten en lasten: het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Specifieke indicatoren

  • 1.  Liquiditeit: de kortlopende vorderingen ten opzichte van de kortlopende schulden.
  • 2.  Solvabiliteit: het totaal van de schulden ten opzichte van het balanstotaal.
  • 3.  Rentabiliteit eigen vermogen: het onverdeeld resultaat als percentage van het totaal eigen vermogen.
  • 4.  Percentage externe inhuur: zie tevens personele kosten.
  • 5.  Percentage facturen betaald binnen 30 dagen: voor dit percentage sluit het RIVM qua norm aan bij de Rijksbrede afspraken hierover.
  • 6.  Declarabiliteit % primair proces: norm binnen het RIVM is 65%. De declaribiliteit geeft enig inzicht in de productiviteit die binnen het RIVM wordt behaald.
  • 7.  Percentage overhead.
  • 8.  Ziekteverzuim: gehanteerde norm voor het RIVM is de Verbaan-norm van 4%.
  • 9.  % F-gesprekken gevoerd.

Voor wat betreft de specifieke doelmatigheidsindicatoren steunt het RIVM op de gangbare bedrijfseconomische indicatoren, zoals vermeld in bovenstaande tabel. Over de geleverde prestaties legt het RIVM systematisch verantwoording af richting de opdrachtgevers. Voor de primaire opdrachtgevers VWS en IenM gebeurt dat in periodieke voortgangsrapportages die door deze opdrachtgevers worden vastgesteld. Voor de overige opdrachtgevers gebeurt dat via de tijdige levering van de afgesproken producten en diensten en de daarop volgende tijdige betaling door de opdrachtgevers van de overeengekomen opdrachtsom.

Audits en benchmarkonderzoeken vinden periodiek plaats. Over de (wetenschappelijke) audits op onderdelen van de primaire processen wordt gerapporteerd aan de Commissie van Toezicht.

6. Financieel beeld zorg begroting 2017

1. Inleiding

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) staat de ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) centraal. Hierin worden de financiële ontwikkelingen binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Jeugdwet en de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven afzonderlijk toegelicht.

Het FBZ bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Inleiding
  • 2.  Zorguitgaven in vogelvlucht
    • 2.1.  Ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven
    • 2.2.  Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten
  • 3.  Uitgaven Budgettair Kader Zorg
    • 3.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 3.1.1.  Algemene doelstelling
    • 3.1.2.  Rol en verantwoordelijkheid Minister
    • 3.1.3.  Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.2.  Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en Jeugdwet
    • 3.2.1.  Algemene doelstelling
    • 3.2.2.  Rol en verantwoordelijkheid Minister
    • 3.2.3.  Verticale ontwikkeling van de Wlz, Wmo 2015 en Jeugdwet-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.3.  Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven
  • 4.  Financiering van de zorguitgaven
    • 4.1.  Totaalbeeld
    • 4.2.  De financieringssystematiek
    • 4.3.  De financiering in 2017
    • 4.3.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 4.3.2.  Wet langdurige zorg (Wlz)
    • 4.4.  Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg
  • 5.  Meerjarige ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten
    • 5.1.  Ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2007–2017
    • 5.2.  Horizontale groeiontwikkeling van de zorguitagven 2013–2017
  • 6.  Verdieping Financieel Beeld Zorg
    • 6.1.  Verdieping in de BKZ-deelsectoren
    • 6.1.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 6.1.2.  Wet langdurige zorg (Wlz)

In het verdiepingshoofdstuk «Verdieping Financieel Beeld Zorg» wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de ontwikkelingen binnen het Budgettair Kader Zorg op het niveau van de deelsectoren binnen de Zvw en de Wlz.

Wijzigingen in het Financieel Beeld Zorg

Het FBZ in de ontwerpbegroting 2017 heeft ten opzichte van dat in de ontwerpbegroting 2016 de onderstaande veranderingen ondergaan:

  • •  Paragraaf 2.2. horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector uit de ontwerpbegroting 2016 is vervallen en daarvoor in de plaats is in paragraaf 5.2 de horizontale groeiontwikkeling van de zorguitgaven opgenomen.
  • •  Zoals reeds in het VWS-jaarverslag 2015 is gemeld, worden de kerncijfers vanaf de ontwerpbegroting 2017 niet meer opgenomen in het FBZ, maar in de Staat van Volksgezondheid en Zorg (www.staatvenz.nl), een online publicatie van het RIVM. De Staat bevat niet alle cijfers die eerder werden opgenomen in de kerncijfertabel. Bij de volgende release in november wordt het aantal opgenomen cijfers uitgebreid.
  • • 

    De indeling van de verticale toelichting en het verdiepingshoofdstuk is gewijzigd in de onderstaande categorieën bijstellingen:

    • –  Autonoom
    • –  Beleidsmatig
    • –  Technisch

    Hiermee wordt aangesloten bij de indeling behorend bij de verticale toelichting van de Miljoenennota.

  • •  Paragraaf 5.1 actuele stand van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector van de oude jaren (2012 t/m 2015) is komen te vervallen.

Het Budgettair Kader Zorg

De BKZ-uitgaven bestaan uit de zorguitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een deel van de begrotingsuitgaven wordt ook toegerekend aan het BKZ. Tot deze categorie hoort onder andere een deel van de uitgaven aan de zorgopleidingen, de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland, de subsidieregeling abortusklinieken en de schadevergoeding Erasmus MC. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord. Tot slot zijn er BKZ-uitgaven die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Tabel 1 De bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten.

Tabel 1 Samenstelling van de bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Omschrijving

2017

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2017

73,5

Premiegefinancierd

66,5

waarvan Zvw

46,5

waarvan Wlz

20,0

Begrotingsgefinancierd

7,1

waarvan Wmo 2015 en Jeugdwet

6,5

waarvan overig begrotingsgefinancierd2

0,5

BKZ-ontvangsten standontwerpbegroting 2017

5,0

waarvan eigen bijdrage Zvw

3,2

waarvan eigen bijdrage Wlz

1,8

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2017

68,5

Noot 2: Onder de post «overig begrotingsgefinancierd» zijn opgenomen de subsidieregeling abortusklinieken, subsidie NIPT, subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg, schadevergoeding Erasmus MC, subsidie kwaliteit, transparantie en patiëntveiligheid, zorgopleidingen, zorg Caribisch Nederland en loon- en prijsbijstelling.

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Figuur 1 De bruto-BKZ-uitgaven per sector als aandeel in de totale BKZ-uitgaven 2017.

2. Zorguitgaven in vogelvlucht

De begroting 2017 is de laatste die dit kabinet (in missionaire staat) indient. De begroting kijkt vooral vooruit, maar bevat ook een terugblik op de huidige kabinetsperiode. Eén van de belangrijkste doelstellingen van het kabinet is om de ontwikkeling van de zorguitgaven op een houdbaar pad te brengen. Op basis van de nu bekende gegevens is deze doelstelling bereikt. Doordat de zorguitgaven ruim binnen de beschikbare kaders zijn gebleven, kon de trendmatige groei van de zorguitgaven na 2012 worden omgebogen. De uitgavengroei in de periode 2007–2012 bedroeg circa 6,4%. De groei na 2012 is teruggebracht tot circa 1,3% (zie ook figuur 2). Paragraaf 5.1 en 5.2 gaan nader in op de ontwikkeling van de zorguitgaven in de huidige kabinetsperiode.

Figuur 2 Ontwikkeling van de netto-BKZ-uitgaven 2007–2017.

Het beperken van de uitgavengroei is één kant van de medaille. De inzet van het kabinet is ook gericht op betere kwaliteit van zorg en het organiseren van zorg dichtbij huis. Een van de belangrijkste veranderingen betrof de hervorming van de langdurige zorg, waardoor sinds 2015 verschillende zorgtaken binnen de langdurige zorg zijn overgeheveld naar gemeenten en naar de Zvw. Om zorgaanbieders meer ruimte te geven kwalitatief goede zorg te leveren is de taakstelling op de Wlz van € 500 miljoen vanaf 2017 structureel teruggedraaid. Met de kwaliteitsimpuls in verpleeghuizen, waarvoor in 2017 een bedrag van € 160 miljoen beschikbaar is, oplopend tot € 210 miljoen vanaf 2020, worden kwetsbare cliënten beter in staat gesteld het leven te leiden zoals zij dat willen.

De toegenomen risicodragendheid van zorgverzekeraars en de hoofdlijnenakkoorden met veldpartijen waarin afspraken zijn gemaakt over de maximale groei, hebben bijgedragen aan een meer beheerste uitgavengroei. Bij de uitvoering van de hoofdlijnenakkoorden wordt ook zichtbaar dat kwaliteit en een beheerste kostenontwikkeling in de zorg hand in hand kunnen gaan. In het kader van het traject «Kwaliteit loont» is daarom een pakket aan maatregelen gepresenteerd, waarmee langs de weg van kwaliteitsverbetering een aanzienlijk besparing op de zorgkosten kan worden gerealiseerd. Kern van de maatregelen is dat patiënten, zorgverleners en verzekeraars gestimuleerd worden om te kiezen voor de beste zorg.

Als gevolg van het door het kabinet succesvol gevoerde preferentiebeleid op het terrein van de geneesmiddelen konden de uitgaven in het geneesmiddelenkader aanzienlijk worden teruggebracht. Nu is het zaak om ondanks de komst van steeds meer dure geneesmiddelen deze gematigde groei vast te houden. De in 2016 gepubliceerde geneesmiddelenvisie van het kabinet zet een duurzame koerswijziging uiteen: patiënten moeten sneller toegang hebben tot nieuwe, baanbrekende geneesmiddelen, maar wel tegen aanvaardbare prijzen.

Mensen hebben in de afgelopen jaren toegang gehouden tot kwalitatief goede zorg, ondanks de gevolgen van de economische crisis. Innovatie heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. In de afgelopen decennia is met de inzet van nieuwe technologie al veel verbeterd. Maar innovatie blijft van belang, vooral ook voor het realiseren van de gewenste kwaliteitsslag in de zorg. Het is noodzakelijk ook de komende jaren met de zorgsector tot een ambitieuze en afgewogen agenda voor innovatie in de zorg te komen. Dit vraagt vertrouwen om ruimte te geven aan kansrijke innovaties en zorgconcepten.

Tot slot. Het Nederlandse zorgstelsel heeft als doel dat elke patiënt toegang heeft – en blijft houden – tot kwalitatief goede zorg die betaalbaar is. Door de gematigde uitgavengroei kunnen patiënten blijven rekenen op betaalbare zorg. De hoogte van de zorgpremie over 2016 is met € 1.199 gelijk aan dat van 2011, terwijl de kwaliteit van de zorg zich positief heeft ontwikkeld. De uitdaging voor de komende jaren is om te blijven investeren in kwalitatief goede en toegankelijke zorg, waarbij de zorguitgaven beheersbaar blijven.

2.1 Ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg en de netto-BKZ-uitgaven

Het Budgettair Kader Zorg legt aan het begin van de kabinetsperiode de genormeerde ontwikkeling van de collectieve zorguitgaven vast voor elk van de komende vier jaren. Gedurende de kabinetsperiode wordt het kader aangepast voor de jaarlijkse prijsstijging. Hiervoor wordt de CPB-raming van de prijsindex van de nationale bestedingen (pNB) gebruikt.

Het BKZ is bij de start van het kabinet-Rutte-Asscher voor de periode 2013–2017 vastgesteld bij Startnota (TK 33 400, nr. 18). Op deze stand zijn de maatregelen uit het aanvullend beleidspakket en de macro-economische doorwerking conform de laatste inzichten van het CPB verwerkt. Bij de start van dit kabinet zijn de uitgavenkaders herijkt en is de stand ontwerpbegroting 2013 (TK 33 400 XVI, nr. 1 en 33 400 XVI, nr. 2) als uitgangspunt genomen.

Na de Startnota zijn de uitgavenkaders opnieuw herijkt en is de stand ontwerpbegroting 2014 (TK 33 750 XVI, nr. 1 en 33 750 XVI, nr. 2) als uitgangspunt genomen. Voor het BKZ betekende dit een neerwaartse aanpassing voor het jaar 2016 met € 558 miljoen en voor 2017 met € 757 miljoen.

Tabel 2 laat de ontwikkeling zien van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven over de jaren 2016 en 2017 vanaf de stand ontwerpbegroting 2016.

Tabel 2 Ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven 2016–2017 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

2016

2017

BKZ stand ontwerpbegroting 2016

68.564

70.449

Prijs nationale bestedingen (pNB)

– 543

– 863

IJklijnmutaties (overboekingen)

– 93

– 98

Schrappen taakstelling Wlz

462

Bijstelling BKZ

– 636

– 499

BKZ stand ontwerpbegroting 2017

67.927

69.951

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2017

67.129

68.544

Onderschrijding BKZ

– 798

– 1.407

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Het BKZ is ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2016 verlaagd met € 0,6 miljard in 2016 en € 0,5 miljard in 2017 (zie tabel 2). Dit is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van de prijs Nationale Bestedingen (pNB) naar aanleiding van de laatste inzichten van het CPB en overboekingen die hebben plaatsgevonden van het Budgettair Kader Zorg naar de VWS-begroting (behorend tot het kader Rijksbegroting). Daarnaast zijn de uitgavenkaders aangepast voor het pakket ten behoeve van maatschappelijke prioriteiten.

Voor het BKZ betreft dit een opwaartse bijstelling met € 0,5 miljard in 2017. Het BKZ heeft nu een verwachte onderschrijding van bijna € 0,8 miljard in 2016 oplopend tot € 1,4 miljard in 2017.

In de paragrafen 3.1.3, 3.2.3 en 3.3 is de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron verder toegelicht.

2.2 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten

Tabel 3 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten op hoofdlijnen zien.

Tabel 3 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

67.841,1

69.170,9

72.264,5

75.364,9

79.043,8

79.043,8

             

Bijstellingen in de netto-Zvw-uitgaven

– 884,5

– 914,5

– 1.613,3

– 2.061,0

– 2.613,5

– 282,0

Bijstellingen in de netto-Wlz-uitgaven

– 53,7

311,4

661,8

763,0

980,4

2.402,7

Bijstellingen in de netto-begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

226,3

– 24,0

– 61,2

– 48,4

– 73,1

– 17,0

Totaal bijstellingen

– 711,9

– 627,2

– 1.012,8

– 1.346,4

– 1.706,2

2.103,7

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2017

67.129,2

68.543,7

71.251,7

74.018,4

77.337,6

81.147,5

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Toelichting

Ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2016 nemen de netto-BKZ-uitgaven in 2017 af met € 0,6 miljard. De daling van de netto-BKZ-uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door de daling van de netto-Zvw-uitgaven met circa € 0,9 miljard en een stijging van de Wlz-uitgaven met € 0,3 miljard.

In paragraaf 3 wordt de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron verder toegelicht. Paragraaf 6 geeft een nadere toelichting per deelsector.

3. Uitgaven Budgettair Kader Zorg

3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

3.1.1 Algemene doelstelling

Een kwalitatief goede en toegankelijke curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.1.2 Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel voor curatieve zorg en voor de beheersing van de collectieve zorguitgaven.

Dit omvat het stellen van eisen aan de kwaliteit van zorg en het opstellen en handhaven van de wettelijke kaders waarbinnen het zorgstelsel functioneert. Het wettelijk kader wordt gevormd door de Zorgverzekeringswet, de Wet bijzondere medische verrichtingen, de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet geneesmiddelenprijzen en de Wet Toelating zorginstellingen en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

De Minister wordt ondersteund door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit van de zorg in Nederland.

Het Zorginstituut en de NZa spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het Zorginstituut adviseert de Minister over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument, onder andere door te adviseren over beleid en regelgeving. Daarnaast is de NZa onafhankelijk toezichthouder in de zorg die kijkt of zorgaanbieders en zorgverzekeraars de wet naleven. De NZa stelt op aanwijzing van de Minister regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor concurrentie vast in zorgsectoren met vrije prijsvorming.

Daarnaast ziet de Autoriteit Consument & Markt (ACM) toe op de naleving van wetten en regels op het gebied van concurrentie en marktwerking op basis van de Mededingingswet. Ook beoordeelt de ACM fusies in de zorg en controleert de ACM of zorgaanbieders en zorgverzekeraars geen concurrentiebeperkende afspraken maken.

Het Zorginstituut en de NZa brengen de omvang van de gerealiseerde zorguitgaven in kaart. Zij baseren zich daarbij op informatie van zorgverzekeraars en instellingen, die na afloop van het jaar door een externe accountant wordt beoordeeld. Op basis van de rapportages van het Zorginstituut en de NZa legt de Minister verantwoording af aan de Tweede Kamer.

De uitvoering van het zorgstelsel is in handen van private partijen. Private zorgverzekeraars sluiten contracten met een veelheid aan private, over het land verspreide zorgaanbieders: ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en vrijgevestigde beroepsbeoefenaren, zoals huisartsen, apothekers, paramedici. Door middel van onderlinge concurrentie proberen verzekeraars een zo goed mogelijke prijs/kwaliteitverhouding en doelmatigheid in de zorg te bereiken.

De zorg die aanbieders verlenen en de uitgaven die daarmee gemoeid zijn vloeien voort uit de aanspraken die zijn vastgelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw). De zorgsector is privaat binnen publieke randvoorwoorden. De Minister heeft sturingsmogelijkheden door invloed op de samenstelling van het verplicht verzekerde pakket (het basispakket) en de (maximale) hoogte van tarieven in sectoren waar de prijsvorming niet is vrijgegeven. Tevens streeft de Minister naar het bevorderen van doelmatigheid in de zorgsector door bijvoorbeeld het maken van afspraken met het veld en het stimuleren van gepast zorggebruik.

3.1.3 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2016. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de veranderingen wordt verwezen naar het verdiepingshoofdstuk.

De verticale toelichting onderscheid drie categorieën bijstellingen:

  • •  Autonoom
  • •  Beleidsmatig
  • •  Technisch

Tabel 4 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten van de Zvw zien.

Tabel 4 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

45.860,1

47.468,7

50.075,3

52.488,9

55.302,5

 
             

Autonoom

– 235,7

– 213,6

– 874,5

– 1.264,0

– 1.790,9

 

Actualisering Zvw-uitgaven (tabel 4A)

– 48,9

– 5,7

– 5,7

– 5,7

– 5,7

 

Nominale ontwikkeling

– 271,0

– 255,8

– 265,8

– 276,0

– 287,5

 

Grondslagverlegging en overig

84,2

47,9

18,6

– 11,8

– 62,7

 

Ramingsbijstelling MLT 2018–2021

   

– 621,6

– 970,5

– 1.435,0

 
             

Beleidsmatig

– 594,0

– 751,7

– 719,1

– 751,1

– 729,5

 

Schadevergoeding Erasmus MC

– 4,0

– 87,5

– 87,5

– 68,0

   

Taakstelling stringent pakketbeheer

75,0

225,0

225,0

225,0

225,0

 

Invulling stringent pakketbeheer msz

– 125,0

– 150,0

– 150,0

– 150,0

 

Invulling stringent pakketbeheer ggz

– 25,0

– 25,0

– 25,0

– 25,0

– 25,0

 

Invulling stringent pakketbeheer hulpmiddelen

– 50,0

– 75,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

 

Dekking pakketuitbreiding

– 25,0

– 25,0

– 25,0

 

Besluitvorming overschrijdingen msz

– 70,0

– 29,0

       

Correctie extrapolatie integrale tarieven

       

50,0

 

Kasschuif resterende middelen integrale tarieven

– 68,8

 

25,0

34,0

10,0

 

Migratieproblematiek

23,6

76,5

94,9

94,9

94,9

 

Verwarde personen

15,0

30,0

30,0

30,0

30,0

 

Kasschuif verwarde personen

– 13,5

– 4,0

5,0

8,0

4,5

 

Nominaal en onverdeeld Zvw

– 469,9

– 732,7

– 755,5

– 808,9

– 879,9

 

Verhoging budget eerstelijns verblijf

 

77,0

76,0

76,0

76,0

 

Dekking verhoging budget eerstelijns verblijf vanuit de Zvw

 

– 46,5

– 46,0

– 46,0

– 46,0

 

Plastische chirurgie

 

14,8

14,8

14,8

14,8

 

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

   

26,0

26,0

26,0

 

Besparingsverlies werelddekking

 

15,8

16,6

17,4

18,2

 

Dekking besparingsverlies werelddekking Marokko

 

– 5,8

– 6,6

– 7,4

– 8,2

 

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen msz

 

– 9,0

– 26,0

– 26,0

– 26,0

 

Indicatiestelling gebitsprothese

 

– 19,4

– 19,4

– 19,4

– 19,4

 

Overige

– 6,3

– 31,9

– 41,4

– 51,5

– 49,4

 
             

Technisch

– 54,9

– 47,2

– 74,5

– 83,5

– 109,5

 

Overheveling resterende middelen integrale tarieven

18,8

50,0

25,0

16,0

– 10,0

 

Overheveling orthocommunicatieve behandeling

 

2,0

2,0

2,0

2,0

 

Overheveling ggz-B vanuit Zvw naar Wlz

– 73,7

– 99,2

– 101,5

– 101,5

– 101,5

 
             

Totaal bijstellingen

– 884,5

– 1.012,5

– 1.668,1

– 2.098,6

– 2.629,9

 

Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2017

44.975,5

46.456,2

48.407,2

50.390,3

52.672,6

55.198,6

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

 
             

Autonoom

 

– 98,0

– 54,8

– 37,6

– 16,4

 

Bijstelling opbrengst eigen risico

 

– 98,0

– 75,0

– 75,0

– 75,0

 

Ramingsbijstelling MLT 2018–2021

   

20,2

37,4

58,6

 
             

Totaal bijstellingen

 

– 98,0

– 54,8

– 37,6

– 16,4

 

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2017

3.194,8

3.187,1

3.350,0

3.509,2

3.665,1

3.859,6

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

42.665,2

44.183,6

46.670,5

48.942,1

51.621,0

 

Totaal bijstellingen in de netto-Zvw-uitgaven

– 884,5

– 914,5

– 1.613,3

– 2.061,0

– 2.613,5

 

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2017

41.780,7

43.269,0

45.057,2

46.881,1

49.007,5

51.338,9

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Uitgaven

Autonoom

Actualisering Zvw-uitgaven

Tabel 4A Actualisering Zvw-uitgaven (bedragen x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Eerstelijnszorg

– 22,1

– 7,4

– 7,4

– 7,4

– 7,4

– 7,4

Tweedelijnszorg

3,6

19,8

19,8

19,8

19,8

19,8

Genees- en hulpmiddelen

– 9,5

15,5

15,5

15,5

15,5

15,5

Ziekenvervoer

– 36,9

– 11,9

– 11,9

– 11,9

– 11,9

– 11,9

Wijkverpleging

37,7

         

Grensoverschrijdende zorg

– 21,7

– 21,7

– 21,7

– 21,7

– 21,7

– 21,7

Totaal bijstellingen

– 48,9

– 5,7

– 5,7

– 5,7

– 5,7

– 5,7

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

In tabel 4A is het onderdeel «Actualisering zorguitgaven» uit tabel 4 nader uitgesplitst. De actualisering van de zorguitgaven vindt plaats op basis van voorlopige realisatiegegevens 2015 van het Zorginstituut en de NZa. Voor de curatieve ggz en de medisch-specialistische zorg zijn vooralsnog alleen zeer voorlopige realisatiecijfers over 2015 beschikbaar. Omdat er met de huisartsen, de medisch-specialistische zorg en de ggz akkoorden zijn gesloten, zijn de ramingen voor deze sectoren niet bijgesteld. In het verdiepingshoofdstuk is de actualisering van de Zvw-uitgaven per deelsector verder toegelicht.

Nominale ontwikkeling

De raming van de loon- en prijsbijstelling is aangepast op basis van actuele macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

Grondslagverlegging en overig

De grondslag van het loon-prijsmodel is zoals ieder jaar na Prinsjesdag een jaar opgeschoven, van begroting 2015 naar 2016. Voorts zijn enkele technische wijzigingen verwerkt.

Ramingsbijstelling MLT 2018–2021

Deze bijstelling betreft de technische verwerking van de middellange termijnverkenning 2018–2021 van het CPB.

Beleidsmatig

Schadevergoeding Erasmus MC

In een bindend advies is de schadevergoeding die VWS aan Erasmus MC moet betalen vanwege het niet nakomen van twee toezeggingen uit 2009 vastgesteld op € 235,9 miljoen (stand ultimo 2014, exclusief rente); zie TK 25 268, nrs. 120 en 126. Aangezien de schadevergoeding wordt betaald vanuit de VWS-begroting, worden de hiervoor gereserveerde middelen (€ 4 miljoen in 2016 en € 10 miljoen in 2017 en 2018), alsmede (vanaf 2017) niet meer benodigde middelen voor de garantieregeling kapitaallasten, overgeheveld naar artikel 2 van de VWS-begroting. Ze blijven behoren tot het BKZ (begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven).

Taakstelling stringent pakketbeheer

De nog te verwerken taakstelling stringent pakketbeheer bedraagt € 75 miljoen in 2016 en € 225 miljoen vanaf 2017. Dekking voor de taakstelling in 2016 is gevonden binnen de sectoren msz, ggz en hulpmiddelen.

Invulling stringent pakketbeheer msz

In verband met de taakstelling stringent pakketbeheer wordt in 2017 € 125 miljoen en vanaf 2018 € 150 miljoen afgeboekt van het mbi-kader voor de medisch-specialistische zorg.

Invulling stringent pakketbeheer ggz

De invulling van de taakstelling stringent pakketbeheer bij de ggz wordt gerealiseerd door begrenzing en gepast gebruik van zorg in de ggz conform een advies van het Zorginstituut. Het Zorginstituut heeft op basis van het advies een besparingsbedrag van € 25 miljoen geraamd. Het kader ggz wordt met dit bedrag worden verlaagd.

Invulling stringent pakketbeheer hulpmiddelen

De hulpmiddelenraming laat voldoende ruimte zien om de onderschrijding in 2015 van circa € 91 miljoen structureel door te trekken. Een deel hiervan (€ 50 miljoen structureel vanaf 2016 en incidenteel € 25 miljoen extra boven op de € 50 miljoen in 2017) wordt ingezet voor de invulling van de taakstelling stringent pakketbeheer. In de afgelopen periode hebben zorgverzekeraars gestuurd op doelmatigheid en gepast gebruik van extramurale hulpmiddelen.

Dekking pakketuitbreiding

De hulpmiddelenraming laat voldoende ruimte zien om de onderschrijding in 2015 van circa € 91 miljoen structureel door te trekken. Vanaf 2018 wordt € 25 miljoen ingezet voor de dekking van pakketuitbreiding binnen het BKZ.

Besluitvorming overschrijdingen msz

Naar aanleiding van bestuurlijk overleg met partijen van het bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord msz is eerder, in verband met de geconstateerde overschrijding in 2012 eenmalig € 70 miljoen in mindering gebracht op het beschikbare mbi-kader msz 2016. Zie de brief hierover van 31 maart 2015, Kamerstuk TK 29 248, nr. 282. Deze korting is in de eerste suppletoire wet 2016 verwerkt. Inmiddels heeft ook besluitvorming plaatsgevonden over de geconstateerde overschrijding 2013. Op basis daarvan wordt eenmalig € 29 miljoen in mindering gebracht op het beschikbare mbi-kader MSZ 2017. Zie de brief hierover van 29 april 2016, Kamerstuk 2016D18344.

De besluitvorming over de overschrijding 2013 is gebaseerd op de stand jaarverslag 2015 (voorjaar 2016). Uit de definitieve gegevens over de schadelast 2013 die bij de voorbereiding van de begroting 2017 beschikbaar zijn gekomen, blijkt dat de uitgaven voor instellingen in de medisch-specalialistische zorg in 2013 € 69 miljoen hoger waren. Daar staat tegenover dat de uitgaven voor vrijgevestigde medisch specialisten € 31 miljoen lager waren. De actualisatie van oudere jaren zal worden toegelicht in de verdiepingsbijlage van het jaarverslag over 2016.

Correctie extrapolatie integrale tarieven

Bij de extrapolatie 2020 (bij ontwerpbegroting 2016) zijn abusievelijk de gereserveerde middelen voor de overgang naar integrale tarieven in het jaar 2020 gedeeltelijk buiten beschouwing gebleven. Deze omissie wordt bij deze hersteld.

Kasschuif resterende middelen integrale tarieven

Op basis van het hoofdlijnenakkoord voor de medisch-specialistische zorg (msz) 2014–2017 zijn voor de periode 2015–2024 middelen beschikbaar gesteld voor de overgang naar integrale tarieven. Deze middelen zijn eerder overgeheveld naar artikel 2 van de begroting om een subsidieregeling voor de overgang naar integrale tarieven mogelijk te maken. Voor zover de middelen niet nodig zijn voor de subsidieregeling worden ze weer toegevoegd aan de sector msz c.q. het mbi-kader msz. De vrijval in 2016 bedraagt € 68,8 miljoen: € 50 miljoen die eerder op het premiegefinancierde BKZ was gereserveerd, alsmede € 18,8 miljoen op het begrotingsgefinancierde BKZ. Deze middelen worden doorgeschoven. Het beschikbare budget komt daarmee op € 75 miljoen in 2017 (inclusief € 25 miljoen die na verwerking van eerdere mutaties nog op het premiegefinancierde BKZ was gereserveerd) en € 50 miljoen vanaf 2018.

Migratieproblematiek

De verhoogde instroom van vluchtelingen leidt tot hogere zorguitgaven op het BKZ. Op korte termijn wordt een extra beslag op de curatieve zorg verwacht (o.a. huisartsenzorg, ggz en msz). Ook op het terrein van preventie en de jeugd(gezondheids)zorg worden additionele uitgaven verwacht. De raming gaat uit van een instroom van 58.000 asielzoekers in 2016.

Verwarde personen

Het aanjaagteam verwarde personen heeft samen met haar partners knelpunten en verbeteracties in beeld gebracht in de persoonsgerichte aanpak voor mensen met verward gedrag. Voor structurele oplossingen en een sluitende aanpak is een krachtige beweging nodig. De kosten die aan de diverse verbeteracties zijn verbonden bedragen voor VWS € 15 miljoen in 2016 en € 30 miljoen structureel vanaf 2017. Eén van de acties is een regeling voor onverzekerden. Een deel van de middelen is bestemd voor pilots en projecten in het land.

Kasschuif verwarde personen

Vanwege de uitlopende voorbereiding van de maatregelen die worden ingezet voor het realiseren van een sluitende aanpak van verwarde personen, zullen de uitgaven aan deze maatregelen in de loop van 2017 op gang komen.Om de verwachte uitgaven beter aan te sluiten bij de beschikbaar gestelde middelen, worden er middelen geschoven van 2016 en 2017 naar 2018 t/m 2020.

Nominaal en onverdeeld Zvw

Een deel van de gereserveerde middelen op de post Nominaal en onverdeeld blijkt niet nodig te zijn en valt daarom vrij. Deze ruimte bestaat uit niet-toegedeelde middelen voor nominale bijstellingen en groeiruimte Zvw. Daarnaast is ruimte ontstaan als een gevolg van het verschil tussen de oorspronkelijk beschikbaar gestelde groeiruimte voor de curatieve zorg en de in de verschillende zorgakkoorden gemaakte afspraken over de toegestane groei in die sectoren. Voorts is na verwerking van de gemaakte afspraken over de afwikkeling van de schadevergoeding aan Erasmus MC, in de jaren na 2019, sprake van vrijval van gereserveerde middelen voor de garantieregeling kapitaallasten.

Verhoging budget eerstelijns verblijf

Het subsidieplafond voor eerstelijns verblijf is vorig jaar voor de jaren 2015 en 2016 incidenteel verhoogd. Deze verhoging wordt nu structureel verwerkt. Dekking hiervoor is gevonden binnen de Zvw en Wlz.

Dekking verhoging budget eerstelijns verblijf vanuit de Zvw

Binnen de Zvw is dekking voor de verhoging gevonden binnen de sector «Nominaal en onverdeeld.» Deze ruimte is ontstaan doordat een deel van de op die sector gereserveerde ruimte voor nominale bijstellingen en toe te delen groei niet nodig bleek.

Plastische chirurgie

Dit betreft een pakketuitbreiding voor borstvergroting bij agenesie of aplasie van de borst, ooglidcorrectie bij ernstige en objectiveerbare gezichtsveldbeperking en circumcisie om medische redenen. De genoemde ingrepen zullen per 1 januari 2017 aan de te verzekeren prestaties van de Zvw worden toegevoegd.

Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT)

De Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) betreft een screening tijdens de zwangerschap. De test kan onder andere de aanwezigheid van het downsyndroom vaststellen zonder dat er sprake is van een verhoogd risico op een miskraam. Omdat eventuele opname in het basispakket afhankelijk is van de advisering van het Zorginstituut (en de Gezondheidsraad) kan de NIPT als eerste test niet eerder dan per 2018 opgenomen worden in het basispakket. In eerste instantie (2017) zal de eventuele bekostiging derhalve lopen via een subsidieregeling ten laste van het begrotingsgefinancierd BKZ (€ 26 miljoen).

Besparingsverlies werelddekking

Ten aanzien van Marokko is er tot en met 2020 een besparingsverlies van € 5 miljoen per jaar omdat met het akkoord het schrappen van de aanspraak op zorg bij tijdelijk verblijf met 4 jaar wordt vertraagd. Aanvullend is er een besparingsverlies bij de verdragsgerechtigden met een Nederlands pensioen omdat met het akkoord de besparing (€ 0,8 miljoen per jaar oplopend) niet meer optreedt.

Deze besparingsverliezen worden gedekt uit het kader grensoverschrijdende zorg; zie hieronder.

Daarnaast is er een besparingsverlies van € 10 miljoen per jaar ten aanzien Turkije en de overige verdragslanden. De voortzetting of het opstarten van de onderhandelingen met Turkije en de andere verdragslanden is aangehouden totdat zicht is op het aannemen van het wetsvoorstel beperken werelddekking. De financiële dekking van dit besparingsverlies is meegenomen in het totale budgettair overzicht in de voorjaarsbesluitvorming.

Dekking besparingsverlies werelddekking Marokko

Het besparingsverlies vanwege het akkoord met Marokko wordt gedekt uit het kader van grensoverschrijdende zorg.

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen msz

Het Capaciteitsorgaan heeft een voorstel gedaan voor de opleidingsplaatsen 2017–2019 voor de medische vervolgopleidingen. Het aantal geraamde benodigde opleidingsplaatsen is lager dan voorheen, zodat de uitgavenraming neerwaarts bijgesteld kan worden.

Indicatiestelling gebitsprothese

Gewijzigde richtlijnen, strengere indicatiestelling en wijziging in eigen bedragen systematiek voor de gebitsprothesen leiden tot lagere uitgaven binnen het tandheelkundig kader.

Technisch

Overheveling resterende middelen integrale tarieven

De resterende middelen voor de overgang naar integrale tarieven op artikel 2 van de begroting worden overgeheveld naar het premiegefinancierde BKZ.

Overheveling orthocommunicatieve behandeling

De afgelopen jaren is een nieuwe methode van orthocommunicatieve behandeling van patiënten met het autisme spectrum syndroom (ASS) vergoed vanuit een Wlz-subsidieregeling. Omdat de nieuwe methode onvoldoende aantoonbaar effectief is, wordt de subsidieregeling beëindigd. Personen met ASS die deze behandeling ontvingen, zullen een behandeling krijgen die onder de Jeugdwet (groep -18) of de Zvw (groep 18+) valt. De beschikbare middelen worden overgeheveld naar het macrobudget Jeugdhulp en de Zvw.

Overheveling ggz-B vanuit Zvw naar Wlz

Vanuit de realisaties in de Wlz is naar voren gekomen dat de eerder geraamde overheveling naar de Zvw te hoog is geweest. De raming is geactualiseerd en op basis hiervan is de overheveling gecorrigeerd.

Ontvangsten

Autonoom

Bijstelling opbrengst eigen risico

Zoals blijkt uit tabel 4, wordt de raming van de Zvw-uitgaven structureel neerwaarts bijgesteld. Dit heeft ook gevolgen voor de raming van de opbrengst van het eigen risico. Deze wordt in 2017 met € 98 miljoen en structureel met € 75 miljoen verlaagd.

Ramingsbijstelling MLT 2018–2021

Deze bijstelling betreft de technische verwerking van de middellange termijnverkenning 2018–2021 van het CPB.

3.2 Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet

3.2.1 Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en – wanneer dit nodig is – om thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg te krijgen. Daarbij worden ondersteuning en zorg aangeboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag, de kwetsbaarheid van de burger en de mogelijkheden van zijn informele netwerk staan centraal. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.2.2 Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit zoveel mogelijk thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

De Minister wordt ondersteund door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit van de zorg in Nederland.

Het Zorginstituut en de NZa spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het Zorginstituut adviseert de Minister over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Fonds Langdurige Zorg (Flz). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument, onder andere door te adviseren over beleid en regelgeving en stelt beleidsregels en maximumtarieven vast. Daarnaast is de NZa onafhankelijk toezichthouder in de zorg die kijkt of zorgaanbieders en zorgverzekeraars de wet naleven. Het Zorginstituut en de NZa brengen bovendien de omvang van de gerealiseerde zorguitgaven in kaart. Zij baseren zich daarbij op informatie van zorgkantoren en instellingen, die na afloop van het jaar door een externe accountant wordt beoordeeld. Op basis van de rapportages van het Zorginstituut en de NZa legt de Minister verantwoording af aan de Tweede Kamer.

Daarnaast ziet de Autoriteit Consument & Markt (ACM) toe op de naleving van wetten en regels op het gebied van concurrentie en marktwerking op basis van de Mededingingswet. Ook beoordeelt de ACM fusies in de zorg en controleert de ACM of zorgaanbieders en zorgkantoren geen concurrentiebeperkende afspraken maken.

De verantwoordelijkheid voor het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie ligt bij gemeenten. De Wmo 2015 biedt gemeenten hiervoor het wettelijk kader dat op lokaal niveau verder wordt ingevuld en waarover verantwoording wordt afgelegd aan de gemeenteraad. De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel dat optimaal bijdraagt aan het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en legt over de resultaten van dit stelsel verantwoording af aan de Tweede Kamer. Daarnaast is de Minister verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van deze taak door gemeenten. Het budget voor de Wmo 2015 wordt via de integratie-uitkering Sociaal Domein aan gemeenten uitgekeerd. Daarnaast ontvangen gemeenten ook budget via de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging, de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en huishoudelijke hulp toelage (HHT), en de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Ook de verantwoordelijkheid voor het bieden van passende jeugdhulp aan kinderen ligt vanaf 1 januari 2015 bij gemeenten. De Jeugdwet biedt hiertoe het wettelijk kader. Gemeenten vullen hun verantwoordelijkheden op basis van de Jeugdwet en passend bij de lokale en regionale situatie in. Hiertoe wordt verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. De Jeugdwet kent verschillende waarborgen om te garanderen dat kinderen passende jeugdhulp wordt geboden. Daarnaast is de Minister verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van deze taak door gemeenten. Het budget voor jeugdhulp wordt via de integratie-uitkering Sociaal Domein aan gemeenten uitgekeerd.

3.2.3 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2016. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de veranderingen wordt verwezen naar het verdiepingshoofdstuk.

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën bijstellingen:

  • –  Autonoom
  • –  Beleidsmatig
  • –  Technisch

Tabel 5 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2016 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten van de Wlz zien.

Tabel 5 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2016

19.899,0

19.732,2

20.393,6

21.255,0

22.260,5

 
             

Autonoom

47,5

63,5

344,6

418,4

678,0

 

Actualisering zorguitgaven

22,4

7,7

7,7

7,7

7,7

 

Zorg in natura

17,0

32,0

       

Nominale ontwikkeling

– 17,7

0,6

– 1,3

– 2,1

– 3,1

 

Grondslagverlegging en overig

25,8

23,2

28,0

29,7

13,3