Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

5.2 KOOPKRACHT EN SPECIFIEKE INKOMENSASPECTEN

5.2.1 Inleiding

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt koopkrachtramingen om de effecten van voorgenomen beleid in beeld te brengen (met inbegrip van de algemene economische ontwikkeling, zoals lonen, prijzen, etc.). Koopkracht geeft aan wat het besteedbaar inkomen is van huishoudens. Dat is het inkomen dat huishoudens nog kunnen uitgeven na het betalen van belastingen en premies en het ontvangen van toeslagen. De plaatjes zeggen iets over de verandering van de koopkracht ten opzichte van vorig jaar. Als de koopkracht gedurende een jaar niet verandert, betekent het dat een huishouden in staat is het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven.

De ramingen geven uitsluitend een beeld van de koopkracht wanneer er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ook wel statische koopkracht genoemd). Iemand kan echter werkloos worden of meer geld gaan verdienen, gaan samenwonen of scheiden of ineens voor een eenmalige uitgave staan: allemaal factoren die voor een huishouden vaak een stuk meer invloed hebben op het feitelijke niveau van de koopkracht (ook wel dynamische koopkracht genoemd) dan de reële loonontwikkeling of het beleid van het kabinet. Dergelijke veranderingen in de persoonlijke omstandigheden zijn voor individuele huishoudens niet goed vooraf in te schatten. Daarom zijn de gepresenteerde koopkrachtplaatjes niet geschikt om je eigen koopkracht te voorspellen, maar ze geven wel een goede inschatting van de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen huishoudens.

Koopkrachtplaatjes geven weliswaar zicht op de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen van groepen, ze zeggen niets over het niveau van welvaart dat huishoudens hebben. Daarvoor kan beter gekeken worden naar het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen. Ook andere factoren zoals het financiële vermogen van huishoudens en het risico op armoede zijn hierbij relevant.

In dit hoofdstuk wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling voor 2020 uitgebreid toegelicht. De externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden (conjunctuur) worden beschreven in paragraaf 5.2.2. Vervolgens wordt in paragraaf 5.2.3 ingegaan op de belangrijkste beleidswijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden. In paragraaf 5.2.4 worden de koopkrachtontwikkelingen voor 2020 weergegeven voor verschillende uitsplitsingen van huishoudens (naar inkomen, inkomensbron, huishoudtype en gezinssamenstelling). Het is onmogelijk om voor elk huishouden in Nederland het effect van beleid op de koopkracht te laten zien. Wel wordt de koopkrachtontwikkeling van oudsher ook weergegeven voor een aantal gestileerde voorbeeldhuishoudens. Deze zijn te vinden in paragraaf 5.2.5.

Verder wordt in paragraaf 5.2.6 ingegaan op de ontwikkeling van financiële prikkels bij werkaanvaarding. Ook wordt er stilgestaan bij de veranderingen in marginale en gemiddelde druk als gevolg van kabinetsmaatregelen. Een uitgebreidere lijst met maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken en een nadere toelichting, is te vinden in paragraaf 5.2.7. De hier gepresenteerde effecten en maatregelen hebben alleen betrekking op Europees Nederland. Paragraaf 5.2.8 bevat een overzicht van de maatregelen die de inkomens op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) raken.

5.2.2 Externe factoren die het koopkrachtbeeld beïnvloeden

De belangrijke algemene ontwikkelingen die leiden tot het koopkrachtbeeld in 2020 zijn:

  • •  Een gemiddelde contractloonstijging van 2,5% in de markt;
  • •  De stijging van het brutominimumloon met 2,3%. Door de koppeling werkt dit ook door naar uitkeringen;
  • •  Stijging van de consumentenprijzen met 1,5%;
  • •  Een tabelcorrectiefactor van 1,6%;
  • •  De stijgende gemiddelde pensioenpremie voor werknemers naar 6,9%;
  • •  De aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen nauwelijks geïndexeerd;
  • •  Een toename van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.384 naar € 1.4211.

5.2.3 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Het kabinet streeft naar een evenwichtig inkomensbeeld. Voorts heeft het kabinet in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken dat (meer) werken moet lonen en voert het kabinet beleid door om pieken in de marginale belastingdruk te verminderen. Om hier aan bij te dragen worden de lasten op arbeid in 2020 verder verlaagd. Zo gaat het deel aan lastenverlichting dat in het regeerakkoord nog voor 2021 gepland was al in 2020 in. Zo is al vanaf 2020 sprake van een ingegroeid tweeschijvenstelsel. Ten opzichte van het regeerakkoord zijn de algemene heffingskorting en de arbeidskorting extra verhoogd. Paren met kinderen hebben profijt van het opschuiven van het afbouwpad in het kindgebonden budget. Huishoudens met lagere inkomens krijgen meer zorgtoeslag, bovenop de reguliere verhoging als gevolg van de stijging van de zorgpremie. Het kabinet heeft besloten om, gelet op de inkomenspositie van alleenstaande ouders, de uitkeringsbedragen in het kindgebonden budget wel te indexeren. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie van het lid Peters (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 010, nr. 13).

Naast de externe factoren en los van reguliere indexaties zijn de belangrijkste beleidsmatige wijzigingen die het koopkrachtbeeld beïnvloeden:

  • •  Verhoging van het belastingtarief eerste schijf met 0,7%-punt tot 37,35%. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de eerste schijf voor hen uit op 19,45%;
  • •  Verlaging van het belastingtarief tweede en derde schijf met 0,75%-punt tot 37,35%. Omdat AOW-gerechtigden geen AOW-premie betalen komt het te betalen tarief in de tweede schijf voor hen uit op 19,45%. Het tarief in de derde schijf is voor hen ook 37,35%;
  • •  Verlaging van het belastingtarief vierde schijf met 2,25%-punt tot 49,5%;
  • •  Een beleidsmatige bevriezing van het eindpunt van de derde schijf op € 68.507 in 2020;
  • •  Een beleidsmatige verhoging van de algemene heffingskorting met € 194 tot maximaal € 2.711 in 2020. De beleidsmatige verhoging is het saldo van de in het regeerakkoord geplande verhoging met € 116 en een extra verhoging met € 78 waartoe is besloten in de augustusbesluitvorming;
  • •  Het vlakke maximum van de arbeidskorting wordt per 2020 vervangen door een derde opbouwtraject (het dakje in de arbeidskorting). De arbeidskorting wordt in 2020 beleidsmatig met € 364 verhoogd tot maximaal € 3.819. De beleidsmatige verhoging is het saldo van de in het regeerakkoord geplande verhoging met € 258 en een extra verhoging met € 106 waartoe is besloten in de augustusbesluitvorming;
  • •  Afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon naar 71,875 vanaf januari 2020 en 70,0 vanaf juli 2020 en versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner naar 20,0% in 2020;
  • •  De afbouwgrens voor paren in het kindgebonden budget wordt in 2020 verhoogd met € 16.750 tot € 37.750;
  • •  De maximale inkomensgrenzen in de huurtoeslag zijn in 2020 vervangen door een geleidelijk afbouwtraject;
  • •  In 2020 wordt de zelfstandigenaftrek met € 250 verlaagd naar € 7.030;
  • •  Een verlaging van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 6,95% naar 6,7%. Ook de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet is naar beneden bijgesteld van 5,7% naar 5,45%;
  • •  Beleidsmatige verlaging van de normpercentages van de zorgtoeslag voor alleenstaanden en paren. Hierdoor stijgt de zorgtoeslag met € 37 voor een alleenstaande en € 37 voor een paar. Dit komt bovenop de stijging van de zorgtoeslag als gevolg van de hogere zorgpremie;
  • •  Het tarief van aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, wordt verlaagd van 49,0% in 2019 naar 46,0% in 2020;
  • •  Het belastingdeel van de energierekening wordt in 2020 verlaagd.

Het verwachte koopkrachtbeeld voor 2020 is positief. De verwachting is dat de mediane koopkracht in 2020 uitkomt op 2,1%. Er is echter sprake van spreiding achter dit getal. De inschatting is dat de koopkrachtontwikkeling van de helft van de Nederlandse huishoudens tussen 1,4% en 2,7% komt te liggen.

Dit komt in de eerste plaats door een verwachte stijging van de reële lonen met 1%. Daarnaast worden de lasten in 2020 verlicht als gevolg van de maatregelen in het regeerakkoord. Hiermee wil het kabinet bewerkstelligen dat (meer) werken moet lonen. Het regeerakkoord bevat voor 2020 een volgende stap in de realisatie van het tweeschijvenstelsel en een verhoging van de algemene heffingskorting. Verder is de arbeidskorting verhoogd en is in de arbeidskorting een extra opbouwtraject geïntroduceerd. Tot slot voorziet het regeerakkoord in wijzigingen in het kindgebonden budget (hogere afbouwgrens voor paren) en de huurtoeslag (maximale inkomensgrenzen vervallen, afbouw wordt geleidelijk).

In de augustusbesluitvorming heeft het kabinet diverse beleidsmaatregelen genomen met een gunstig effect op de koopkrachtontwikkeling. Deze maatregelen dragen bij aan een evenwichtig koopkrachtbeeld en komen bovenop de maatregelen uit het regeerakkoord. Zo heeft het kabinet besloten om de lasten voor huishoudens extra te verlichten door het tweeschijvenstel al in 2020, dus een jaar eerder dan gepland, te realiseren. Verder heeft het kabinet de algemene heffingskorting en de arbeidskorting extra verhoogd. In totaal worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting beleidsmatig met respectievelijk € 194 en € 364 verhoogd. Tot slot heeft het kabinet de zorgtoeslag voor alleenstaanden en paren verhoogd met € 37, dit komt bovenop de reguliere verhoging als gevolg van de stijging van de zorgpremie.

Een volledig overzicht van de beleidsmatige wijzigingen die inkomenseffecten met zich meebrengen en een uitgebreidere toelichting, is opgenomen in tabel 5.2.4 in paragraaf 5.2.7.

5.2.4 Algemeen koopkrachtbeeld (boxplottabel en puntenwolk)

De veranderingen in de koopkracht worden berekend met een microsimulatiemodel op basis van een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen vormen zij een betrouwbare afspiegeling van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen (uit arbeid, onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie) meegenomen2.

Vanaf de (c)MEV-raming en de SZW-begroting 2020 is de koopkrachtpresentatie gewijzigd. In de nieuwe presentatie is ter vermijding van misverstanden het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling geschrapt uit de boxplot. De koopkrachtwaarden van het 25e en 75e percentiel zijn nu met een expliciet cijfer in de boxplot weergegeven (figuur 5.2.1), ter illustratie van de spreiding rond de mediane koopkrachtontwikkeling (middelste observatie in een op koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling). Hiermee wordt meer nuance bij het mediane koopkrachtbeeld beoogd. Het aandeel huishoudens met een positieve en negatieve koopkrachtontwikkeling kon ten onrechte gezien worden als een voorspelling van hoeveel mensen er het komende jaar op voor- of achteruitgaan, terwijl deze cijfers hier onvoldoende voor geschikt zijn. Er wordt immers gerekend met gemiddelden omtrent de ontwikkeling van de lonen, pensioen en de inflatie, terwijl in de praktijk het ene huishouden bijvoorbeeld een lagere loonontwikkeling heeft dan het gemiddelde, en het andere een hogere. Daarnaast is bij de precieze hoogte van de koopkrachtontwikkeling sprake van onzekerheid die onlosmakelijk verbonden is met het maken van een raming. Ten slotte wordt in de boxplot een raming van de statische koopkrachtontwikkeling weergegeven, waarbij geen rekening wordt gehouden met de effecten van wijzigingen in persoonlijke omstandigheden, zoals trouwen, kinderen krijgen, baanverlies of het maken van promotie.

De complexe realiteit, en ook die van de regelgeving, zorgt ervoor dat effecten van conjunctuur en beleid nooit voor alle huishoudens hetzelfde uitvallen. Dat wordt duidelijk uit de boxplottabel (figuur 5.2.1) en de puntenwolk (figuur 5.2.2). De boxplottabel toont onder meer de mediane koopkrachtontwikkeling voor de verschillende huishoudgroepen. De mediaan laat het middelste huishouden zien in een naar koopkrachtontwikkeling gerangschikte verdeling. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling heeft en de helft een hogere. De boxplottabel laat ook duidelijk de spreiding van de koopkrachtontwikkeling zien binnen de verschillende groepen: het dikke blauwe balkje om elke mediaan heen omvat de koopkrachtontwikkeling voor de helft van de huishoudens. De andere helft van de huishoudens heeft een koopkrachtontwikkeling die hier buiten valt. Dit zijn de twee staarten van de boxplot. Het uiteinde van de staarten laten de laagste en de hoogste koopkrachtontwikkeling zien voor elke groep3. Ten slotte wordt de verwachte koopkrachtontwikkeling van het eerste en derde kwart (de 50% rond de mediaan) weergegeven om hiermee de spreiding van de verwachte koopkrachtontwikkeling beter inzichtelijk te maken. Door de aanpassing wordt in één figuur duidelijk wat de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling is en wat deze is bij het 25ste en 75ste percentiel.
Figuur 5.2.1 Boxplot verwachte koopkrachtontwikkeling 2020

Bron: SZW-berekeningen

In de puntenwolk betreft iedere punt een huishouden uit de steekproef. De puntenwolk laat zien waar de concentratie van koopkrachteffecten zit en hoe groot de spreiding is.

Figuur 5.2.2 Puntenwolk koopkrachtontwikkeling 2020 (statische koopkrachteffecten huishoudens naar bruto huishoudinkomen inclusief specifieke effecten)

Bron: SZW-berekeningen

Voor alle huishoudgroepen geldt dat de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling positief is. Het koopkrachtbeeld is in de breedte positief: binnen alle groepen ligt de verwachte koopkrachtontwikkeling vanaf het eerste kwart van de populatie op of boven 0,9%.

Binnen de groep werkenden is de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling 2,4%. Dit is tussen 2,0% en 3,0% voor de helft van de populatie om de mediaan heen. Werkenden hebben profijt van het eerder ingroeien van het tweeschijvenstel en de verhogingen van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Hier hebben zelfstandigen4 ook baat bij, hier staat voor hen wel een verlaging van de zelfstandigenaftrek tegenover. De verwachte mediane koopkrachtontwikkeling voor zelfstandigen is 2,0% en de helft van de populatie heeft een verwacht koopkrachteffect tussen 1,4% en 2,6%.

De verwachte mediane koopkrachtontwikkeling van uitkeringsgerechtigden is 1,2%. Voor de helft van de uitkeringsgerechtigden wordt een koopkrachtontwikkeling verwacht tussen 1,0% en 1,7%. Zij profiteren van de verhogingen van de algemene heffingskorting, de hogere zorgtoeslag en – in het geval van een partner, de zorg voor een kind of kinderen en een uitkering boven het minimumloon – een hoger kindgebonden budget. Uitkeringsgerechtigden met een uitkering boven het minimumloon hebben profijt van de aanpassing in de huurtoeslag, waardoor de huurtoeslag pas bij een hoger inkomen volledig is afgebouwd.

Bij de gepensioneerden is de verwachte mediane koopkrachtontwikkeling ook 1,2%. Bij hen ligt de verwachte koopkrachtontwikkeling van de helft van de populatie tussen 0,9% en 1,7%. Zij profiteren van de hogere algemene heffingskorting doordat dit via de netto-nettosystematiek leidt tot een hogere AOW-uitkering. Daarnaast hebben zij profijt van de verhoogde zorgtoeslag. Gepensioneerden met een hoger aanvullend pensioen hebben ook baat bij het eerder ingroeien van het tweeschijvenstelsel. Indien sprake is van een aanvullend pensioen bij een pensioenfonds dat niet volledig kan indexeren, of pensioenkortingen doorvoert, drukt dit de verwachte koopkrachtontwikkeling.

5.2.5 Koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens

We berekenen in Nederland al 50 jaar koopkrachtplaatjes. De eerste jaren werd één voorbeeldhuishouden doorgerekend: Jan Modaal. In de loop der tijd is deze set uitgebreid. De voorbeeldhuishoudens zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen die eenvoudig te interpreteren en makkelijker na te rekenen zijn. Weinig huishoudens voldoen precies aan de definitie, maar het gaat erom dat de voorbeeldhuishoudens representatief zijn voor veel soortgelijke huishoudens met een vergelijkbare koopkrachtontwikkeling.

Om die reden worden ook alleen generieke (inkomens)regelingen meegenomen waarop in principe alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken, zoals de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Specifieke inkomensbestanddelen, zoals de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag, fiscale aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek, en vermogen blijven in de voorbeeldhuishoudens buiten beeld.

Daarmee doen de voorbeeldhuishoudens niet volledig recht aan de complexe realiteit, zoals de steekproef van echt bestaande huishoudens dat wel doet. Anderzijds maakt juist de versimpeling dat de voorbeeldberekeningen makkelijk verifieerbaar zijn en daarom voor de meeste mensen goed toe te passen. Daarnaast geeft de boxplottabel geen zicht op specifieke groepen zoals mensen in de bijstand, AOW’ers zonder aanvullend pensioen of alleenstaande ouders. Die groepen maken weliswaar een klein aandeel uit van de totale bevolking, maar beleidsmatig zijn ze wel relevant. SZW presenteert daarom naast de koopkrachtontwikkeling op basis van een representatieve steekproef, ook de koopkrachtontwikkeling voor twintig voorbeeldhuishoudens. Deze wordt weergegeven in tabel 5.2.1. Voor huishoudens met kinderen wordt in de berekeningen uitgegaan van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.

Tabel 5.2.1 Standaard koopkrachteffecten in %
 

Raming 2019

Raming 2020

Actieven

   
     

Alleenverdiener met kinderen

   
Modaal1

1,9

4,8

2 x modaal

0,8

1,6

Tweeverdieners

   

Modaal + ½ x modaal met kinderen

0,8

4,4

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

0,5

1,6

2½ x modaal + modaal met kinderen

0,5

2,0

Modaal + modaal zonder kinderen

1,7

2,2

2 x modaal + modaal zonder kinderen

1,1

1,9

Alleenstaande

   

Minimumloon

0,9

1,6

Modaal

1,7

2,2

2 x modaal

0,8

1,7

Alleenstaande ouder

   

Minimumloon

0,1

0,6

Modaal

1,4

1,6

     

Inactieven

   

   

Sociale minima

   

Paar met kinderen

1,5

1,1

Alleenstaande

0,7

1,4

Alleenstaande ouder

0,8

0,9

   

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

0,9

2,1

AOW + € 10.000

1,1

0,9

   

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

0,9

1,7

AOW + € 10.000

0,8

0,8

AOW + € 30.000

2,8

0,5

Noot 1: Het modaal inkomen bedraagt in 2020 bruto € 36.500.

5.2.6 Financiële prikkels voor werkaanvaarding

Naast een evenwichtig inkomensbeeld streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat werken en/of meer werken loont en niet leidt tot een armoedeval (verlies van inkomen). Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar verschillende drempels die mensen kunnen ervaren bij het aanvaarden van (meer) werk.

De werkloosheidsval laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Een hoger percentage betekent dat werken meer lonend is geworden. Uit tabel 5.2.2 blijkt dat er tussen 2019 en 2020 nauwelijks sprake is van verschuivingen in de percentages.

De doorgroeival brengt in beeld welk deel van het extra inkomen een huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen of kosten kinderopvang wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Dit wordt de marginale druk genoemd. Hoe lager de marginale druk, hoe groter de prikkel om meer te gaan werken of verdienen. Op het inkomenstraject tussen 100% en 150% van het minimumloon (van circa € 21.500 naar circa € 32.000) worden veel heffingskortingen en toeslagen afgebouwd, wat in sommige voorbeelden leidt tot een hoge marginale druk. In 2020 wordt de marginale druk verlaagd met het extra opbouwtraject (het dakje) in de arbeidskorting, de hogere algemene heffingskorting, de verlaging van de inkomstenbelasting en het hogere afbouwpunt voor paren in het kindgebonden budget.

De herintredersval toont de marginale druk wanneer de niet-werkende partner uit een kostwinnersgezin (weer) drie dagen aan het werk gaat. Tabel 5.2.2 laat zien dat de marginale druk voor alle groepen herintreders daalt. De daling is het sterkst indien de kostwinner een minimuminkomen heeft en hangt samen met het hogere afbouwpunt voor paren in het kindgebonden budget.

De deeltijdval brengt in beeld hoeveel een huishouden inlevert als een in deeltijd werkende partner een dag meer gaat werken. Ook de deeltijdval wordt gemeten in termen van marginale druk. Tabel 5.2.2 laat zien dat de deeltijdval bij een kostwinner met een minimumloon of een inkomen op tweemaal modaal daalt. Het huishouden met een kostwinner met een modaal inkomen en een in deeltijd werkende partner uit dit voorbeeld had in 2019 geen recht op kindgebonden budget, maar krijgt dit in 2020 wel. Hierdoor neemt de marginale druk voor dit huishouden toe.

Tabel 5.2.2 Arbeidsmarktprikkels
 

2019

2020

Verschil1

Werkloosheidsval (inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand tegen minimumloon, in %)

   
Alleenverdiener met kinderen2

3%

3%

0%

Alleenstaande

27%

28%

1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)2

9%

9%

0%

Doorgroeival (marginale druk bij hogere beloning werk (van 100% WML naar 150% WML), in %)3

 

Alleenverdiener met kinderen

88%

80%

– 8%

Alleenstaande

68%

66%

– 2%

Alleenstaande ouder (werkt 4 dagen)

45%

44%

– 1%

       

Herintredersval (marginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner, %)

Hoofd minimumloon, partner 3 dagen werk (0,6 x minimumloon)

65%

57%

– 9%

Hoofd modaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)

30%

28%

– 2%

Hoofd 2x modaal partner 3 dagen werk (1/2 x modaal)

28%

27%

– 1%

Deeltijdval minstverdienende partner (marginale druk bij dag extra werk, %)

   

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8 x minimumloon)

46%

39%

– 7%

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)

30%

34%

4%

Hoofd 2x modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3 x modaal)

42%

41%

– 1%

Noot 1: Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste twee kolommen.

Noot 2: Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar en, indien beide partners werken, gebruik van buitenschoolse opvang.

Noot 3: Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld. Ook wordt uitgegaan van het (vervallen van) het recht op huurtoeslag.

Naast het monitoren van de verschillende armoedevallen in specifieke voorbeeldsituaties is het ook relevant om te kijken naar de gemiddelde marginale druk en de gemiddelde belastingdruk, die werknemers over het algemeen hebben. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. In tabel 5.2.3 is de ontwikkeling van de gemiddelde marginale druk voor werknemers weergegeven voor een brutoloonstijging van 3,0%. Dit verschilt van de situatie in tabel 5.2.2 waar het gaat om meer uren werken (behalve bij de doorgroeival). De marginale druk geeft hier aan hoeveel procent van de brutoloonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle fiscale en inkomensafhankelijke regelingen waar een huishouden mee te maken heeft.

Tabel 5.2.3 Gemiddelde marginale druk naar inkomenscategorie voor werknemers (%)

Bruto inkomen

2017

2018

2019

2020

Omvang (2019, in %)

< WML

23,1%

23,3%

21,9%

17,0%

23%

1 x – 1,5 x WML

50,5%

50,9%

49,7%

49,1%

20%

1,5 x – 2 x WML

52,5%

52,6%

51,8%

53,0%

20%

2 x – 3 x WML

52,9%

53,0%

53,0%

54,9%

23%

>3x WML

55,0%

55,0%

55,6%

56,7%

14%

Totaal

45,5%

45,6%

45,3%

45,0%

100%

In 2020 ligt de gemiddelde marginale druk iets lager dan in 2019. Dit wordt veroorzaakt door het tweeschijvenstelsel en door de aanpassingen in de arbeidskorting. Bij een inkomen van meer dan anderhalf maal het minimumloon neemt de marginale druk toe door het hogere afbouwpunt in het kindgebonden budget en door de afbouw van de verhoogde algemene heffingskorting.

Figuur 5.2.3 geeft de gemiddelde marginale druk weer, evenals de extremen (5- en 95-procentpercentielen). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Ester (Eerste Kamer, 2017–2018, 34 775, nr. O). In Nederland maakt de inkomstenbelasting het grootste deel van de marginale druk uit. Echter ook de uitgebreide inkomensondersteuning in de vorm van toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw, zoals de zorgtoeslag, verhoogt de marginale druk. Een hoger inkomen betekent dan immers extra afbouw van deze toeslag. Zeker voor groepen met een huishoudinkomen tussen WML en modaal speelt dit een belangrijke rol. Tot 2019 gold dit met name voor de huurtoeslag die een steil afbouwtraject kende. Per 2020 kent de huurtoeslag een geleidelijker afbouwtraject, waardoor de marginale druk bij circa € 22.000 (in geval van een alleenstaande) is afgenomen. Ook de verdere opbouw van de arbeidskorting en het opschuiven van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren, hebben eraan bijgedragen dat de extremen in de marginale druk zijn beperkt.

Figuur 5.2.3 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2020

Bron: SZW-berekeningen

In Figuur 5.2.4 wordt, naar aanleiding van de motie van de leden Bruins en Omtzigt (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 785, nr. 59), de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2020 weergegeven (inclusief toeslagen en netto kosten van zorg en kinderopvang). De figuur laat zien dat de gemiddelde druk toeneemt met het inkomen, als gevolg van het progressieve belastingstelsel. Uit het individuele karakter van het belastingstelsel volgt dat een alleenstaande die hetzelfde verdient als een paar waarbij twee mensen werken voor het huishoudinkomen, meer belasting betaalt. Voor eenverdienershuishoudens geldt dat de gemiddelde druk tot aan een modaal inkomen in grote lijnen vergelijkbaar is met tweeverdienershuishoudens (in individuele gevallen kunnen de verschillen uiteraard groter zijn). Eenverdienershuishoudens ontvangen meer toeslagen terwijl tweeverdienershuishoudens meer heffingskortingen kunnen toepassen. Vanaf een modaal inkomen is het aandeel van toeslagen in het inkomen van eenverdieners beperkt, terwijl het voordeel van de heffingskortingen voor tweeverdieners minder snel afbouwt. Omdat één van beide partners vaak een klein inkomen verdient, valt de gemiddelde belastingdruk voor tweeverdieners ook lager uit door de tariefprogressie. Ook in het geval dat beiden evenveel verdienen doet de tariefprogressie de gemiddelde belastingdruk dalen. Met de overgang naar een tweeschijvenstelsel in deze kabinetsperiode, wordt dit verschil beperkt.

Figuur 5.2.4 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 2020

Bron: SZW-berekeningen

5.2.7 Maatregelen inkomensbeeld

In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op de maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 5.2.4 staan de maatregelen die voor 2020 van belang zijn. Hierbij is ook aangegeven in hoeverre deze maatregelen al dan niet in de puntenwolk en in de boxplottabel in paragraaf 5.2.4 zijn opgenomen. In alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn, worden deze betreffende effecten ook vermeld.

Tabel 5.2.4 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2020

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

In puntenwolk zichtbaar

1. Fiscaal generiek

     
 

Wijzigingen arbeidskorting

+

Ja

 

Verhoging algemene heffingskorting

+

Ja

 

Effect invoering tweeschijvenstelsel op tarieven eerste, tweede en derde belastingschijf

+/–

Ja

 

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Ja

 

Wijziging tarief vierde belastingschijf

+

Ja

 

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Ja

 

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

Ja

 

Verlaging zelfstandigenaftrek

Ja

 

Gevolgen Klimaatakkoord 2019 op de energiebelasting en ODE

+

Ja (via inflatie)

 

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

Ja (via inflatie)

       

2. Kinderen

     
 

Hogere inkomensgrens voor paren voor afbouw kindgebonden budget

+

Ja

       

3. Zorg

     
 

Verhoging zorgtoeslag

+

Ja

 

Eigen bijdragen Wmo 2015

+/–

Ja

 

Aanpassing eigen bijdragen pgb beschermd wonen

Ja

 

Letselschadevergoedingen uitgezonderd van vermogensinkomensbijtelling

+

Ja

       

4. Wonen

     
 

Beperking hypotheekrenteaftrek

Ja

 

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

–/0

Ja

 

Beleidsmatige verlaging tarief eigenwoningforfait met 0,05%-punt

+

Ja

 

Afschaffing KAN-bepaling

–/0

Ja

 

Vervallen maximale inkomensgrenzen huurtoeslag

+

Ja

       

5. Sociale zekerheid

     
 

Aanpassing AOW-leeftijd naar aanleiding van het Pensioenakkoord

0

Nee

 

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Ja

 

Vrijlatingsregeling (breed offensief)

+

Nee

 

Vereenvoudiging regelgeving Wajong

+

Nee

 

Wijziging geboorteverlof

+

Nee

 

Verlenging IOW tot 2024

+

Nee

 

ZW-uitkering niet meetellen als inkomen voor arbeidskorting en IACK bij nieuwe ZW’ers zonder werk

Nee

De maatregelen uit de bovenstaande tabel worden hieronder verder toegelicht:

1. Fiscaal generiek

Wijzigingen arbeidskorting

Werkenden met een inkomen uit arbeid hebben recht op de arbeidskorting. In het regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken om in 2020 het tot dan toe vlakke maximum van de arbeidskorting te vervangen door een derde opbouwtraject (het dakje in de arbeidskorting) en deze met € 258 te verhogen. Daarnaast is in de augustusbesluitvorming besloten de arbeidskorting met nog eens € 106 te verhogen. In totaal wordt de arbeidskorting daardoor in 2020 beleidsmatig met € 364 verhoogd, zodat de arbeidskorting in 2020 maximaal € 3.819 bedraagt. Deze beleidsmatige aanpassingen zorgen voor een maximaal positief inkomenseffect van 1,2% bij een inkomen van circa € 35.000. Lagere en hogere inkomensgroepen hebben een inkomenseffect van circa 0,8%. Voor de hoogste inkomensgroepen neemt het inkomenseffect af. Boven een inkomen van circa € 100.000 is er geen inkomenseffect omdat de arbeidskorting vanaf dit inkomen volledig is afgebouwd.

Verhoging algemene heffingskorting

Iedere belastingplichtige heeft recht op algemene heffingskorting. In het regeerakkoord heeft het kabinet de afspraak opgenomen om de algemene heffingskorting in 2020 met € 116 te verhogen. Daarnaast is in de augustusbesluitvorming besloten om de algemene heffingskorting in 2020 met € 78 extra te verhogen. Per saldo wordt de algemene heffingskorting dus met € 194 verhoogd tot, inclusief indexatie, maximaal € 2.711. Deze beleidsmatige aanpassingen zorgen voor een gemiddeld positief inkomenseffect van 0,7%. Maximaal is dat voor een alleenstaande op het sociaal minimum 1,4%. Naarmate het inkomen hoger is, is het inkomenseffect kleiner. Boven een inkomen van € 68.507 is er geen inkomenseffect omdat de algemene heffingskorting vanaf dit inkomen volledig is afgebouwd.

Effect invoering tweeschijvenstelsel op tarieven eerste, tweede en derde belastingschijf

Vanaf 2019 wordt box 1 van de inkomstenbelasting omgevormd tot een tweeschijvenstelsel (voor mensen boven de AOW-gerechtigde leeftijd ontstaan drie schijven: omdat zij geen AOW-premie betalen, zijn voor hen de tarieven in de tweede en derde schijf niet aan elkaar gelijk). Hiertoe wordt het tarief in de eerste schijf verhoogd met 0,7%-punt tot 37,35%. Het tarief in de tweede en derde schijf gaat met 0,75%-punt omlaag om op ditzelfde tarief uit te komen. AOW-gerechtigden hebben een belastingtarief van 19,45% in de eerste en tweede schijf en 37,35% in de derde schijf. Gemiddeld is sprake van een inkomenseffect van – 0,2%. Lage inkomensgroepen hebben te maken met een inkomenseffect van – 0,6%.

Beperkt indexeren tweede belastingschijf

Met ingang van 2011 wordt de bovengrens van de (huidige) tweede schijf maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de tweede schijf verkort wordt en de derde schijf verlengd. Aangezien voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd de totaaltarieven van de tweede en derde schijf sinds 2013 gelijk zijn, is deze maatregel alleen van belang voor belastingplichtigen vanaf de AOW-leeftijd, die geboren zijn na 1945. Personen geboren in 1945 of eerder zijn van deze maatregel uitgezonderd.

Wijzigingen tarief vierde belastingschijf

Het tarief in de vierde schijf van box 1 daalt met 2,25%-punt tot 49,50%. De daling is het saldo van een verlaging met 1,20%-punt als gevolg van de ingroei van het tweeschijvenstelsel, een verlaging met 0,05%-punt ter compensatie van de verlaging van de hypotheekrenteaftrek (zoals vermeld onder het kopje «wonen») en het een jaar eerder laten ingroeien van het tweeschijvenstelsel. Voor circa 1.000.000 huishoudens betekent dit een positief inkomenseffect van gemiddeld 0,6%.

Bevriezen aangrijpingspunt toptarief

Het eindpunt van de huidige derde schijf (de eerste schijf in de nieuwe tariefstructuur) wordt gedurende de kabinetsperiode bevroren op het niveau van 2018. Dat betekent dat deze schijf eindigt op € 68.507. Deze maatregel heeft negatieve inkomenseffecten voor de huishoudens met de hoogste inkomens doordat ze over een groter deel van hun inkomen het toptarief betalen. Ongeveer 1.000.000 huishoudens ondervinden van deze maatregel een gemiddeld negatief inkomenseffect van – 0,3%.

Het bevriezen van het aangrijpingspunt van het toptarief op € 68.507 heeft ook invloed op de algemene heffingskorting, omdat de afbouw hiervan eindigt op het eindpunt van de derde schijf. Het inkorten van de derde schijf zorgt voor een sterker afbouwpad van de algemene heffingskorting en daarmee voor een lagere algemene heffingskorting voor burgers met een inkomen tussen circa € 40.000 en € 68.507. Dit zorgt voor een gemiddeld inkomenseffect voor deze huishoudens van – 0,1%.

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner

De minstverdienende partner die niet genoeg belastbaar inkomen heeft om de algemene heffingskorting te verzilveren, krijgt deze toch uitbetaald als de partner genoeg belasting betaalt. Om de arbeidsparticipatie te bevorderen wordt sinds 2009 stapsgewijs over een periode van vijftien jaar de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner afgebouwd. Het gevolg hiervan is dat de minstverdienende partner een grotere prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 is uitgezonderd van de maatregel. Er zijn ongeveer 290.000 huishoudens die te maken hebben met de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. De uitbetaling aan de minstverdienende partner bedraagt nog 20,0% in 2020. Alleenverdienershuishoudens ondervinden een gemiddeld negatief inkomenseffect van – 0,4%.

Verlaging zelfstandigenaftrek

In 2020 wordt de zelfstandigenaftrek met € 250 verlaagd naar € 7.030. Netto gaat dit in de meeste gevallen om een afname van € 92. Dit betekent een inkomenseffect tussen – 0,2% en – 0,1% voor de meeste huishoudens met een zelfstandige.

Gevolgen Klimaatakkoord 2019 op de energiebelasting en ODE

In 2020 wordt het tarief in de eerste schijf van de energiebelasting voor aardgas met € 0,04 per m3 en de belastingvermindering verhoogd. Daarnaast gaat de verhouding in de bijdrage van burgers versus bedrijfsleven aan de Opslag Duurzame Energie (ODE) veranderen van 50–50% naar 33–67%. Hierdoor kan de belastingvermindering van de energiebelasting nog verder verhoogd worden. In totaal gaat daardoor het belastingdeel van de energierekening voor een gemiddeld huishouden in 2020 met € 100 naar beneden.

Fiscale maatregelen met een effect op de inflatie

Vanaf 1 januari 2020 geldt er een aantal nieuwe fiscale maatregelen die effecten hebben op de prijzen die de consument betaalt. Het gaat dan om het van toepassing worden van het verlaagde btw-tarief op langs elektronische weg geleverde uitgaven van onder andere boeken, tijdschriften en dag- en weekbladen, het verhogen van de accijns op diesel en het aanpassen van de (vaste voet van de) motorrijtuigenbelasting op elektrische voertuigen. Daarnaast wordt de accijns op tabaksproducten per 1 april 2020 verhoogd. Ten slotte heeft de verlaging van de energierekening voor burgers ook een verlagend effect op de inflatie.

2. Kinderen

Hogere inkomensgrens voor paren voor afbouw kindgebonden budget

Om ouders met middeninkomens extra te ondersteunen wordt per 2020 de inkomensgrens waar de afbouw van het kindgebonden budget begint voor paren met € 16.750 tot € 37.750 verhoogd. De verhoging van de afbouwgrens voor paren heeft positieve inkomenseffecten voor paren met recht op kindgebonden budget en een inkomen boven de oude afbouwgrens van € 21.000. Het inkomenseffect is met circa 2,5% het hoogst voor paren met inkomens tussen € 35.000 en € 50.000.

3. Zorg

Verhoging zorgtoeslag

Via de zorgtoeslag wordt een inkomensafhankelijke tegemoetkoming verstrekt die het voor huishoudens met lage en middeninkomens mogelijk moet maken de nominale zorgpremie en het verplicht eigen risico voor de zorgverzekering te betalen. In 2020 wordt de zorgtoeslag ten opzichte van 2019 licht verhoogd. Deze verhoging van de zorgtoeslag wordt bereikt door de normpercentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen tussen 2019 en 2020 met 0,175%-punt te laten dalen. Het positieve inkomenseffect loopt op tot 0,2% voor de laagste inkomensgroepen.

Eigen bijdragen Wmo 2015

Het kabinet heeft een pakket aan maatregelen genomen om de stapeling van eigen betalingen voor zorg en ondersteuning te beperken. Eén van deze maatregelen betreft de invoering van het abonnementstarief voor Wmo-voorzieningen. Per 2019 is reeds via een tussenvariant een eerste stap gezet door via een algemene maatregel van bestuur de invoering van het abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen te realiseren. Vanaf 2020 wordt de invoering van het abonnementstarief voor Wmo-voorzieningen via een wetswijziging volledig gerealiseerd. Het abonnementstarief gaat dan gelden voor zowel de maatwerkvoorzieningen als een belangrijk deel van de algemene voorzieningen (waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie). Dit leidt ertoe dat voorzieningen als begeleiding en huishoudelijke hulp onder het abonnementstarief komen te vallen, ongeacht of het algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn.

Aanpassing eigen bijdragen pgb beschermd wonen

In de Wmo 2015 is door de wetgever een onvolkomenheid geconstateerd. Cliënten die beschermd wonen in natura ontvangen, betalen nu nog de intramurale (hogere) bijdrage, terwijl cliënten met een pgb beschermd wonen de extramurale (lagere) bijdrage betalen. Dit verschil is niet uitlegbaar. In plaats van de leveringsvorm (pgb dan wel zorg in natura), zou de wooncomponent bepalend moeten zijn voor de hoogte van de bijdrage. Per 1 januari 2020 wordt dit aangepast. Vanaf dan betalen cliënten met een pgb beschermd wonen – onder de voorwaarde dat een cliënt een vergoeding voor de wooncomponent ontvangt – een eigen bijdrage volgens de intramurale bijdragesystematiek. De eigen bijdrage bij pgb beschermd wonen is na de wijziging dus hetzelfde als de eigen bijdrage bij beschermd wonen in natura. De wijziging heeft naar verwachting landelijk beperkt effect, namelijk alleen op de cliënten met een pgb beschermd wonen die een vergoeding voor de wooncomponent ontvangen. Voor deze cliënten gaat de eigen bijdrage omhoog. Hoe groot de stijging is, hangt af van het inkomen en vermogen van de cliënt.

Letselschadevergoedingen uitgezonderd van vermogensinkomensbijtelling

De hoogte van de eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz of beschermd wonen vanuit de Wmo 2015 wordt berekend aan de hand van het verzamelinkomen en 4% van de grondslag sparen en beleggen (de vermogensinkomensbijtelling). Een letselschadevergoeding telt mee als vermogen in box 3, waardoor de letselschadevergoeding doorwerkt in zowel het verzamelinkomen als de vermogensinkomensbijtelling. Per 1 januari 2020 worden letselschadevergoedingen uitgezonderd van de vermogensinkomensbijtelling in de berekening van de eigen bijdragen Wlz of beschermd wonen. Dit heeft tot gevolg dat de eigen bijdrage van cliënten met een reeds vastgestelde letselschadevergoeding lager uit kan vallen. Voor cliënten die tot nu toe een periodieke vaststelling van de letselschadevergoeding hadden in plaats van een definitieve vaststelling, kan de eigen bijdrage stijgen op het moment dat de letselschadevergoeding definitief wordt vastgesteld. Verwacht wordt dat letselschadevergoedingen sneller worden vastgesteld na inwerkingtreding van de maatregel. De cliënt blijft hierdoor niet meer onnodig lang in onzekerheid over de hoogte van de vergoeding. In de berekening van de letselschadevergoeding wordt rekening gehouden met de eigen bijdrage.

4. Wonen

Beperking hypotheekrenteaftrek

De hypotheekrenteaftrek wordt aangepast voor bestaande en nieuwe hypotheken. In 2014 is begonnen het maximale aftrektarief in de vierde schijf stapsgewijs te verlagen. Dit gebeurde in stappen van ½%-punt per jaar. Vanaf 1 januari 2020 is er sprake van een versneld afbouwpad van 3,0%-punt per jaar om vanaf 2023 op het structurele pad van 37,1% te eindigen. Voor alle hypotheken wordt in 2020 de aftrek inkomstenbelasting daardoor mogelijk tegen maximaal 46,0%. Huishoudens met een inkomen in het vierde schijftarief en een hypotheek (circa 900.000 huishoudens) ondervinden hiervan een inkomenseffect tussen – 0,2% en – 0,3%.

Geleidelijk afschaffen aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Met ingang van 2019 wordt de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (regeling Hillen) in gelijke stappen in dertig jaren uitgefaseerd. Dit betekent dat per 2020 nog 93 1/3% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten in aanmerking wordt genomen. Het inkomenseffect van deze maatregel is beperkt en kleiner dan – 0,1%.

Beleidsmatige verlaging tarief eigenwoningforfait met 0,05%-punt

De budgettaire opbrengst van de versnelde afbouw van het maximale tarief van de hypotheekrenteaftrek wordt volledig gebruikt ter compensatie van eigenwoningbezitters door een verlaging van het percentage van het eigenwoningforfait. De verlaging van het (basis)percentage van het eigenwoningforfait voor woningen met een eigenwoningwaarde van meer dan € 75.000 vindt plaats in drie stappen van elk 0,05%-punt in de jaren 2020, 2021 en 2023. Naar verwachting leidt dit beleid, in combinatie met de endogene ontwikkeling van huur- en woningprijzen, tot een (basis)percentage van het eigenwoningforfait van 0,6% in 2020. De percentages van het eigenwoningforfait kunnen nog wijzigen als de ontwikkelingen van huur- en woningprijzen afwijken van de ramingen. De meeste eigenwoningbezitters hebben als gevolg hiervan een positief inkomenseffect van circa 0,1%.

Afschaffing KAN-bepaling

Met het in 2020 schrappen van de KAN-bepaling wordt de eigen bijdrage in de huurtoeslag jaarlijks geïndexeerd met de huurontwikkeling, in plaats van met de laagste van het percentage van de huurprijsontwikkeling of het percentage van de netto-bijstandsontwikkeling. Het schrappen van de KAN-bepaling heeft gevolgen voor huidige huurtoeslagontvangers. De wijziging leidt niet tot een daling van het bedrag aan huurtoeslag dat huishoudens ontvangen, maar wel kan de huurtoeslag in de toekomst iets minder hard stijgen dan zonder deze wijziging. De uiteindelijke effecten van het schrappen van de KAN-bepaling hangen af van het toekomstige verschil tussen de netto-bijstandsontwikkeling en huurontwikkeling. Het jaarlijkse koopkrachteffect varieert tussen 0,0% en – 0,1%.

Vervallen maximale inkomensgrenzen huurtoeslag

Met het vervallen van de maximale inkomensgrenzen wordt de huurtoeslag over een langer inkomenstraject afgebouwd. Hierdoor verdwijnt de situatie waarbij bij een beperkte stijging van het inkomen ineens de volledige huurtoeslag vervalt. Dit leidde vaak tot terugvorderingen van al uitgekeerde voorlopige toeslagen. Met het vervallen van de maximale inkomensgrenzen krijgen circa 115.000 extra huishoudens recht op huurtoeslag. Het geleidelijk afbouwen van de huurtoeslag voorkomt een extreme piek in de marginale druk. Die kleine groep huishoudens heeft hierdoor een positief inkomenseffect van circa 2%.

5. Sociale Zekerheid

Aanpassing AOW-leeftijd naar aanleiding van het Pensioenakkoord

In 2013 is gestart met het stapsgewijs verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd. Vanaf 2020 is het tijdpad van de verhoging van de leeftijdsverhoging aangepast als gevolg van afspraken uit het Pensioenakkoord. In 2020 wordt de AOW-gerechtigde leeftijd niet verhoogd en blijft deze op 66 jaar en 4 maanden.

(Temporisering) afbouw dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid

Sinds januari 2012 wordt de dubbele algemene heffingskorting in de sociale zekerheid (excl. AOW) afgebouwd. In de structurele situatie hebben uitkeringsgerechtigden, evenals alleenverdieners in de fiscaliteit, recht op eenmaal de algemene heffingskorting. In het regeerakkoord is afgesproken dat de afbouw van de dubbele heffingskorting in de sociale zekerheid in de jaren 2019 tot en met 2021 wordt getemporiseerd, zodat 3,75%-punt wordt afgebouwd in plaats van 5%-punt per jaar. Per saldo resulteert een negatief inkomenseffect van gemiddeld – 0,4% voor bijstandsgerechtigden.

Tijdelijke vrijlatingsregeling (breed offensief)

Het kabinet wil bevorderen dat werken voor mensen met beperkingen loont. In het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet is daarom voorzien in een tijdelijke vrijlatingsregeling voor de duur van één jaar met de mogelijkheid van verlenging van die termijn. Het gaat hier om een vrijlatingsregeling die specifiek van toepassing is op inkomsten uit werkzaamheden die met toepassing van loonkostensubsidie worden verricht. Mensen die werken met loonkostensubsidie én zijn aangewezen op een aanvullende algemene bijstandsuitkering omdat zij in deeltijd werken, gaan er hierdoor in inkomen op vooruit.

Vereenvoudiging regelgeving Wajong

Met ingang van 2020 behouden Wajongers hun uitkering als zij onderwijs volgen, door het schrappen van de studieregeling in de Wajong2010 en het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015. Hierdoor krijgt een grotere groep recht op een (hogere) Wajong-uitkering.

Wijziging geboorteverlof

Op 1 juli 2020 wordt het geboorteverlof gewijzigd. Het geboorteverlof bedraagt sinds 2019 één week met behoud van loon. Dit wordt aangevuld met 5 weken, waarbij de werknemer een uitkering ontvangt van 70% van het (maximum) dagloon. Dit aanvullende geboorteverlof dient te worden opgenomen nadat de eerste week geboorteverlof met behoud van loon volledig is genoten, maar wel binnen 6 maanden na de dag van bevalling. Rechthebbenden zijn de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de moeder, degene die met haar samenwoont of degene die haar kind heeft erkend. Er is sprake van een positief inkomenseffect indien ook zonder de wetswijzigingen verlof opgenomen zou zijn. De omvang van het positieve inkomenseffect is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

Verlenging IOW tot 2024

De inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) wordt vanaf 2020 met vier jaar verlengd. Hierdoor komen oudere werklozen met een eigen woning na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering in aanmerking voor inkomensondersteuning. Hiermee zal, voor mensen die reeds gebruik maken van deze regeling, een negatief inkomenseffect bij het vervallen van de regeling voorkomen worden. Hierdoor resteert een neutraal inkomenseffect voor deze groep. Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen van 60 jaar naar 60 jaar en 4 maanden. Deze leeftijdsgrens blijft tot 2024 gehandhaafd.

ZW-uitkering niet mee laten tellen als inkomen voor de arbeidskorting en IACK bij nieuwe ZW’ers zonder werk

Uitkeringsgerechtigden met een WW-uitkering die ziek worden en een ZW-uitkering ontvangen, hebben recht op arbeidskorting en eventueel inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Als gevolg daarvan treedt een substantiële netto-inkomensstijging op. Mensen die een ZW-uitkering genieten en geen werk hebben, ervaren juist een substantiële netto-inkomensdaling als zij zich beter melden. Om die inkomenswijzigingen te voorkomen wordt voorgesteld deze groepen ter zake van de ZW-uitkering niet langer recht te geven op de arbeidskorting en eventueel IACK. De maatregel gaat in per 1 januari 2020 en geldt alleen voor nieuwe gevallen. Daarmee treedt er voor de bestaande gevallen geen inkomenseffect op.

5.2.8 Maatregelen Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland beschikt SZW niet, zoals voor Europees Nederland, over betrouwbare ramingen van de contractloonontwikkeling, de indexatie van de pensioenen en de inflatie. Hierdoor is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling kwantitatief te visualiseren, zoals dat voor de Europees-Nederlandse situatie wordt gedaan. Wel wordt de inflatieontwikkeling nauwgezet door het CBS gemonitord. Deze prijsontwikkeling en bijbehorende indexering van uitkeringen komen in deze paragraaf kort aan bod.

Prijsontwikkeling en indexering van uitkeringen

Jaarlijks worden het minimumloon, de AOV, de AWW en de onderstand geïndexeerd op basis van de gerealiseerde ontwikkeling van de consumentenprijsindex in het derde kwartaal van het voorgaande jaar.

Verhoging minimumloon, AOV, AWW en onderstand met 5% op Bonaire en Saba en 2% op Sint-Eustatius

In de voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000-IV, nr. 61) heeft het kabinet een volgende stap aangekondigd om de inkomenspositie van inwoners van Caribisch Nederland te verbeteren. Het gaat om een verhoging van het minimumloon per 1 januari 2020 voor Bonaire en Saba met 5% en voor Sint-Eustatius met 2% en overeenkomstige verhogingen van de Algemene Ouderdomsvoorziening (AOV), Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWW) en de onderstand.

Verhoging kinderbijslagvoorziening BES

In de voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000-IV, nr. 61) heeft het kabinet aangekondigd dat de kinderbijslagvoorziening BES per 1 januari 2020 met circa USD 17,50 per maand extra wordt verhoogd. Dit komt bovenop de verhoging met USD 2,50 per maand die reeds, als onderdeel van de intensivering op de kindregelingen in Europees Nederland, in het regeerakkoord was opgenomen. In totaal wordt de kinderbijslagvoorziening in 2020 met circa USD 20 per maand verhoogd.

Noot 1: In de begroting is gerekend met de raming van de nominale zorgpremie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Deze raming valt in 2020 € 9 lager uit dan de raming van het CPB. Een onderbouwing van de raming van het Ministerie van VWS is opgenomen in de begroting van het Ministerie van VWS.

Noot 2: Het model berekent uit dit bruto inkomen vervolgens het netto inkomen (het bruto inkomen min de sociale premies en belastingen, rekening houdend met de specifieke aftrekposten van het huishouden). Door het netto inkomen te verrekenen met de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de netto kosten van kinderopvang, wordt het besteedbaar inkomen bepaald. Ten slotte kan de procentuele verandering van het besteedbaar inkomen tussen jaar t en t+1 worden berekend, gecorrigeerd voor inflatie. Dat is de koopkrachtmutatie die wordt gerapporteerd.

Noot 3: De staarten zijn afgekapt op het 5de en 95ste percentiel, omdat de raming van het minimum en maximum onnauwkeurig is.

Noot 4: Door de grote mate van variatie in de groep zelfstandigen ten opzichte van de gebruikte steekproef zijn koopkrachtramingen voor zelfstandigen met een grotere mate van onzekerheid omgeven dan bij andere typen huishoudens het geval is. Om deze reden is de groep zelfstandigen geen standaardonderdeel van de koopkrachtpresentatie. De groep wordt in figuur 5.2.2 eenmalig wel weergegeven, gelet op beleid dat in 2020 wordt ingevoerd en dat een effect heeft op de verwachte koopkrachtontwikkeling van zelfstandigen. Over de ontwikkeling van het arbeidsinkomen van zelfstandigen is beperkt data beschikbaar. In de raming is derhalve verondersteld dat de ontwikkeling van het arbeidsinkomen van zelfstandigen gelijk is aan de gemiddelde contractloonontwikkeling.