Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

8. Oudedagsvoorziening

Algemene doelstelling

De overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Momenteel bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

De overheid biedt inkomensondersteuning aan AOW-gerechtigden (IOAOW) en biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR).

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;
  • •  De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;
  • •  De vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);
  • •  De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Pensioenakkoord

Op 5 juni 2019 heeft het kabinet met de sociale partners een principeakkoord gesloten over de vernieuwing van het pensioenstelsel, een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd, een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en over een pakket maatregelen dat het voor iedereen haalbaar maakt om het pensioen gezond werkend te bereiken; ook voor degenen met zwaar werk (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457). Dit principeakkoord is in de dagen na het sluiten bekrachtigd door de leden van de verschillende werkgevers- en werknemersorganisaties.

De uitwerking van de afspraken in het pensioenakkoord krijgt vervolgens in verschillend tempo zijn beslag. Aan een deel van de afspraken, bedrag ineens op pensioendatum, is kort daarna navolging gegeven middels een brief aan de Kamer (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 486). De minder snelle stijging van de AOW-leeftijd is vastgelegd in de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd (Stb. 2019, 246). In die wet is geregeld dat de AOW-leeftijd in 2020 en 2021 66 jaar en 4 maanden zal blijven zodat sociale partners in de gelegenheid zijn om op sectoraal niveau afspraken te maken over duurzame inzetbaarheid en over handelingsperspectief voor specifieke groepen werknemers die problemen hebben om de eindstreep te halen, in de vorm van vervroegd uittreden. Vervolgens zal de AOW-leeftijd in 2022 stijgen naar 66 jaar en 7 maanden en in 2023 naar 66 jaar en 10 maanden. In 2024 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar. Daarnaast is het kabinet met vakbonden en werkgevers overeengekomen om met ingang van 2025 de ontwikkeling van de AOW-leeftijd voor 2/3 te koppelen aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De koppeling van de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting zal op vergelijkbare wijze worden aangepast.

Afspraken over de vernieuwing van het pensioenstelsel zijn voor uitwerking opgepakt door een stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van sociale partners en het kabinet. De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van het pensioenakkoord, voor het eerst in het najaar van 2019. Het kabinet ambieert begin 2021 de wet- en regelgeving die nodig is voor de vernieuwing van het pensioenstelsel bij de Tweede Kamer in te dienen, zodat het nieuwe wettelijke en fiscale kader per 2022 in werking kan treden.

Wetsvoorstel bedrag ineens op pensioendatum

Met het wetsvoorstel «bedrag ineens» wordt beoogd deelnemers bij pensionering meer flexibiliteit te bieden in de aanwending van hun pensioenvermogen, door mogelijk te maken dat zij op de pensioeningangsdatum een deel van de waarde van de opgebouwde aanspraken kunnen laten afkopen. Voor pensioenen in eigen beheer alsmede voor oudedagsvoorzieningen opgebouwd in de derde pijler wordt voorgesteld dezelfde flexibiliteit in de uitkeringsfase te bieden. Aan de mogelijkheid een deel van de opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen te laten afkopen, worden voorwaarden gesteld. Voor wat betreft de voorwaarden aan de keuzemogelijkheid in de derde pijler kan zoveel mogelijk worden aangesloten bij de voorwaarden die worden gesteld aan deze keuzemogelijkheid in de tweede pijler. Hierover is de Tweede Kamer reeds geïnformeerd (Tweede kamer, 2018–2019, 32 043, nr 486). Het kabinet gaat aan de slag met de uitwerking van dit voorstel en streeft ernaar het voorstel medio 2020 in te dienen bij de Tweede Kamer.

Wetsvoorstel pensioen bij scheiding

Het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding is in september 2019 ingediend bij de Tweede Kamer. De hoofdlijnen van het wetsvoorstel komen overeen met de conclusies die getrokken zijn uit de evaluatie van de huidige Wet verevening pensioenrechten bij scheiding waarover de Tweede Kamer in maart 2018 is geïnformeerd (Tweede Kamer, 2017–2018, 32 043, nr. 393). Het ouderdomspensioen wordt straks automatisch verdeeld bij een scheiding, tenzij ex-partners andere afspraken hebben gemaakt. Daarnaast zal conversie de standaard verdeelmethode worden, waardoor beide ex-partners een eigen pensioenaanspraak krijgen en er geen levenslange afhankelijkheid meer is op pensioenterrein. Ten slotte wordt de hoogte van het bijzonder partnerpensioen vastgesteld enkel over de huwelijkse periode. Het betreft een wetsvoorstel van de Minister van SZW en de Minister voor Rechtsbescherming.

Uitkeringsverhoging Caribisch Nederland

In de voortgangsrapportage ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland (Tweede Kamer, 2028–2019, 35 000-IV, nr. 61) heeft het kabinet een volgende stap aangekondigd om de inkomenspositie van inwoners van Caribisch Nederland te verbeteren. Het gaat om een verhoging van de AOV per 1 januari 2020 voor Bonaire en Saba met 5% en voor Sint Eustatius met 2%.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.8.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

23.009

25.208

25.100

25.089

25.615

25.972

26.409

Uitgaven

23.009

25.208

25.100

25.089

25.615

25.972

26.409

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

23.009

25.208

25.100

25.089

25.615

25.972

26.409

Overbruggingsregeling AOW

4.006

3.509

2.247

1.371

1.031

521

126

AOV incl. tegemoetkoming (Caribisch Nederland)

19.003

21.699

22.853

23.718

24.584

25.451

26.283

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Overbruggingsregeling AOW (OBR) en AOV.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.8.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

38.124.879

39.468.553

41.321.030

43.210.532

44.512.092

45.820.242

47.372.700

               

Inkomensoverdrachten

38.124.879

39.468.553

40.164.161

40.987.082

41.290.314

41.567.455

42.034.985

AOW

37.195.249

38.521.944

39.197.808

39.998.612

40.294.018

40.564.532

41.020.953

Inkomensondersteuning AOW

929.630

946.609

966.353

988.470

996.296

1.002.923

1.014.032

               

Nominaal

0

0

1.156.869

2.223.450

3.221.778

4.252.787

5.337.715

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1. Overbruggingsregeling AOW (OBR)

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden, werkt terug tot 1 januari 2013 en sluit voor nieuwe instroom per 1 januari 2023. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden. Sinds 1 oktober 2016 kan een OBR-uitkering tot maximaal 1 jaar met terugwerkende kracht worden aangevraagd (de aanvraag moet wel worden gedaan vóór dat de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt). De OBR kent een inkomenseis en een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen). De OBR wordt uitgevoerd door de SVB.

Wie komt er voor in aanmerking?

Het inkomen waarbij er toegang ontstaat tot de OBR bedraagt voor alleenstaanden maximaal 200% van het wettelijk minimumloon en voor paren 300% van het wettelijk minimumloon. Dit is in de tweede helft van 2019 gelijk aan een bruto bedrag van € 3.271,20 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een alleenstaande en € 4.906,80 per maand (exclusief vakantietoeslag) voor een paar.

Voor de vermogenstoets wordt aangesloten bij de grens van het box 3-vermogen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Het heffingsvrije vermogen uit box 3 bedraagt in 2019 € 30.360 per persoon. Dit betekent voor een (volwassen) eenpersoonshuishouden dat er tot een vermogen van € 30.360 recht bestaat op een overbruggingsuitkering en voor een (volwassen) tweepersoonshuishouden tot een vermogen van € 60.720.

Hoe hoog is de OBR?

De maximale uitkeringshoogte van de overbruggingsregeling is afgeleid van het wettelijk minimumloon en komt netto overeen met de hoogte van het sociaal minimum onder de AOW-gerechtigde leeftijd. Inkomen uit arbeid wordt gedeeltelijk en inkomen uit uitkeringen wordt volledig in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. De hoogte is voorts afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de opbouwperiode overeenkomstig de systematiek van de AOW, en begrensd tot de hoogte van het inkomen uit VUT- of prepensioen of het daarmee vergelijkbaar inkomen dat aan de OBR voorafging.

Budgettaire ontwikkelingen

De geraamde uitkeringslasten OBR lopen de komende jaren af van circa € 2,2 miljoen in 2020 tot circa € 0,1 miljoen in 2024. De komende jaren neemt enerzijds de instroom in de OBR af, maar tegelijkertijd neemt de te overbruggen periode toe (dus langere duur OBR-uitkering). De verwachte uitgaven nemen jaarlijks af, omdat het neerwaartse effect van de afnemende instroom groter is dan het opwaartse effect van de langere overbruggingsperiode.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Naar verwachting zal de instroom in de OBR verder afnemen. Dit komt doordat de groep van personen die reeds per 1 januari 2013 of 1 juli 2015 met VUT- of prepensioen waren steeds kleiner wordt.

Tabel 3.8.3 Kerncijfers OBR
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Instroom OBR (x 1.000 uitkeringen)

1,0

0,7

0,4

Noot 1: SVB, jaarverslag.

A2. Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)

Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die recht doet aan de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitkeringslasten voor de AOV nemen in 2020 toe met € 1,2 miljoen. Dit is voornamelijk een gevolg van de verhoging van de uitkeringen met 5% voor Bonaire en Saba en 2% voor Sint Eustatius. Daarnaast nemen de uitkeringslasten af met circa € 0,1 miljoen als gevolg van de verhoging van de AOV-gerechtigde leeftijd. Per saldo leidt dit tot een stijging van de uitkeringslasten voor de AOV.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.8.4 Kerncijfers AOV
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)

4,2

4,3

4,3

Noot 1: RCN-unit SZW.

A3. Algemene Ouderdomswet (AOW)

De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 5.1, sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.

Wie komt er voor in aanmerking?

Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2019 16 jaar en 4 maanden) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2019 66 jaar en 4 maanden) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als een persoon niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.

In 2020 en 2021 zal de AOW-gerechtigde leeftijd net als in 2019 66 jaar en vier maanden bedragen. Daarna wordt de AOW-gerechtigde leeftijd verhoogd naar 66 jaar en zeven maanden in 2022, 66 jaar en tien maanden in 2023 en 67 jaar in 2024. In het pensioenakkoord is afgesproken dat de ontwikkeling van de AOW-leeftijd met ingang van 2025 voor 2/3 wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting. Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordt vertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen.

AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.

Hoe hoog is de AOW?

De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%.

Tabel 3.8.5 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag en exclusief inkomensondersteuning AOW (in €)
 

1 juli 2019

Gehuwd / samenwonend

818,55

Alleenstaande

1.202,99

De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.

Budgettaire ontwikkelingen

De stijgende levensverwachting en de vergrijzing leiden de komende jaren tot een toename van het aantal AOW-gerechtigden en daarmee tot een stijging van de verwachte uitgaven aan de AOW. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-gerechtigde leeftijd dan weer wordt verhoogd.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen). Dit heeft een opwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.8.6 Kerncijfers AOW
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)

3.411

3.422

3.490

Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)

19

19

19

Noot 1: SVB, jaarverslag.

Handhaving

De kerncijfers over het door de SVB uitgevoerde handhavingsbeleid laten in tabel 3.8.7 een consequent beeld zien. Naar aanleiding van de gedaalde gepercipieerde detectiekans en kennis van de verplichtingen wordt extra voorlichting ingezet. De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.8.7 Kerncijfers AOW (fraude en handhaving)
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

67

61

52

Kennis van de verplichtingen (%)

88

84

82

Opsporing2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

3

11

13

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)4

0,9

0,9

0,7

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

3,2

3,3

3,1

Sanctionering

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

0,5

0,5

0,4

Aantal boetes (x 1.000)

0,5

0,5

0,4

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

0,6

0,7

0,6

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering

Incassoratio fraudevorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2018 (%)

57

52

26

Noot 1: Ipos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Noot 2: SVB, Jaarverslag.

Noot 3: Niet beschikbaar

Noot 4: Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

A4. Inkomensondersteuning AOW

In 2015 is een inkomensondersteuning voor AOW-gerechtigden geïntroduceerd die afhankelijk is van de opbouwjaren op grond van de AOW. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB en gefinancierd uit het Ouderdomsfonds.

Wie komt er voor in aanmerking?

De inkomensondersteuning AOW-gerechtigden (IOAOW) wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland. Hierdoor krijgen alleen personen die woonachting zijn in een niet-verdragsland geen inkomensondersteuning AOW (0,1% van de AOW-gerechtigden).

Hoe hoog is de inkomensondersteuning AOW?

De hoogte van de IOAOW is afhankelijk van het aantal AOW-opbouwjaren en bedraagt maximaal € 25,23 bruto per maand (prijspeil 2019). De IOAOW wordt jaarlijks geïndexeerd.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de stijgende levensverwachting en de vergrijzing van de bevolking neemt het aantal AOW’ers – en daarmee het aantal mensen dat recht heeft op de IOAOW – jaarlijks toe. Vanaf 2022 nemen de uitgaven minder snel toe, omdat de AOW-gerechtigde leeftijd dan weer wordt verhoogd.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen). Dit heeft een opwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente in box 3 betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.8.9 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Pensioen niet-belaste premie

19.180

20.184

21.108

Pensioen belaste uitkering

– 12.889

– 12.501

– 12.691

Pensioen vrijstelling box 3

7.143

7.276

7.427

Lijfrente premieaftrek

566

597

622

Lijfrente belaste uitkering

– 390

– 378

– 384

Lijfrente vrijstelling box 3

216

220

225

Aanvullende arbeidspensioenen

Aanvullend pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.

Beleidsrelevante kerncijfers

Als kerncijfers zijn het aantal pensioenfondsen opgenomen en het aantal pensioenfondsen met een beleidsdekkingsgraad onder de 130%, alsmede de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen na te komen. Bij voorgaande Begrotingen en Jaarverslagen is de actuele dekkingsgraad opgenomen. Vanaf onderhavige Begroting is de beleidsdekkingsgraad opgenomen (gemiddelde van de laatste twaalf actuele maandelijkse dekkingsgraden). Hiervoor is gekozen omdat pensioenfondsen de beleidsmatige dekkingsgraad moeten gebruiken om besluiten te nemen. Doordat de beleidsmatige dekkingsgraad kan verschillen van de actuele dekkingsgraad, kunnen de opgenomen realisatiegegevens afwijken van wat in eerdere jaren is gerapporteerd.

Het aantal pensioenfondsen neemt af. Het gaat hierbij vooral om de pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is weliswaar afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren, maar het aantal bij die fondsen betrokken deelnemers en gepensioneerden is echter groter dan in voorgaande jaren.

Tabel 3.8.10 Kerncijfers aanvullende pensioenen1DNB, statistiek toezicht pensioenfondsen.
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Totaal aantal pensioenfondsen2

219

219

208

 
Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%3

214

204

190

 

Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)

5.295

5.497

5.555

 

Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)

3.192

3.164

3.224

Noot 2: Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.

Noot 3: Beleidsdekkingsgraad.

Artikel