Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

5. Werkloosheid

Algemene doelstelling

De overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.

De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk loonvervangend inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.

Werklozen die bij instroom in de WW 60 jaar of ouder zijn, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW). Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen naar 60 jaar en 4 maanden.

Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  De vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;
  • •  Het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;
  • •  De sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;
  • •  De organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).

Beleidswijzigingen

Wet Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

In het regeerakkoord is aangekondigd dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd. Hierdoor hoeven oudere werklozen na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner «op te eten» voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning. Vanaf 2020 stijgt de leeftijdsgrens om voor de IOW in aanmerking te komen van 60 jaar naar 60 jaar en 4 maanden. Deze leeftijdsgrens blijft tot 2024 gehandhaafd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.5.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

104.008

131.305

115.743

110.377

116.683

127.935

141.935

Uitgaven

108.108

129.796

116.911

111.282

117.188

128.440

142.535

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

98.120

101.497

103.785

110.377

116.683

127.935

141.935

IOW

69.600

100.394

103.680

110.271

116.577

127.829

141.831

Cessantiawet (Caribisch Nederland)

20

103

105

106

106

106

104

Tijdelijke regeling tegemoetkoming Dagloonbesluit

28.500

1.000

0

0

0

0

0

               

Subsidies

4.947

15.241

2.768

905

505

505

600

Experimenten 50+

2.108

703

0

0

0

0

0

WW 50+

331

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeladvies 45+

636

13.750

1.600

0

0

0

0

Overige subsidies algemeen

1.872

788

1.168

905

505

505

600

               

Opdrachten

1.041

572

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.000

12.486

10.358

0

0

0

0

Scholing WW

4.000

12.486

10.358

0

0

0

0

               

Ontvangsten

3.398

10.772

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten IOW en Cessantiawet (Caribisch Nederland).

Subsidies:

De subsidies zijn voor 100% juridisch verplicht. Het betreft budget voor het Ontwikkeladvies voor vijfenveertigplussers, een centraal aanspreekpunt voor werkgevers en de Ambachtsacademie.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s:

De bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een tijdelijk budget voor het inkopen van scholingstrajecten voor werklozen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Het betreft budget van UWV dat bij de goedkeuring van het jaarplan UWV wordt vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.5.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

4.402.744

3.909.355

3.827.525

4.116.777

4.408.526

4.735.860

5.091.631

               

Inkomensoverdrachten

4.402.744

3.909.355

3.724.276

3.904.578

4.079.882

4.276.373

4.475.627

WW

4.402.744

3.909.355

3.724.276

3.904.578

4.079.882

4.276.373

4.475.627

               

Nominaal

0

0

103.249

212.199

328.644

459.487

616.004

               

Ontvangsten

301.000

253.000

260.068

266.823

273.491

280.319

288.009

Ufo

301.000

253.000

253.000

253.000

253.000

253.000

253.000

Nominaal

0

0

7.068

13.823

20.491

27.319

35.009

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

A1. Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW. Vóór 2020 geldt de minimumleeftijd van 60 jaar bij aanvang van de WW- of WGA-uitkering.

De IOW is een tijdelijke regeling. In het regeerakkoord is opgenomen dat de IOW vanaf 2020 met vier jaar wordt verlengd. Oudere WW’ers en WGA’ers kunnen in aanmerking komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2024 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • •  Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.
  • •  Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.

Hoe hoog is de IOW-uitkering?

Deze uitkering is maximaal 70% van het netto minimumloon. Dit is op 1 juli 2019 € 1.203,43 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto minimumloon als:

  • •  De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;
  • •  De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.

Budgettaire ontwikkelingen

De IOW-uitgaven stijgen op jaarbasis. Dit heeft onder meer te maken met de stijging van de AOW-leeftijd. Als de AOW-leeftijd hoger ligt, is de IOW-duur langer. Daarnaast is de instroom in de IOW hoger bij een hogere AOW-leeftijd, omdat meer mensen na hun WW- of loongerelateerde WGA-uitkering de periode tot AOW moeten overbruggen met een IOW-uitkering. Een andere factor die bijdraagt aan het oplopende uitgavenpatroon, is de verkorting van de maximale WW-duur van 38 naar 24 maanden. Dit leidt ertoe dat mensen eerder doorstromen van de WW naar de IOW, met als gevolg een hogere IOW-instroom en een langere IOW-duur.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.5.3 Kerncijfers IOW
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)

5,7

7,4

8,3

Noot 1: UWV, jaarverslag.

A2. Cessantiawet (Caribisch Nederland)

Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.

Budgettaire ontwikkelingen

Er wordt een in de tijd constant uitgavenpatroon verondersteld. In de praktijk kunnen uitgaven echter van jaar tot jaar sterk fluctueren, afhankelijk van het aantal bedrijven dat failliet is gegaan en het aantal betrokken werknemers. Specifieke kenmerken van de betrokken werknemers, zoals gemiddeld dienstverband en gemiddeld loon, kunnen ook sterk verschillen en de hoogte van de uitkeringslasten van jaar tot jaar beïnvloeden.

Beleidsrelevante kerncijfers

Tabel 3.5.4 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)

<0,1

<0,1

<0,1

Noot 1: RCN-unit SZW

A3. Werkloosheidswet (WW)

De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. De maximale duur is vanaf 2016 stapsgewijs – één maand per kwartaal – teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden per 1 april 2019. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. De WW wordt uitgevoerd door UWV.

Wie komt ervoor in aanmerking?

Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:

  • •  De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;
  • •  Verzekerd zijn voor de WW;
  • •  Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);
  • •  Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;
  • •  Beschikbaar zijn om te gaan werken;
  • •  Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;
  • •  Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;
  • •  Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);
  • •  Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;
  • •  Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.

Hoe hoog is de WW-uitkering?

De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2019 maximaal € 3.538,19 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 3.302,31 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).

Budgettaire ontwikkelingen

Naar verwachting dalen de WW-uitgaven in 2019 met circa € 495 miljoen en vervolgens met € 185 miljoen in 2020. De ramingen van het CPB geven voor 2019 een daling van de werkloosheid aan, maar vanaf 2020 verwacht het CPB een stijgende werkloosheid. Daarnaast groeien de effecten van de Wet werk en zekerheid (Wwz) geleidelijk in. De WW-duurverkorting, de aanpassing van het besluit passende arbeid en de invoering van inkomstenverrekening hebben daarbij in de komende jaren naar verwachting een neerwaarts effect op de WW-uitgaven. Omdat het CPB meerjarig verwacht dat de werkloosheid weer zal gaan toenemen, nemen de WW-uitgaven in latere jaren verder toe.

In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd naar aanleiding van het akkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel (zie ook Beleidswijzigingen artikel 8). Dit heeft een neerwaarts effect op de uitgaven, doordat mensen eerder de AOW-leeftijd bereiken. In paragraaf 2.2 tabel 2.2.6 wordt het meerjarige effect van het gehele pensioenakkoord per artikel weergegeven.

Beleidsrelevante kerncijfers

De werkloosheid zal in 2019 naar verwachting dalen en vanaf 2020 gaan stijgen. Dit leidt ertoe dat de totale WW-instroom in 2019 afneemt en in 2020 gaat stijgen. Het aantal beëindigde WW-uitkeringen valt in 2019 naar verwachting hoger uit dan het aantal nieuwe uitkeringen. Daarmee daalt het WW-volume in 2019. In 2020 ligt het aantal beëindigde WW-uitkeringen juist lager dan de totale instroom, waardoor het aantal lopende uitkeringen stijgt.

Tabel 3.5.5 Kerncijfers WW
 
Realisatie 20181

Raming 2019

Raming 2020

Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)

241

203

191

Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)

263

225

234

Aantal WW-instromers (x 1.000)

336

330

341

 

waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)

294

2

 
waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)3

42

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

403

368

331

Noot 1: UWV, jaarverslag.

Noot 2: Dit getal wordt niet geraamd.

Noot 3: Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.

Het WW-volume in tabel 3.5.5 wordt weergegeven in uitkeringsjaren. Dit is het gemiddeld aantal WW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar omgerekend naar voltijdsequivalenten. Daarnaast bevat tabel 3.5.5 het aantal lopende WW-uitkeringen per 31 december. De ontwikkeling van deze ultimostand kan worden verklaard uit de totale WW-instroom en -uitstroom gedurende het kalenderjaar.

Tabel 3.5.6 beschrijft de werkhervatting van WW’ers. Uit de cijfers blijkt dat er in 2018 meer vroege uitstroom plaatsvond dan het jaar ervoor. Meer mensen hervatten het werk binnen 3 maanden na instroom, en hetzelfde geldt voor werkhervatting binnen 12 maanden. Hoewel ook de oudere WW’ers vaker vroeg uitstromen, blijft een verschil met andere WW’ers bestaan.

Tabel 3.5.6 Werkhervatting uit de WW1UWV, jaarverslag.
 
Realisatie 20162

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aandeel werkhervatting binnen 12 maanden na instroom

35

27

31

 

waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar

37

28

32

 

waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder

24

21

24

         

Aandeel werkhervatting binnen 3 maanden na instroom

16

9

12

Noot 2: UWV, jaarverslag 2017.

Handhaving

De kerncijfers op het gebied van preventie (tabel 3.5.7) laten een stabiel beeld zien vergeleken met voorgaande jaren. Daarbij is sprake van een hoog kennisniveau van de verplichtingen.

De kerncijfers op het gebied van opsporing tonen een sterke daling in vergelijking met voorgaande jaren door een sterke afname van het aantal signalen, overtredingen en het benadelingsbedrag. Dit is enerzijds het gevolg van het dalend aantal WW-uitkeringen. Anderzijds wordt dit veroorzaakt doordat er sinds de invoering van de Wwz al bij de uitkeringsverstrekking rekening wordt gehouden met de inkomsten van een WW-gerechtigde, door de inkomstenopgave te vergelijken met de informatie uit de polisadministratie.

De incassoratio geeft weer in hoeverre fraudevorderingen ontstaan in een bepaald jaar ultimo 2018 zijn geïncasseerd. Dit percentage ligt hoger naarmate het ontstaansjaar van de vordering langer geleden is, omdat fraudevorderingen gedurende 10 jaar kunnen worden ingevorderd.

Tabel 3.5.7 Kerncijfers WW (fraude en handhaving)
   

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Preventie1

Gepercipieerde detectiekans (%)

81

79

78

Kennis van de verplichtingen (%)

96

97

96

Opsporing 2

Aantal onderzochte fraudesignalen (x 1.000)

20

15

3,7

Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3

14

10

1,0

Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)

22

21

5,5

Sanctionering

Aantal waarschuwingen (x 1.000)

2,5

4,5

1,7

Aantal boetes (x 1.000)

13

7,8

0,8

Totaal boetebedrag (x € 1 mln)

6,8

4,2

1,2

   

Ontstaansjaar vordering

   

2016

2017

2018

Terugvordering

Incassoratio boete + benadelingsbedrag ultimo 2018 (%)

63

55

30

Noot 1: Ipsos «Kennis der verplichtingen en detectiekans».

Noot 2: UWV, jaarverslag.

Noot 3: Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.

B. Subsidies

Het betreft middelen die in 2016 beschikbaar zijn gesteld voor het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers. Om aan te sluiten bij het kasritme van de subsidieregelingen voor het Ontwikkeladvies 45+ en voor de Ambachtsacademie, is een deel van het budget beschikbaar in 2020 en latere jaren. Medio 2020 wordt het evaluatierapport van het Actieplan Perspectief voor vijftigplussers opgeleverd.

C. Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Voor de jaren 2018–2020 zijn middelen aan UWV beschikbaar gesteld voor scholing naar kansberoepen. In 2018 bleef het gebruik van de scholingsregeling WW aanvankelijk achter bij de verwachting. Van de € 4 miljoen die in 2018 aan UWV was verstrekt, is circa € 2,4 miljoen niet besteed. Dit bedrag is toegevoegd aan het beschikbare budget voor 2019. Om het gebruik van de regeling in 2019 en 2020 te bevorderen is op verzoek van de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 35 000 XV, nr. 40) gezocht naar meer ruimte voor maatwerk. Dat is gevonden in de mogelijkheid tot een hogere financiële bijdrage en een langere duur van de scholing. Inmiddels ligt het gebruik van de regeling door de inzet van UWV hoger.

D. Ontvangsten

De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) op dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. De Ufo-ontvangsten worden meerjarig constant verondersteld.

Artikel