Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2020
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

1. Arbeidsmarkt

Algemene doelstelling

De overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.

De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.

De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:

  • •  Gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);
  • •  Arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);
  • •  Arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);
  • •  Toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);
  • •  De Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);
  • •  Maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Wet aanpak schijnconstructies (Was);
  • •  De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);
  • •  De Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).

Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;
  • •  De vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;
  • •  Het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;
  • •  Het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;
  • •  Het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;
  • •  Het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;
  • •  Het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;
  • •  De handhaving van de wet- en regelgeving door de Inspectie SZW.

De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.

Beleidswijzigingen

Wet tegemoetkomingen loondomein

De temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457) wordt deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. Het Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) wordt daarom met ingang van 2020 gehalveerd en met ingang van 2024 afgeschaft. Het hoge tarief van het Lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt met ingang van 2020 gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 euro per jaar. Hierdoor geldt er één tarief voor alle werknemers die onder het LIV vallen. Daarnaast gaan werkgevers in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wet tegemoetkomingen loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Leven lang ontwikkelen

In 2020 wordt gestart met een subsidieregeling voor het stimuleren van leven lang ontwikkelen voor het mkb en specifiek voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie. In samenwerking met OCW wordt de tegemoetkoming op grond van de Subsidieregeling praktijkleren voor bbl-plekken binnen drie sectoren met veel seizoenswerk verhoogd. Beide maatregelen komen voort uit twee moties: motie Wiersma en motie Heerma. Ook wordt samengewerkt met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in de subsidieregeling MKB!dee.

Als onderdeel van het pensioenakkoord zijn er extra middelen beschikbaar voor een subsidieregeling om duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen te stimuleren.

Wijziging Regeling en Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen

Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te bevorderen wordt in 2020 geregeld dat familie- of gezinsleden van buitenlandse zelfstandigen kunnen werken zonder in het bezit te hoeven zijn van een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Daarnaast wordt een pilot gestart om het voor Nederlandse en buitenlandse jonge, innovatieve bedrijven mogelijk te maken essentieel talent aan te trekken om (door) te groeien. In de pilot kunnen werknemers uit het buitenland onder soepelere voorwaarden worden aangetrokken dan nu het geval is.

EU-richtlijnen

Als uitvloeisel van EU-richtlijn 2014/67/EU wordt in 2020 de meldingsplicht ingevoerd voor dienstverleners uit andere lidstaten die hun werknemers in Nederland laten werken. Dit betekent dat dienstverrichters uit andere lidstaten die werkzaamheden in Nederland starten en daarvoor werknemers detacheren, hiervan melding moeten doen. De meldingsplicht kan alleen van start gaan als de afstemming tussen de ketenpartners is uitgewerkt en vertaald is naar het digitale systeem. Op basis van de gegevens kunnen de Inspectie SZW, de Belastingdienst en de SVB risicoanalyses doen voor de handhaving van wet- en regelgeving.

Op 28 juni 2018 is de herziene detacheringsrichtlijn aangenomen (EU-richtlijn 2018/957). Deze richtlijn moet uiterlijk 30 juli 2020 zijn geïmplementeerd. De herziene detacheringsrichtlijn heeft als doel een nieuwe en betere balans te vinden tussen enerzijds het bevorderen van het vrij verkeer van diensten in de Europese Unie en anderzijds de bescherming van de rechten van gedetacheerde werknemers.

Gezond en veilig werken

Op het gebied van gezond en veilig werken zijn er een aantal nieuwe maatregelen:

  • •  Naar aanleiding van de Beleidsreactie Asbest wordt in 2020 – naast andere maatregelen – om snel en eenduidig een oordeel te kunnen geven over validaties en innovatieve werkmethoden een Validatie- en Innovatiepunt (VIP) ingesteld met een belangrijke rol voor TNO en RIVM. Samen met het SMART-systeem wordt het functioneren van het asbeststelsel zo meer risicogericht en onafhankelijk gemaakt.
  • •  In 2020, parallel aan de Europese OSHA (Occupational Safety and Health Agency) campagne, wordt een bewustwordingscampagne gestart voor het risico van fysieke belasting.
  • •  Door roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik aan te pakken kan de gezondheid van heel veel Nederlanders verbeteren. Daarom heeft de rijksoverheid een Nationaal Preventieakkoord gesloten. In het Preventieakkoord is afgesproken dat VNO-NCW/MKB-Nederland samen met de ministeries van VWS en SZW de opzet van een aanpak Vitaal Bedrijf gaat verkennen. Eind 2019 is de inventarisatiefase afgerond zodat in 2020 de implementatiefase kan starten.
  • •  Mede naar aanleiding van het onlangs uitgebrachte advies van de Strategische Commissie Betere Regelgeving Bedrijven en het rapport van de Onderzoekscommissie Tilburg ChroomVI wordt verder gewerkt aan het verbeterprogramma. Het programma is gericht op de verbetering van de naleving van inventarisatie en evaluatie van risico’s (RI&E) bij kleine bedrijven.
  • •  De beleidsdoorlichting van begrotingsartikel 1 (2020), de evaluatie van de wijziging van de Arbowet, de verkenning verbetering arbobeleidscyclus en diverse monitors vormen in 2020 de basis om toe te gaan werken naar een nieuwe Arbovisie 2030/2040.

Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) en transitievergoeding

Per 2020 treedt een groot deel van de Wab in werking. Met het oog op het aanbrengen van een nieuwe balans op de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeidsovereenkomsten zijn meerdere maatregelen in deze wet opgenomen. De mogelijkheden om een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan worden verruimd (drie aansluitende contracten in maximaal drie jaar in plaats van in twee jaar), de transitievergoeding voor langdurige arbeidsovereenkomsten wordt verlaagd en tegelijkertijd ontstaat er vanaf de eerste dag van de arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding. Daarnaast worden regels gesteld ter voorkoming van permanente beschikbaarheid van werknemers met oproepcontracten, wordt bewerkstelligd dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden bij payrolling wordt voorkomen en wordt een WW-premie ingevoerd waarvan de hoogte afhankelijk is van de contractvorm. Tot slot komt er een regeling voor kleine werkgevers om de transitievergoeding te compenseren als zij (of hun erfgenamen) hun bedrijf moeten beëindigen wegens pensionering, ziekte of overlijden van de werkgever.

Naast de hierboven genoemde compensatieregeling wordt per 1 april 2020 ook de Regeling compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte ingevoerd. Het doel van de regeling is om dubbele kosten voor werkgevers bij langdurige ziekte van een werknemer tegen te gaan.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.1.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Verplichtingen

486.041

814.035

889.882

711.728

710.261

714.500

718.517

Uitgaven

486.149

812.626

890.667

712.147

710.774

714.568

718.585

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97,4%

       
               

Inkomensoverdrachten

473.582

792.526

810.000

631.965

629.844

633.944

638.043

Vakantiedagen

21

6

0

0

0

0

0

Lage-inkomensvoordeel

473.561

507.806

505.275

391.198

373.606

372.755

371.899

Minimumjeugdloonvoordeel

0

124.225

82.725

18.767

18.767

18.767

18.767

Loonkostenvoordelen

0

160.489

222.000

222.000

237.471

242.422

247.377

               
               

Subsidies

1.712

2.880

63.245

63.245

61.745

61.745

61.745

Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Stimuleringsregeling LLO in MKB

0

0

49.400

49.400

49.400

49.400

49.400

Overige subsidies algemeen

1.712

2.880

3.845

3.845

2.345

2.345

2.345

               

Opdrachten

6.716

12.089

11.912

11.647

10.195

10.339

10.257

               

Bekostiging

100

675

550

550

550

100

100

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

142

792

792

4.492

4.492

4.492

Ministerie van EZK

0

0

100

100

3.800

3.800

3.800

Ministerie van VWS

0

142

692

692

692

692

692

               

Bijdrage aan agentschappen

4.039

4.314

4.168

3.948

3.948

3.948

3.948

RIVM

4.039

4.314

4.168

3.948

3.948

3.948

3.948

               

Ontvangsten

16.717

13.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regelingen Lage-inkomensvoordeel (LIV), Loonkostenvoordelen (LKV’s) en Minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV).

Subsidies:

Het juridisch verplichte deel voor subsidies bedraagt 80%. Dit betreft subsidie voor de diversiteitscharter en verschillende subsidies op het terrein van gezond en veilig werken.

Opdrachten:

Het juridisch verplichte deel voor opdrachten bedraagt 13%. De middelen worden ingezet voor onderzoek ten behoeve van Certificering en Normalisatie (NEN) en voor het Nederlands centrum voor beroepsziekten.

Bekostiging:

Deze middelen dienen voor de bekostiging van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) en voor Netspar en zijn 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken:

De bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan onder meer de Gezondheidsraad en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).

Bijdragen aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierd

Tabel 3.1.2 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Raming 2024

Uitgaven

0

0

852.671

481.873

253.344

257.000

257.000

               

Inkomensoverdrachten

0

0

817.128

448.560

228.215

228.215

228.215

Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

0

0

817.128

413.560

193.215

193.215

193.215

Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

0

0

0

35.000

35.000

35.000

35.000

               

Nominaal

0

0

35.543

33.313

25.129

28.785

28.785

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten2

De inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Onder de Wtl vallen het Lage-inkomensvoordeel, het Minimumjeugdlooninkomensvoordeel en de Loonkostenvoordelen. Alle regelingen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten aan werkgevers voor het in dienst nemen van specifieke doelgroepen. De regelingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald. Werkgevers krijgen bijvoorbeeld in 2021 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2020 in dienst zijn. De Wtl-regelingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.

A1. Lage-inkomensvoordeel

Het Lage-inkomensvoordeel (LIV) bestaat sinds 2017. Het LIV is een tegemoetkoming in de loonkosten aan werkgevers met als doel om banen te creëren en te behouden voor werknemers met een laag inkomen. Met ingang van 2020 is de tegemoetkoming voor werkgevers per werknemer met een uurloon tussen de 100 en 125% van het minimumloon € 0,51 per uur en maximaal € 1.000 per kalenderjaar. Omdat het LIV bedoeld is om substantiële banen te creëren, behoren werknemers alleen tot de LIV-doelgroep als zij minimaal 1.248 uur gewerkt hebben.

Budgettaire ontwikkelingen

De begrote uitgaven aan het LIV dalen vanaf 2021 omdat met ingang van 2020 (uitbetaling in 2021) het hoge tarief van het LIV wordt gehalveerd van maximaal € 2.000 naar maximaal € 1.000 per jaar en vanaf 2022 vanwege de overige dekkingsmaatregelen die genomen zijn voor de temporisering van de AOW-leeftijd. Werkgevers gaan daarbij in overleg met het kabinet onderzoeken of voor het geheel aan instrumenten in de Wet Tegemoetkomingen Loondomein tot een effectievere invulling gekomen kan worden.

Daarnaast zijn er vanaf 2022 middelen gereserveerd voor het structureel maken van het LKV Banenafspraak. Hierdoor vallen naar verwachting minder mensen onder het LIV, waardoor de uitgaven van het LIV geleidelijk dalen. De instrumenten LKV en het LIV zijn namelijk niet tegelijk toepasbaar. De verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019 veroorzaakt een stijging van de begrote uitgaven. Hierdoor vallen meer werknemers onder het LIV.

A2. Minimumjeugdloonvoordeel

Het minimumjeugdloonvoordeel (Jeugd-LIV) bestaat sinds 2018. Het is geïntroduceerd als reactie op de verhoging van het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 (Tweede Kamer, 2016–2017, 34 573, nr. 5). Per 1 juli 2019 is het minimumloon voor jongeren andermaal omhooggaan. Het Jeugd-LIV compenseert werkgevers voor deze loonkostenstijgingen.

Budgettaire ontwikkelingen

De uitgaven aan het Jeugd-LIV dalen vanaf 2021. Het jeugd-LIV wordt met ingang van 2020 (uitbetaling 2021) gehalveerd en met ingang van 2024 (uitbetaling 2025) afgeschaft ter dekking van de temporisering van de verhoging van de AOW-leeftijd. Door de verlaging en afschaffing van het jeugd-LIV zullen werkgevers voor werknemers van 18 tot 21 jaar respectievelijk vanaf 2020 een lagere bijdrage en vanaf 2024 geen bijdrage meer ontvangen voor de hogere loonkosten door de verhoging van het minimumjeugdloon per 2017 en 2019. Daarnaast dalen de uitgaven door de verlaging van de leeftijd die recht geeft op het reguliere minimumloon per 1 juli 2019, waardoor sommige jongeren niet meer in het Jeugd-LIV vallen.

A3. Loonkostenvoordelen

De Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. Er zijn vier typen LKV: LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten, LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten en LKV Doelgroep Banenafspraak en scholingsbelemmerden. De LKV’s zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen.

LKV Ouderen, LKV Arbeidsgehandicapten en LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten

  • •  Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat recht op het LKV Ouderen.
  • •  Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben.
  • •  Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij een WAO-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten.

De tegemoetkoming voor het LKV Ouderen, het LKV Arbeidsgehandicapten en het LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten is € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van deze tegemoetkomingen is 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving. Uitzondering hierop is de LKV Herplaatsing Arbeidsgehandicapten.

LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden

Als een werkgever een werknemer onder de doelgroep Banenafspraak aanneemt, is er recht op het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden. Dit betreft bijvoorbeeld mensen die onder de Participatiewet vallen en geen wettelijk minimumloon kunnen verdienen, mensen die op een reguliere werkplek werken met een Wsw-indicatie en Wajongers met arbeidsvermogen. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Het voornemen is om de maximale duur van het LKV Banenafspraak en scholingsbelemmerden vanaf 2021 op te heffen. Tot die tijd is de maximale duur van de tegemoetkoming 3 jaar minus de eventuele tijd dat de werkgever voor de betreffende werknemer een mobiliteitsbonus ontving.

Budgettaire ontwikkelingen

Het LKV is per januari 2018 ingevoerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven aan het LKV doordat werkgevers nog bekend moeten raken met de nieuwe systematiek van de loonkostenvoordelen. Daarnaast zijn er vanaf 2022 middelen gereserveerd voor het structureel maken van het LKV Banenafspraak.

A4. Transitievergoeding na 2 jaar ziekte

Vanaf 1 april 2020 worden werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De regeling wordt met terugwerkende kracht ingevoerd. Voor 1 oktober 2020 dienen aanvragen voor compensatie van vergoedingen betaald tussen 1 juli 2015 en 31 maart 2020 te zijn ingediend. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding.

Budgettaire ontwikkelingen

Als gevolg van de invoering van de regeling met terugwerkende kracht is in 2020 en 2021 het begrote bedrag hoger dan in latere jaren.

A5. Compensatieregeling Transitievergoeding MKB

In 2021 start de compensatieregeling Transitievergoeding MKB. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de betaalde transitievergoeding. Over de jaren is een gelijk gebruik verondersteld.

B. Subsidies

Naast de uitgaven aan subsidies die bij budgetflexibiliteit zijn genoemd wordt onder andere nog circa € 1 miljoen ingezet voor het programma beroepsziekten. In 2020 start de subsidie Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen voor mkb-bedrijven en specifiek voor drie sectoren (landbouw, horeca en recreatie) voor jaarlijks ruim € 49 miljoen. Een gedeelte van de middelen (bijna € 11 miljoen) is overgeboekt naar het Ministerie van OCW om toe te voegen aan de bestaande subsidieregeling praktijkleren. Het bedrag wordt ondergebracht in een apart compartiment zodat werkgevers in de betreffende drie sectoren extra subsidie ontvangen voor het aanbieden van bbl-leerplekken bovenop het bedrag aan subsidie waarop zij op grond van de huidige regeling praktijkleren al aanspraak kunnen maken.

Onder dit begrotingsinstrument zijn middelen geplaatst (€ 10 miljoen) die zijn toegezegd bij het pensioenakkoord (Tweede Kamer, 2018–2019, 32 043, nr. 457) en zijn gereserveerd voor duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen. De vormgeving van maatregelen op dit terrein wordt nog uitgewerkt.

C. Opdrachten

Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Bijvoorbeeld voor het programma beroepsziekten en de campagne om arbeidsomstandigheden in de landbouw te verbeteren en veiliger te maken. Daarnaast zijn er middelen gereserveerd voor onderzoek en voorlichtingscampagnes.

D. Bekostiging

Het bedrag voor bekostiging betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen en de bijdrage aan Netspar.

E. Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan de begroting van het Ministerie van LNV ten behoeve van de financiering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). De bijdrage aan de begroting van het Ministerie van VWS bestaat grotendeels uit een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de Gezondheidsraad.

F. Bijdrage aan agentschappen

Het Ministerie van SZW levert jaarlijks een bijdrage aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

G. Ontvangsten

Dit betreft boeteontvangsten. Deze hangen onder andere af van het aantal inspecties en wat er wordt waargenomen bij deze inspecties. Tevens zijn de boeteontvangsten niet taakstellend voor de Inspectie SZW, waardoor niet wordt gestuurd op het behalen van de geraamde boeteontvangsten. De Inspectie stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Levensloopverlofkorting betrekking op dit beleidsartikel. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 3.1.3 Fiscale regelingen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € 1 miljoen)
 

Realisatie 2018

Raming

2019

Raming 2020

Arbeidskorting

18.966

18.752

21.084

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.027

1.743

1.752

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

997

822

846

Kerncijfers

Arbeidsmarkt

De arbeidsmarkt is krap. Gelukkig slagen steeds meer mensen erin de weg naar betaald werk te vinden. Het aantal werkenden is in 2018 wederom gestegen. De daling van het aantal werklozen heeft voor elke leeftijdscategorie doorgezet. In totaal waren er in 2018 nog 350 duizend mensen werkloos. Het werkloosheidspercentage van 2018 nadert de werkloosheid van voor de crisis (3,7% in 2008).

Tabel 3.1.4 Kerncijfers Arbeidsmarkt1CBS, Statline.
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Beroepsbevolking (x 1.000)

8.942

9.017

9.125

Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)

8.403

8.579

8.774

Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)

538

438

350

Werkloosheidspercentage

6,0

4,9

3,8

 

15 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)

10,8

8,9

7,2

 

25 tot 45 jaar

4,6

3,7

2,8

 

45 tot 75 jaar

5,6

4,4

3,6

De werkzame beroepsbevolking kan worden uitgesplitst in vaste en flexibele arbeidsrelaties en zelfstandigen. Het aandeel werkenden met een vaste arbeidsrelatie stijgt met het opleidingsniveau (Figuur 3.1.1). Vooral voor lager opgeleiden vormen flexibele arbeidsrelaties een relatief groot deel van de niet-vaste contractvormen. Het aandeel zelfstandigen is nagenoeg gelijk voor de verschillende opleidingsniveaus.

Figuur 3.1.1 Werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau Figuur 3.1.1 Werkzame beroepsbevolking: aandeel contractvorm naar opleidingsniveau

Bron: CBS, Statline

Gezond en veilig werken

In 2018 heeft 1,5% van de werknemers een arbeidsongeval gehad met ten minste een dag verzuim. Het ziekteverzuim is in 2018 ten opzichte van 2017 met 0,3%-punt toegenomen. Het betreft een beperkte toename; het ziekteverzuim is in de periode 2014–2018 0,5%-punt toegenomen. Werknemers verzuimden in 2018 gemiddeld 4,3 op de honderd werkdagen.

In 2018 vond 1 incident met gevaarlijke stoffen plaats. In meerjarig perspectief schommelt het aantal tussen 3 en 6. Het aandeel werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte is in 2018 ten opzichte van 2016 met een half procentpunt gestegen.

Tabel 3.1.5 Kerncijfers gezond en veilig werken
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)1

1,4

1,6

1,5

Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)2

1,1

1,3

Ziekteverzuim (%)3

3,9

4,0

4,3

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4

6

3

1

Naleving zorgplicht Arbowet (%)5

80

81

Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)6

3,2

3,7

Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)

1,9

1,8

Noot 1: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.

Noot 2: TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Noot 3: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.

Noot 4: Inspectie SZW, administratie, conform de waarde uit het EU-systeem. Een incident uit de realisatie 2017 heeft in 2016 plaatsgevonden.

Noot 5: Inspectie SZW, monitor Arbo in bedrijf. De monitor wordt tweejaarlijks uitgevoerd.

Noot 6: CBS/TNO, nationale enquête arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.

Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden

De ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt, kan deels worden toegeschreven aan cao’s die in het ene jaar wel, en het andere jaar geen actuele looptijd kennen. Daarnaast speel een rol dat niet elk jaar evenveel werknemers onder de lopende cao’s vallen.

Tussen 2017 en 2018 was er sprake van een toename van het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen. Er is een stijging in met name twee categorieën waargenomen, te weten tewerkstellingsvergunningen voor bijkomende werkzaamheden voor buitenlandse studenten en tewerkstellingsvergunningen voor kennismigranten voor kort verblijf.

Tabel 3.1.6 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaarden
 

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 2018

Aantal werknemers onder cao1 (x 1.000, ultimo)

5.551

5.518

5.615

 

waarvan direct gebonden bedrijfstak- en ondernemings-cao’s

4.793

4.714

4.790

 

waarvan gebonden door algemeen verbindend verklaring

758

804

825

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (twv) (x 1.000, ultimo)2

7,7

8,9

10

Noot 1: SZW, administratie.

Noot 2: UWV, jaarverslag.

Handhaving

De Inspectie SZW is de toezichthouder en opsporingsinstantie op het terrein van het Ministerie van SZW. Met haar toezicht draagt de Inspectie SZW bij aan gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Daarnaast voert de Inspectie SZW in opdracht van het Ministerie van VWS strafrechtelijke onderzoeken uit naar fraude in de zorg en signaleert ze op grond van bevindingen uit strafrechtelijke onderzoeken aan de Minister van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.

In het regeerakkoord 2017–2021 is € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW conform het Inspectie Controle Framework (ICF). Eind 2018 is dat bedrag aangevuld met een extra € 0,5 miljoen voor de aanpak van arbeids(markt)discriminatie bij werving en selectie (Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). Het regeerakkoord bevestigt hiermee het belang van handhaving als een randvoorwaarde voor een werkende arbeidsmarkt en een functionerend stelsel van sociale zekerheid. In de SZW Begroting 2018 en 2019 en in diverse Kamerbrieven zijn de met deze extra ICF-middelen te behalen doelen verwoord (Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 1; Tweede Kamer, 2017–2018, 34 775 XV, nr. 74; Tweede Kamer, 2018–2019, 35 000 XV, nr. 1; Tweede Kamer, 2018–2019, 29 544, nr. 846). De Inspectie SZW stuurt met de kengetallen «Inspectie Control Framework» op het behalen van deze doelen. Daarnaast investeert de Inspectie SZW in de verdere ontwikkeling van haar werkwijze. Naast de genoemde versterking van de inspectieketen betreft dit de verdere verankering binnen de organisatie van het programmatisch werken en de beweging van «streepjes naar effect». Dat uit zich onder meer in de opname van kengetallen voor het ICF in de SZW Begroting sinds 2018. Vanaf het Jaarplan Inspectie SZW 2018 wordt per programma het beoogde maatschappelijk effect verwoord en wordt hier in de Jaarverslagen van de Inspectie SZW over gerapporteerd.

In 2020 organiseert de Inspectie SZW haar activiteiten in 17 programma’s. Per programma wordt in het Meerjarenplan en Jaarplan aangegeven wat de beoogde maatschappelijke effecten zijn, met welke resultaten de Inspectie SZW wil bijdragen aan de realisatie ervan en met welke (mix van) interventies zij die resultaten wil realiseren. Hierbij maakt ze gebruik van een breed handhavingsinstrumentarium, variërend van (grensoverschrijdend) opsporingsonderzoek, stilleggingen, boetes, ketenafspraken en branche-voorlichting. Daarbij zoekt de Inspectie SZW de samenwerking met relevante publieke en private partners in de handhavingsketen. Dit alles gericht op maximaal maatschappelijk effect. De Inspectie SZW wil deze aanpak de komende jaren verder ontwikkelen. Daar waar effect wordt bereikt, is het vaak niet mogelijk om een causaal verband tussen interventies en effect aan te tonen. In die gevallen zal de Inspectie SZW zich richten op het plausibel maken van dit verband, zoals ook in het Jaarverslag 2018 per programma is gedaan. Dit borgt tevens een doeltreffende en doelmatige inzet van de uit het ICF voortvloeiende middelen. De Inspectie SZW gaat jaarlijks in haar Jaarplan specifieker in op de per programma beoogde resultaten en effecten. Het Jaarplan 2020 wordt in november openbaar gemaakt.

Naast het benoemen van de resultaten en effecten van de toezichtsprogramma’s, hanteert de Inspectie SZW een set indicatoren zoals opgenomen in tabel 3.1.7. Deze indicatoren geven op hoofdlijnen de ontwikkelingen van de in het ICF genoemde punten weer en de bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van maatschappelijk effect.

Inspectie Control Framework

De Inspectie SZW wil met de bij het regeerakkoord vrijgemaakte extra middelen de voor 2020 en 2023 geformuleerde ICF-doelen bereiken. Dat zijn voor 2020 een herstel van de balans tussen ongevalsonderzoeken en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Veilig en Gezond en verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Brzo-bedrijven naar tenminste 90%. Daarnaast wil de Inspectie SZW in 2023 het niveau van informatiegestuurd werken van 2 naar 3 brengen (zie de tweede voetnoot bij de tabel voor de definitie van deze niveaus). Bovendien streeft de Inspectie SZW naar een verdubbeling van de inspectiedekking eerlijk werk in 2023 naar 2%.

Capaciteitsinzet

De kerncijfers «Capaciteitsinzet» geven weer hoe de beschikbare capaciteit is verdeeld over de diverse domeinen. De beoogde capaciteitsverdeling is een uitvloeisel van de inzet van de ICF-middelen uit het regeerakkoord en de meerjarenprogrammering van de Inspectie SZW. Het streven is dat in 2023 het relatieve aandeel van toezicht op «oneerlijk werk» zal zijn toegenomen.

Effect

De bijdrage van de Inspectie SZW aan de realisatie van het beoogde maatschappelijk effect wordt op hoofdlijnen afgemeten aan de informatie over het handhavingspercentage. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt een indicatie voor de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om risicogericht werkgevers te bezoeken die de wet overtreden. Het streven is dat bij meer dan de helft van de bij eerste inspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de Inspectie SZW erin slaagt om een gedragsverandering te realiseren bij niet-nalevende werkgevers. Het streven is dat bij meer dan de helft van de bij herinspectie bezochte bedrijven hiervan sprake is.

Tabel 3.1.7 Inspectie SZW: Inspectie Control Framework, capaciteitsinzet en effect
 

Realisatie

Raming

Raming

Raming

 

2018

2019

2020

2023

1. Inspectie Control Framework

       

Verhouding actief/reactief Veilig & Gezond (excl. Brzo; %)

24:76

1

50:50

 

Deelname Inspectie SZW aan gezamenlijke Brzo inspecties (%)

56

>90

 
Niveau informatiegestuurd werken (schaal 0–5)2

3

Inspectiedekking Eerlijk werk (%)3

2

         
2. Capaciteitsinzet4
       

Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

43

35

Bedrijven met Gevaarlijke Stoffen (BmGS; incl. Brzo; %)

11

10

Eerlijk (%)

43

53

Werk en Inkomen (%)

3,0

2

         

3. Effect

       

Handhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

57

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Brzo; %)

12

<50

<50

<50

Handhavingspercentage Brzo5 (%)

47

40

40

<40

Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk (%)

52

>50

>50

>50

Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk (%)

27

<50

<50

<50

Noot 1: De Inspectie SZW heeft voor de tussenliggende jaren geen tussentijdse doelen geformuleerd. De uitbreiding richt zich op doelen in 2020 en 2023. Voor de tussenliggende jaren zijn geen betekenisvolle doelen mogelijk.

Noot 2: Definitie niveau 2: «Interne informatie wordt gestructureerd verzameld in de eigen organisatie en informatie geeft antwoord op wat het probleem is». Definitie niveau 3: «Interne en externe informatie wordt gestructureerd verzameld en geanalyseerd. Informatie heeft een sturende rol».

Noot 3: Betreft het aandeel bedrijven waar de Inspectie SZW toezicht heeft gehouden ten opzichte van alle bedrijven waar oneerlijk werk een potentieel risico is. Voor 2018 is geen realisatie beschikbaar. Het kengetal wordt de komende jaren geconcretiseerd, waarbij naast inspecties ook het bereik van andere interventies meegenomen wordt.

Noot 4: Betreft alleen de capaciteitsinzet in de programma’s.

Noot 5: Bij Brzo-inspecties is er geen zinvol onderscheid tussen eerste en herinspectie, omdat het toezicht blijft gehandhaafd totdat elke geconstateerde onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.

Artikel

Noot 2: De inkomensoverdrachten op dit artikel betreffen overdrachten aan werkgevers.