Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

1.2 De economische situatie van Nederlandse huishoudens

Nederlanders merken in het dagelijks leven steeds meer dat het beter gaat. De Nederlandse economie staat er goed voor, zoals blijkt uit de hiervoor gepresenteerde macro-economische cijfers en internationale ranglijsten. De ambitie van het kabinet is dat Nederland er niet alleen op vooruitgaat in de statistieken, maar dat Nederlanders deze vooruitgang ook ervaren. Als groepen niet meeprofiteren en achterblijven, leidt dat namelijk tot spanningen en gevoelens van onbehagen en vervreemding. Juist daarom is het verstandig om door te gaan met de dubbele doelstelling van het kabinet om enerzijds te investeren in de samenleving en anderzijds de overheidsfinanciën verder op orde te brengen. Het is goed nieuws dat steeds meer Nederlanders tevreden zijn over de economie: ruim 80 procent van de huishoudens geeft een voldoende aan de Nederlandse economie en aan hun eigen financiële positie.12 In 2018 gaat het betere economische sentiment voor het eerst ook samen met meer optimisme over de hele linie: bijna de helft van de Nederlanders vindt nu dat het eerder de goede dan de verkeerde kant op gaat met Nederland. Het feit dat ook veel Nederlanders dat niet vinden, geeft echter aan dat er nog steeds zorgen zijn in de samenleving. Zo zijn sommige groepen, zoals jongeren en studenten, werklozen en mensen met een lager inkomen, gemiddeld minder positief over hun eigen financiële situatie dan over de economie als geheel.13 Ook maakt een groeiend aantal mensen zich zorgen over armoede. Tijdens de financiële crisis is het aandeel huishoudens met een (relatief) laag inkomen toegenomen. De afgelopen jaren is deze groep weer wat kleiner geworden, maar nog niet terug op het niveau van voor de crisis. In 2016, het laatste jaar waarover cijfers bekend zijn, liep 6,8 procent van de bevolking het risico op armoede.14
Figuur 1.2.1 Positiever sentiment Nederlanders over economie en samenleving

Bron: SCP.

De koopkracht groeit in 2019 dankzij de aantrekkende lonen en de lagere lasten op arbeid. De mediane statische koopkracht stijgt in 2019 naar verwachting met 1,5 procent. De koopkracht van werkenden groeit volgend jaar met 1,6 procent het sterkste, maar ook gepensioneerden (1,5 procent) en uitkeringsgerechtigden (0,9 procent) gaan er meer op vooruit dan in 2018. Niet alleen de loonstijging zorgt voor extra besteedbaar inkomen, maar ook het kabinet levert een bijdrage met de lastenverlichting die vanaf 2019 gefaseerd ingaat. Dit staat verder toegelicht in paragraaf 2.3. Daardoor houden huishoudens meer geld over van elke euro die ze verdienen. Het kabinet heeft in augustus verdere maatregelen genomen, zoals toegelicht in paragraaf 2.1, waardoor met name lage- en middeninkomens er vaak meer op vooruitgaan.

Veel Nederlanders gaan erop vooruit door het vinden van werk of maken van promotie. De (statische) koopkracht meet de verandering van het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens, bij gelijke omstandigheden. De praktijk is echter dat deze omstandigheden vaak wijzigen. Zo hebben veranderingen in gezinssituatie en werkkring veel impact. In economisch goede tijden zijn dit veelal wijzigingen in de goede richting: mensen vinden weer een baan, gaan meer uren werken of maken promotie. Deze gebeurtenissen kunnen zorgen voor koopkrachtveranderingen van tientallen procenten. Het totaal aantal gewerkte uren neemt in 2018 en 2019 met respectievelijk 2,1 en 1,5 procent toe en de incidentele loonstijgingen – als gevolg van promotie of baanwisseling – bedragen respectievelijk 0,6 en 0,8 procent. Mede hierdoor groeit de reële beloning van de groep werkenden aanzienlijk sneller dan de statische mediane koopkracht. In 2018 en 2019 groeit de totale beloning van werkenden naar verwachting zelfs sneller dan het bbp. De toename van het aantal gewerkte uren en de incidentele loonstijging (door bijvoorbeeld promotie op het werk) zorgen beide voor een toename van het inkomen boven op het koopkrachtcijfer. De verlaging van de inkomstenbelasting zorgt ervoor dat een groter deel van het verdiende inkomen van werkenden terechtkomt in de portemonnee van huishoudens. Ondanks dat veel Nederlanders erop vooruitgaan, zijn er nog steeds mensen die hun baan verliezen of die er niet in slagen een nieuwe baan te vinden. Gelukkig wordt deze groep steeds kleiner en gaan de meeste huishoudens er meer op vooruit dan de statische koopkrachtcijfers suggereren.

De inkomensongelijkheid is in Nederland stabiel. De Nederlandse inkomensongelijkheid is lager dan in de meeste andere westerse landen: zowel binnen de EU als binnen de OESO is de Nederlandse Gini-coëfficiënt lager dan het gemiddelde.15 Door de jaren heen, ook tijdens de crisis, is de ongelijkheid in Nederland behoorlijk stabiel gebleven, mede dankzij ingrijpen van de overheid. De primaire ongelijkheid, die geen rekening houdt met belastingen, uitkeringen en toeslagen, is de afgelopen vijftien jaar licht toegenomen, terwijl de uiteindelijke ongelijkheid van het besteedbaar inkomen van huishoudens stabiel bleef. Dat betekent dat de overheid de inkomensverschillen heeft gedempt. Dat blijft naar verwachting ook in de toekomst zo. Het Regeerakkoord leidt volgens het CPB tot een kleine daling van de inkomensverschillen. Het is helder dat het vermogen in Nederland minder gelijk verdeeld is over huishoudens dan de inkomens. Dit komt onder andere doordat vermogen wordt opgebouwd over de levensloop, terwijl ongelijkheid in inkomen tussen huishoudens wordt gemeten over één jaar. In internationaal opzicht zijn cijfers over vermogensongelijkheid moeilijk vergelijkbaar en ze bieden geen compleet beeld. Het pensioenvermogen, dat meer dan de helft van het (netto) vermogen van Nederlandse huishoudens beslaat, wordt niet meegenomen in de statistiek. In landen met een ander pensioensysteem wordt dit vermogen wel meegerekend. Bovendien laten de cijfers niet zien of mensen in de samenleving ook gelijke kansen krijgen. Voor gelijke kansen zijn goed en toegankelijk onderwijs een belangrijke voorwaarde. Daarom trekt het kabinet daarvoor extra geld uit (zie ook paragraaf 2.2).
Nederlandse huishoudens bouwen hun schulden licht af. Nederlandse huishoudens hebben «lange balansen», dus zowel grote vermogens als hoge schulden. Dat vermogen zit vooral in het pensioen en de eigen woning, en daar staan hoge hypotheekschulden tegenover. Dat kan een economische neergang versterken.16 Onderstaande grafiek laat zien dat de vermogens en schulden van Nederlandse huishoudens de afgelopen decennia sterk zijn gegroeid. Sinds de crisis dalen de schulden van huishoudens licht, maar ze blijven in internationaal opzicht hoog. De daling van de schulden is mede het gevolg van het woningmarktbeleid, zoals de invoering van de aflossingseis en het beperken van het maximale tarief waartegen de hypotheekrente kan worden afgetrokken. Als de huizenprijs daalt, houden huishoudens met een hoge hypotheek mogelijk een restschuld over als ze hun huis willen verkopen. Als de rente stijgt, kan dit leiden tot hogere maandlasten. Gemiddeld gezien hebben Nederlandse huishoudens nog grotere vermogens, zowel in hun pensioen als in de eigen woning, maar die zitten grotendeels «vast»: je pensioen ontvang je pas na pensionering, en het is een grote stap om je huis te verkopen bij financiële problemen. Niet alleen hypotheekschulden, maar ook andere schulden kunnen leiden tot financiële problemen. Er zijn in Nederland 1,4 miljoen huishoudens die een problematische schuld hebben, of een risico daarop lopen. Het kabinet heeft daarom samen met maatschappelijke partners een brede schuldenaanpak in gang gezet.17
Figuur 1.2.2 Vermogen Nederlandse huishoudens blijft hoog, schulden dalen licht (procent bbp)

Bron: DNB.