Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

9. Fiscale regelingen

9.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.22 Het betreft verschillende soorten regelingen, zoals aftrekposten, vrijstellingen, heffingskortingen en verlaagde tarieven.

Het monitoren van fiscale regelingen is van belang voor transparante Rijksfinanciën. De regelingen hebben immers een budgettair belang. In de hieronder gepresenteerde tabellen wordt inzichtelijk wat de omvang van de verschillende regelingen is en hoe deze zich ontwikkelt. Ook het evalueren van fiscale regelingen is essentieel om het beleid te kunnen verbeteren. Deze bijlage besteedt aandacht aan de evaluaties die afgelopen jaar zijn uitgevoerd en de evaluaties die gepland staan voor komende jaren. Aangezien het doel van deze bijlage is om beleidsrelevante informatie te leveren, is het getoonde overzicht van fiscale regelingen breder dan alleen de zogenoemde belastinguitgaven, die tot 2016 werden vermeld. Dit jaar is ook het budgettaire belang van de fiscale faciliteiten in de Natuurschoonwet toegevoegd aan het overzicht.

Een toelichting op de regelingen is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» en bestaat uit een beschrijving van de regeling, de doelstelling, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de regeling betrekking heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie, het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie en de ramingsgrond. In die bijlage staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2018 en 2019 in een beleidsmatig deel en een endogeen deel. Fiscale regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, worden niet in deze bijlage vermeld, maar zijn wel opgenomen in genoemde toelichtende bijlage.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht is opgenomen in paragraaf 9.3. De twee daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 9.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2019 worden aangekondigd en andere maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 9.5 presenteert de benchmarktoets en gaat in op de belangrijkste endogene ontwikkelingen en (technische) bijstellingen van het budgettaire belang. Tot slot schenkt paragraaf 9.6 aandacht aan de evaluaties in het fiscale domein die sinds de Miljoenennota 2018 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2018–2021.

9.2 Samenvatting

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van fiscale regelingen tussen 2014 en 2019. In 2018 en verder speelt een aantal beleidsmaatregelen een grote rol in de budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen. In het oog springen de uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld, de afschaffing van de BPM-teruggaaf voor taxi’s en van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden, de beperking van het voordeel van de innovatiebox en de inkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling. Ook meer algemene maatregelen zoals de verhoging van het verlaagde btw-tarief, de verlaging van de (aftrek)tarieven in de inkomstenbelasting en de verhoging van de algemene heffingskorting hebben een effect op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Voor drie fiscale regelingen met een sterke groei van het gebruik, de salderingsregeling in de energiebelasting, de innovatiebox en de 30%-regeling, zijn door het kabinet voorstellen gedaan om de budgettaire kosten in te dammen. Enkele andere regelingen met een grote endogene bijstelling zijn de mkb-winstvrijstelling en de faciliteiten voor nulemissievoertuigen. Tot slot wordt naar aanleiding van de evaluaties van de EIA, MIA en Vamil de looptijd van de horizonbepalingen voor deze regelingen vijf jaar naar achteren geschoven.

9.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 9.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2014 tot en met 2019. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2014 en 2019. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen. Endogene ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die niet het gevolg zijn van beleid, maar van andere factoren die het gebruik van een regeling beïnvloeden, zoals de economische ontwikkeling.

Tabel 9.3.1. Fiscale regelingen 2014–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Gemiddeld % groei '14–'192

Persoonsgebonden aftrek

             

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

237

216

218

212

225

222

– 1,3%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

339

346

358

366

375

367

1,6%

Aftrek specifieke zorgkosten

284

265

269

269

269

254

– 2,2%

Aftrek uitgaven monumentenpanden

58

57

66

53

67

0

n.v.t.

Onderhoudsverplichtingen aftrek

338

338

319

319

319

311

– 1,6%

Belaste ontvangen alimentatie

– 198

– 198

– 197

– 197

– 197

– 189

– 1,0%

Inkomensvoorzieningen

             

Pensioen niet-belaste premie

19.742

17.579

17.290

18.897

19.780

20.467

0,7%

Pensioen belaste uitkering

– 12.269

– 12.262

– 12.399

– 12.759

– 13.024

– 12.643

0,6%

Pensioen vrijstelling box 3

5.961

7.195

7.124

7.235

7.193

7.340

4,2%

Lijfrente premieaftrek

536

507

500

546

572

593

2,0%

Lijfrente belaste uitkering

– 346

– 368

– 370

– 381

– 389

– 378

1,7%

Lijfrente vrijstelling box 3

168

216

213

216

215

219

5,4%

FOR aftrek

165

157

164

169

170

168

0,4%

FOR belaste afneming

– 111

– 99

– 99

– 99

– 99

– 95

– 3,0%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

523

515

507

523

544

554

1,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

– 415

– 410

– 397

– 412

– 428

– 426

0,5%

Reisaftrek OV

10

9

9

9

9

9

– 2,9%

Middelingsregeling3

89

90

84

89

89

89

0,0%

(Eigen) woning

             

Hypotheekrenteaftrek

13.492

13.207

12.549

11.244

10.269

9.806

– 6,2%

Aftrek financieringskosten eigen woning

139

224

212

238

219

193

6,8%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

27

28

29

30

31

31

2,5%

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

23

25

27

29

30

30

5,5%

Eigenwoningforfait

– 2.946

– 3.069

– 3.125

– 3.257

– 3.258

– 3.366

2,7%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

513

529

563

604

621

626

4,1%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

783

33

37

190

190

190

– 24,7%

OVB Verlaagd tarief woning

1.723

1.949

2.521

3.000

3.075

3.241

13,5%

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing

2

28

16

45

69

193

149,4%

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

10

10

10

0,0%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

896

946

978

979

971

955

1,3%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

25

25

26

27

28

30

3,9%

Vrijstelling groen beleggen box 3

50

47

46

44

39

37

– 5,9%

Heffingskorting groen beleggen box 3

31

29

28

27

26

25

– 4,5%

Heffingvrij vermogen box 3

1.410

1.456

1.594

1.155

919

900

– 8,6%

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

33

35

35

37

37

38

3,0%

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

             
Zelfstandigenaftrek4

1.660

1.645

1.694

1.737

1.780

1.747

1,0%

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

95

102

107

112

112

1,2%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

– 0,2%

Stakingsaftrek

15

14

14

14

14

13

– 2,1%

Aftrek speur-  en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

– 0,9%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

– 0,8%

Doorschuiving stakingswinst

232

245

250

262

273

276

3,5%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

96

98

100

102

104

106

2,1%

Mkb-winstvrijstelling

1.520

1.545

1.684

1.768

1.857

1.894

4,5%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

17

17

17

17

17

17

– 0,4%

Innovatiebox

1.081

1.264

1.368

1.554

1.502

1.562

7,6%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

359

338

348

364

381

379

1,1%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

124

107

144

135

147

147

3,5%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

58

102

108

114

99

107

13,0%

VAMIL

25

30

20

27

40

32

5,1%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

120

116

– 0,7%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

1.596

1.533

1.471

1.409

1.347

4,0%

Bosbouwvrijstelling

5

3

2

2

2

2

– 16,1%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

7

7

11

11

11,4%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

104

110

114

118

123

128

4,2%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

16

16

16

0,9%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

406

379

430

430

430

430

1,2%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

199

203

207

211

215

219

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

5

6

6

6

7

7

4,6%

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

232

154

n.v.t.

Loonbelasting

             

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

780

769

1.208

1.182

1.163

1.205

9,1%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

25

25

25

– 0,8%

30%-regeling

699

806

850

968

1.045

742

1,2%

Afdrachtvermindering zeevaart

113

113

112

111

111

111

– 0,4%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

110

114

115

118

122

122

2,0%

Heffingskortingen

             

Algemene heffingskorting

21.695

22.426

19.707

19.765

19.818

21.612

– 0,1%

Arbeidskorting

11.718

12.934

17.229

18.328

18.836

18.490

9,6%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.582

1.613

1.953

2.001

2.058

1.778

2,4%

Jonggehandicaptenkorting

173

179

178

178

178

180

0,8%

Alleenstaande ouderenkorting

508

521

517

509

480

456

– 2,2%

Ouderenkorting

2.421

2.471

2.735

2.953

3.231

3.704

8,9%

Energiebelasting

             

Verlaagd tarief glastuinbouw

83

106

126

127

136

161

14,1%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

31

26

25

29

23

22

– 6,7%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

3

5

5

6

7

8

21,6%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

0

1

2

3

n.v.t.

Salderingsregeling

66

83

100

140

199

250

30,5%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

63

73

82

83

89

98

9,3%

Belastingvermindering per aansluiting

2.449

2.471

2.493

2.441

2.460

2.070

– 3,3%

Omzetbelasting

             

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

7.075

7.267

7.744

7.983

8.264

6.844

– 0,7%

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.512

1.568

1.644

1.684

1.682

1.378

– 1,8%

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

928

970

1.194

1.173

1.196

981

1,1%

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

1.131

1.216

891

938

966

796

– 6,8%

Verlaagd tarief overig

1.720

1.856

1.997

2.087

2.171

1.810

1,0%

Kleineondernemersregeling

130

141

152

159

165

172

5,7%

Auto

             

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

0

2

3

4

7

9

91,4%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

3

5

8

12

19

26

53,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

30

46

69

92

141

190

45,0%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

628

805

723

510

374

80

– 33,7%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

44

38

54

90

68

68

8,8%

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

50

49

46

48

47

46

– 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

11

12

15

13

12

12

0,9%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

24

25

25

25

25

26

1,5%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

738

765

801

826

873

909

4,2%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

14

15

15

15

15

15

1,1%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

45

48

51

58

61

64

7,2%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

32

25

22

19

17

14

– 15,2%

MRB Kwarttarieven

118

125

133

141

150

159

6,1%

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

32

37

38

38

5,9%

Noot 2: Als de regeling nog niet bestond in 2014 of het budgettaire belang van 2014 niet bekend is, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het jaar dat de regeling bestaat.

Noot 3: Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

Noot 4: In de cijfers van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek zit een reeksbreuk tussen 2014 en 2015, omdat de berekeningswijze van het budgettaire belang is gewijzigd.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal over het gebruik van een regeling. Meestal betreft dit realisatiecijfers die volgen uit de aangiftegegevens van de Belastingdienst. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cursieve cijfers zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2015 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat – deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2015 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2016 gemaakt – deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen kwantitatieve informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. Doordat belastingplichtigen meerdere aftrekposten kunnen hebben, is met deze wijze van berekenen het budgettaire belang van de aftrekposten feitelijk niet optelbaar.23 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

9.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 9.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de betreffende wetsvoorstellen.

Tabel 9.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in vaste prijzen (x € miljoen)1[+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [–] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe.
 

2018

2019

2020

structureel

Nota’s van wijziging Belastingplan 2018

       

Uitfaseren aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

 

24

52

1.117

Verhogen heffingvrij vermogen box 3

– 122

– 122

– 122

– 122

Verhogen effectief tarief innovatiebox naar 7%

124

124

124

124

Geleidelijk afschaffen uitbetaalbaarheid inkomensafhankelijke combinatiekorting en arbeidskorting

 

78

72

56

Verhogen en introduceren geleidelijke afbouw ouderenkorting

 

– 430

– 430

– 430

         

Pakket Belastingplan 2019

       

Aftrekposten geleidelijk naar basistarief inkomstenbelasting

   

382

588

Verlagen eigenwoningforfait

   

– 204

– 862

Vermindering verhuurderheffing t.b.v. duurzame woningen

 

– 26

– 52

– 104

Verkorten maximale looptijd 30%-regeling naar 5 jaar t.a.v. looninkomen

 

369

337

241

Verhogen algemene heffingskorting

 

– 1.721

– 2.778

– 3.276

Verhogen maximum arbeidskorting en steiler afbouwen

 

766

– 403

– 1.201

Vast bedrag in de IACK naar 0 euro en verhogen opbouwpercentage

 

190

190

190

Geen IACK en arbeidskorting voor mensen met een ZW-uitkering zonder werk

   

66

165

Verlagen belastingvermindering per aansluiting energiebelasting

 

410

410

410

Verhogen verlaagd btw-tarief 6% naar 9%

 

2.987

2.987

2.987

Moderniseren kleineondernemersregeling btw

   

0

0

Verruimen Nederlandse btw-sportvrijstelling

 

225

225

225

Afschaffen BPM teruggaafregeling taxi’s

   

18

35

         

Overig

       

Afschaffen aftrek uitgaven monumentenpanden, omvormen tot subsidie

 

62

62

62

Verhogen budget MIA

 

– 8

– 8

– 8

Verlagen budget Vamil

 

8

8

8

Naast deze maatregelen hebben ook enkele tariefsmaatregelen invloed op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Zo daalt door de invoering van het tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting het gemiddelde marginale tarief waartegen aftrekposten kunnen worden afgetrokken. Wanneer vanaf 2020 het maximale aftrektarief van een aantal aftrekposten wordt beperkt (vanaf 2023 nog maximaal het basistarief in de inkomstenbelasting), daalt het gemiddelde marginale tarief nog verder. De aanpassing van de tarieven in de energiebelasting heeft invloed op de fiscale regelingen op dat terrein. Het effect van specifieke en algemene beleidsmaatregelen op het budgettaire belang in 2019 is terug te vinden in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen».

9.5 Benchmarktoets en opvallende ontwikkelingen

Tabel 9.5.1 biedt inzicht in een aantal opvallende (endogene) ontwikkelingen in de ramingen van fiscale regelingen. De tabel presenteert de bijstelling in het budgettaire belang dat voor 2017 wordt geraamd ten opzichte van de Miljoenennota 2018 (de benchmark). Ook wordt de absolute endogene groei en de gemiddelde procentuele endogene groei per jaar tussen 2017 en 2019 gegeven. De tabel bevat alleen de fiscale regelingen waarbij de geraamde endogene ontwikkeling in 2018 en 2019 gemiddeld (absoluut) groter dan 8% per jaar is en/of de bijstelling voor 2017 (absoluut) groter dan 8% is.

Tabel 9.5.1. Nadere toelichting mutatie ten opzichte van benchmark 2017 (x € miljoen)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2017 MN2018

Bijstelling 2017 MN2019

Bijstelling in %

Endogeen 2018–2019

Endogeen in % per jaar

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

574

– 51

– 8,9%

47

4,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

– 460

48

– 10,5%

– 37

4,5%

Aftrek financieringskosten eigen woning

280

– 42

– 15,0%

– 36

– 8,0%

Vermindering verhuurderheffing

23

22

95,7%

108

60,4%

Mkb-winstvrijstelling

1.635

133

8,2%

181

5,1%

Innovatiebox

1.687

– 133

– 7,9%

227

8,0%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

405

– 41

– 10,1%

31

4,2%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

362

32,6%

– 124

– 4,3%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

383

47

12,3%

0

0,0%

30%-regeling

901

67

7,5%

132

8,0%

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

24

5

23,2%

– 12

– 19,9%

EB Salderingsregeling

120

20

16,7%

98

28,1%

EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

12

16,6%

0

0,0%

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.568

– 396

– 25,2%

53

2,2%

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

660

278

42,1%

57

3,0%

BTW Verlaagd tarief overig

1.877

209

11,1%

180

4,2%

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

4

0

10,8%

6

63,0%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

12

0

0,0%

14

49,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

86

6

7,0%

101

45,5%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

529

– 19

– 3,6%

– 305

– 45,9%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

51

39

78,1%

– 15

– 7,4%

In navolging van het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte wordt het budgettaire belang afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling.24 Hierbij ligt de nadruk op de endogene ontwikkeling en niet op de ontwikkelingen die volgen uit beleidsmaatregelen. Hieronder wordt de ontwikkeling van een aantal posten nader toegelicht.

Algemeen

Vanaf dit jaar is de berekening van het budgettaire belang van de aftrekposten in de inkomstenbelasting gewijzigd. Het effect van de algemene heffingskorting op het verzilveren van het fiscale voordeel is nu consistent bij al deze regelingen berekend op basis van aangiftecijfers van de Belastingdienst. Dit beïnvloedt de berekende gemiddelde marginale tarieven. De omvang van dit effect verschilt sterk tussen de regelingen en heeft in slechts een paar gevallen geleid tot een substantiële bijstelling van de raming.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek en belaste uitkering

De raming van het budgettaire belang van de premieaftrek en de belaste uitkering in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in 2017 is omlaag bijgesteld ten opzichte van de raming voor 2017 in de vorige Miljoenennota. Dit komt met name door wijzigingen in de ramingsmethode. Ten eerste komt het gemiddelde marginale tarief en daarmee het budgettaire belang lager uit door de hierboven omschreven algemene aanpassing van de berekening van de samenloop met de heffingskorting. Ten tweede is voor de ramingsjaren na het laatste realisatiejaar op een andere, lagere raming van de groeivoet overgestapt. Voorheen werd aangenomen dat de premieontwikkeling de ontwikkeling van de pensioenpremie volgt. Inmiddels blijkt uit de realisatiecijfers dat de loonontwikkeling een betere voorspeller is.

Vermindering verhuurderheffing

Dit betreft de heffingsvermindering voor de aanpak van urgente maatschappelijke opgaven die in 2014 op verzoek van de Tweede Kamer is opgenomen en de heffingsvermindering voor bouw van goedkope huurwoningen die in 2017 is toegevoegd. De realisatie van de vermindering verhuurderheffing voor 2017 blijkt aanzienlijk hoger dan vorig jaar geraamd. Voor de jaren 2014 tot en met 2021 is er in totaal € 698,5 miljoen beschikbaar voor deze verminderingen van de verhuurderheffing. In april 2018 was voor ongeveer € 800 miljoen aan heffingsvermindering aangemeld. Rekening houdend met het feit dat niet alle aanvragen tot realisatie leiden, is de regeling per 1 juli 2018 stopgezet om te voorkomen dat het totale beschikbare budget overschreden wordt.

De heffingsvermindering wordt pas na realisatie definitief toegekend. Dit verklaart de geringe bedragen vanaf 2014 en de substantiële oploop vanaf 2017. De ramingen voor 2018 en 2019 zijn gebaseerd op de aangemelde investeringen, een inschatting van de mate waarin al deze investeringen worden geëffectueerd en het verwachte tempo daarvan. Tot en met 2019 wordt een totaal aan definitieve heffingsvermindering verwacht van € 353 miljoen.

De nieuwe heffingsvermindering voor verduurzaming van woningen, die in 2019 ingaat, zal in 2019 nog nauwelijks tot kosten leiden. Het gepresenteerde budgettaire belang betreft dus enkel de bestaande heffingsverminderingen.

Mkb-winstvrijstelling

Het budgettaire belang van de mkb-winstvrijstelling in 2017 wordt € 133 miljoen hoger geraamd dan vorig jaar. Dit komt met name doordat de voorlopige realisatie in 2016 hoger uitvalt dan verwacht. Op grond van deze ontwikkeling wordt voor de jaren 2017–2019 een groei van gemiddeld 5% per jaar verondersteld, terwijl in de vorige Miljoenennota nog was aangenomen dat het budgettaire belang van de mkb-winstvrijstelling na 2015 met 3% per jaar zou groeien.

Innovatiebox

De raming van het budgettaire belang in 2017 is € 133 miljoen naar beneden bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2018. Dit komt door verwerking van de meest recente realisaties en een aanpassing in de ramingsmethode. Op basis van realisaties uit 2015 wordt het percentage van de innovatiebox ten opzichte van de VPB-opbrengsten naar beneden bijgesteld. Dit verklaart € 89 miljoen van de neerwaartse bijstelling in 2017. Daarnaast wordt in de raming een correctie gedaan voor uit het buitenland ontvangen royalty’s, die weliswaar in de Nederlandse innovatiebox belast worden, maar waarop in verband met verdragen of het besluit voorkoming dubbele belasting, buitenlandse bronbelasting in Nederland verrekend kan worden. Voor deze royalty-ontvangsten wordt met een lager voordeel gerekend, omdat een deel al in het buitenland is belast. Het gaat om ongeveer 5,5% van de grondslag van de innovatiebox. Deze correctie verklaart de overige € 44 miljoen van de neerwaartse bijstelling in 2017. Beleidsmatig is de tariefsverhoging van 5% naar 7% verwerkt vanaf 2018. In 2019 is de tariefsverlaging in de VPB verwerkt. Hierdoor komt het innovatieboxvoordeel lager uit.

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Reguliere waardestijgingen van landbouwgrond (WEVAB) zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting door de landbouwvrijstelling. Op basis van recente aangiftecijfers heeft het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling een uitschieter naar boven in 2015. Dit is vermoedelijk het gevolg van landbouwers die in 2015 hun grond hebben geherwaardeerd. Een deel van de herwaarderingen moet naar aanleiding van rechterlijke uitspraken worden teruggedraaid, waardoor naar verwachting het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling vanaf 2016 weer geleidelijk zal dalen naar een lager niveau.

30%-regeling

In de vorige Miljoenennota werd een sterke groei van de 30%-regeling geconstateerd. Inmiddels wordt het budgettaire belang geraamd op € 968 miljoen in 2017 in plaats van € 901 miljoen in 2017. De opwaartse bijstelling komt door een hogere realisatie volgens de aangiftegegevens 2017 van de Belastingdienst. De endogene groei blijft naar verwachting hoog, met gemiddeld 8% per jaar tussen 2017 en 2019.

Energiebelasting

Net als vorig jaar blijkt de budgettaire omvang van de salderingsregeling in de energiebelasting hard te groeien. Ten opzichte van vorig jaar is het budgettaire belang van de regeling omhoog bijgesteld op basis van de prognose uit de Nationale Energieverkenning 2017 dat kleinverbruikers meer zonne-energie opwekken dan in voorgaande jaren werd ingeschat. In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is aangekondigd dat de salderingsregeling vanaf 2020 zal worden omgezet in een subsidieregeling.

In de energiebelasting zijn ook de teruggaaf kerkgebouwen en non-profit en de vrijstelling voor energie-intensieve processen opwaarts bijgesteld. Voor de teruggaaf kerkgebouwen is volgens de Belastingdienst naar verwachting sprake van een incidentele toename in 2017. De toename van de vrijstelling voor energie-intensieve processen valt grotendeels te verklaren doordat vanaf dit jaar in de raming rekening wordt gehouden met een aanvullende vrijstelling voor metallurgische procedés. Deze bijstelling is dus technisch van aard.

Btw-posten verlaagd tarief

De ramingen voor het verlaagde tarief in de btw zijn op de Nationale Rekeningen gebaseerd. Afgelopen jaar heeft het CBS een revisie doorgevoerd van de Nationale Rekeningen. Door de revisie is onder meer een herschikking van consumptiecategorieën doorgevoerd. Hierdoor is bij drie btw-posten sprake van een technische bijstelling. De consumptie van culturele goederen en diensten is met circa € 2 miljard neerwaarts bijgesteld, waardoor het budgettaire belang ongeveer € 300 miljoen omlaag is gebracht. Bij de arbeidsintensieve diensten bedraagt de technische bijstelling van het budgettaire belang circa € 250 miljoen opwaarts. De post verlaagd tarief «overig» is € 150 miljoen opwaarts bijgesteld, als gevolg van een revisie bij het onderdeel logiesverstrekking.

Auto

Door de opkomst van elektrisch rijden in Nederland, loopt het budgettaire belang van de fiscale regelingen op dit gebied op. Dit is ook vorig jaar geconstateerd en de bijstellingen ten opzichte van de raming van destijds zijn beperkt. Voor zuinige auto’s is de korting op de bijtelling afgeschaft per 2016 met overgangsrecht, waardoor het budgettaire belang geleidelijk afneemt. De teruggaaf van BPM voor taxi’s en openbaar vervoer kende een uitschieter naar boven in 2017 door met name de verkoop van bestelauto’s op aardgas die een hoge BPM hebben. De verwachting is dat het budgettaire belang weer terugzakt naar een lager niveau in 2018 en 2019, voordat de teruggaafregeling voor taxi’s wordt afgeschaft in 2020. Het niveau blijft vanwege anticipatie-effecten naar verwachting wel iets hoger dan voor 2017. De teruggaafregeling wordt gerespecteerd voor voertuigen die voor 2020 gekocht zijn, waardoor in 2018 en 2019 waarschijnlijk extra aankopen zullen plaatsvinden.

9.6 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2018. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evaluatieprogrammering voor de periode 2018–2021 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2018

In september 2017 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de evaluatie van de Kamerverhuurvrijstelling aan de Tweede Kamer aangeboden.25 In het rapport wordt de achtergrond van de regeling beschreven en de ontwikkeling van het aantal studenten en hun woonsituatie geschetst. Kamerverhuur door hospita’s lijkt vooral een geschikte woonvorm voor studenten als opstap naar andere woonvormen. In het evaluatierapport is geconcludeerd dat er geen reden is tot aanpassing van de regeling. De vrijstelling heeft een positief effect op de uitvoerbaarheid. Belastingplichtigen hoeven de inkomsten uit kamerverhuur niet op te geven in de aangifte als deze onder het bedrag van de vrijstelling blijven. De Belastingdienst heeft dan ook geen informatie over deze groep. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit het onderzoek is besloten dat er de komende jaren via de Landelijke Studentenmonitor en de gegevensverzameling in het kader van het Woononderzoek Nederland onderzocht wordt hoeveel hospita’s er zijn of hoeveel studenten bij een hospita woonachtig zijn. De evaluatie is aanleiding geweest om de raming van het budgettaire belang van de kamerverhuurvrijstelling te herzien. Dit is beschreven in hoofdstuk 5 van de evaluatie en ook in bijlage 6 van de Miljoenennota 2018. De raming komt uit op ongeveer een vijfde (€ 10 miljoen) van het bedrag dat in eerdere jaren werd vermeld in de Miljoenennota.
In maart 2018 is de evaluatie van de Werkkostenregeling (WKR) aan de Tweede Kamer aangeboden.26 De WKR is het systeem voor de behandeling van vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting. Kenmerkend aan de WKR is de vrije ruimte, waarmee werkgevers tot 1,2% van de loonsom onbelast vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers kunnen doen toekomen, naast enkele gerichte vrijstellingen. Dit systeem is in 2011 geïntroduceerd, met als voornaamste doel administratieve lastenreductie. De belangrijkste conclusie van de evaluatie is dat de administratieve lasten niet merkbaar zijn verminderd, maar dat er weinig animo is voor grote (systeem)wijzigingen. Zowel werkgevers als de Belastingdienst zijn gebaat bij rust in de regelgeving. Uit de evaluatie volgt een aantal kansrijke opties, gericht op vereenvoudiging van de uitvoering van de regeling. Dit zal worden uitgewerkt in wet- en regelgeving, na overleg met het bedrijfsleven. Op basis van de aangiften loonbelasting over 2015 en 2016 wordt vastgesteld dat 3–4% van de bedrijven eindheffing betaalt door overschrijding van de vrije ruimte. Grotere bedrijven betalen relatief vaker eindheffing dan kleinere bedrijven, maar de overschrijding van de vrije ruimte is bij hen wel een kleiner percentage van de loonsom. Het totaalbedrag dat wordt betaald aan eindheffing(en) in het kader van vergoedingen en verstrekkingen is gedaald door invoering van de WKR. Sinds 2015 is het mogelijk bepaalde gereedschappen belastingvrij te verstrekken als de werkgever deze noodzakelijk vindt voor de vervulling van de dienstbetrekking (het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium). Van de werkgevers die bekend zijn met het noodzakelijkheidscriterium (22% van het totaal), geeft ruim 70% aan geen uitbreiding van het noodzakelijkheidscriterium naar andere vergoedingen en verstrekkingen te wensen. Ook de intermediairs uiten over het algemeen niet de wens om op dit punt iets te wijzigen.
In juni 2018 is door de Minister van Economische Zaken en Klimaat de evaluatie van de Energie-investeringsaftrek (EIA) aan de Tweede Kamer toegezonden.27 In totaal is in de periode tussen 2012 en 2016 € 4,2 miljard aan energiezuinige investeringen met de EIA ondersteund. Dit heeft geleid tot een geschatte jaarlijkse energiebesparing van 12–27 PJ en een jaarlijkse CO2-reductie van 0,7 tot 1,5 Mton. Met name de attentiewaarde van de maatregelen op de Energielijst is een stimulans voor investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen. De dynamiek in de Energielijst en met name de voortdurende aanscherping van efficiencynormen is een belangrijke aanjager voor leveranciers en producenten om de zuinigheid van apparaten te verbeteren. De financiële prikkel draagt ook bij, maar het precieze aftrekpercentage is in beperktere mate bepalend voor de effectiviteit van de regeling. Het totale budgettaire belang voor de periode 2012–2017 komt uit op € 0,5 miljard. Gemiddeld genomen is het netto fiscale voordeel iets meer dan 11% van het investeringsbedrag. Beide zijn daarmee iets lager dan in de voorgaande vijfjaarsperiode (2007–2011). De onderzoekers concluderen dat de nationale kosteneffectiviteit van de EIA relatief gunstig is, namelijk € 15–17 per ton CO2-reductie – gecorrigeerd voor het aandeel freeriders. Het aandeel freeriders (gebruikers die de investering ook gedaan zouden hebben bij afwezigheid van de EIA) wordt geschat op iets minder dan 50%. Dit percentage is vergelijkbaar met eerdere evaluaties van de EIA en met andere subsidies of fiscale regelingen gericht op energiebesparing. Voor grote bedrijven geldt dat zij relatief vaker ook zonder de EIA tot energie-investeringen zouden zijn overgegaan. Het freeridereffect bij het mkb is in de afgelopen jaren verminderd door het minimale investeringsbedrag te verhogen naar € 2.500 conform de aanbeveling uit de vorige evaluatie. Op 1 januari 2019 loopt de periode van de huidige horizonbepaling van deze regeling af. Naar aanleiding van de positieve resultaten van deze evaluatie wil het kabinet de regeling continueren en hier een horizonbepaling met als datum 1 januari 2024 aan koppelen. In lijn met de aanbevelingen in het rapport beperkt het kabinet het huidige aftrekpercentage van 54,5% in het pakket Belastingplan 2019 tot 45%. Het netto belastingvoordeel wordt daardoor weliswaar iets verlaagd, maar blijft naar de mening van het kabinet op een voldoende niveau om ondernemers te prikkelen tot het treffen van energie-investeringen. Het vrijvallende EIA-budget blijft binnen de EIA beschikbaar en zal worden besteed voor verbreding van de EIA in verband met het Klimaatakkoord. Er zal onderzocht worden op welke wijze het freeridereffect kan worden verminderd.
In juni 2018 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de evaluatie van de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) aan de Tweede Kamer toegezonden.28 De onderzoekers concluderen in het evaluatierapport dat de regelingen er goed in zijn geslaagd om investeringen in bedrijfsmiddelen om te buigen richting het milieuvriendelijke alternatief. Ook wordt het beoogde effect op (door)ontwikkeling van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen bij een deel van de technieken bereikt. De totale investeringen met MIA\Vamil bedroegen in 2014 tot 2016 bijna € 5,5 miljard, waarvan 95% van het mkb afkomstig is. In totaal bedroeg voor de overheid het budgettaire belang tussen 2011 en 2016 circa € 743 miljoen, waarvan € 557 miljoen door de MIA en € 186 miljoen door de Vamil. Op basis van een enquête trekken de onderzoekers de conclusie dat tussen de 13% en 40% van de gebruikers freerider is. Zij zouden op hetzelfde moment dezelfde investering in een milieuvriendelijk bedrijfsmiddel hebben gedaan als de regelingen er niet waren geweest. Het percentage freeriders is relatief beperkt in vergelijking met andere fiscale of subsidieregelingen. Dat leidt tot de conclusie dat de MIA\Vamil een (kosten)effectief instrument is om milieuwinst te realiseren. De MIA/Vamil is een bijdrage in de meerkosten van de investering in het milieuvriendelijke alternatief. Per euro overheidsbudget wordt netto € 8,2 tot € 11,9 van de investeringen in het milieuvriendelijke alternatief geïnvesteerd. Deze ratio is vergelijkbaar met de periode van de vorige evaluatie. Op 1 januari 2019 loopt de periode van de huidige horizonbepaling van deze regelingen af. Naar aanleiding van de positieve resultaten van de evaluatie wil het kabinet de regeling continueren en hier een horizonbepaling met als datum 1 januari 2024 aan koppelen. Wat de aanbevelingen in het rapport betreft zal het kabinet zich inzetten om de dynamiek van de Milieulijst te vergroten door per techniek te bezien of milieucriteria versneld kunnen worden aangescherpt. Het kabinet acht het daarbij zeer wenselijk om het budgetbeslag door freeriders zo klein mogelijk te houden en om overstimulering te voorkomen. Uit de evaluatie blijkt dat er na 2013 voortdurend een onderuitputting is op het Vamil-budget en een lichte overschrijding op het budget van de MIA. In 2014 heeft een budgetschuif van MIA naar Vamil plaatsgevonden van € 8 miljoen, ter compensatie van de incidentele overschrijding in 2013 van het Vamil-budget als gevolg van de stimulering van zuinige auto’s. Inmiddels is de incidentele overschrijding ruimschoots gecompenseerd en het kabinet zal de structurele budgetschuif uit 2014 vanaf 2019 ongedaan maken.
Bij brief van 15 juni 2018 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de regeling Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie in de energiebelasting (ook wel: de postcoderoosregeling).29 De onderzoekers concluderen dat de regeling erin slaagt om lokale energieproductie te stimuleren onder mensen die niet de mogelijkheid hebben om zonnepanelen op hun eigen dak te plaatsen. De realisatie van de postcoderoosregeling blijft echter achter bij de ambities die bij aanvang zijn geformuleerd. Hoewel verwacht wordt dat gebruik van de regeling nog zal toenemen, zal het totale opgestelde vermogen van postcoderoosprojecten klein blijven in vergelijking met projecten die gebruikmaken van de salderingsregeling of de SDE+. Tegelijkertijd is de postcoderoosregeling – net als de salderingsregeling – een relatief dure regeling per vermeden ton CO2 en zijn de uitvoeringskosten relatief hoog. De onderzoekers geven aan dat een terugleversubsidie, losgekoppeld van de energiebelasting, een logische toekomstige variant voor de postcoderoosregeling zou kunnen zijn. In de kamerbrief van 15 juni 2018 is in lijn met deze aanbeveling daarom onder meer aangekondigd dat zal worden onderzocht hoe projecten van energiecoöperaties met een kleinverbruiksaansluiting kunnen worden opgenomen in de opvolger van de salderingsregeling.
In juli 2018 heeft de Staatsecretaris van Financiën de tussentijdse evaluatie van de maatregelen uit de Wet uitwerking Autobrief II aan de Tweede Kamer gestuurd.30 In deze evaluatie wordt geconcludeerd dat de Wet uitwerking Autobrief II heeft geleid tot meer stabiele belastinggrondslagen en – met name in de bijtelling – minder marktverstoring en minder complexiteit. Tegelijkertijd biedt de fiscale stimulering in de BPM, MRB en bijtelling voor emissievrije auto’s een belangrijke bijdrage aan het versnellen van de transitie naar emissievrij rijden. De maximering van het bijtellingsvoordeel op elektrische auto’s boven de € 50.000 draagt bij aan het voorkomen van overstimulering. Vanaf de inwerkingtreding van de MRB-toeslag op oude vervuilende dieselauto’s draagt de fiscaliteit tevens sterker bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Het halftarief in de MRB maakt plug-in hybride auto’s aantrekkelijker voor de tweedehands markt. Uit de evaluatie blijkt dat er geen noodzaak bestaat om tussentijds in te grijpen met betrekking tot de maatregelen van de Wet uitwerking Autobrief II.

Evaluatieprogrammering 2018–2021

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2018–2021. Deze programmering is erop gericht om met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit relevante evaluaties af te leveren die voorzien in de informatiebehoefte van het parlement. De planning is afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen, zodat het beleid aan uitgaven- en inkomstenkant in de doorlichtingen integraal kan worden behandeld.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat het Ministerie van Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie.

Naast evaluaties van specifieke fiscale regelingen, is een aantal overkoepelende evaluaties gepland van de fiscale regelingen binnen een bepaalde belastingsoort. Deze evaluaties worden door het Ministerie van Financiën geïnitieerd en in samenwerking met betrokken departementen uitgevoerd.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

Tabel 9.6.1. Evaluatieprogrammering 2018–20211Afgeronde en naar de Kamer verzonden evaluaties zijn vetgedrukt.

Evaluaties per departement

Begrotingsartikel

2018

2019

2020

2021

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Fiscale regelingen eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

 

X

   

Vermindering verhuurderheffing

3: Woningmarkt

 

X

   

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

   

X

 

Financiën

Werkkostenregeling

1: Belastingen

X

     

Fiscale regelingen overdrachtsbelasting

1: Belastingen

X

     

IB Middelingsregeling

1: Belastingen

X

     

Accijns teruggaaf LNG

1: Belastingen

X

     

Evaluatie Autobrief II

1: Belastingen

X

X

   

Fiscale regelingen eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

 

X

   

Vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen (met SZW)

1: Belastingen

 

X

   

Fiscale regelingen assurantiebelasting

1: Belastingen

 

X

   

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

   

X

 

Fiscale regelingen BPM en MRB (met IenW)

1: Belastingen

   

X

 

Fiscale regelingen energiebelasting (met EZK)

1: Belastingen

   

X

 

Fiscale regelingen erf- en schenkbelasting

1: Belastingen

     

X

Fiscale regelingen kansspelbelasting

1: Belastingen

     

X

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

     

X

Bankenbelasting

1: Belastingen

     

X

Infrastructuur en Waterstaat

Fiscale regelingen groen beleggen

21: Duurzaamheid

X

     

MIA en VAMIL

21: Duurzaamheid

X

     

Fiscale regelingen BPM en MRB (met FIN)

4: Wegen en verkeersveiligheid

   

X

 

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

   

X

 

Economische Zaken en Klimaat

Innovatie-instrumenten

2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

X

     

EIA

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

X

     

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

   

X

 

Fiscale regelingen energiebelasting (met FIN)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

   

X

 
Fiscale regelingen bedrijfsopvolging2

2: Bedrijvenbeleid

     

X

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vrijstelling nettolijfrenten en nettopensioen (met FIN)

8: Oudedagsvoorziening

 

X

   

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

IB Vrijstelling pleegvergoedingen (met FIN)

8: Tegemoetkoming specifieke kosten

X

     

Noot 2: Zodra genoeg data beschikbaar is.

Noot 22: Er zijn ook enkele regelingen opgenomen die de belastingopbrengst verhogen, als deze de keerzijde zijn van een belastingverminderende regeling. Bijvoorbeeld op het gebied van pensioenen worden zowel de niet-belaste premie als de belaste uitkering gekwantificeerd, om een compleet beeld van de fiscale regelingen op dit gebied te geven.

Noot 23: Als voor twee regelingen afzonderlijk het verschil in belastingheffing wordt berekend met en zonder deze aftrekposten, is het berekende budgettaire belang kleiner dan als voor de twee samen het budgettaire belang wordt berekend, omdat in het tweede geval de aftrek groter is en daardoor een groter deel van de aftrek aan een hogere schijf wordt toegerekend.

Noot 24: Vijftiende rapport Studiegroep Begrotingsruimte, Kamerstukken II 2015–2016, 34 300, nr. 74, p. 83: «Het budgettaire beslag van de belastinguitgaven in enge zin wordt tevens afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling. Bij substantiële opwaartse afwijkingen van de endogene ontwikkeling ten opzichte van de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling kan dit aanleiding geven tot maatregelen, waarbij deze maatregelen niet relevant zijn voor het inkomstenkader.»

Noot 25: Kamerstukken II 2017–2018, 33 104, nr. 12

Noot 26: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. 80

Noot 27: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. 91

Noot 28: Kamerstukken II 2017–2018, 34 785, nr. 89

Noot 29: Kamerstukken II 2017–2018, 31 239, nr. 287

Noot 30: Kamerstukken II 2017–2018, 32 800, nr. 44