Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2018
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.3 Ontwikkeling van lonen

De groei van de economie en de toenemende krapte op de arbeidsmarkt gaan nog niet voor iedereen gepaard met een duidelijke stijging van lonen. De werkloosheid daalt; dat is een teken van een krappere arbeidsmarkt. Doorgaans leidt dit tot opwaartse druk op de lonen. Onder andere het Centraal Planbureau (CPB), De Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Commissie hebben dit jaar gewezen op de in hun ogen gematigde loonontwikkeling in Nederland.20 In de volgende alinea’s komt aan de orde in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een krappe arbeidsmarkt en wat mogelijke verklaringen kunnen zijn voor de gematigde loonontwikkeling.
Sinds de crisis zijn de totale (reële) loonkosten ongeveer even hard gegroeid als de arbeidsproductiviteit. De totale loonkosten bestaan uit de contractlonen en incidentele lonen (samen het brutoloon), en uit de sociale lasten en premies voor werkgevers. De ruimte die bedrijven hebben om werkenden meer loon te betalen hangt op de lange termijn af van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit, oftewel: van de toegevoegde waarde per gewerkt uur. Als de productiviteit toeneemt, kunnen bedrijven immers een hogere beloning uitkeren, zonder dat dit hun winstmarge drukt. De linkerzijde van figuur 2.3.1 laat zien dat de loonkosten en de productiviteit bij bedrijven op de kortere termijn niet exact gelijk opgaan21, maar dat over een periode van ongeveer tien jaar wel min of meer doen. De rechterfiguur laat zien dat de stijging van de totale loonkosten in de afgelopen jaren vooral toe te schrijven is aan een relatief stabiele groei van de contractlonen, ook tijdens de crisisjaren. De incidentele lonen en sociale werkgeverslasten zijn juist gedaald tijdens de crisis, waardoor ze nu op een lager niveau liggen dan in 2008.
Figuur 2.3.1 Totale reële loonkosten per gewerkt uur en arbeidsproductiviteit bij bedrijven (links) en Onderdelen van reële loonkosten per gewerkt uur bij bedrijven (rechts)

Bron: CPB (2017). Macro Economische Verkenning 2015–2018.

De krapte op de arbeidsmarkt blijkt nog beperkt. Dit is te zien aan het aanzienlijke onbenutte arbeidspotentieel en de vacaturegraad. De werkloosheid is snel gedaald onder invloed van de conjunctuur en is bijna weer op zijn evenwichtsniveau. De lage werkloosheid biedt echter een beperkt beeld van de krapte op de arbeidsmarkt. In de werkloosheidscijfers worden alleen mensen meegeteld die én actief op zoek zijn naar werk, én direct beschikbaar zijn. Er zijn ook mensen die in potentie wel kunnen en willen werken, maar niet direct beschikbaar of op zoek zijn, bijvoorbeeld omdat zij hun kansen op werk laag inschatten. Andere mensen zijn op zoek naar een baan, maar kunnen niet meteen aan het werk, omdat ze bijvoorbeeld in de laatste fase van hun studie zitten of tijdelijke zorgtaken hebben. Het totale onbenutte arbeidspotentieel bedraagt momenteel nog ruim één miljoen mensen. Dat is ruim meer dan voor de crisis (zie figuur 2.3.2). Daarnaast zijn er volgens het CBS circa 460 duizend mensen die in deeltijd werken, en liever per direct meer uren zouden willen maken dan ze nu doen. Ook zij dragen eraan bij dat de arbeidsmarkt minder krap is dan de lage werkloosheidscijfers doen vermoeden. Het aantal openstaande vacatures is ook nog niet op het niveau van voor de crisis. Alleen in sommige sectoren, zoals in de ICT en de horeca, is dat wel het geval.

Figuur 2.3.2 Onbenut arbeidspotentieel in duizenden personen (links) en vacaturegraad (rechts)

Bron: CBS Statline.

Naast conjuncturele factoren spelen structurele factoren mogelijk ook een rol bij de tot nu toe relatief gematigde loonontwikkeling. Zo is het denkbaar dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt de loonontwikkeling beïnvloedt, hoewel de werking en omvang van dit effect nog onduidelijk zijn.22 Een zzp’er met hetzelfde brutoloon als een vergelijkbare werknemer houdt een hoger beschikbaar inkomen over in vergelijking met een werknemer met eenzelfde bruto-inkomen, vanwege fiscale voordelen als de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Dit kan zorgen voor neerwaartse druk op de tarieven van zzp’ers en op de lonen van werknemers.23 Daarnaast heeft een deel van de flexibele arbeidskrachten (zoals veel uitzendkrachten en payrollmedewerkers) soberdere secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals de opbouw van een pensioen. Internationaal empirisch onderzoek laat ook zien dat flexibilisering van de arbeidsmarkt samenhangt met een zwakkere onderhandelingspositie van vakbonden, wat een matigende invloed heeft op de loonontwikkeling.24 Globalisering zorgt ervoor dat werkenden in hoge-inkomenslanden moeten concurreren met goedkopere arbeid elders, en technologische vooruitgang betekent dat bepaalde soorten werk door machines kunnen worden overgenomen (zie ook paragraaf 2.5). Deze ontwikkelingen kunnen de afgelopen jaren mogelijk een effect hebben gehad op de loonvorming in Nederland. Hoewel de loonontwikkeling de afgelopen jaren bescheiden was, zal naar verwachting meer druk ontstaan op de lonen naarmate de arbeidsmarkt krapper wordt.