Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2018
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

Wet afschaffing van de btw-landbouwregeling

34787 3 Memorie van toelichting

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 3

Inhoudsopgave

blz.

       

I.

ALGEMEEN

1

 

1.

Inleiding

1

 

2.

Gevolgen voor wet- en regelgeving en beleidsbesluiten

2

 

3.

Overgangsrecht

3

 

4.

Administratieve lasten

4

 

5.

Uitvoeringskosten

4

 

6.

Consultatie

4

 

7.

Budgettaire aspecten

5

 

8.

Europeesrechtelijke aspecten

5

II.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

5

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Onderhavig wetsvoorstel, dat deel uitmaakt van het Belastingplanpakket 2018, heeft tot doel om de btw-landbouwregeling in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) met ingang van 1 januari 2018 af te schaffen.

Op grond van de btw-landbouwregeling blijven landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers (hierna landbouwers) buiten de btw en hoeven zij geen btw-administratie bij te houden. De landbouwer is geen btw verschuldigd maar kan de aan hem in rekening gebrachte btw ook niet terugvragen. Teneinde cumulatie van de btw in de bedrijfskolom te voorkomen, voorziet de regeling in een zogenoemd landbouwforfait dat de aftrekgerechtigde afnemer van de landbouwer in aftrek kan brengen. Dit bedraagt 5,4% van de verkoopprijs van de prestaties verricht door de landbouwer en komt overeen met de gemiddelde btw-voordruk van landbouwers. Landbouwers kunnen ervoor kiezen geen gebruik te maken van de btw-landbouwregeling. In dat geval worden zij op de gebruikelijke wijze in de btw-heffing betrokken en geldt het landbouwforfait niet.

Bij de invoering van de Wet OB 1968 werd besloten tot de introductie van een bijzondere regeling voor landbouwers, mede omdat het ongewenst werd geacht om landbouwers te verplichten een btw-administratie te voeren. Door de modernisering van de landbouwsector die sindsdien heeft plaatsgevonden, verschillen landbouwers echter niet wezenlijk meer van andere ondernemers. Voor veel landbouwers die op dit moment van de landbouwregeling gebruikmaken, zal het bijhouden van een btw-administratie niet of nauwelijks problemen moeten opleveren. In de loop van de tijd is bovendien gebleken dat de regeling niet goed te relateren is aan de huidige beleidsopgaven. Het niet kunnen terugvragen van btw maakt de regeling namelijk onaantrekkelijk voor ondernemers die een relatief hoge voordruk hebben, zoals ondernemers die veel investeren. Investerende bedrijven maken in de praktijk daarom meestal geen gebruik van de regeling.

De afschaffing van de btw-landbouwregeling met ingang van 1 januari 2018 is genoemd als een beleidswijziging in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken in 2016 en is bij de begrotingsbehandeling aan de orde geweest.1 In deze begroting wordt verwezen naar het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Agro-, visserij-, en voedselketens waaruit blijkt dat deze regeling onvoldoende bijdraagt aan de beleidsdoelen van artikel 6 van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, te weten concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens.2 Een motie van het lid Dijkgraaf c.s. tijdens de begrotingsbehandeling, met het verzoek om de voorgestelde afschaffing te heroverwegen, is verworpen door de Tweede Kamer.3

Alles overwegende heeft het kabinet besloten voor te stellen de landbouwregeling af te schaffen waarbij na afschaffing van die regeling van het vrijvallende budget € 15 miljoen ten goede komt aan de ruilvoetproblematiek van het Ministerie van Economische Zaken.

2. Gevolgen voor wet- en regelgeving en beleidsbesluiten

In dit wetsvoorstel komt een aantal bepalingen in de Wet OB 1968 te vervallen, waarin de bijzondere regeling voor landbouwers is opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat landbouwers vanaf 1 januari 2018, net als andere ondernemers, over hun prestaties btw dienen te voldoen en btw over de aan hen verrichte prestaties kunnen terugvragen.

Een beperkt aantal posten in tabel I bij de Wet OB 1968 komt eveneens te vervallen. Deze tabelposten hebben betrekking op goederen en diensten die (nagenoeg) uitsluitend aan landbouwers worden geleverd. Met het vervallen van deze tabelposten worden de hiermee samenhangende toelichtingen (en de daarin getroffen goedkeuringen) die zijn opgenomen in het beleidsbesluit «Omzetbelasting. Toelichting Tabel I» met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken.4

Deze posten zijn in relatie tot de landbouwregeling om technische redenen in genoemde tabel I opgenomen. De omvang van de gemiddelde voordruk van de omzetbelasting die gold in de landbouw lag bij de invoering van de landbouwregeling in 1968 niet veel hoger dan het toentertijd geldende verlaagde btw-tarief. Door de toevoeging van een aantal posten aan die tabel I werd indertijd bereikt dat de gemiddelde voordruk in de landbouw, en daarmee de hoogte van het landbouwforfait, gelijk werd aan het toen geldende verlaagde btw-tarief. Hiermee werd beoogd mogelijke concurrentieverstoringen weg te nemen bij rechtstreekse leveringen aan particulieren en bij leveringen tussen landbouwers onderling.

Ook de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (UBOB 1968) bevat een aantal artikelen dat betrekking heeft op de toepassing van de btw-landbouwregeling. De betreffende artikelen zullen nadat het onderhavige voorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, komen te vervallen.

In enkele artikelen van de Wet op de accijns (WA), de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) en de Wet opslag duurzame energie (Wet ODE) wordt verwezen naar een van de posten in genoemde tabel I die komt te vervallen. Deze verwijzingen moeten daarom vervallen of worden vervangen. Wat omtrent deze post is geregeld in de UBOB 1968 en de Toelichting bij tabel I van de Wet OB 1968 zal worden overgenomen in de uitvoeringsregelingen van de WA en Wbm ten behoeve van de toepassing van die wetten. In de Wet ODE wordt een verwijzing naar de Wbm opgenomen.

Afschaffing van de landbouwregeling heeft eveneens tot gevolg dat het beleidsbesluit «Omzetbelasting. Landbouw» met ingang van 1 januari 2018 zal worden ingetrokken.5 Dit besluit ontleent zijn bestaansrecht vrijwel volledig aan het bestaan van de landbouwregeling. Met betrekking tot die onderdelen die hun bestaansrecht niet direct ontlenen aan de landbouwregeling zal worden bezien of deze eventueel moeten worden opgenomen in andere beleidsbesluiten.

3. Overgangsrecht

De landbouwer die tot 1 januari 2018 onder de landbouwregeling valt en btw in rekening gebracht krijgt in verband met de aanschaf van goederen en diensten, kan deze btw niet in aftrek brengen. Deze landbouwer valt vanaf 1 januari 2018 onder de toepassing van de algemene btw-regels en zal alsnog in aanmerking willen komen voor de niet genoten aftrek met betrekking tot (A). investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 reeds in gebruik zijn genomen en (B) goederen en diensten (inclusief investeringsgoederen) die op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen.

A.

Volgens de bestaande herzieningsregels is het voor investeringsgoederen die vóór 1 januari 2018 in gebruik zijn genomen niet mogelijk om de aftrek in één keer te herzien, maar wordt de herziening over een aantal jaren gespreid. In dit voorstel wordt echter bepaald dat – onder voorwaarden – deze herziening in één keer moet plaatsvinden voor de resterende herzieningsperiode in het eerste belastingtijdvak van 2018.

B.

Voor alle goederen en diensten die door de hiervoor genoemde landbouwer vóór 1 januari 2018 zijn aangeschaft, maar op 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen, wordt in dit voorstel van wet bepaald dat de aftrek van de ter zake van de aanschaf van deze goederen en diensten in rekening gebrachte btw in het eerste belastingtijdvak van 2018 plaatsvindt overeenkomstig de als gevolg van de afschaffing van de landbouwregeling gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten.

In de artikelsgewijze toelichting bij dit voorstel van wet wordt dit overgangsrecht nader toegelicht aan de hand van een aantal voorbeelden.

4. Administratieve lasten

De verwachting is dat het voeren van een btw-administratie voor de meeste landbouwers nauwelijks tot een toename van de administratieve lasten zal leiden. Voor de landbouwer die gebruikmaakt van de landbouwregeling maar ervoor kiest om geen gebruik te maken van de kleine ondernemersregeling of die geen gebruik kan maken van de kleineondernemersregeling, zullen de administratieve lasten als gevolg van het moeten voeren van een btw-administratie toenemen. Voor de afnemers van de landbouwers zal er een geringe administratieve lastenverlichting optreden omdat geen onderscheid meer hoeft te worden gemaakt tussen landbouwers die de landbouwregeling toepassen en die de algemene regels toepassen. Per saldo treedt een lichte stijging van de administratieve lasten voor bedrijven op van € 0,2 miljoen.

5. Uitvoeringskosten

Dit wetsvoorstel is door de Belastingdienst beoordeeld met de uitvoeringstoets nieuwe stijl. Voor dit wetsvoorstel geldt dat de Belastingdienst dit uitvoerbaar en handhaafbaar acht per de voorgestelde inwerkingtredingsdatum. De gevolgen voor de uitvoering zijn beschreven in de uitvoeringstoets die als bijlage is bijgevoegd6. Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de uitvoeringskosten van de Belastingdienst.

6. Consultatie

Tijdens de totstandkoming van het conceptwetsvoorstel zijn LTO Nederland, de Vereniging Landbouw Bedrijven (VLB), de Register Belastingadviseurs (RB) en de Sectorraad Paarden betrokken. De brancheorganisaties vragen zich af waarom afschaffing van de regeling nodig is. Zij stellen voor om het vrijkomende budget toe te voegen aan de begroting van het Ministerie van Economische Zaken ten behoeve van verduurzaming van de land- en tuinbouw. De brancheorganisaties verwachten een administratieve lastenverzwaring en vinden de voorbereidingstijd te kort. De branchevertegenwoordiging voor de paardensector noemt in het bijzonder de verslechtering van de internationale concurrentiepositie ten opzichte van Frankrijk en Duitsland.

De regeling wordt geschrapt omdat deze, zoals hiervoor is opgemerkt, onvoldoende bijdraagt aan de beleidsdoelen van artikel 6 van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de sector is er voldoende tijd geweest om zich in dit kader voor te bereiden aangezien de maatregel reeds genoemd is in 2016 als een beleidswijziging in de begroting van het Ministerie van Economische Zaken. Wat de internationale concurrentiepositie voor de paardensector betreft, kan worden opgemerkt dat in Frankrijk paardenhandelaren geen gebruik kunnen maken van de Franse btw-landbouwregeling. De Duitse wet- en regelgeving geeft de ruimte om de daar geldende «landbouwregeling» onder voorwaarden van toepassing te laten zijn op paardenfokkers, maar onduidelijk is in welke mate daarvan in de praktijk gebruik wordt gemaakt.

7. Budgettaire aspecten

Het afschaffen van de landbouwregeling leidt tot een budgettaire opbrengst van € 22 miljoen, waarbij na afschaffing van die regeling van het vrijvallende budget € 15 miljoen ten goede komt aan de ruilvoetproblematiek van het Ministerie van Economische Zaken.

8. Europeesrechtelijke aspecten

Europeesrechtelijk zijn er geen belemmeringen tegen het afschaffen van de btw-landbouwregeling. Artikel 192 van de BTW-richtlijn 2006 geeft de ruimte voor het overgangsrecht.7

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A (artikel 1a van de Wet op de omzetbelasting 1968)

Bij deze bepaling wordt voorgesteld artikel 1a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968 te laten vervallen. In genoemd artikel 1a, tweede lid, wordt bepaald dat op intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsgoederen, door landbouwers als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet OB 1968, geen btw wordt geheven, mits het totaal van de vergoedingen ter zake van deze verwervingen in het lopende kalenderjaar niet meer bedraagt dan € 10.000 en het totaal van de vergoedingen in het voorafgaande kalenderjaar niet meer heeft bedragen dan € 10.000. Met het komen te vervallen van de landbouwregeling verliest dit artikel 1a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968 zijn betekenis.

Artikel I, onderdeel B (hoofdstuk V van de Wet op de omzetbelasting 1968)

Voorgesteld wordt hoofdstuk V, afdeling 3, van de Wet OB 1968 te laten vervallen. Genoemde afdeling 3 bevat artikel 27 van de Wet OB 1968, waarin de kern van de landbouwregeling wordt geregeld.

Artikel I, onderdeel C (artikel 33f van de Wet op de omzetbelasting 1968)

Voorgesteld wordt artikel 33f, eerste lid, onderdeel d, van de Wet OB 1968 te laten vervallen. Hierin wordt bepaald dat de inspecteur een teruggaafverzoek voor in andere lidstaten aan Nederlandse ondernemers in rekening gebrachte belasting niet doorstuurt aan de lidstaat van teruggaaf, wanneer de aanvrager in Nederland gedurende het teruggaaftijdvak onder de landbouwregeling valt. Met de afschaffing van de landbouwregeling verliest deze bepaling haar betekenis.

Artikel I, onderdeel D (tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968)

Een aantal posten van tabel I bij de Wet OB 1968 verliest met de afschaffing van de landbouwregeling zijn belang en komt te vervallen. De tabelposten die komen te vervallen, hebben betrekking op goederen en diensten die (nagenoeg) uitsluitend aan landbouwers als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet OB 1968 worden geleverd.

In onderdeel a van genoemde tabel I betreft het de posten 5 (broedeieren voor pluimvee) en 32 (gas en minerale olie voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwprodukten). In onderdeel b van die tabel I betreft het de posten 13 (een aantal specifieke diensten verricht aan landbouwers) en 18 (het vervoer van het gas dat valt onder de toepassing van het hiervoor genoemde onderdeel a, post 32).

Artikel II, artikel III en artikel IV (artikel 71e van de Wet op de accijns, artikel 60 van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 2 van de Wet opslag duurzame energie)

Zoals is aangegeven in het algemene deel van de toelichting komen de verwijzingen in artikel 71e van de WA en artikel 60 van de Wbm naar onderdeel a, post 32, van tabel I van de Wet OB 1968 te vervallen en wordt in artikel 2 van de Wet ODE een verwijzing naar artikel 60 van de Wbm opgenomen omdat genoemde post vervalt ingevolge artikel I, onderdeel D, van dit wetsvoorstel.

Artikel V (Overgangsrecht)

Het overgangsrecht voorziet in het volgende. De landbouwer die in het laatste belastingtijdvak van 2017 gebruikmaakt van de landbouwregeling kan de btw die in rekening is gebracht wegens de aanschaf van zijn investeringsgoederen die op 1 januari 2018 bij hem in gebruik zijn, voor de resterende herzieningsperiode in één keer in aftrek brengen op de btw-aangifte die hij doet over het eerste belastingtijdvak in 2018. Onder investeringsgoederen wordt in dit kader verstaan de goederen en diensten die zijn genoemd in artikel 13 van de UBOB 1968. Het betreft de btw die krachtens artikel 13 van de UBOB 1968 moet worden herzien voor die investeringsgoederen waarvoor aannemelijk is gemaakt dat deze voor de resterende herzieningsperiode voor belaste handelingen gebruikt zullen worden.

Het derde lid van artikel V heeft betrekking op alle goederen en diensten die vóór 1 januari 2018 door de hiervoor genoemde landbouwer zijn aangeschaft, maar die met ingang van 1 januari 2018 nog niet in gebruik zijn genomen. Door de intrekking van de landbouwregeling met ingang van 1 januari 2018 wijzigt per die datum de bestemming van deze goederen en diensten. Dit voorstel van wet voorziet erin dat de in rekening gebrachte btw ter zake van de aanschaf van deze goederen en diensten in aftrek moet worden gebracht in het eerste tijdvak van 2018 overeenkomstig de gewijzigde bestemming van deze goederen en diensten. Op het tijdstip van ingebruikneming van deze goederen en diensten wordt deze aftrek eventueel herzien ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Wet OB 1968.

Het vierde lid van artikel V bepaalt dat de herzieningsregeling zoals deze is vastgesteld op basis van artikel 15, zesde lid, van de Wet OB 1968 van toepassing is op de aftrek van btw, bedoeld in artikel V, tweede lid. Daarbij wordt bij fictie aangenomen dat de btw reeds in aftrek is genomen in het belastingtijdvak waarin de desbetreffende investeringsgoederen in gebruik zijn genomen. Dit heeft tot gevolg dat de ondernemer die de investeringsgoederen binnen de resterende herzieningsperiode gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat de btw weer moet herzien die betrekking heeft op het desbetreffende boekjaar (boekjaren). Een herziening vindt niet plaats als wordt voldaan aan het gestelde in artikel 15, zevende lid, van de Wet OB 1968.

Enkele voorbeelden van de uitwerking van het overgangsrecht ter verduidelijking:

Voorbeeld 1: herziening met betrekking tot een roerend investeringsgoed bij boekjaar van 1 mei-30 april

Op 1 juli 2016 schaft een landbouwer een landbouwwerktuig aan en neemt dit direct in gebruik. Het betreft een roerend investeringsgoed. De landbouwer maakt gebruik van de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet OB 1968. Het boekjaar van de landbouwer loopt van 1 mei – 30 april. Prijs van het landbouwwerktuig is: € 36.300 (inclusief € 6.300 aan btw). Omdat de landbouwer gebruik maakt van de landbouwregeling kan hij in het belastingtijdvak van aanschaf de btw niet in aftrek brengen.

Met ingang van 1 januari 2018 wordt de landbouwregeling afgeschaft en wordt de landbouwer op de normale wijze in de heffing betrokken. Het landbouwwerktuig zal vanaf 1 januari 2018 voor belaste prestaties worden gebruikt. Met toepassing van de overgangsbepaling brengt de landbouwer de btw die in rekening is gebracht bij de aanschaf van het landbouwwerktuig alsnog gedeeltelijk in aftrek. Dit moet hij doen in het eerste belastingtijdvak van 2018.

De berekening is dan als volgt:

Totaal aan btw in rekening gebracht: € 6.300. De herzieningsperiode loopt t/m april 2021 (vier boekjaren na het jaar van ingebruikname). De resterende herzieningsperiode op 1 januari 2018 bedraagt drie jaren en vier maanden. Btw toe te rekenen aan elk van de vijf boekjaren: € 1.260. Alsnog in aftrek te brengen in het eerste belastingtijdvak van 2018: € 4.200 (3 4/12 x € 1.260)

Voorbeeld 2: herziening met betrekking tot een onroerend investeringgoed

Op 1 december 2014 schaft een landbouwer een nieuwe stal aan en neemt deze direct in gebruik. Het betreft een onroerende zaak. De landbouwer maakt gebruik van de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet OB 1968. Het boekjaar van de landbouwer is een kalenderjaar. Prijs van de stal is € 121.000 (inclusief € 21.000 aan btw). Omdat de landbouwer gebruik maakt van de landbouwregeling kan hij in het belastingtijdvak van de aanschaf de btw niet in aftrek brengen.

Het betreft een onroerende zaak. De herzieningstermijn loopt t/m het kalenderjaar 2023 (negen jaren na het jaar van ingebruikname).

Op 1 januari 2018 wordt de landbouwregeling afgeschaft en wordt de landbouwer op de normale wijze in de heffing betrokken. De stal zal vanaf 1 januari 2018 voor belaste prestaties worden gebruikt. Met toepassing van de overgangsbepaling brengt de landbouwer de btw die in rekening is gebracht bij aanschaf van de stal alsnog gedeeltelijk in aftrek. Dit moet hij doen in het eerste belastingtijdvak van 2018.

De berekening is dan als volgt:

Totaal aan btw in rekening gebrachte: € 21.000. De herzieningsperiode loopt tot en met 31 december 2023 (negen boekjaren na het jaar van ingebruikname). De resterende herzieningsperiode op 1 januari 2018 bedraagt zes jaren (2018 t/m 2023). Btw toe te rekenen aan elk van de tien boekjaren: € 2.100. Alsnog in aftrek te brengen in het eerste belastingtijdvak van 2018: € 12.600 (6 x € 2.100).

Voorbeeld 3: herziening bij later (na 1 januari 2018) gebruik voor vrijgestelde activiteiten.

Onvoorziene omstandigheden doen de landbouwer uit voorbeeld 2 besluiten de in 2014 aangeschafte stal vanaf 1 januari 2019 vrijgesteld van btw te verhuren. Vanwege de vrijgestelde verhuur moet de in het eerste belastingtijdvak van 2018 in aftrek gebrachte btw worden herzien. De landbouwer wordt met toepassing van het overgangsrecht voor de herziening op grond van artikel 15, zesde lid, van de Wet OB 1968 geacht de herziene btw van € 12.600 in aftrek te hebben gebracht in het belastingtijdvak waarin 1 december 2014 valt. Aan het eind van elk van de jaren 2019 t/m 2023 moet de in aftrek gebrachte btw worden herzien. De herzieningsberekening is dan als volgt:

In aftrek gebrachte btw toe te rekenen aan 2019: € 1.260 (1/10 x € 12.600)

Vanwege de vrijgestelde huur heeft de landbouwer in 2019 geen recht op aftrek van btw. De landbouwer moet alsnog de aan 2019 toe te rekenen in aftrek gebrachte btw van € 1.260 herzien in het laatste tijdvak van 2019.

Voor de resterende herzieningsperiode (2020 t/m 2023) moet net als voor het jaar 2019 jaarlijks een herzieningsberekening worden gemaakt. Bij voortdurende vrijgestelde verhuur van de stal zal die gelijk zijn aan de berekening voor het jaar 2019.

Voorbeeld 4: herziening nog niet in gebruik genomen investeringsgoed

Op 1 juli 2017 koopt een landbouwer een landbouwwerktuig. De landbouwer maakt gebruik van de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet OB 1968. Het boekjaar van de landbouwer is een kalenderjaar. Het betreft een roerend investeringsgoed. Prijs van het landbouwwerktuig is: € 36.300 (inclusief € 6.300 aan btw). Omdat de landbouwer op het moment van aanschaf de landbouwregeling toepast, kan hij in het belastingtijdvak van aanschaf de btw niet in aftrek brengen.

Op 1 januari 2018 wordt de landbouwregeling afgeschaft en wordt de landbouwer op de normale wijze in de heffing betrokken. Het landbouwwerktuig is dan nog niet in gebruik genomen. Met toepassing van het overgangsrecht brengt de landbouwer de niet in aftrek gebrachte btw van € 6.300 alsnog op 1 januari 2018 in aftrek alsof de bestemming van meet af aan belast gebruik is geweest. Vanaf het moment van ingebruikname gelden de herzieningsregels van artikel 15, vierde en zesde lid, van de Wet OB 1968 onverkort.

Artikel VI (inwerkingtreding)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Uitstel van de inwerkingtreding tot na deze datum is, gelet op de budgettaire gevolgen voor de begroting en de fiscale jaarindeling, ongewenst. Daarom wordt een beroep gedaan op artikel 12 van de Wet raadgevend referendum.In afwijking hiervan treedt artikel I, onderdeel C, in werking met ingang van 1 oktober 2018. Gelet op het bepaalde in artikel 33e, eerste lid, van de Wet OB 1968 – het teruggaafverzoek moet uiterlijk 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de door de inspecteur ingestelde portaalsite worden ingediend – heeft die bepaling door de afschaffing van de landbouwregeling haar betekenis niet eerder verloren dan met ingang van 1 oktober 2018.

Deze memorie van toelichting wordt mede namens de Minister van Economische Zaken ondertekend.

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Noot 1: Kamerstukken II 2016/17, 34 550 XIII, nr. 2.

Noot 2: Kamerstukken II 2014/15, 30 991, nr. 25.

Noot 3: Kamerstukken II 2016/17, 34 550 XIII, nr. 101.

Noot 4: BLKB 2014/123M van 4 september 2014, Stcrt. 2014, 26112.

Noot 5: BLKB 2013/2253M van 20 december 2013, Stcrt. 2013, 36819.

Noot 6: Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Noot 7: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347).