Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Beleidsprioriteiten

1. Inleiding

Sinds 2012 heeft het kabinet maatregelen genomen om de economie weer op de rails te krijgen. Deze inzet betaalt zich nu uit in een sterke en breed gedragen groei van de Nederlandse economie. In 2017 wordt, volgens het CPB, een economische groei van 3,3% verwacht, in 2018 een groei van 2,5%. De Nederlandse economie groeit inmiddels twaalf kwartalen op rij, de werkloosheid daalt snel en het vertrouwen van consumenten en producenten ligt op een hoog niveau. Ook voor de komende periode wordt onverminderd ingezet op een structurele versterking van de economie. Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) doet dit in 2018, rekenschap gevend van de demissionaire status van dit kabinet, langs de eerder ingezette lijn van vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Deze drie factoren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en vormen de basis voor de prioriteiten die in deze agenda aan de orde komen.

2. Economisch beeld

In het afgelopen jaar noteerde Nederland alweer het derde jaar van economische groei sinds de crisis. De Nederlandse economie groeide met 2,2% en behoorde daarmee tot de voorhoede van het Eurogebied.

Het inkomen per hoofd oversteeg voor het eerst het niveau van voor de crisis. De economische groei was breed gedragen, met substantiële bijdragen van zowel de binnenlandse bestedingen als uitvoer. Bovendien noteerde de Nederlandse begroting voor het eerst in negen jaar een overschot. Al met al was er sprake van een goed economisch jaar. Ook is het consumentenvertrouwen op een zeer hoog niveau beland.

De groei van de Nederlandse economie blijft niet beperkt tot een paar sectoren. Van de zakelijke dienstverlening tot de bouwnijverheid, de handel, de horeca en de industrie, overal is de opleving van de Nederlandse economie zichtbaar. Mede door deze gunstige ontwikkelingen kende de arbeidsmarkt in het afgelopen jaar een sneller dan verwacht herstel. De werkgelegenheid nam toe met meer dan 100.000 banen en de werkloosheid daalde snel.

Door de toenemende werkgelegenheid zal de werkloosheid verder dalen, naar 4,3% in 2018. Tot aan 2021 stabiliseert de werkloosheid vervolgens op 4,6% van de beroepsbevolking. Dit komt omdat de werkgelegenheid en het arbeidsaanbod tussen 2019 en 2021 ongeveer even hard groeien. In de periode 2018–2021 neemt de werkgelegenheid jaarlijks toe met gemiddeld 0,5%.

De concurrentiekracht van Nederland heeft zich de afgelopen jaren goed ontwikkeld, mede door het succes op het gebied van innovatie. Dat blijkt ook uit verschillende ranglijsten. Volgens de Global Competitiveness Index 2016/2017 van het World Economic Forum is Nederland 4e wereldwijd en 1e van de EU. Op de Global Innovation Index is Nederland opgeklommen naar de 3e plaats.

Nederland voldoet de komende jaren ruimschoots aan de EU begrotingsregels. Het begrotingsoverschot loopt bij ongewijzigd beleid verder op naar 0,8% bbp in 2018. Tot aan 2021 verbetert het saldo verder naar +1,6% bbp. De schuldquote daalt in 2018 naar 53,7% bbp in 2018, ruimschoots onder het EMU-criterium van 60% bbp. Tot aan 2021 daalt de schuldquote verder naar 45,0% bbp, het laagste punt sinds 2007.

3. Vernieuwen

Ook in 2018 vervolgt EZ haar inzet om vernieuwing maximaal de ruimte te geven. In 2018 zal de aandacht liggen op investeringen via het topsectorenbeleid, de transitie naar een voedselbeleid, het bevorderen van ondernemerschap, de inzet op smart industry en digitalisering van de economie.

3.1 Topsectorenbeleid

De overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen werken via het topsectorenbeleid samen om de concurrentiekracht van internationaal opererende innovatieve (MKB en grote) bedrijven te versterken. De topsectoren hebben de afgelopen jaren afspraken gemaakt over de gezamenlijke ambities en de inzet van private en publieke middelen op het vlak van onderzoek en innovatie (via de Kennis en Innovatiecontracten en de Kennis en innovatieagenda’s). Het Kennis en Innovatiecontract 2016–2017 loopt dit jaar af en de voorbereiding voor het nieuwe contract 2018–2019 en bijbehorende agenda 2018–2021 loopt, waarbij in lijn met de motie Verhoeven-Vos (TK, 34 550-XIII, nr. 38) de focus wordt gelegd op maatschappelijke uitdagingen. Daarnaast wordt de ontwikkeling van sleuteltechnologieën gestimuleerd, omdat deze technologieën vaak een belangrijke rol spelen bij het realiseren van doorbraken. Hiermee wordt een sterke verbinding gelegd tussen de innovatieagenda’s van de Topsectoren, de Nationale Wetenschapsagenda, departementale agenda’s (zoals de Energieagenda en de Voedselagenda) en Horizon 2020.

Ook wordt samen met BZ onverminderd ingezet op een goede verbinding tussen de nationale en internationale economische agenda (projecten, missies, beurzen), de human capital agenda en de regeldrukagenda.

3.2 Transitie naar een voedselbeleid

De mondiale voedselproductie nadert de grenzen van de ecologische houdbaarheid. Naast de ecologische opgave liggen er voor het voedselsysteem ook belangrijke maatschappelijke opgaven met betrekking tot klimaat en energie, gezondheid, maatschappelijke waarden als dierenwelzijn en het verhogen van de veerkracht van het systeem. Vanuit voedsel en natuur wordt ook een bijdrage geleverd aan het klimaatbeleid. Ook economisch gezien zijn veranderingen nodig. Voedselketens leveren een belangrijke bijdrage aan het nationaal verdienvermogen, maar deze bijdrage daalt en het inkomen is voor veel boeren te laag om de productie ongewijzigd voort te kunnen zetten, ondanks schaalvergroting en intensivering die de afgelopen jaren in de Nederlandse veehouderijsectoren hebben plaatsgevonden. Voor een duurzame agrovoedselketen is daarnaast een eiwittransitie nodig waarbij de productie en consumptie van duurzame plantaardige eiwitten een duidelijke plaats gaan innemen. In 2018 zijn de opgaven gericht op een transitie:

  • 1.  Naar gezonde en duurzame voedselconsumptie;
  • 2.  Naar behoud, herstel en benutting van natuur;
  • 3.  Naar duurzame productieketens.

3.3 Bevorderen van ondernemerschap en – (risico)financiering

Ondernemerschap is de motor om kennis te vergaren en te benutten, ideeën uit te proberen, nieuwe producten te ontwikkelen en te vermarkten en de daarmee verbonden risico’s te dragen. Vanuit het perspectief van ondernemers, vooral het MKB, wordt de omgeving complexer. Een goede toegang tot ondernemersfinanciering en het investeren in kennis is van groot belang. EZ werkt samen met BHOS en Financiën aan de opzet van Invest-NL, de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling. Invest-NL wordt daarmee hét loket en de financieringspartner voor Nederlandse ondernemers en projecteigenaren, die op zoek zijn naar financiering voor investeringen in Nederland en uitbreiding van hun activiteiten op buitenlandse markten. Ook neemt alternatieve financiering in al zijn vormen toe, in het bijzonder het aanbod van risicodragend vermogen. Het programma StartupDelta 2020 faciliteert de groei van startups en scale-ups zodat zij kunnen zorgen voor vernieuwing van de economie. Belangrijk blijft het beter benutten van menselijk kapitaal door de verankering van ondernemerschapsonderwijs. Samen met OCW, SZW, sociale partners en regionale overheden wordt uitwerking gegeven aan het Techniekpact, dat moet zorgen voor voldoende slimme en vakbekwame technici.

3.4 Smart Industry

Digitalisering en robotisering leiden tot snelle verandering van productieprocessen, producten en diensten in de industrie. Via de Smart Industry Agenda helpt EZ de industrie te profiteren van de kansen die digitalisering en nieuwe productietechnologiën bieden. In diverse Smart Industry fieldlabs ontwikkelen, testen en implementeren bedrijven en kennisinstellingen concrete innovaties. Hierbij wordt de kennis van nu breed uitgerold naar het bedrijfsleven en kweken we bewustwording bij relevante doelgroepen.

3.5 Inzet voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK): Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en structuurfondsen vanaf 2021

Naar verwachting zal de Europese Commissie medio 2018 komen met haar plannen voor een nieuw budget van de EU (vanaf 2021), het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Het GLB is één van de belangrijkste pijlers van de Europese samenwerking. Het beleid is in 2013 hervormd en loopt tot 2020. Voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) vanaf 2021 is de inzet van EZ gericht op het versterken van de concurrentiekracht, verduurzaming, voedsel en vereenvoudiging. Deze inzet zal in 2018 verder worden uitgewerkt.

De Nederlandse inzet voor een nieuwe periode van structuurfondsen vanaf 2021 richt zich zowel op meer synergie, op innovatie, vergroening en grensoverschrijdende samenwerking als op vereenvoudiging van de fondsen. Dit is een breed gedragen standpunt van rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen. De financiële gevolgen die de uittreding van het Verenigd Koninkrijk zal hebben voor de hoogte van het MFK zijn op dit moment nog niet duidelijk. EZ beheert het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV).

3.6 Meer digitalisering, betere regelgeving en innovatie

Ondernemers die willen groeien en vernieuwen vragen om «betere regelgeving» die begrijpelijk en werkbaar is, onnodige bureaucreatie beperkt en ruimte biedt aan innovatie. Hiertoe wordt daarom ingezet op:

  • •  Van minder naar betere regelgeving: Werken aan merkbare regeldrukvermindering en innovatieve regelgeving die kansen biedt voor innovatie in sectoren met belangrijke vernieuwingsopgaven. Een op sectoren gerichte continuering van de maatwerkaanpak, voor bedrijfstakken met belangrijke maatschappelijke en industriële vernieuwingsopgaven zoals het agrocomplex, circulaire economie, chemie en zorg.
  • •  In aanvulling daarop een thematische aanpak voor het vereenvoudigen van complexe en veel voorkomende gebeurtenissen in de levenscyclus van ondernemers («life events»), zoals het aannemen van personeel, bouwen of huren van een vestiging en internationaal ondernemen.
  • •  Voor alle nieuwe wet- en regelgeving geldt dat sprake moet zijn van tijdige en stevige effecttoetsing van nationale en Europese regelgeving, specifiek ook op gevolgen voor het MKB.
  • •  Naast het toetsen op kwalitatieve aspecten is het van belang de kwantitatieve regeldruk voor ondernemers niet verder toe te laten nemen («handen aan de kraan»).

Het interdepartementale Programma Ruimte in Regels neemt per jaar ongeveer vijftig belemmeringen weg die ondernemers ervaren bij innovatieve investeringen op het gebied van wet en regelgeving. Dit draagt bij aan het halen van onze doelstellingen voor de circulaire economie, groene groei en Topsectoren. Het komende jaar wordt binnen dit programma extra prioriteit gegeven aan de uitvoering en handhaving van regelgeving bij innovatieve investeringen in het agrocomplex, normering en certificering, deeleconomie, en de stimulerende regelgeving voor een innovatieve chemie en bouwsector.

Digitale Overheid

De studiegroep informatiesamenleving en overheid constateert dat de samenleving in hoog tempo digitaliseert, maar dat de overheid vooralsnog onvoldoende is toegerust op deze digitale transformatie. Digitale dienstverlening van de overheid aan bedrijven zal worden georganiseerd rond gebeurtenissen in de levenscyclus van bedrijven. Daarom zet EZ in 2018 samen met andere departementen, uitvoeringsorganisaties en medeoverheden in op het versterken van de samenhang tussen de digitale voorzieningen en ICT-standaarden van de overheid vanuit het perspectief van de ondernemer. Concreet zetten we in op de ontwikkeling van de digitale voorzieningen MijnOverheid voor Ondernemers en het digitaal Ondernemersplein. Dit ondersteunen we met wettelijke rechten en plichten voor ondernemers en overheden zoals de Verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (eIDAS), de wijziging van de Handelsregisterwet (deponeren van de jaarrekening in Standard Business Reporting en de Richtlijn e-factureren.

Digitale Economie

Digitalisering is een bron van innovatie en bedrijvigheid. Bovendien biedt het nieuwe mogelijkheden voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen. In de Digitale Agenda, die EZ in 2016 heeft uitgebracht, zijn acties opgenomen om de digitale economie te stimuleren. Deze acties zijn gericht op het versterken van onderwijs, kennis en innovatie, infrastructuur, veiligheid en de digitalisering van maatschappelijke domeinen als zorg en mobiliteit. Daarbij zet EZ ook in op publiek-private samenwerking rond de inzet van nieuwe technologie als big data en blockchain. Ook initiatieven op de ontwikkeling van human capital, veiligheid en de interne digitale markt blijven onverminderd relevant voor het verdien- en innovatievermogen van Nederland. Daarnaast zorgt de digitalisering voor een verschuiving van marktverhoudingen en het ontstaan van nieuwe (markt)rollen, zowel voor consumenten als voor bedrijven. De grens tussen consumenten en producenten vervaagt en dit brengt nieuwe uitdagingen op het gebied van consumentenbescherming met zich mee. EZ zorgt ervoor dat het mededingingsbeleid en het toezicht, maar vooral ook de consument zelf, voldoende toegerust is op nieuwe markten en marktkansen.

4. Verduurzamen

De groei van welvaart is alleen duurzaam als in de behoeftes van de huidige generatie wordt voorzien zonder het vermogen van toekomstige generaties aan te tasten om in hun behoeftes te voorzien. Het Klimaatakkoord van Parijs vraagt een versnelling van de energietransitie. Bij de inzet van EZ om het Nederlandse groeivermogen te versterken is duurzaamheid dan ook een belangrijke randvoorwaarde. Dit raakt aan verschillende facetten van beleidsterreinen van EZ, zoals de energievoorziening en duurzame productieketens.

4.1 Duurzame- en CO2-arme energievoorziening

Een van de belangrijkste opgaven om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd, is het verduurzamen van de energievoorziening in Nederland. In het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) wordt het Nederlandse energie- en klimaatbeleid voor de periode 2021–2030 beschreven. Huidig uitgangspunt hiervoor is de Energieagenda, waarin ook landgebruik een rol speelt. Daarbij dienen de uitgewerkte transitiepaden per functionaliteit als input voor het integrale nationaal energie- en klimaatplan. Daarnaast zal op hoofdlijnen aangegeven worden hoe het beleid op langere termijn (richting 2040/2050) er uit zal zien. Naast nationale doelen en streefcijfers bevat het INEK ook concrete maatregelen. Er wordt tweejaarlijks aan de Europese Commissie gerapporteerd over de voortgang. 2018 zal worden benut om dit concept-INEK definitief te maken en af te stemmen met de Europese Commissie en buurlanden. Ook zal een publieke consultatie plaatsvinden. In 2018 werkt EZ met andere betrokken departementen aan de uitwerking van een concept van het INEK tot een definitieve versie. Het lange-termijnstreven is om in internationaal verband een CO2-arme energievoorziening te bereiken die veilig, betrouwbaar en betaalbaar blijft.

Uitwerking transitiepaden Energieagenda

Begin december 2016 is de Energieagenda gepubliceerd. Met deze agenda beoogt het kabinet een helder en ambitieus perspectief te schetsen voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening in 2050. In de Energieagenda zijn transitiepaden voor de verschillende functionaliteiten op hoofdlijnen uitgewerkt. Het kabinet is begin 2017 gestart met de kosten van de transitie richting een CO2-arme samenleving in 2050 in kaart te laten brengen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Energieagenda, de doorrekening van de kosten en input van alle betrokken partners in de samenleving worden de transitiepaden per functionaliteit (lage temperatuur warmte, hoge temperatuur warmte, kracht en licht, mobiliteit en transport, voor het domein voedsel en natuur) richting 2030 en 2050 verder uitgewerkt. Per transitiepad wordt in beeld gebracht wat de CO2-opgave is, wat de mogelijke maatregelen tot 2030 zijn, wat de mogelijke richtingen van het beleid richting 2050 zijn, welke innovatieopgaven er liggen om de doelstellingen te realiseren, wat de mogelijke verdienkansen hierbij zijn, wat de ruimtelijke implicaties zijn en hoe de governance ingericht kan worden.

Energieakkoord

Er wordt voortvarend doorgewerkt aan het uitvoeren van de afspraken uit het Energieakkoord met doelstellingen in 2020 en 2023. De herziening van de Warmtewet is in het voorjaar 2017 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het streven is de wetswijziging in 2018 in werking te laten treden. De partijen van het Energieakkoord hebben overeenstemming bereikt over een nieuwe alternatieve maatregel om 9 Petajoule (PJ) additionele finale energiebesparing te realiseren. Deze maatregel wordt vastgelegd in een Addendum op het MEE-convenant (meerjarenafspraak energie-efficiëntie voor ETS-ondernemingen). De deelnemers aan het MEE-convenant verdelen onderling de 9 PJ besparingsopgave.

Daarnaast hebben de partijen van het Energieakkoord overeenstemming bereikt over een convenant energiebesparing gebouwde omgeving, waarmee 10 PJ additionele energiebesparing wordt gerealiseerd bij huishoudens. Afgesproken is dat huishoudens met een slimme meter vanaf 2018 maandelijks inzicht krijgen in hun energieverbruik. Hiermee kunnen zij gemiddeld 3% besparen op het energieverbruik. Dit levert een voordeel op van gemiddeld € 45 per jaar op de energierekening. Daarnaast krijgen huishoudens meer informatie over inzichtdiensten en -producten, zoals in-home displays, inzicht-apps en slimme thermostaten, en voorlichting over de mogelijkheden van isolatie en duurzame opwekking van warmte en stroom. Voor de jaren 2017 tot en met 2020 wordt voor de investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)-regeling extra budget beschikbaar gesteld. Met de ISDE-regeling wordt de aanschaf van onder meer kleinschalige warmtepompen en zonneboilers gestimuleerd. Daarnaast zal in 2018 opnieuw een tender Windenergie op Zee plaatsvinden waarvoor € 4,5 mld budget is gereserveerd.

Energie-innovatie

De stimulering van innovatie vindt vooral plaats via de Topsector Energie met verschillende regelingen. Het gaat dan om de TKI-tenders van de Topsector Energie, de Hernieuwbare Energieregeling en de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI). In het najaar van 2017 zal de beleidsevaluatie van de energie-innovatieregelingen gereed zijn. Naast de evaluatie vindt er een nadere uitwerking plaats van de innovatie-inzet in meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s als onderdeel van de transitiepaden per energiefunctionaliteit. De maatschappelijke opgave gericht op CO2-emissiereductie staat centraal voor de innovatie-inzet evenals de verdienkansen.

4.2 Natuur

Nederland heeft zich verplicht aan internationale verdragen voor natuur en biodiversiteit, waarbij we onder de koepel van de Conventie Biologische Diversiteit (CBD) inzetten op essentiële doelen, zoals behoud van gezonde, natuurlijke systemen als basis voor biodiversiteit, herstel van flora en fauna van oceanen en het veiligstellen van migratieroutes van trekvogels. Investeren in natuur draagt ook bij aan een betere verdeling van welvaart en welzijn.

Met het Natuurpact, de Rijksnatuurvisie en met de invoering van de nieuwe wet Natuurbescherming wordt uitvoering gegeven aan het natuurbeleid. De maatregelen uit de Natura 2000-beheerplannen en de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland hebben effect. Het gaat gemiddeld genomen weer beter met de plant- en diersoorten in Nederland. Maar het herstel is beperkt en er zijn soortgroepen en leefgebieden waar de achteruitgang nog niet is gestopt. Natuurherstel vraagt om een lange adem. In 2018 zullen provincies en gemeenten, in lijn met de decentralisatie, samen met natuurorganisaties blijven investeren in de uitvoering van deze maatregelen. Belangrijk is daarbij om natuurbescherming te koppelen aan de voedseltransitie en te verankeren in andere sectoren zoals landbouw, energie, water, infrastructuur en bouw en stedelijke beleid. Voor de grote wateren werkt EZ samen met IenM aan het verbeteren van de kwaliteit van de natuur. Daarvoor wordt de opgave voor de komende jaren per groot water in beeld gebracht.

Uit de evaluatie van het Natuurpact is gebleken dat de landbouw een belangrijke rol speelt bij het behalen van de natuurdoelen. Daarom is een transitie om de landbouw meer natuurinclusief te maken belangrijk, ook in het kader van duurzame landbouw. Op welke manier deze transitie via bijvoorbeeld het GLB ondersteund kan worden, wordt verkend.

4.3 Duurzame productieketens

Als onderdeel van de voedseltransitie is veehouderij onderdeel van een circulair agro-ecosysteem waarin biomassa optimaal wordt ontsloten en hoogproductieve voedselkringlopen duurzaam worden gesloten. Naast voedsel levert de veehouderij andere belangrijke producten voor de samenleving zoals duurzame energie, natuur- en landschapskwaliteit en biobased grondstoffen. Dit vraagt om aanpassing van bestaande en om nieuwe houderijsystemen, waarbij integraal tegelijkertijd verbeteringen worden doorgevoerd op andere maatschappelijke duurzaamheidsthema’s zoals volksgezondheid, milieu en dierenwelzijn. Deze transitie zal in 2018 verder worden vormgegeven.

Sectorspecifieke reductiedoelstellingen in antibioticabeleid

Gezonde dieren zijn de norm, ziekte de uitzondering. Dit uitgangspunt in beleid moet leiden tot een minimaal, verantwoord gebruik van antibiotica wat bijdraagt aan het voorkomen van de ontwikkeling en verspreiding van antibioticaresistentie. De aanpak kenmerkt zich door een verschuiving van generiek naar meer sectorgericht beleid. De diergezondheidsproblematiek die ten grondslag ligt aan het antibioticumgebruik en bijbehorende aanpak loopt in de diverse sectoren sterk uiteen. De sectorgerichte aanpak houdt rekening met deze diversiteit, en zal daarmee bijdragen aan effectievere maatregelen om de diergezondheid en zorgvuldig antibioticumgebruik per sector te versterken. In 2018 zal EZ, in samenwerking met VWS, samen met de veehouders en dierenartsen via deze weg inzetten op verdere reductie van het antibioticumgebruik.

Streven naar een gezonde duurzame bodem

Een gezonde bodem is van belang voor het stimuleren van natuurlijke bodemvruchtbaarheid, optimaliseren van het waterbergend- en vocht leverend vermogen van de bodem en voor het vastleggen van koolstof in de bodem om klimaatdoelstellingen te realiseren. Hiertoe werkt EZ komend jaar aan een bodemstrategie. Daarnaast wil EZ in 2018 bijdragen aan de transitie van de beschikbaarheid van duurzame gewasbeschermingsmiddelen. Het mestbeleid zal gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater door het bevorderen van een effectief en efficiënt gebruik van meststoffen in de landbouw. Er zullen maatregelen getroffen worden zodat Nederland voldoet aan de normen voor fosfaat. Onder meer gericht op het behoud van de derogatie, ook in de periode vanaf 2018.

4.4 Mededinging en duurzaamheid

Mededinging en duurzaamheid gaan vaak hand in hand. In een beperkt aantal gevallen kunnen sommige wenselijke initiatieven uit de samenleving tegen de grenzen van het mededingingskader aanlopen. Voor die gevallen kan het wetsvoorstel ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven, dat momenteel in voorbereiding is, uitkomst bieden. Daarnaast is EZ in gesprek met de Europese Commissie over ruimte binnen de Europese mededingingskaders.

5. Verbinden

De overheid heeft een rol wanneer verbindingen en de hiermee samenhangende synergie niet vanzelfsprekend uit zichzelf tot stand komen. Vernieuwing komt namelijk voort uit nieuwe verbindingen, de combinatie van bestaande kennis in nieuwe producten en diensten. Dit vraagt om de verbinding van kennis, mensen, faciliteiten en geld. EZ zet met de volgende initiatieven hierop in.

5.1 Verbinding in de regio

Uitvoeren van de regionale functie is een verbindings- en schakelfunctie tussen EZ en regionale partijen door het ambassadeurswerk van vijf regioambassadeurs («ogen en oren van EZ in de regio»). Zo worden regionale partnerschapsprogramma’s voor de economische kerngebieden Brainport Eindhoven en de metropoolregio’s Rotterdam – Den Haag en Amsterdam/Utrecht verder ontwikkeld in 2018. Deze programma’s gaan over de grenzen van de topsectoren en departementen heen, door bijvoorbeeld ook aspecten rond het leef- en woonklimaat, de fysieke infrastructuur en arbeidsmarkt in de agendavorming te betrekken.

5.2 Energie & leefomgeving

De energietransitie heeft alleen kans van slagen als de energievoorziening betrouwbaar, veilig en betaalbaar blijft en maatschappelijk urgentie wordt gevoeld om de energievoorziening te veranderen. Daarom zet EZ via een interbestuurlijke governance aanpak en regionale energiestrategieën in op dialoog met de samenleving. De uitwerking van de Energieagenda naar het INEK is hierin de basis. Regionale energiestrategieën, met oog voor ruimtelijke inpassing, kunnen hier een onderdeel van zijn. Zo leggen we verbindingen tussen partijen, vergroten we onderling begrip, en ontstaat meer besef over de omvang van de energietransitie en acceptatie voor maatregelen die daarvoor nodig zijn.

5.3 Groen onderwijs, kennis en innovatie

Voor de transitie naar een natuurinclusieve landbouw en een duurzaam, robuust en gezond voedselsysteem is kennis en innovatie nodig. Samen met bedrijfsleven en kennisinstituten wordt de nieuwe kennis- en innovatieagenda (2018–2020) van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen uitgevoerd. Tevens worden startups die bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke problemen uitgedaagd, gestimuleerd en ondersteund. Ten slotte geven bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en overheid samen invulling aan de Strategische Ontwikkelagenda Groen Onderwijs om zo mensen met de juiste kennis en vaardigheden op te leiden en bij te scholen.

5.4 Industriële participatie

EZ werkt in 2018 aan het inschakelen van de Nederlandse industrie en instituten bij de productie en ontwikkeling van militair materieel. Op de internationale markt voor defensiematerieel is geen sprake van een gelijk speelveld door interventies door overheden. De ontwikkeling en productie van defensiematerieel is door de technologische hoogwaardigheid en de voortdurende behoefte aan kennis en innovatie een belangrijk onderdeel van de Nederlandse industrie en draagt bij aan de veiligheid van Nederland. Gerichte inzet van het industrieel participatiebeleid leidt tot inschakeling van Nederlandse industrie en instituten bij productie en ontwikkeling van militair materieel voor de (inter-)nationale defensiemarkt.