Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Bijlage 6: Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van EZ. Er wordt ingegaan op het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020, op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s voor de periode 2014–2020 en op de Eigen Middelen van de EU.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Voor de volledige zeven jaar komt de meerjarenbegroting uit op een bedrag van € 1.083 mld (lopende prijzen). Dat is 1 procent van het BNP van alle lidstaten bij elkaar. Het MFK is vastgelegd in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad. Zoals in de MFK-verordening is vastgelegd heeft de Europese Commissie in de tweede helft van 2016 een tussentijdse evaluatie van het Meerjarig Financieel Kader gepresenteerd.

In de loop van 2018 zal de Europese Commissie een voorstel presenteren voor het MFK post-2020.

Periode post-2020

Vooruitlopend op de voorstellen van de Europese Commissie voor de verschillende EU-programma’s en EU-fondsen voor de periode na 2020, is in Nederland de voorbereiding hierover gestart.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

Voor de uitvoering in gedeeld beheer van het Europees Beleid worden vanuit de Europese Commissie eisen gesteld aan de uitvoering door de lidstaten. Deze eisen zijn vastgelegd in Raadsverordeningen en uitgewerkt in Commissieverordeningen en bijbehorende richtsnoeren. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de geharmoniseerde en éénduidige uitvoering van het EU-beleid.

Voor de uitvoering van het EU beleid stelt de Europese Commissie een aantal Europese Fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EZ zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);
  • 2.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
  • 3.  Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV);
  • 4.  Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);
  • 5.  Horizon 2020 (periode 2014–2020);
  • 6.  Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI).

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2014–2020

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De 1e pijler bestaat uit directe inkomenssteun aan agrariërs en markt- en prijsbeleid. Met behulp van vooral rechtstreekse inkomenssteun richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwinkomens. De 2e pijler betreft het plattelandsbeleid. Deze pijler richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de EU.

1. GLB pijler 1: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De Kamer is geïnformeerd over de implementatie in Nederland van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voor de periode 2014–2020 (TK, 28 625, nrs. 168, 189, 194 en 216).

Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen:

1a. Inkomenssteun voor boeren

Het nieuwe GLB stuurt op de omvorming van op historische referentie gebaseerde directe betalingen naar een gelijke hectarebetaling binnen lidstaten. Op Europees niveau is vastgelegd dat landbouwbedrijven die gebruik willen maken van de directe betalingen in het nieuwe GLB verplicht zijn om vergroeningsmaatregelen toe te passen. Hiervoor is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd.

Er zijn drie generieke vergroeningsmaatregelen Europees vastgesteld.

  • 1.  Gewasdiversificatie. Bedrijven moeten op bouwland minstens drie gewassen telen. Met name voor kleine bedrijven bestaan hierop enkele uitzonderingen.
  • 2.  Behoud van blijvend grasland.
  • 3.  Ecologische aandachtsgebieden met een omvang van 5% van het bouwlandoppervlak. Hierbij kunnen de lidstaten kiezen uit een aantal opties waaronder landschapselementen, akkerranden, bufferstroken, vanggewassen en stikstofbindende gewassen.

Om te voldoen aan de vergroeningsverplichting is het mogelijk dat lidstaten, naast bovengenoemde maatregelen en na goedkeuring door de Europese Commissie, equivalente maatregelen toevoegen aan de Europese lijst. Nederland maakt daar gebruik van.

1b. Extra ondersteuning jonge boeren

Meer dan twee-derde van de Europese boeren is ouder dan 55 jaar. Om de toekomst van de sector zeker te stellen wil de Commissie jonge boeren gedurende de eerste vijf jaar van het bestaan van hun bedrijf extra financiële ondersteuning bieden. Lidstaten worden verplicht extra steun aan jonge boeren te geven via een zogenaamd «top-up» op directe betalingen. Hiervoor dient maximaal 2% van de enveloppe voor directe betalingen (1e pijler GLB) te worden aangewend. Daarnaast is besloten dat via het plattelandsbeleid (2e pijler GLB) jonge boeren extra steun kunnen ontvangen. Conform de wens van de Kamer komt er een landsdekkende jongeboerenregeling gericht op innovatieve investeringen, en wel voor € 5,2 mln per jaar, waarvan de provincies € 2,6 mln cofinancieren. Conform de motie Dik-Faber (TK, 33 750-XIII, nr. 65) heeft de Staatssecretaris van EZ met de provincies afgesproken dat ze streven naar een zo gelijk mogelijke uitvoering van de regeling. Omdat het karakter van de regeling zich richt op innovaties kunnen per provincie wel accentverschillen aangebracht worden zodat beter ingespeeld kan worden op regionale behoeften.

2. Markt- en prijsbeleid

In 2014 is binnen de integrale Gemeenschappelijke Marktordening (iGMO) een belangrijke stap gezet naar verdere marktoriëntatie. De quotaregeling voor melk is per 1 april 2015 beëindigd en de quotaregeling voor suiker eindigt per 1 oktober 2017.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van de vorige iGMO is dat voor alle agrarische sectoren de mogelijkheid bestaat om producenten- en brancheorganisaties op te richten. Door de Minister van Economische Zaken erkende producenten- en brancheorganisaties kunnen de Minister verzoeken om voorschriften van deze organisaties verbindend te verklaren. Inmiddels zijn er zeven brancheorganisaties (in de akkerbouw-, pluimvee-, eieren-, kalver, tuinbouwsector) en één producentenorganisatie (in de varkenssector) erkend. De Minister heeft in 2016 het onderzoeksprogramma en de collectieve financiering van dit programma van de drie brancheorganisaties in de akkerbouw verbindend verklaard.

Per schooljaar 2017/2018 treedt een nieuwe, gecombineerde schoolfruit-schoolmelkregeling in werking. De regeling heeft tot doel de consumptie van groenten, fruit en melk door kinderen te bevorderen en het aanleren van gezonde eetgewoonten. Dit vindt plaats door het verstrekken van groenten, fruit en melk aan kinderen in onderwijsinstellingen, in combinatie met educatieve maatregelen. De nieuwe regeling vervangt de separate regelingen voor schoolfruit/groenten en schoolmelk. Met de samenvoeging en stroomlijning van de systematiek wordt een efficiëntere en effectieve uitvoering beoogd. Op jaarbasis is op EU-niveau een budget van € 100 mln voor schoolmelk beschikbaar en € 150 mln voor schoolfruit/groenten, waarvan respectievelijk € 2,4 mln (melk) en € 5,4 mln (groenten/fruit) aan Nederland is toegewezen.

Voor de promotie en afzetbevordering van landbouwproducten vindt jaarlijks een openstelling plaats, waarbij sectororganisaties programmavoorstellen kunnen indienen bij de Europese Commissie. Het EU-budget loopt jaarlijks op, van circa € 60 mln in 2013 tot € 200 mln per jaar in 2019. De regeling is gericht op het vergroten van export van landbouwproducten uit de EU naar derde landen en daarnaast op informatieverstrekking over de kwaliteit van EU-producten op de interne markt. De Europese Commissie stelt jaarlijks een werkprogramma op met daarin de prioriteiten en bijbehorende budgetverdeling.

In 2016 is de nieuwe Nationale Strategie voor de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO) groenten en fruit vastgesteld. Op 1 januari 2017 is de nieuwe strategie van kracht. De strategie is van toepassing op de operationele programma’s van producentenorganisaties in de tuinbouwsector. Dit instrument wil het perspectief van de tuinbouw versterken en richt zich op de drie strategische doelen versterking afzetstructuur, marktgericht produceren en verdergaande verduurzaming. Om de beschikbare GMO-middelen, binnen de regelgeving, beter en effectiever voor bovenstaande doelen te kunnen gebruiken, zijn in afstemming met het bedrijfsleven vernieuwing en collectiviteit als belangrijke voorwaarden gekozen voor de beoordeling van de operationele plannen en subsidiabiliteit van activiteiten.

3. Versterking zuivel- en varkenssector

In september 2015 heeft de Europese Raad steun gegeven aan een pakket aan maatregelen voor de melkveehouderij en de varkenshouderij die te kampen hebben met grote marktproblemen. In dit pakket heeft de Europese Commissie in totaal € 500 mln beschikbaar gesteld voor deze sectoren, die de marktsituatie in zijn geheel moeten verbeteren. Hiervan is op korte termijn € 420 mln beschikbaar, die middels nationale enveloppen is verdeeld onder lidstaten. Nederland ontvangt hiervan € 29,94 mln voor de zuivelsector en de varkenshouderij.

Daarnaast zijn vanuit het pakket extra middelen beschikbaar gesteld door de Europese Commissie voor Europese particuliere opslagregelingen voor magere melkpoeder, kaas en varkensvlees en voor Europese regelingen voor de promotie en exportbevordering van zuivel en varkensvlees.

De Europese middelen van € 29,94 worden langs drie sporen verdeeld:

  • 1.  Verdere verduurzaming van de melkveehouderij (€ 9,98 mln);
  • 2.  Vitalisering van de varkenshouderij (€ 9,98 mln);
  • 3.  Stimuleren van investeringen in mestverwerking voor de melkvee- en varkenshouderij (€ 9,98 mln).

Voor de verduurzaming van de melkveehouderij (€ 9,98 mln) worden de middelen ingezet voor:

  • •  Stimuleren van deelname aan de Kringloopwijzer om het mineralengebruik en de uitstoot en overschotten van fosfaat en stikstof in beeld te brengen (€ 3 mln);
  • •  Bijdrage in de kosten voor de bestrijding van de ziekten koeiengriep (IBR), koeiendiarree (BVD) en uierontsteking om het antibioticumgebruik verder te verlagen (€ 3 mln);
  • •  Stimuleren van de weidegang omdat dit goed is voor de koeien maar ook voor de weidevogels (€ 3,98 mln).

Voor de vitalisering van de varkenshouderij (€ 9,98 mln) worden de middelen ingezet voor:

  • •  Vitalisering van de sector op basis van een integraal herstructureringsplan dat onder verantwoordelijkheid van de Coalitie Vitale Varkenshouderij wordt uitgewerkt (€ 5 mln);
  • •  Versterken sector door meer marktgericht te produceren en het verbeteren van de samenwerking in de keten (€ 4,98 mln).

Voor hoogwaardige mestverwerking worden de middelen (€ 9,98 mln) ingezet in investeringen in technieken om mest te verwerken tot een waardevolle meststof of tot grondstoffen voor andere doeleinden.

In juli 2016 heeft de Europese Raad ingestemd met een tweede pakket aan steunmaatregelen voor de melkveehouderij en de varkenshouderij vanwege de marktproblemen. Hiervoor is onder andere een tweede nationale envelop beschikbaar gesteld aan Nederland van € 22,952 mln Europese middelen. Dit bedrag is verdubbeld met een nationale top up tot € 45,904 mln.

Voor de melkveehouderij is hiervan € 41,928 mln beschikbaar gesteld voor een beëindigingsregeling voor de melkveetak op landbouwbedrijven. Via deze regeling worden melkveehouders gestimuleerd zo snel mogelijk in 2017 de melkveetak te beëindigen. Hiermee wordt de melkproductie door de melkveehouderij gereduceerd met als doel de afzetmarkt te stabiliseren. Tevens draagt deze maatregel bij aan een versnelde reductie van de fosfaatproductie in 2017 door de melkveehouderij.

Voor de varkenshouderij wordt € 3,976 mln beschikbaar gesteld voor het verbeteren van de mineralenefficiëntie via het veevoer in de varkenshouderij. Dit leidt tot een vermindering van de fosfaatproductie in de varkenshouderij met 1 miljoen kilogram fosfaat in 2017.

Financieel overzicht

Onderstaand overzicht geeft de voor Nederland beschikbaar komende EU budgetten voor de directe betalingen (Zie ook bijlage 2 van Verordening 1307/2013).

Directe betalingen (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Nationale enveloppe directe betalingen

749

737

724

713

701

732

2. GLB pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

De Kamer is geïnformeerd over het Plattelands Ontwikkelings Programma (POP3) 2014–2020 (TK, 28 625, nrs. 168, 189 en 194). Met de provincies is een akkoord bereikt over de invulling van het Plattelandsprogramma voor de periode 2014–2020. Begin 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse POP3 goedgekeurd.

POP3 wordt ingevuld door de provincies en aangevuld door het Rijk. Hiermee kunnen gebiedsspecifieke behoeftes in de landbouw worden aangepakt. Aan generieke behoeftes wordt landsdekkend invulling gegeven. Met deze combinatie kan optimaal ingespeeld worden op het bevorderen van een gelijk speelveld. De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale middelen cofinanciering voor POP 3, aangevuld met cofinanciering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

Het standaard cofinancieringspercentage van de Europese Unie voor POP3 bedraagt maximaal 53%. Voor investeringen en maatregelen ten behoeve van milieu, klimaatadaptatie en klimaatmitigatie is een uitzondering gemaakt en besloten tot maximaal 75% Europese cofinanciering. Inmiddels heeft Nederland gekozen voor een cofinancieringspercentage van 50% met uitzondering van agrarisch natuurbeheer. Hier is het 75%.

In overleg met de provincies is besloten POP3 concreet te richten op de volgende thema’s:

  • 1)  Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht;
  • 2)  Jonge boeren;
  • 3)  Natuur en landschap (zoals afgesproken in het Natuurpact);
  • 4)  Verbetering van de waterkwaliteit;
  • 5)  LEADER (inclusief projecten onder het programma Duurzaam Door).

In 2016 is het POP3 aangepast door toevoeging van middelen van de eerste pijler (€ 31,5 mln per jaar voor de periode 2016–2020) en de overgang naar een stelsel van collectief agrarisch natuurbeheer met ingang van 2016.

In juli 2017 is de voorgenomen overheveling van de eerste pijler (€ 30 mln per jaar voor de jaren 2019 en 2020) aan de Europese Commissie gemeld. Voor de Brede Weersverzekering wordt vanaf 2019 € 10 mln per jaar ingezet. Hiermee kunnen voor de jaren 2019 en 2020 in totaal 1.000 tot 1.200 meer deelnemers worden geaccommodeerd (bijna een verdubbeling van het huidige aantal). Voor de jaren 2019 en 2020 wordt € 20 mln per jaar voor agrarisch natuurbeheer ingezet om de belangrijkste stappen te zetten om scenario 2 uit de toekomstscenario’s weide- en akkervogelbeheer te realiseren (zie TK, 33 576, nr. 97).

Onderstaand volgt een overzicht van de bedragen die gemiddeld per jaar voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) beschikbaar zijn (bedragen x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Bijdrage EU

87,0

87,0

118,5

118,4

118,3

118,1

118,0

765,3

Bijdrage andere overheden

87,0

83,6

103,5

103,6

103,3

103,0

103,0

687

Bijdrage Rijk

 

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

33

Het bedrag dat voor Nederland vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) beschikbaar is voor POP3 bedraagt € 765 mln voor de periode 2014–2020. Dat is circa € 110 mln per jaar (dit bedrag is exclusief de voorgenomen extra overheveling van pijler 1 gelden voor de jaren 2019 en 2020). De nationale cofinanciering ligt in dezelfde orde van grootte, welke grotendeels voor rekening komt van de provincies en waterschappen. Het EZ aandeel bedraagt circa € 5,5 mln per jaar en deze uitgaven worden verantwoord in het jaarverslag van EZ (artikel 6). Het Rijksaandeel heeft betrekking op de regeling brede weersverzekering. Vanaf 2016 is EZ eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector en de vleesveesector. Deze regelingen worden alleen via de EU gefinancierd, de hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

Ten behoeve van POP3 stelt de EC budget beschikbaar volgens het N+3 jaar principe. Dit betekent dat het budget dat in 2014 beschikbaar is gekomen, uiterlijk in het laatste kwartaal van 2017 moet zijn gedeclareerd.

Van genoemde bovenstaande beschikbare middelen is tot en met 1 april 2017 € 106 mln aan Europese middelen in Brussel gedeclareerd. In onderstaande tabel staat aangegeven aan welke POP-maatregelen de beschikbaar gestelde budgetten zijn besteed.

Maatregel

Gedeclareerde EU-middelen per 1 april 2017 (mln €)

1 trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstratie

0

3 kwaliteitsregeling voor landbouwproducten en levensmiddelen

0

4 investeringen in materiële activa

9

10 agromilieuklimaatsteun

88

16 samenwerking voor innovatie/EIP

0

17 risicobeheer

8

19 Leader

0

20 technische bijstand

1

Totaal POP3

106

3. Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ten aanzien van controle & handhaving, datacollectie en ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Ontwikkelingen EFMZV 2014–2020

Op 1 juli 2015 (TK, 32 201, nr. 77) is de Kamer geïnformeerd over de inzet van EZ ten aanzien van het EFMZV. Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds wordt eveneens ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het Nederlandse Operationeel Programma (OP) geeft voor de komende jaren richting en sturing aan de inzet van het EFMZV in Nederland. In het OP is het EFMZV-instrumentarium gericht op 3 hoofdthema’s:

  • 1.  Invoering van de aanlandplicht;
  • 2.  Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;
  • 3.  Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

Inmiddels zijn er openstellingen geweest voor Jonge vissers, Innovatie aanlandplicht, Innovatie rendementsverbetering en Innovatie aquacultuur. Daarnaast zijn overheidsopdrachten verleend voor Pulsonderzoek, Kenniskringen, Glasaaluitzet, Datacollectie en Controle.

Financieel overzicht Operationeel Programma

De Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het EFMZV een Operationeel programma opgesteld voor de periode 2014–2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50–50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

De voor Nederland beschikbaar komende EU-budgetten voor het EFMZV (2014–2020) zijn (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

EFMZV middelen

13,9

14,1

14,2

14,5

14,8

14,9

15,1

101,5

Op de begroting van EZ zijn op artikel 6 voor de cofinanciering van het GVB 2014–2020 de volgende nationale middelen beschikbaar (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Rijksmiddelen co-financiering GVB

 

5,0

5,8

7,3

5,3

5,3

1,3

30,0

4. Europese Structuur en Investeringsfondsen

Met een Europees budget van € 454 mld voor de periode 2014–2020 zijn de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) het belangrijkste beleidsinstrument voor investeringen van de EU. Ze hebben tot doel de economische concurrentiekracht, werkgelegenheid en cohesie in Europa te versterken. Het is een pakket van 5 fondsen, waarvan alleen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) hier zal worden toegelicht. De andere fondsen worden buiten beschouwing gelaten omdat ze hierboven al toegelicht worden (ELFPRO en EFMZV), Nederland er geen aanspraak op kan maken (Cohesiefonds), of onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen (Europees Sociaal Fonds).

Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

Nederland ontvangt vanuit het EFRO middelen van de EU voor vier landsdelige programma’s (€ 507 mln) en vier programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking «INTERREG A»10(€ 309 mln). Deze Europese middelen worden nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van Economische Zaken stelt in totaal € 91 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de landsdelige en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s (exclusief uitvoeringskosten). Ook decentrale overheden en private partijen dragen bij aan cofinanciering van EFRO-projecten.

Landsdelige programma’s

De vier landsdelige programma’s zijn Noord-Nederland, Oost-Nederland, West-Nederland en Zuid-Nederland. Het Rijk heeft samen met de regio’s innovatie en koolstofarme economie als belangrijkste thema’s aangewezen en het MKB als belangrijke doelgroep.

Bij de inzet van de EFRO middelen wordt aangesloten bij sterke sectoren en speerpunten in het betreffende gebied. Voor elk landsdeel zijn hiervoor zogenaamde «Slimme Specialisatie Strategieën» (smart specialisation strategies) opgesteld. Deze zijn opgesteld in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden en geven via regionale specialisaties invulling aan de topsector-aanpak.

Sterke sectoren en speerpunten per landsdeel (inclusief EFRO-budget):

  • •  Noord (€ 103 mln): energie, watertechnologie, healthy ageing, agribusiness, slimme (sensor)systemen en materialen en accent op maatschappelijke opgaven.
  • •  Oost (€ 100 mln): agri&food, health, High Tech Systemen en Materialen (HTSM), energie & milieutechnologie (EMT).
  • •  Zuid (€ 114 mln): agri&food, HTSM, chemie en nadruk op cross-overs.
  • •  West (€ 190 mln): alle topsectoren, nadruk op cross-overs, duurzaamheid, biobased en ICT.

Voor nadere informatie over de landsdelige programma’s EFRO wordt verwezen naar de Kamerbrieven (TK, 21 501-08, nrs. 489, 507 en 525).

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de landsdelige programma’s is op regionaal niveau belegd. Het Rijk draagt systeemverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de EFRO-programma’s. Dit houdt onder andere in dat het Ministerie van Economische Zaken voor wat betreft de landsdelige programma’s opdrachtgever is van de Auditautoriteit (belegd bij de Auditdienst Rijk) en van de Certificeringsautoriteit (belegd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).

Een prioriteit voor de landsdelen en het Ministerie van Economische Zaken bij de uitvoering is het verminderen van regeldruk voor het MKB. Dit begint bij vereenvoudiging van Europese regelgeving. De Europese Commissie heeft hier voorstellen voor gedaan die zich voornamelijk richten op het verlichten van de administratieve lasten voor begunstigden, het verbeteren van de synergie van de ESI-fondsen met andere Europese instrumenten, het stroomlijnen van de financiële instrumenten en het vergroten van de flexibiliteit van de ESI-fondsen. De voorstellen worden in 2018 doorgevoerd. Nationaal is van belang dat er eenduidigheid bestaat over de controlepraktijk. Daartoe wordt een gezamenlijk kader opgesteld door de uitvoeringsautoriteiten van EFRO in Nederland.

Grensoverschrijdende programma’s

De vier grensoverschrijdende programma’s waar Nederland aan deelneemt zijn Duitsland-Nederland, Euregio Maas-Rijn, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. Innovatie en koolstofarme economie zijn tevens belangrijke thema’s voor deze programma’s, met ruimte voor verschil per regio. De volgende sterke sectoren en speerpunten zijn per programma geïdentificeerd (inclusief het EFRO budget dat Nederland ontvangt):

  • –  Duitsland-NL (€ 141,11 mln): Agrofood, LS&H, HTSM, Energie, Logistiek, sociaal culturele en territoriale grensoverschrijdende samenwerking.
  • –  Vlaanderen-NL (€ 94,06 mln): Agrofood, Chemie, Logistiek, HTSM, Energie, Life Sciences, Bio-based, maintenance, grondstof efficiëntie, milieu, arbeidsmobiliteit.
  • –  Twee zeeën (€ 51,91 mln): Logistiek, Maintenance, Chemie, Water, Energie, Bio-Based, en de maritieme industrie.
  • –  Euregio Maas Rijn (€ 22,6 mln): Chemie, Logistiek, LS&H, HTSM, onderwijs, arbeidsmarkt en sociale inclusie.

Voor de cofinanciering van het EFRO 2014–2020 zijn de volgende Rijksmiddelen (inclusief uitvoeringskosten) op de begroting van EZ (artikel 2) beschikbaar (x € 1 mln):

Kalender-

jaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Totaal

Rijksmiddelen co-financiering EFRO

11,0

16,9

17,2

31,2

31,2

23,1

23,1

11,0

11,0

175,7

Accenten 2018

Alle programma’s liggen inmiddels op stoom. Voor zowel de grensoverschrijdende programma’s als landsdelige programma’s worden er voor 2018 weer verschillende openstellingen voorzien onder andere gericht op R&D samenwerkingsprojecten, proeftuinen en clusterontwikkeling. Halverwege de programmaperiode gaat het accent ook steeds meer liggen op afronding van projecten en realisatie van kosten.

Afspraken tussen alle betrokken autoriteiten over een verbeterde controlepraktijk bij de landsdelige programma’s zijn onderhanden en worden naar verwachting in 2018 operationeel. Het Ministerie van Economische Zaken is hier vanwege de systeemverantwoordelijkheid voor EFRO en opdrachtgever van de Auditautoriteit en Certificeringsautoriteit nauw bij betrokken.

In 2018 zijn er verschillende activiteiten op het gebied van verantwoording en evaluatie:

  • ○  Bij het opstellen van de programma’s zijn normen vastgelegd in een prestatiekader en er zijn mijlpalen bepaald. Als een programma de mijlpalen haalt, maakt het aanspraak op de prestatiereserve die bestaat uit 6% van middelen die zijn toegewezen. 2018 is een belangrijk eerste meetmoment voor de prestatiereserve. De prestatiereserve is alleen van toepassing op de landsdelige programma’s.
  • ○  Medio 2018 wordt het eindrapport verwacht van de tussentijdse impactevaluatie van de vier landsdelige programma’s. In deze evaluatie wordt onderzocht of de logica die ten grondslag ligt aan de programma’s werkt en of de instrumenten die zijn ingezet effectief zijn.

De projecten die via het EFRO worden gefinancierd dragen bij aan het halen van de Nederlandse nationale doelen voor innovatie en energie binnen de Europa 2020 strategie. Over de resultaten van de projecten wordt onder meer gecommuniceerd via de website www.europaomdehoek.nl.

5. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014–2020

Horizon 2020 is het grootste Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie en heeft als doel de wetenschappelijke en technologische basis van Europa versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Horizon 2020 loopt sinds 1 januari 2014 en is de opvolger van het Zevende Kaderprogramma (KP7). Het budget van Horizon 2020 is in het meerjarig financieel kader vastgesteld op € 70,2 mld. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) is nationaal contactpunt voor dit programma en stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen de Nederlandse deelname aan Horizon 2020 door middel van training, advies en informatie.

Horizon 2020 sluit aan bij de Europese strategie voor banen en groei (Europe 2020) en is gericht op drie pijlers: excellente wetenschap, industrieel leiderschap en het ontwikkeling en benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. De verdeling van de middelen vindt plaats op basis van competitie waarbij objectieve criteria worden gehanteerd. Hierbij wordt deelname van het Midden -en Kleinbedrijf (MKB) gestimuleerd. Zie ook de toelichting op het onderwerp Horizon 2020 bij beleidsartikel 2.

Naast bijdragen aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiek-publieke en publiek-private programma’s met een eigen Europese rechtsgrondslag: de publiek-publieke programma’s zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-Werkingsverdrag en worden nationaal gecofinancierd. EZ cofinanciert er één daarvan direct, het artikel 185-initiatief Eurostars, dat zich richt op het MKB. Deelname in Eurostars geeft Nederlandse kennisintensieve bedrijven en organisaties de mogelijkheid om onderzoeksprojecten op te zetten met buitenlandse partners, waarmee zij toegang krijgen tot nieuwe kennis en afzetmarkten. Indirect (via het standaardeninstituut VSL) wordt daarnaast het artikel 185-initiatief European Metrology Research Programme door EZ gecofinancierd. Dit programma voorziet in de toenemende behoefte aan geïntegreerde metrologische maatoplossingen ter ondersteuning van innovatie en economische groei.

De publiek-private programma’s, zogenaamde Joint Technology Initiatives (JTI), zijn gebaseerd op artikel 187 van het EU-Werkingsverdrag. Hierbij is in een geval eveneens sprake van nationale cofinanciering. Tijdens de periode van Horizon 2020 betreft dit het JTI ECSEL, dat door het Ministerie van EZ wordt gecofinancierd. In samenhang met deze communautaire samenwerkingsvormen bestaat er gouvernementele samenwerking in Eureka-clusters (e.g. PENTA, CATRENE) om de mondiale concurrentiekracht van hightechindustrie te versterken.

Middelen voor cofinanciering Horizon2020 op begroting EZ (bedragen x € 1 mln)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

JTI/Eureka-clusters/Global stars

(Internationaal Innoveren)

17,0

27,1

35,1

40,0

41,3

41,3

41,3

Eurostars

8,5

12,0

14,7

17,8

18,0

18,0

18,0

Totaal

25,5

39,1

49,8

57,8

59,3

59,3

59,3

NB 1 Middelen Global stars pas beschikbaar vanaf 2017.

NB 2 Middelen Eurostars zijn inclusief TopUp uit Brussel.

6. Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI)

De Kamer is geïnformeerd over het akkoord over de verordening voor het EFSI en de oprichting van het Netherlands EFSI Investment Agency (NEIA) dat vervolgens is doorontwikkeld tot het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) (TK, 21 501-07, nr. 1247; TK, 22 112, nr. 1977 en TK 22 112, nr. 2008).

Het EFSI is in 2015 ingesteld als leningsinstrument voor meer risicovolle financiering van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF) met als doel om door middel van gerichte investeringen de structurele economische groei in de EU te bevorderen. Het gaat daarbij om rendabele investeringsprojecten met brede maatschappelijke baten, binnen de EFSI thema’s: onderwijs, onderzoek en innovatie, strategische infrastructuur, MKB-financiering, hernieuwbare energie en milieu.

Het EFSI bevat garantiekapitaal van de EU-begroting en de EIB op investeringen door de EIB en het EIF (samen EIB-groep). Met een garantie van € 16 mld uit de EU-begroting en € 5 mld eigen kapitaal is de EIB-groep in staat om voor circa € 60 mld nieuwe investeringen aan te gaan. Die investeringen kunnen door de garantie een hoger risicoprofiel kennen dan reguliere EIB- en EIF investeringen. Door het strategische risico dat de EIB-groep hiermee neemt, is het mogelijk bij iedere investering een groter deel cofinanciering van andere (veelal private) partijen aan te trekken, om uiteindelijk in Europa te komen tot circa € 315 mld extra investeringen. Voor Nederland betekent dit in potentie miljarden euro’s voor de financiering van bijvoorbeeld aanleg van glasvezelnetwerken, extra kredietverlening aan het MKB en energiebesparende maatregelen voor woningen.

Om de Nederlandse bedrijven en de Nederlandse economie optimaal te laten profiteren van onder andere het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI) heeft het kabinet het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) opgericht. NIA biedt Nederlandse investeerders en financiële instellingen expertise en ondersteuning bij het ontwikkelen van een passende financieringsaanvraag. Een voornaam aandachtsgebied ligt bij de EIB-groep en het daar ondergebrachte EFSI, maar ook andere publieke en private financieringsbronnen kunnen aangewend worden om investeringen te realiseren.

Qredits is in 2015 het eerste project in Nederland dat gecofinancierd is vanuit het EFSI. Daarmee heeft de EIB een lening van € 100 mln verstrekt aan Qredits met een garantie van zowel het kabinet en het EFSI. Daarnaast zijn via de EIB projecten goedgekeurd voor verbreding van de A6, voor uitrol van mobiel internet met hoge snelheid, en voor een Transport and Social Infrastructure Fund. Daarnaast is via het EIF geïnvesteerd in Nederlandse investeringsfondsen voor innovatief MKB.

In 2016 heeft de Commissie voorgesteld om het EFSI te verlengen tot 2020. De Kamer is over dit voorstel geïnformeerd per BNC-fiche (TK 22 112-2221). In december 2016 is in de ECOFIN-Raad overeenstemming bereikt over de Raadspositie, waarna het Europees Parlement een positie heeft bepaald en eind mei de onderhandelingen zijn begonnen om te komen tot een akkoord over het Commissievoorstel.

Op de begroting van EZ zijn geen nationale middelen geoormerkt voor de cofinanciering van het EFSI 2014–2020. Wel heeft het Kabinet 10 februari jl. bekend gemaakt Invest-NL op te richten, een zelfstandige financierings- en ontwikkelingsinstelling met het Rijk als aandeelhouder. Invest-NL gaat er voor zorgen dat gewenste investeringen in bedrijven en projecten die vanwege het risico en/of de lengte van de terugverdientijd onvoldoende financiering uit de markt krijgen, toch gerealiseerd worden. Invest-NL krijgt daarom de beschikking over ontwikkelaars van projecten, de bestaande financieringsinstrumenten van de overheid plus een grote kapitaalstorting van € 2,5 mld. Hierdoor kunnen initiatieven ook een beter beroep doen op private financiering van onder meer institutionele beleggers en Europese fondsen en programma’s, zoals het EFSI.

Noot 10: INTERREG B en C vallen vanwege geringe participatie van het bedrijfsleven onder het Ministerie van IenM.