Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

In internationaal verband streven naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd, op CO2-reductie wordt gestuurd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd.

Op de korte termijn stuurt het kabinet op de doelstellingen, zoals overeengekomen in het energieakkoord: 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023; gemiddeld 1,5% energiebesparing per jaar en 100 PJ in 2020; creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • –  Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, mijnbouwklimaat en innovatieve energietechnologieën.

(Doen) Uitvoeren

  • –  Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord).
  • –  Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord).

Regisseren

  • –  Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.
  • –  Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.
  • –  Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen.
  • –  Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut.
  • –  Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.
  • –  Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.
  • –  Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven.
  • –  Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.
  • –  Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.
  • –  Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.
  • –  Het creëren van randvoorwaarden voor een goede positie op het gebied van nucleair onderzoek, isotopenproductie en uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.
  • –  Het sturen op CO2-reductie in Europees en internationaal verband.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het energiebeleid is gericht op een zo goed mogelijk werkende markt. Dat zal zich vertalen in een structurele daling van C3 en lagere HHI. Evenwel is er geen beleid specifiek gericht op het beïnvloeden van de concentratiegraad. De ambitie richt zich dan ook niet op een specifieke uitkomst, maar op een voortzetting van de daling van C3 en HHI als indicator.

Kengetal

2013

2014

2015

2016

Ambitie 2018

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.276

2.230

2.152

1.992

< 2.000

– C3

81%

81%

79%

75%

< 75%

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.204

2.171

2.052

1.895

< 1.900

– C3

79%

79%

76,8%

74%

< 74%

Bron: ACM

Bron: Netbeheer Nederland

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit. Een huishouden had in 2016 gemiddeld 21 minuten geen stroom als gevolg van een storing. Eén grote verstoring kan grote invloed hebben op dit kengetal.

Beleidswijzigingen

Uitwerking transitiepaden Energieagenda

Begin december 2016 is de Energieagenda (TK, 31 510, nr. 64) gepubliceerd. Met deze agenda beoogt het kabinet een helder en ambitieus perspectief te schetsen voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening. In de Energieagenda zijn transitiepaden voor de verschillende functionaliteiten op hoofdlijnen uitgewerkt. Het kabinet is begin 2017 gestart met de kosten van de transitie richting een CO2-arme samenleving in 2050 in kaart te laten brengen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Energieagenda, de doorrekening van de kosten en input van alle betrokken partners in de samenleving worden dit jaar de transitiepaden per functionaliteit (lage temperatuur warmte, hoge temperatuur warmte, kracht en licht, mobiliteit en transport, voedsel en natuur) richting 2030 en 2050 verder uitgewerkt. Wat de CO2-opgave is, wat de benodigde maatregelen tot 2030 zijn, wat de mogelijke richtingen van het beleid richting 2050 zijn, welke innovatieopgaven er liggen om de doelstellingen te realiseren en wat de mogelijke verdienkansen hierbij zijn, wat de ruimtelijke implicaties van maatregelen zijn en hoe de governance ingericht kan worden.

Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK)

Het integraal nationaal energie- en klimaatplan (INEK) is een Europese verplichting (onderdeel van de «Verordening Governance van de Energie Unie»6) die het nationale energie- en klimaatbeleid voor de periode 2021–2030 zal beschrijven. Uitgangspunt hiervoor is de Energieagenda. Ook zal het beleid op langere termijn (richting 2040/2050) op hoofdlijnen aangegeven worden. Naast nationale doelen en streefcijfers bevat het INEK ook concrete maatregelen. Er wordt tweejaarlijks aan de Europese Commissie gerapporteerd over de voortgang. De uitgewerkte transitiepaden per functionaliteit dienen als input voor het concept-INEK, dat op 1 januari 2018 bij de Europese Commissie in Brussel ingeleverd dient te worden. Na het indienen van het concept-INEK zal het jaar 2018 worden benut om dit concept, na publieke consultatie en afstemming met de Europese Commissie en buurlanden, eind 2018 definitief te maken.

Energieakkoord

Het streven is de herziening van de Warmtewet in 2018 in werking te laten treden.

De partijen van het Energieakkoord hebben overeenstemming bereikt over een nieuwe alternatieve maatregel. De nieuwe overeenstemming om 9 PJ additionele finale energiebesparing te realiseren is vastgelegd in een Addendum op het MEE-convenant (meerjarenafspraak energie-efficiëntie voor ETS-ondernemingen), waarbij de deelnemers onderling de 9 PJ besparingsopgave verdelen. Indien een onderneming niet aan de individuele besparingsopgave voldoet, wordt privaatrechtelijk een boete geïnd. De geïnde boetes kunnen voor nieuwe besparingsprojecten worden ingezet door middel van een privaatrechtelijk tendermechanisme. Deze alternatieve maatregel heeft geen effect op de EZ-begroting, omdat het Addendum onderdeel wordt van het bestaande MEE-convenant. Indien uit de monitoring blijkt dat de afspraken uit het Addendum niet worden nageleefd, kan onder de Wet Milieubeheer een wettelijke verplichting voor energiebesparing aan de energie-intensieve industrie worden opgelegd.

Daarnaast werd door energieleveranciers, netbeheerders, brancheorganisaties op het gebied van duurzame energie en de installatiesector een convenant energiebesparing gebouwde omgeving getekend, waarmee 10 PJ additionele energiebesparing wordt gerealiseerd bij huishoudens. De afspraken gaan over verbeterd inzicht voor huishoudelijke en klein-zakelijke verbruikers in het eigen verbruik, de ontwikkeling van de markt voor energiebesparingsproducten en -diensten en financiële stimuli voor besparingsmaatregelen.

Als gevolg van dit convenant over energiebesparing in de gebouwde omgeving wordt in de jaren 2017 tot en met 2020 voor de ISDE-regeling van het Ministerie van Economische Zaken extra budget beschikbaar gesteld. De ISDE-regeling is een belangrijk instrument voor de productie van hernieuwbare energie en heeft als bijkomend effect dat meer energiebesparing wordt gerealiseerd. Met het extra budget wordt met de subsidie ook de ontzorging van eigenaar-bewoners gestimuleerd door het creëren van de mogelijkheid voor marktpartijen om een collectieve voorafgaande aanvraag te kunnen doen. Dat biedt marktpartijen de mogelijkheid om aantrekkelijke buurt- of wijkgerichte aanbiedingen te ontwikkelen. Daarnaast wordt bezien of in de ISDE een extra stimulans (bonus) kan worden ingebouwd voor maatregelen en technieken (geavanceerde regelingen) die het in de praktijk te realiseren rendement van via de ISDE gesubsidieerde hernieuwbare energie producerende en energiebesparende apparaten verbeteren.

Daarnaast zal in 2018 opnieuw een tender Windenergie op Zee plaatsvinden, waarvoor € 4,5 mld budget is gereserveerd.

Energie-innovatie

De stimulering van innovatie vindt veelal plaats via de Topsector Energie met verschillende regelingen. Het gaat dan om de TKI-tenders van de Topsector Energie, de Hernieuwbare Energieregeling die per 1 april 2017 meer is gericht op innovatie-potentieel tot 2030 (voorheen 2023) en de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI). In het najaar van 2017 zal de beleidsevaluatie van de energie-innovatieregelingen gereed zijn. Naast de evaluatie vindt er een nadere uitwerking plaats van de innovatie-inzet in meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s als onderdeel van de transitiepaden per energiefunctionaliteit. De maatschappelijke opgave gericht op CO2-emissiereductie staat daarmee centraal voor de innovatie-inzet evenals de verdienkansen. Mogelijk dat beide trajecten voor 2018 nog tot aanpassingen in de regelingen leiden.

Energie & leefomgeving

De energietransitie heeft alleen kans van slagen als de energievoorziening betrouwbaar en betaalbaar blijft en maatschappelijk urgentie wordt gevoeld om de energievoorziening te veranderen. Daarom zet het Ministerie van EZ met een interbestuurlijke governance aanpak en regionale energiestrategieën in op dialoog met de samenleving. Hierdoor worden verbindingen gelegd tussen partijen, wordt het onderling begrip vergroot en ontstaat meer besef over de omvang van de energietransitie en acceptatie voor maatregelen die daarvoor nodig zijn. Bij concrete projecten die onder Rijkscoördinatie vallen past het Ministerie van EZ de uitgangspunten voor omgevingsmanagement waar mogelijk toe en gaat het vroegtijdig de dialoog aan met belanghebbenden. Besluitvorming over ruimtelijke inpassing vindt daarbij bij voorkeur en waar mogelijk plaats door provincie of gemeente.

Verdere beperking gaswinning Groningen

Op 13 april 2017 heeft het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) een nieuw advies over de gaswinning in Groningen uitgebracht. Aanleiding hiervoor is de geconstateerde verhoogde seismiciteit in de omgeving van Loppersum. Het kabinet heeft op basis van dit advies een besluit tot wijziging van het instemmingsbesluit over de gaswinning in Groningen van 30 september 2016 genomen. Het kabinet zet de voorbereiding in gang om het productieplafond voor de gaswinning in Groningen vanaf het eerstvolgende gasjaar – dat gaat lopen vanaf 1 oktober 2017 – met 10% te verlagen.

Wijziging Mijnbouwwet

In de Energieagenda, «naar een CO2-arme energievoorziening», is aangekondigd dat de stimulering van de ontwikkeling van de kleine gasvelden offshore na 2016 zal worden gecontinueerd en dat nog nader wordt uitgewerkt hoe gewaarborgd kan worden dat mijnbouwmaatschappijen na beëindiging van hun mijnbouwactiviteiten hun opruimverplichtingen ten aanzien van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties en infrastructuur kunnen nakomen. Beide punten zullen door een wijziging van de Mijnbouwwet moeten worden verankerd. Over de reeds in voorbereiding zijnde voorstellen zal het nieuwe kabinet moeten besluiten, waarna aan de Tweede Kamer een voorstel kan worden gedaan om de Mijnbouwwet te wijzigen.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

VERPLICHTINGEN

17.514.501

13.548.730

17.006.273

479.228

427.046

365.403

345.623

Waarvan garantieverplichtingen

28.900

66.600

66.600

66.600

66.600

   

UITGAVEN

1.824.624

1.943.189

2.187.002

2.791.804

3.460.068

3.379.178

3.505.797

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

86%

       
               

Subsidies

1.621.186

1.662.105

1.940.103

2.566.852

3.241.555

3.166.288

3.313.357

Topsectoren Energie

70.432

81.688

75.090

81.490

81.490

48.990

36.490

– Tenderregeling Energie-innovatie

38.915

33.088

26.770

31.490

31.490

31.490

31.490

– SDE+projecten (Hernieuwbare Energie Regeling)

31.517

48.600

48.320

50.000

50.000

17.500

5.000

Energie-innovatie (IA)

16.190

3.018

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deal

2.660

5.616

1.500

500

500

500

500

Energieakkoord

19.891

32.589

53.800

52.000

53.000

49.000

49.000

– Demonstratie-regeling Energie Innovatie (DEI)

19.329

28.750

48.000

51.000

52.000

48.000

49.000

– Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw

 

250

1.000

1.000

1.000

1.000

 

– Projecten Energieakkoord SER

562

3.589

4.800

       

MEP

288.426

183.847

54.991

47.025

40.025

   

SDE

460.623

620.385

616.059

657.151

659.142

663.831

687.400

SDE+

170.660

562.347

1.058.564

1.651.587

2.325.299

2.316.535

2.452.535

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

473.061

       

66.333

66.333

Bijdrage ECN

40.000

           

ISDE-regeling

18.018

77.800

         

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

45.008

67.272

62.000

61.000

61.000

   

CCS

171

4.362

5.080

3.080

8.080

8.080

8.080

Regeling Sportaccommodaties

5.822

6.350

         

Hoge Flux Reactor

0

14.951

7.651

7.651

7.651

7.651

7.651

Elektrisch rijden

844

500

         

Caribisch Nederland

8.472

1.380

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Overige subsidies

908

           
               

Garanties

2.242

5.025

4.700

4.700

4.700

   

Aardwarmte

1.230

2.525

         

Storting in begrotingsreserve Aardwarmte

1.012

2.500

4.700

4.700

4.700

   
               

Opdrachten

13.029

27.797

14.268

12.536

13.543

12.886

12.886

O&O bodembeheer

2.291

9.006

4.917

3.177

4.177

3.517

3.517

SodM onderzoek

323

2.000

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Joint implementation

5

620

         

Pallas

0

9.011

         

Onderzoek en opdrachten

10.410

7.160

6.851

6.859

6.866

6.869

6.869

               

Bijdragen aan agentschappen

46.026

51.420

48.727

41.012

41.018

37.639

37.199

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

44.400

49.660

46.968

39.253

39.258

35.879

35.439

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

676

706

703

703

704

704

704

KNMI

950

1.054

1.056

1.056

1.056

1.056

1.056

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

113.356

116.780

115.680

115.680

115.680

115.680

115.680

Doorsluis COVA heffing

108.179

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO Kerndepartement

5.177

4.420

2.980

2.980

2.980

2.980

2.980

TNO SodM

 

1.360

1.700

1.700

1.700

1.700

1.700

               

Bijdragen aan mede-overheden

 

40.440

36.440

23.940

16.940

20.640

1.300

Uitkoopregeling

 

40.440

36.440

23.940

16.940

20.640

1.300

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

28.785

39.622

27.084

27.084

26.632

26.045

25.375

ECN/NRG

27.982

38.704

26.003

26.003

25.551

24.964

24.294

Diverse instituten

803

918

1.081

1.081

1.081

1.081

1.081

               

ONTVANGSTEN

2.546.908

2.983.216

3.221.211

3.782.211

4.355.211

4.249.511

4.371.511

COVA

108.179

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

421.036

678.000

1.074.000

1.730.000

2.308.000

2.280.000

2.402.000

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

77.000

77.000

73.000

78.000

73.000

   

Aardgasbaten

1.926.754

2.100.000

1.950.000

1.850.000

1.850.000

1.850.000

1.850.000

Ontvangsten zoutwinning

2.510

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Diverse ontvangsten

11.429

14.705

10.700

10.700

10.700

6.000

6.000

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 87% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2017 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP en de SDE en verplichtingen die in 2011 tot en met 2017 zijn aangegaan voor de SDE+. Omdat het resterende budget van de duurzame energieregelingen in de begrotingsreserve duurzame energie gestort zal worden, is het subsidiebudget weinig flexibel.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 26% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren verstrekte opdrachten, met name voor projecten op het gebied van mijnbouw/bodembeweging en ter ondersteuning van de uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR).

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2018 aan RVO.nl, NVWA en het KNMI en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is sprake van zeer beperkte budgetflexibiliteit, 97% van het budget is juridisch verplicht. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen aan mede-overheden: Het budget betreft de bijdrage van EZ aan de kosten van uitkoop van woningen die loodrecht onder hoogspanningsmasten staan. De regeling is per 1 januari 2017 opengesteld en wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd. Het budget is daarmee slechts voor een klein deel juridisch verplicht, maar voor het overige zeer beperkt flexibel.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 61% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. In samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen is ervoor gekozen om daarbij de focus te leggen op windenergie op zee, bio-energie, energie in de industrie, urban energy (combinatie van inpassing zonne-energie, energiebesparing in de gebouwde omgeving en intelligente netten) en (hernieuwbaar) gas. Daarnaast zet de Topsector Energie in op de inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem en maatschappelijk verantwoord innoveren, zodat de innovaties aansluiten bij de gebruikersvoorkeuren. EZ stimuleert en ondersteunt energie-innovaties enerzijds met de tenderregelingen voor de Topsector Energie en anderzijds met een speciaal voor innovatieprojecten afgezonderd deel van de SDE+ middelen via de Hernieuwbare Energie Regeling (HER). Deze laatste projecten richten zich op energie-innovaties die op termijn moeten leiden tot lagere SDE+ subsidies.

Het Topteam Energie ziet toe op het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en stuurt zo nodig bij.

Kengetal

2013

2014

2015

2016

2017

Ambitie 2018

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

Bron: RVO.nl

500

850

1.150

1.400

1.350

1.500

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie

6,8%

6,9%

7,2%

7,0%

7%

7%

Energie-innovatie

EZ financiert projecten ter uitvoering van de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA-E), die gericht zijn op de realisatie van CO2-reductie en het behalen van de energiebesparingsdoelen in het Energieakkoord. De in 2016 uitgegeven bedragen betroffen alleen nog de uitfinanciering van verschillende subsidieregelingen op het gebied van energie-innovatie (Groene grondstoffen, Smart Grids, Nieuw gas, Windenergie op Zee, Unieke Kansen Regeling).

Green deals

Green Deals zijn gericht op het ruimte geven aan vernieuwende initiatieven uit de samenleving om de transitie naar een duurzame economie te versnellen. De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energiedeals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing, warmtenetten, aardwarmte tot elektrisch vervoer. Vanaf 2018 is een beperkt budget beschikbaar voor Green Deals. Het zal dan alleen nog gaan om een kleine hoeveelheid procesgeld (€ 0,5 mln per jaar). Daarnaast zal naar verwachting nog voor € 1 mln betalingen doorlopen in 2018 op Green Deals uit 2017 of eerder. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl/.

Energieakkoord

De Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) komt voort uit het Energieakkoord en is gericht op versnelling van de commercialisering van energie-innovaties voor de export. De regeling draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010. De regeling is medio 2014 voor het eerst opengesteld. In het najaar van 2017 zal de beleidsevaluatie van de energie-innovatieregelingen (waaronder de DEI) gereed zijn. Mogelijk dat dit voor 2018 nog tot aanpassingen in de regeling leidt. Het subsidiebudget stijgt in 2018 naar € 49 mln. De Nationale Energieverkenning (NEV) 2017 zal inzicht geven in de realisatie tot nu toe op weg naar de afgesproken ambitie naar 2020. Bij amendement (TK, 34 550 XIII, nr. 117) heeft de Tweede Kamer gevraagd om de instelling van een Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) die tot doel heeft innovatieve manieren om de scheepsbouw te verduurzamen te stimuleren: de hiervoor opgenomen bedragen zijn van het DEI-budget afgezonderd en betreffen de voor de openstelling 2017 verwachte uitbetalingen in de komende jaren.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

De voor 2018 en verder geraamde budgetten betreffen de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de subsidieregelingen Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. MEP-subsidie is verleend aan producenten van elektriciteit uit wind- en zonne-energie, waterkracht en biomassa. Projecten ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van tien jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De SDE-regeling is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. De regeling is daarmee breder dan de MEP. Met ingang van 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top. Doordat in de SDE+ goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie, zal op de meest kosteneffectieve wijze de productie van hernieuwbare energie worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Voor de reguliere SDE+ is voor 2017 een verplichtingenruimte van € 6 mld voor de voorjaarsronde en € 6 mld voor de najaarsronde aangekondigd. Een bedrag van € 4,7 mld wordt in 2017 beschikbaar gesteld als plafond voor de derde tender Windenergie Op Zee (kavels I en II Hollandse Kust Zuid). Voor 2018 is naast een budget voor de reguliere SDE+, voorlopig gelijk aan 2017, rekening gehouden met opnieuw een tender Windenergie op Zee van ditmaal circa € 4,5 mld. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2017 worden geïnformeerd over het bedrag dat voor de reguliere SDE+ in 2018 gepubliceerd zal worden.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

16%

2023

CBS

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootverbruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen, omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglekrisico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2-uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is in 2018 een bedrag beschikbaar van € 62 mln op de EZ-begroting.

Afvang en opslag van CO2

Totdat een volledig duurzame energievoorziening is gerealiseerd zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn.

CCS kan worden toegepast bij de industrie en bij elektriciteitscentrales. De rijksoverheid heeft haar lange termijn visie op CCS verwerkt in het Energierapport en de Energieagenda. Om CCS in de toekomst breed toe te kunnen passen is het belangrijk om in te zetten op (internationaal) onderzoek, grootschalige demonstratieprojecten, realiseren van kostenreductie en het wegnemen van belemmeringen.

Om internationaal onderzoek naar CO2-afvang, -transport en -opslag te bevorderen, neemt Nederland deel aan het Europese onderzoeksprogramma ACT (Accelerating CCS Technologies). Hiervoor heeft EZ ruim € 4 mln aan onderzoeksbudget beschikbaar gesteld voor de komende drie jaar. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven werken hierin samen met Europese organisaties. Daarnaast is het belangrijk om de kosten van CCS-projecten in verschillende industriële sectoren beter in beeld te krijgen. Voor 2018 wordt € 2 mln gereserveerd om haalbaarheidsstudies te kunnen cofinancieren. De informatie uit deze haalbaarheidsstudies is nodig om grootschalige uitrol van CCS te ondersteunen. Tevens zullen de mogelijkheden voor het realiseren van demonstratieprojecten in kaart worden gebracht.

Regeling Sportaccommodaties

De subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS) richt zich op sportverenigingen en sportstichtingen. Het hiervoor beschikbare budget is afkomstig van het Ministerie van VWS. Jaarlijks bepaalt VWS welk bedrag naar EZ wordt overgeheveld voor de subsidieregeling. Het voor 2018 benodigde budget zal daarom bij Voorjaarsnota 2018 naar de begroting van EZ worden overgeheveld.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nuclear Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Caribisch Nederland

De kosten van energievoorziening op de eilanden van Caribisch Nederland zijn relatief hoog door de beperkte schaalgrootte, het insulair karakter en de sociaaleconomische omstandigheden. De energiebedrijven van de BES-eilanden kunnen op basis van de wet Elektriciteit en Drinkwater BES een subsidie van het Ministerie van EZ ontvangen om de kosten van het netbeheer per aansluiting op hetzelfde niveau te brengen als het niveau in Europees Nederland. Hiernaast zet het Ministerie van EZ in op kostprijsverlaging door introductie van duurzame elektriciteitsproductie en op andere ondersteuning van de elektriciteitsbedrijven op Caribisch Nederland.

Garanties

Aardwarmte

Aardwarmte of geothermie betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van aardwarmte is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling aardwarmte heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. Omdat dit risico in de markt (nog) niet verzekerbaar is, dekt de overheid dit risico af door middel van het verlenen van garanties aan marktpartijen die hiervoor een kostendekkende premie betalen.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten bodembeheer

Dit budget betreft onderzoek in het kader van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw en (onderzoeks)opdrachten van de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en de Mijnraad gerelateerd aan de aardbevingsproblematiek in Groningen en de mijnbouwproblematiek in Limburg. Ook worden uit dit budget adviezen bekostigd in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO).

SodM onderzoek

Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft op basis van haar onafhankelijke positie een eigen budget om onderzoek in het kader van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw uit te kunnen voeren.

Joint implementation

De Joint Implementation aankoopprogramma’s die gericht waren op het aankopen van CO2-rechten voor het door Nederland nakomen van de Kyoto-doelstelling zijn afgesloten. Voor een aantal van de in de programma’s gesteunde projecten hebben de laatste betalingen in 2017 plaats gevonden.

Overige onderzoeken en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag. Ook worden diverse uitgaven ter uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) uit dit budget bekostigd, zoals het ondersteunen van Rijksinpassingsplannen, opstellen MER-adviezen ten aanzien van kavelbesluiten, het opstellen en uitvoeren van communicatieplannen, het inschakelen van gebiedscoördinatoren en planschadeadviseurs en het doen van planschade-uitkeringen.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Dit budget betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO.nl van energiesubsidieregelingen, waaronder Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie(+) (SDE/SDE+). Voor een klein deel heeft het budget betrekking op voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden van RVO.nl op het gebied van het energiebeleid.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, het onderhouden van internationale contacten, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting. Het budget betreft de kosten van uitvoering van deze werkzaamheden, alsmede de kosten van aanschaf van te testen apparatuur.

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

De werkzaamheden die het KNMI voor EZ uitvoert betreffen vooral de advisering en ondersteuning van de uitvoering van het mijnbouw- en energiebeleid. De werkzaamheden zijn onder te verdelen in monitoring van seismiciteit (veelvuldigheid en hevigheid waarmee op een bepaalde plaats aardbevingen voorkomen) van de gaswinning en overige mijnbouwactiviteiten, kennisontwikkeling en advisering over aan mijnbouw gerelateerde risico’s en communicatie en informatievoorziening.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid gericht op de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. De Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven houden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aan in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva 2012). De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine, diesel, LPG en andere (motor)brandstoffen en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van de heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

TNO Bodembeheer

Dit betreft een bijdrage aan TNO-AGE voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en van het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan medeoverheden

Uitkoopregeling

Woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV verbindingen buiten de bevolkingskernen, komen sinds 1 januari 2017 in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk heeft in de periode 2017–2021 € 140 mln beschikbaar gesteld voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten zorgen dat door herbestemming de woonfunctie van het betreffende pand wordt gewijzigd. De regeling is samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (Staatscourant nr. 68302). De regeling wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd.

Het Rijk maakt het daarnaast naar verwachting in 2018 mogelijk om 140 kilometer aan bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV binnen bevolkingskernen gedeeltelijk onder de grond te brengen (verkabelen) of de tracés te verplaatsen. Dit vergt aanpassing van de Elektriciteitswet 1998. Verkabeling of verplaatsing gebeurt alleen op verzoek van de gemeente en/of de provincie. In geval een gemeente en/of provincie een dergelijk verzoek indient zal zij een deel van de kosten zelf dienen te betalen, de overige kosten worden gedekt uit de transporttarieven voor elektriciteit.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

De Stichting ECN ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van de Stichting ECN wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Daarnaast ondersteunt de Stichting ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor NRG, dat onderdeel is van de Stichting ECN, betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van onder meer de nucleaire veiligheid, radio-actief afval, stralingsbescherming en CO2-neutrale energievoorziening. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid. Het jaar 2017 is voor de Stichting ECN een transitiejaar, waarin de splitsing van de nucleaire activiteiten en het duurzame energieonderzoek gestalte moet krijgen. Het duurzame energieonderzoek van de Stichting ECN en TNO wordt samengevoegd in een herkenbaar onderzoekscentrum onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van TNO en de zogenaamde rekenmeesterfunctie van de Stichting ECN wordt overgedragen aan het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Internationale energieorganisaties

Nederland kiest voor een actieve participatie in met name de internationale netwerken van het IEA (kennissamenwerking en oliecrisisbeleid), het International Renewable Energy Agency (IRENA, hernieuwbare energie), Clean Energy Ministerial (uitrol van bestaande duurzame energie-technologie), Mission Innovation (vergroten van inzet op energie-innovatie) en het Energy Charter (investeringsbescherming en energietransit). De contributies volgen uit de aangegane internationale verplichtingen en komen overeen met de contributies in 2017. Daarnaast ontvangt het Clingendael International Energy Programme jaarlijks € 50.000 subsidie voor het uitvoeren van publieke activiteiten ter ondersteuning van de maatschappelijke discussie over internationale ontwikkelingen in de energiesector.

Indicator: klanttevredenheid en kennisbenutting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,0

2018

ECN

Kennisbenutting ECN

96%

2015

>80%

2018

ECN

In 2015 zijn alle TO2-instituten (waaronder de Stichting ECN) overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat ECN in opdracht uitvoert. Over 2014 is al wel een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 is voor het eerst ook kennisbenutting uniform gemeten, dit vormt de basis voor de referentiewaarde van kennisbenutting.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Deze ontvangsten betreffen ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

De uitgaven van de SDE+ subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening, de Opslag Duurzame Energie (ODE). Deze opslag is in 2013 ingevoerd.

Aardgasbaten

Het kabinet heeft op 18 april 2017 de voorbereiding in gang gezet om het productieplafond voor de gaswinning in Groningen ingaande het eerstvolgende gasjaar – dat gaat lopen vanaf 1 oktober 2017 – met 10 procent te verlagen tot 21,6 miljard m3 (TK, 33 529, nr. 331). Op 24 mei 2017 is het wijzigingsbesluit hiertoe genomen. Voor de periode 1 oktober 2016 tot en met 30 september 2017 geldt een productieplafond van 24 miljard m3. Door de verlaging van de productie vallen de aardgasbaten lager uit dan eerder bij de Miljoenennota 2017 werd verwacht. De raming van de aardgasbaten voor 2017 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB.

Verwachting 2017–2018

2017

2018

Productie aardgas totaal (in Groningen equivalenten)

40

39

Euro/dollarkoers

1,10

1,14

Olieprijs (dollar/vat)

50

50

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/m3)

16

16

Kengetallen

2013

2014

2015

2016

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)

Bron: TNO

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld Nm3

20 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

9

21

16

5

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

18

32

17

17

4. Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

48 mld Nm3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,33

1,33

1,11

1,11

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

108,7

101,4

52,5

43,3

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

26,0

21,3

19,8

13,6

  • 1 t/m 4  In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden voor een concurrerend mijnbouwklimaat: marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer in Normaal m3, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.
  • 5 t/m 7  De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollarkoers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Ontvangsten zoutwinning

Deze ontvangsten betreffen opbrengsten uit afgegeven concessies voor de winning van steenzout.

Diverse ontvangsten

Deze ontvangsten hebben voor een deel betrekking op doorberekening van kosten, aan initiatiefnemers van energieprojecten, die het Ministerie van EZ maakt in het kader van de Rijkscoördinatieregeling (RCR). Daarnaast worden ook de door het ministerie betaalde planschade-uitkeringen verhaald op deze initiatiefnemers. Ook de ontvangen provisies in het kader van de garantieregeling aardwarmte, de onttrekkingen aan de begrotingsreserve aardwarmte en de door RVO.nl terugontvangen subsidievoorschotten worden ten gunste van dit budget begroot.

Toelichting op de begrotingsreserves

Stand begrotingsreserves per 31 december 2016 (bedragen x € 1.000)
   

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve duurzame energie

1.473.847

54%

Begrotingsreserve Aardwarmte

21.741

100%

Begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

0%

Duurzame energie

De begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij of het niet doorgaan van projecten waaraan subsidie is toegekend op basis van de MEP, de SDE, de SDE+ of de ISDE. Via de reserve blijven deze middelen ook in de toekomst beschikbaar voor het stimuleren van hernieuwbare energieproductie. De afspraken over en de werking van de begrotingsreserve Duurzame Energie zijn het meest recent toegelicht in de volgende stukken:

  • •  TK, 31 865, nr. 79: Brief van Minister van EZ van 25 maart 2016 inzake het behouden van de middelen van de reserve.
  • •  TK, 32 239, nr. 218: Brief van Minister van EZ van 1 juli 2016 inzake voor- en nadelen fondsvorming en specificaties begrotingsreserve duurzame energie, waaronder een toelichting op het aandeel «juridisch verplicht».

A – Specificatie van begrotingsreserve Duurzame Energie en percentage juridisch verplicht

Specificatie begrotingsreserve Duurzame Energie (x € 1 mln)

2013

2014

2015

2016

Totaal

Juridisch verplicht

MEP (algemene middelen)

23

16

2

0

41

100%

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

851

100%

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

   

– 20

– 77

– 97

100%

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

679

0%

Totaal

225

370

483

396

1.474

54%

Eind 2016 bedraagt de stand van de reserve € 1.474 mln. Daarvan is 54% juridisch verplicht (€ 892 mln MEP en SDE, minus de tijdelijke onttrekking van € 97 mln). Bij de huidige inzichten is de in de meerjarencijfers beschikbare uitgavenruimte toereikend voor de kasuitloop van de afgegeven beschikkingen, zodat er in de komende jaren geen beroep gedaan hoeft te worden op de begrotingsreserve. Uitgaande van de huidige ramingen zullen er tot en met 2020 toevoegingen aan de reserve plaatsvinden. Deze middelen zullen vervolgens in de periode na 2020 moeten worden aangesproken.

B – Overzicht met geraamd verloop van de begrotingsreserve Duurzame Energie

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve Duurzame Energie (x € 1 mln)

2017

2018

Stand per 01.01

Verwachte toevoegingen

Verwachte onttrekkingen

Verwachte stand per 01.01

Verwachte toevoegingen

Verwachte onttrekkingen

Verwachte stand per 31.12

1.474

310

– 77

1.707

216

– 73

1.850

Voor 2017 wordt een toevoeging aan de reserve geraamd van € 310 mln.

Dit betreft lagere uitgaven MEP (–/– € 37 mln), SDE (–/– € 67 mln) en SDE+ (–/– € 206 mln). Ook voor 2018 bestaat de geraamde toevoeging uit lagere uitgaven MEP (–/– € 35 mln), SDE (–/– € 12 mln) en SDE+ (–/– € 169 mln). De verwachte onttrekkingen betreffen de tranches van de tijdelijke onttrekking aan de begrotingsreserve die bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2015 aan de orde is geweest (zie hiervoor onder meer het antwoord op vraag 5 en 6 in TK, 34 210 XIII, nr. 4, blz. 5–7).

Met de brief van 25 maart 2016 (TK, 31 865, nr. 79, blz. 2) is uiteengezet dat een nieuw kabinet, bij het vaststellen van een nieuw uitgavenkader, de op dat moment in de begrotingsreserve opgebouwde middelen kan overboeken naar de nieuwe begroting en de meerjarencijfers op basis van de dan actuele inzichten. Met een dergelijke overboeking is geen rekening gehouden bij de in het overzicht geschetste ontwikkeling van de begrotingsreserve.

C – Reeds verplicht, prognose kasuitloop en meerjarig beschikbare middelen

Beschikbare middelen (x € 1 mln)

MEP

SDE

SDE+

Totaal

Meerjarencijfers 2017 t/m 2032

330

7.411

30.848

38.589

Begrotingsreserve Duurzame Energie

41

754

679

1.474

Totaal beschikbaar

371

8.165

31.527

40.063

Beschikt en restant verplicht (x € 1 mln)

MEP

SDE

SDE+

Totaal

Afgegeven beschikkingen t/m 2016

9.676

10.396

25.769

45.841

Waarvan nog openstaande juridische verplichtingen 01/01/2017

856

8.043

21.571

30.470

         

Prognose kasuitloop 2017 e.v.

178

7.290

13.783

21.251

Inclusief de middelen uit de begrotingsreserve is er in de meerjarencijfers € 40,1 mld beschikbaar voor uitgaven. Deze beschikbare middelen zijn gebaseerd op de raming bij Energieakkoord van de benodigde kasmiddelen voor de doelstellingen van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023. Van het totaal aan tot en met 2016 afgegeven beschikkingen (€ 45,8 mld), staat na uitgaven en intrekkingen op de afgegeven beschikkingen eind 2016 nog € 30,5 mld open. De huidige prognose is dat hier nog € 21,3 mld op uitbetaald moet worden vanaf 2017. Dit bedrag is lager dan de beschikking omdat de beschikking uitgaat van het maximaal subsidiabele bedrag, terwijl de prognose een realistische raming van nog uit te betalen bedragen betreft.

D – Indicatie van ruimte voor nieuwe beschikkingen

Indicatie van ruimte voor beschikkingen vanaf 2017 e.v.

1 – Totaal beschikbaar (incl. begrotingsreserve)

     

40.063

2 – Prognose kasuitloop 2017 e.v.

     

21.251

3 – Beschikbare kas voor aan te gane verplichtingen 2017 e.v. (1–2)

18.812

4 – Indicatieve ruimte voor budgetpublicatie (grove benadering):

 

uitgaande van kasbeslag

50–60%

€ 31–38 mld

 

Uitgaande van de meerjarig beschikbare middelen (€ 40,1 mld) en de prognose van de kasuitloop van bestaande verplichtingen (€ 21,3 mld) is er € 18,8 mld beschikbaar voor uitgaven op nieuwe beschikkingen die met ingang van 2017 afgegeven worden. Naar de huidige inzichten (uit de NEV 2016) zijn al deze resterende beschikbare kasmiddelen nodig om de doelstellingen uit het Energieakkoord voor duurzame energie te halen. De beschikbare middelen binnen MEP en SDE, vanwege uitgevallen projecten, worden hierbij opnieuw ingezet onder de SDE+ regeling. Per jaar wordt bezien of, en hoeveel, verplichtingenruimte wordt opengesteld voor nieuwe SDE+ subsidiebeschikkingen voor het komende jaar.

Uitgaande van een mede op ervaringsgegevens gebaseerde kasuitloop op afgegeven beschikkingen van 50 à 60%, kan als indicatie gelden dat er vanaf 2017 tot en met 2019 voor circa € 31 à € 38 mld aan maximale verplichtingenruimte is om nieuwe beschikkingen af te geven. Dit is inclusief de tenders Windenergie Op Zee (WOZ) uit het Energieakkoord.

Aardwarmte

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor het mogelijk uitbetalen van verliesdeclaraties meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten (premies) en uitgaven (verliesdeclaraties) op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een kostendekkende premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Het uitstaande bedrag aan garanties bedroeg per 1 januari 2017 € 81,2 mln. Omdat het hier om omvangrijke garanties gaat (maximaal € 18,7 mln per project) is in 2014 een extra storting in de reserve gedaan van ruim € 9 mln. Uit het toetsingskader van de garantieregeling aardwarmte blijkt dat, gelet op het risicoprofiel van de aardwarmtegaranties (tussen de 1,4% kans op volledige en 7,6% op gedeeltelijke mislukking), de huidige omvang van de begrotingsreserve samen met de over de verstrekte garanties te ontvangen provisies (7%) benodigd is om de komende jaren een gemiddeld garantieplafond van € 66,6 mln per jaar mogelijk te maken. Gelet op de uitstaande garanties en het genoemde risicoprofiel is de gehele reserve benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% inflexibel.

ECN

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de afgesloten leningsovereenkomst. Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • –  EB Stadsverwarmingsregeling;
  • –  EB Verlaagd tarief openbare laadpalen;
  • –  EB Inputvrijstelling.

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en een programmering van evaluaties voor toekomstige jaren wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel Fiscale regelingen 2016–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € mln)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2016

2017

2018

Energie-investeringsaftrek (EIA)

144

164

147

EB2 Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

1

EB Salderingsregeling

94

120

166

EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

71

71

EB Teruggaaf energie-intensieve industrie

6

6

6

Noot 2: EB = Energiebelasting

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 30 196, nr. 278) is onderstaand een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Energieakkoord. De maatregelen zijn gegroepeerd op basis van de doelstelling uit het Energieakkoord waaraan de maatregelen het meest direct bijdragen. Veel maatregelen dragen echter bij aan meerdere doelen.

In de begrotingen van Infrastructuur en Milieu en van Wonen en Rijksdienst zijn verwijzingen naar dit totaaloverzicht opgenomen. De betreffende maatregelen die op deze begrotingen staan zijn in onderstaand overzicht opgenomen. Achter de maatregelen in dit overzicht wordt aangegeven op welke begroting en beleidsartikel de maatregelen feitelijk staan.

De budgettaire gevolgen van het Energieakkoord zijn als bijlage bij de aanbiedingsbrief van het Energieakkoord gevoegd (TK, 30 196, nr. 202). Hierin zijn ook de fiscale maatregelen vermeld die onderdeel vormen van het Energieakkoord. De budgettaire gevolgen van deze aanpassingen zijn niet veranderd ten opzichte van het afsluiten van het Energieakkoord. Deze aanpassingen zijn derhalve niet meegenomen in dit overzicht en worden ook niet apart vermeld in de begroting van Financiën (IX).

Bedragen x € 1.000
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

ENERGIEBESPARING

             

MJA3 / MEE (EZ, art. 4)

4.242

2.868

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

EIA (FIN, fiscaal)

144.000

164.000

147.000

149.000

149.000

151.000

151.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 4)

45.008

67.272

62.000

61.000

61.000

   

Duurzame warmte (EZ, art 4)

0

           

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 6)

1

           

Innovatieagenda Energie (EZ, art. 6)

1.096

1.736

3.093

2.408

2.408

2.408

2.408

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 6)

3.537

4.235

4.535

5.539

5.539

5.539

5.539

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 6)

6.124

6.100

400

1.400

5.400

5.400

5.400

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

1.066

           

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

0

 

25

 

25

 

25

Revolverend fonds EGO (WenR, art. 2)

35.000

           

Bijdragen aan agentschappen (WenR, art. 2)

6.132

3.168

8.610

5.325

3.822

4.322

4.322

Energiebesparing huursector (WenR, art. 2)

0

0

196.763

200.370

0

0

0

Beleidsprogramma Energiebesparing (Subsidies en opdrachten) (WenR, art. 2)

9.243

5.723

2.525

2.300

2.298

2.423

2.298

Revolverend fonds Energiebesparing verhuurders (WenR, art. 2)

0

72.800

         

Energiebesparing Koopsector (WenR, art. 2)

7.169

46.791

21.100

       

Fonds Duurzaam Funderingsherstel (WenR, art. 2)

0

20.000

         
               

HERNIEUWBARE ENERGIE

             

MEP (EZ, art. 4)

288.426

183.847

54.991

47.025

40.025

   

SDE/SDE+ (EZ, art.4)

631.279

1.175.005

1.674.623

2.308.738

2.984.441

2.980.366

3.139.935

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 4)

473.061

           

Storting in begrotingsreserve

Garantieregeling Aardwarmte (EZ, art. 4)

1.012

2.500

4.700

4.700

4.700

   

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZ, art.4)

18.018

77.800

         
               

ENERGIE-INNOVATIE

             

Topsector Energie (EZ, art. 4)

38.915

33.088

26.770

31.490

31.490

31.490

31.490

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 4)

19.330

28.750

48.000

51.000

52.000

48.000

49.000

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 4)

31.497

48.600

48.320

50.000

50.000

17.500

5.000

               

MOBILITEIT

             

Elektrisch rijden (EZ, art. 4)

844

500

         

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

83

15

         

Meerjaren bewustwordingscampagne «Hopper» (IenM, art. 14)

0

35

         

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

54

50

50

       

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

0

80

         

Nationale benchmark duurzame mobiliteit (IenM, art. 14)

36

           

Diverse beleidsonderzoeken duurzame mobiliteit (IenM, art. 14)

 

272

         

Werkgeversaanpak mobiliteit (IenM, art. 14)

36

           
               

OVERIGE

             

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 4)

5.200

5.462

5.200

       

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (WenR, art. 2)

87

766

403

403

     

Noot 6: De Verordening Governance is nog niet in werking. Op dit moment wordt de tekst besproken in de Raadswerkgroep Energie. De inschatting is dat de planning wel wat zal opschuiven: voor de meeste Lidstaten (waaronder NL) is de termijn van 01-01-2018 te ambitieus. Gevolg hiervan is dat in 2018 nog volop geschreven zal worden aan het INEK.