Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BIJLAGE 4: EUROPESE GELDSTROMEN

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen voor zover relevant voor de beleidsterreinen van EZ. Er wordt ingegaan op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s waarbij inzicht wordt gegeven in de EU-geldstromen, de cofinanciering met EZ-middelen en middelen van andere overheden en private partijen.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Het MFK is vastgesteld in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad.

Midden 2018 heeft de Commissie de 44 voorstellen uitgebracht voor het MFK na 2020. Het kabinet heeft medio juli door middel van BNC-fiches op de voorstellen gereageerd en deze naar de Tweede Kamer gestuurd. De onderhandelingen op de verschillende deelterreinen is daarop gestart.

Eigen Middelen EU

De Eigen Middelen van de EU bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Traditionele eigen middelen (vooral invoerrechten);
  • 2.  BTW-afdracht;
  • 3.  Afdracht op basis van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI).

De voor EZ relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen (categorie 1: Traditionele eigen middelen). Deze ontvangsten worden op de EZ-begroting verantwoord (artikel 16) en worden na inhouding van een perceptiekostenvergoeding afgedragen aan de EU. De ontvangsten voor douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen voor 2014 bedragen € 222 mln. De afdrachten worden verantwoord in het jaarverslag van Buitenlandse Zaken.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

De Europese Commissie stelt voor de realisatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en het Europees structuurbeleid middelen uit EU-fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EZK en LNV zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);
  • 2.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
  • 3.  Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV 2014–2020);
  • 4.  Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);
  • 5.  Horizon 2020 (periode 2014–2020);
  • 6.  Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI).

Europese geldstromen Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

1. Europees Structuurbeleid: Europees Fond voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

Programmaperiode 2014–2020

Voor de programmaperiode 2014–2020 ontvangt Nederland middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO): € 510 mln voor de vier landsdelige programma’s en € 389 mln voor de Interreg (A,B en C) programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking (bedragen in lopende prijzen). Deze Europese middelen worden nationaal gecofinancierd. EZK stelt in totaal € 92 mln aan Rijkscofinanciering beschikbaar voor de landsdelige en € 49 mln voor de grensoverschrijdende programma’s (Interreg A). In verband met een herberekening in 2016 is er meer Europees geld beschikbaar gekomen tot het bedrag van € 510 mln. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft naar aanleiding daarvan ook meer Rijkscofinanciering beschikbaar gesteld. Het gaat om € 1 mln, waarmee de Rijkscofinanciering is toegenomen tot de € 92 mln. Deze middelen worden ingezet in aansluiting op beleidsprioriteiten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Ook decentrale overheden en private partijen dragen bij aan cofinanciering van EFRO-projecten.

Landsdelige programma’s

De vier landsdelige programma’s kennen allemaal twee hoofddoelen:

  • •  versterking van technologische ontwikkeling en innovatie;
  • •  overgang naar een koolstofarme economie.

Een belangrijke doelgroep is het mkb. Mkb-bedrijven zijn door hun flexibiliteit in staat om nieuwe kennis snel te benutten, niches te vinden, innovaties naar de markt te brengen en daarmee economische groei te stimuleren. De uitvoerende organisaties voor EFRO, de managementautoriteiten, geven voorlichting en ondersteuning aan het mkb over deelname aan het EFRO-programma. In 2018 zijn met de Omnibusverordening vereenvoudigingen doorgevoerd in Verordening (EU) 1303/2013, die met name voor de begunstigden en de managementautoriteiten een administratieve lastenverlaging met zich meebrengen. Waar nodig zijn deze vereenvoudigingen verwerkt in de Regeling Europese EZK-subsidies. Daarnaast hebben de autoriteiten die in Nederland betrokken zijn bij de uitvoering van EFRO gezamenlijk verder uitwerking gegeven aan het opgestelde kader voor de EFRO-controlepraktijk, met als doel de controledruk voor ondernemers te verlagen.

Bij de inzet van de EFRO-middelen wordt aangesloten bij sterke sectoren en speerpunten in het betreffende gebied. Voor elk landsdeel zijn hiervoor zogenaamde «Slimme Specialisatie Strategieën» opgesteld, waarin de volgende sterke sectoren en speerpunten naar voren komen (inclusief EFRO-budget per landsdeel):

  • •  Noord (€ 104 mln): energie, watertechnologie, healthy ageing, agribusiness, slimme (sensor)systemen en materialen en accent op maatschappelijke opgaven.
  • •  Oost (€ 101 mln): agri&food, health, High Tech Systemen en Materialen (HTSM), energie & milieutechnologie (EMT).
  • •  Zuid (€ 114 mln): agri&food, HTSM, chemie en nadruk op cross-overs.
  • •  West (€ 191 mln): alle topsectoren, nadruk op cross-overs, duurzaamheid, biobased en ICT.

Vanuit de landsdelige programma’s werd in 2018 een divers pakket aan regelingen opengesteld voor innovatiestimulering (onder andere valorisatie, proeftuinen, R&D-samenwerking en clustervorming) en het realiseren van een koolstofarme economie. Net als in de periode 2007–2013 worden met de EFRO-subsidies in ruime mate private investeringen uitgelokt. Selectie van ingediende projecten vindt plaats door commissies van onafhankelijke deskundigen. Voor de beoordeling van de projecten geldt een uniform toetsingskader voor alle landsdelen waarbij kwaliteit van de businesscase en de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling onder meer criteria zijn.

Rijkscofinanciering wordt ingezet voor projecten die bijdragen aan het realiseren van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en energie, waaronder voor diverse grote publiek-private R&D-samenwerkingsverbanden en projecten in of rond innovatieve clusters. Voor nadere informatie over de landsdelige programma’s wordt verwezen naar de Kamerbrieven (Kamerstukken 21 501-08, nrs. 489, 507 en 525). Het jaar 2018 is een meetmoment voor het bepalen of de normen vastgelegd in het prestatiekader per programma worden gehaald. Als een programma de normen haalt, maakt het aanspraak op de prestatiereserve die bestaat uit 6% van de middelen die zijn toegewezen. De benodigde informatie wordt ook nog in 2019 door de Managementautoriteiten aan de Europese Commissie aangeleverd. Naar verwachting worden in de meeste programma’s de normen gehaald, waar dit niet het geval zou zijn is een bijstelling in de programmering mogelijk zodat de middelen voor het programma behouden kunnen blijven. Voor de landsdelige EFRO-programma’s is in 2018 een impactevaluatie voor het onderdeel innovatie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat met deze projecten betekenisvolle innovaties mogelijk worden gemaakt.

Programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking (Interreg A)

Er zijn vier Interreg A programma’s: Duitsland–Nederland, Vlaanderen– Nederland, Twee-Zeeën, en Euregio Maas-Rijn. Op basis van door de Europese Commissie goedgekeurde programma’s kunnen bedrijven, kennisinstellingen en andere partijen projecten indienen. Naast EU-cofinanciering ontvangen meerdere projecten Rijkscofinanciering.

Bij Duitsland-Nederland gaat het met name om projecten op het gebied van HTSM, energie efficiency en health & life sciences. Een voorbeeld is het project Smart Production, hier worden door meer dan 15 Duitse en Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen, machines en materialen ontwikkeld voor het maken van producten in kleine economisch rendabele series (tot 1.000 stuks). Een ander voorbeeldproject is Digipro. Hier werken tientallen bedrijven in de maakindustrie grensoverschrijdend samen aan oplossingen bij digitaliseringvraagstukken van hun producten en processen.

Bij Vlaanderen-Nederland betreft het vooral projecten op het gebied van innovatie, duurzame energie, energie-efficiency en bio-based economy.

Bij Twee-Zeeën ging het grootste gedeelte van het budget naar projecten op het gebied van technologische innovatie, koolstofarme technologieën en klimaatverandering.

Bij Euregio Maas-Rijn zijn diverse projecten goedgekeurd, met name op het gebied van innovatie en territoriale ontwikkeling.

De uitputting van de Rijkscofinanciering houdt globaal gelijke tred met de committering van de Europese middelen. Dit geldt voor de landsdelige en grensoverschrijdende programma’s. Vanaf de start is voor ca. tweederde van de beschikbare EU en EZK-middelen aan projecten gecontracteerd.

Communicatie over de resultaten

Voor verspreiding van projectresultaten is veel aandacht. Dit loopt primair via de communicatiekanalen van de operationele programma’s. Daarnaast zijn sinds 2017 monitoringsgegevens over landsdelige en grensoverschrijdende programma’s beschikbaar op de website van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat over de voortgang van het bedrijvenbeleid (www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl). Tevens is actuele informatie over de programma’s te vinden via de website van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/regional_policy/en/atlas/netherlands).

In 2018 is de evaluatie afgerond van de rijksbijdrage aan het EFRO over de periode 2007–2013 (Kamerstuk 21 501-08 nr. 706). Uit de evaluatie blijkt een positief beeld over de Rijkscofinanciering o.a. is de rijkscofinancieringsregeling effectief geweest in het sturen op innovatie. Daarnaast worden enkele aandachtspunten benoemd voor een volgende EFRO-periode.

Wat betreft communicatie richting het brede publiek trekken de landsdelige-, Interregprogramma’s, ESF, EFMZV, POP, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en vertegenwoordiging van de EC in Nederland gezamenlijk op. Via www.europaomdehoek.nl loopt een campagne waarin voortdurend aandacht wordt besteed aan de resultaten van Europese investeringen in Nederland. Daaraan worden ook andere campagnes zoals de EU-Invest campagne van de Europese Commissie gelinkt. De jaarlijkse Europaomdehoek Kijkdagen zijn in 2018 niet als apart evenement georganiseerd, maar geïntegreerd in andere publieksevenementen zoals het Weekend van de Wetenschap.

Programmaperiode 2021–2027

In 2018 werd in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) gestart met de onderhandelingen over de verordeningen voor de programmaperiode 2021–2027, waarbij met name op het gebied van vereenvoudiging van de uitvoering en het conditioneel maken van het ontvangen van middelen aan structurele hervormingen, progressie werd geboekt in de Raad. In samenspraak van Rijk met de decentrale overheden wordt de Nederlandse inzet geformuleerd voor de nieuwe programmaperiode.

2. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014–2020

Op Europees niveau wordt een aantal programma’s uitgevoerd die steun verlenen aan onderzoek en innovatie. Dit betreft met name Horizon 2020, het Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voor de periode 2014–2020. Een beperkt deel van het budget van dit Kaderprogramma wordt gealloceerd bij publiek-publieke en publiek-private programma’s. Uitvoering van dat deel van het budget geschiedt niet door de Europese Commissie (zoals regulier het geval is bij het Kaderprogramma) maar door de daarvoor opgerichte samenwerkingsvormen.

Horizon 2020

Horizon 2020 (looptijd 2014–2020) is het huidige programma voor onderzoek en innovatie en heeft als doel de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Een belangrijk onderdeel daarvan is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) stimuleert in opdracht van EZK en andere departementen de Nederlandse deelname aan Horizon 2020 door middel van training, advies en informatie.

Voor EZK gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid – in het bijzonder de pijlers industrieel leiderschap en maatschappelijke uitdagingen – , het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het verbeteren van de bedrijfsdeelname (specifiek het mkb). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de regionale initiatieven gesteund vanuit de structuurfondsen.

In de periode sinds de start van Horizon 2020 tot aan 2018 is er € 3,026 mld aan Nederlandse stakeholders toegekend (peildatum 29 september 2018). Hiervan is 25,8% toegekend aan Nederlandse bedrijven, waarvan 66,8% direct ten gunste komt van het mkb. Nederland kent een retourpercentage van 7,6% (toegekende financiering ten opzichte van het totale budget) en komt daarmee boven de EZK-streefwaarde van 7% uit. Wat betreft retourpercentage bekleedt Nederland een zesde plaats in Europa.

Gezamenlijke technologie initiatieven (JTI’s) en publiek-publieke samenwerkingsprogramma’s

Naast bijdrages aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiek-publieke en publiek-private programma's.

Publiek-publieke programma's zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-Werkingsverdrag en worden ook nationaal gecofinancierd. EZK cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars-2, dat gericht is op het mkb. Aan Eurostars-2 nemen 36 landen deel. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech mkb en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse bedrijven en organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties. Naast Eurostars cofinanciert EZK (indirect via het standaardeninstituut VSL) het artikel 185 initiatief European Metrology Research Programme.

De publiek-private programma's, zogenaamde Joint Technology Initiatives, worden in de regel niet nationaal gecofinancierd, met uitzondering van het JTI ECSEL, gericht op embedded computing systems en nano electronica. Dit JTI wordt door EZK gecofinancierd. Nederlandse organisaties kunnen het hierdoor onverminderd goed blijven doen in ECSEL. Na Duitsland en Frankrijk is Nederland de grootste participant in ECSEL. Het totale EU-budget voor deze 2018 Calls was € 162,9 mln, de landen dragen in totaal ca. € 155 mln bij. De totale projectkosten van de betrokken bedrijven en kennisinstellingen bedragen € 685 mln, waarvan € 125 mln van Nederlandse partijen. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen uit de topsector HTSM zijn partners in acht van de dertien in 2018 gehonoreerde ECSEL onderzoeksprojecten. Van de Nederlandse partners zijn er 18 afkomstig uit het mkb. De publieke bijdrage voor de Nederlandse partners bestaat uit € 22,8 mln vanuit het Topsectorenbeleid en € 22,8 mln Europese cofinanciering. In samenhang met deze communautaire samenwerkingsvorm bestaat er gouvernementele samenwerking in Eureka-clusters om de mondiale concurrentiekracht van ICT industrie te versterken.

Middelen voor cofinanciering Horizon 2020 op de EZK-begroting (bedragen in € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

JTI/Eureka/Global stars

36.499

40.990

46.336

40.836

40.536

39.936

Eurostars

13.325

15.432

17.958

17.958

17.958

17.958

Totaal

49.824

56.422

64.294

58.794

58.494

57.894

De middelen voor JTI/Eureka bevatten de eerste jaren nog uitfinanciering van KP7. Daarnaast bevatten de middelen vanaf 2018 ook budget voor Global Stars. De bedragen van Eurostars zijn inclusief top-up (ongeveer 25%) van Europa.

3. Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI)

De Kamer is geïnformeerd over het akkoord over de verordening voor het EFSI en de oprichting van het Netherlands EFSI Investment Agency (NEIA) dat vervolgens is doorontwikkeld tot het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1274; Kamerstuk 22 112, nr. 1977 en Kamerstuk 22 112, nr. 2008).

Het EFSI (Europees Fonds voor Strategische Investeringen) is in 2016 van start gegaan en loopt tot eind 2020. Doel is «het investeringsgat» te dichten en om door middel van gerichte investeringen de structurele, duurzame economische groei in de EU te bevorderen en het concurrentievermogen te versterken. Het gaat daarbij om rendabele investeringsprojecten met brede maatschappelijke baten, binnen de EFSI thema’s: onderwijs, onderzoek en innovatie, strategische infrastructuur, mkb-financiering, hernieuwbare energie en milieu.

Het EFSI wordt uitgevoerd door de Europese Investeringsbank (EIB) en bevat garantiekapitaal van de EU-begroting en de EIB zelf. Met een garantie van € 26 mld uit de EU-begroting en € 7,5 mld eigen kapitaal is de EIB-groep in staat om voor circa € 80 mld nieuwe investeringen aan te gaan. Die investeringen kunnen door de garantie een hoger risicoprofiel kennen dan reguliere EIB- en EIF investeringen. Door het strategische risico dat de EIB-groep hiermee neemt, is het mogelijk bij iedere investering een groter deel cofinanciering van andere (veelal private) partijen aan te trekken, om uiteindelijk in Europa te komen tot circa € 500 mld extra investeringen.

Op de begroting van EZK zijn geen nationale middelen geoormerkt voor de cofinanciering van het EFSI. Het kabinet heeft op 10 februari 2017 bekend gemaakt dat Invest-NL wordt opgericht, een zelfstandige financierings- en ontwikkelingsinstelling met het Rijk als aandeelhouder. Het Nederlands Investerings Agentschap, dat in 2015 is opgericht om Nederland o.a. goed aan te sluiten op het EFSI, gaat op in Invest-NL.

Invest-NL krijgt als doelstelling dat gewenste investeringen in bedrijven en projecten, die door marktfalens nu achterwege blijven en o.a. vanwege het risico en/of de lengte van de terugverdientijd onvoldoende financiering uit de markt krijgen, toch gerealiseerd worden. Voor Invest-NL en de nog op te richten instelling voor internationale financieringsactiviteiten wordt in totaal een kapitaal van € 2,5 miljard beschikbaar gesteld. Hierdoor kunnen initiatieven ook een beter beroep doen op private financiering van onder meer institutionele beleggers en Europese fondsen en programma’s, zoals het EFSI en vanaf 2021 Invest-EU.

Europese geldstromen Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De ontvangen EU-steun voor het GLB pijler 1 bedraagt in 2018 € 816 mln voor directe inkomenssteun en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. Ten aanzien van het GLB is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het op EU-niveau vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Nederland beschikt vanaf 16 oktober 2013 over één erkend betaalorgaan voor de uitvoering van het GLB (RVO). De Auditdienst Rijk (ADR) is belast met de controle van de door het betaalorgaan ingediende rekeningen bij de Europese landbouwfondsen.

In het Gemeenschappelijk landbouwbeleid pijler 1 zijn de maatregelen onder te verdelen in:

  • a.  Basisbetalingsregeling;
  • b.  Betaling voor vergroening;
  • c.  Betaling voor jonge boeren;
  • d.  Graasdierpremie;
  • e.  Teruggave financiële discipline;
  • f.  Markt- en prijsbeleid.

a. Basisbetalingsregeling

In 2018 zijn de betalingen gedaan op aanvragen ingediend in 2017, het derde jaar in de huidige nieuwe GLB-periode. Voor de basisbetaling is € 489 mln gedeclareerd bij de Europese Commissie.

b. Betaling voor vergroening

Landbouwers die gebruik maken van de basisbetalingsregeling zijn verplicht om vergroeningsmaatregelen toe te passen op hun bedrijf. Voor de vergroeningsbetalingen is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd. In 2018 is € 208 mln voor vergroeningsbetalingen gedeclareerd bij de Europese Commissie.

c. Betaling voor jonge boeren

Voor de zogenaamde «top-up» betaling voor jonge boeren is 2% van het budget voor directe betalingen beschikbaar. In 2018 is bij de Europese Commissie € 12,4 mln gedeclareerd voor de «top-up» betaling voor jonge boeren.

d. Graasdierpremie

In 2018 werd € 1,7 mln voor steun aan graasdieren (runderen en schapen) gedeclareerd bij de Europese Commissie.

e. Teruggave financiële discipline

Op alle directe betalingen wordt een korting toegepast ten behoeve van de crisisreserve van de Europese Commissie. Indien de crisisreserve niet (volledig) wordt benut vindt teruggave plaats aan de landbouwers. In 2018 werd € 8,8 mln terugbetaald aan landbouwers.

f. Markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. Bij het markt- en prijsbeleid zijn er aan de ene kant uitgaven voor reguliere programma’s en aan de andere kant uitgaven in verband met slechte marktsituaties.

In 2018 bestond de reguliere steun uit operationele programma’s groente en fruit van € 22,8 mln. Voor afzetbevordering is € 9,6 mln uitgegeven. Het betrof hier uitgaven in het kader van schoolfruit & melk en promotieprogramma’s. De uitgaven voor het Bijenprogramma bedroegen € 0,2 mln.

In verband met de slechte marktsituaties waren er in 2018 uitgaven. Vanwege de marktomstandigheden was € 17,7 mln besteed aan steun voor particuliere opslag van zuivel en varkensvlees en openbare opslag van magere melkpoeder.

Versterking zuivel- en varkenssector

In september 2015 heeft de Europese Raad steun gegeven aan een pakket aan maatregelen voor de melkveehouderij en de varkenshouderij die te kampen hebben met grote marktproblemen. In dit pakket heeft de Europese Commissie in totaal € 500 mln beschikbaar gesteld voor deze sectoren, die de marktsituatie in zijn geheel moesten verbeteren. Nederland ontving hiervan € 29,94 mln voor de zuivelsector en de varkenshouderij.

Deze Europese middelen zijn langs drie sporen verdeeld:

  • 1.  Verdere verduurzaming van de melkveehouderij (€ 10 mln); deze middelen zijn in 2017 uitbetaald;
  • 2.  Vitalisering van de varkenshouderij (€ 10 mln);
  • 3.  Stimuleren van investeringen in mestverwerking voor de melkvee- en varkenshouderij (€ 10 mln).

Voor de maatregelen «vitalisering van de varkenshouderij» en «stimuleren van investeringen in mestverwerking» zijn in 2017 private regelingen opengesteld. De Europese middelen voor deze maatregelen zijn respectievelijk voor 31 maart 2018 en voor 30 september 2018 uitbetaald.

In september 2016 heeft de Europese Commissie een tweede maatregelpakket vastgesteld voor melkproducenten en landbouwers in andere veehouderijsectoren in verband met de voortdurende marktproblemen (Verordening (EU) 2016/1613). Nederland heeft hiervan een tweede nationale envelop toegewezen gekregen van € 22,952 mln. Aan deze Europese middelen zijn middelen van EZ en de sector toegevoegd.

De tweede nationale envelop is beschikbaar gesteld aan de volgende twee maatregelen:

  • 1.  Een beëindigingsregeling voor de melkveehouderij; deze middelen zijn in 2017 uitbetaald;
  • 2.  Een private regeling voor verbetering van de mineralenefficiëntie in de varkenshouderij door het stimuleren van fosforarm veevoer (Europese middelen € 4 mln).

De middelen voor deze regeling zijn voor 31 maart 2018 uitbetaald.

2. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Op 13 februari 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse POP3 goedgekeurd.

Conform het akkoord tussen Rijk en provincies zijn de provincies verantwoordelijk voor het overgrote deel van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3). De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale middelen cofinanciering voor POP3, aangevuld met cofinanciering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

In overleg met de provincies is besloten POP3 concreet te richten op de volgende thema’s:

  • 1)  Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht;
  • 2)  Jonge boeren;
  • 3)  Natuur en landschap (zoals afgesproken in het Natuurpact);
  • 4)  Verbetering van de waterkwaliteit;
  • 5)  LEADER (inclusief projecten onder het programma Duurzaam Door).

Met ingang van 2016 zijn in het POP3 wijzigingen doorgevoerd. In verband met de convergentie naar een gelijke hectare premie in 2019 is besloten tot een herschikking van de beschikbare middelen van de eerste pijler. Hiervan komt € 11,5 mln per jaar voor de periode 2016–2020 ten behoeve van enkele sectoren die te maken krijgen met een substantiële vermindering van directe betalingen (zonder nationale cofinanciering). In totaal bedraagt dit € 57,5 mln. Voor de aardappelzetmeelsector (€ 5 mln van de € 57,5 mln) worden maatregelen uitgevoerd door de provincies Groningen en Drenthe. Daarnaast wordt extra geld aangewend voor watermaatregelen. Voor de periode 2016–2020 wordt jaarlijks € 20 mln besteed. In totaal € 100 mln. Het gaat hier om EU-middelen waarvoor geen nationale cofinanciering vereist is (100% EU-bijdrage). Wel zijn er met de waterschappen afspraken gemaakt dat de (EU) beschikbare watermiddelen met eenzelfde bedrag worden opgehoogd (€ 20 mln jaarlijks). In totaal € 100 mln. Een andere aanpassing betreft de overgang naar een stelsel van collectief agrarisch natuurbeheer met ingang van 2016 (Kamerstuk, 33 576, nr. 3).

Vervolgens is in juli 2017 de voorgenomen overheveling van de eerste pijler (€ 30 mln per jaar voor de jaren 2019 en 2020) aan de Europese Commissie gemeld. Voor de Brede Weersverzekering wordt vanaf 2019 € 10 mln per jaar ingezet. Hiermee kunnen voor de jaren 2019 en 2020 in totaal 1.000 tot 1.200 meer deelnemers worden geaccommodeerd (bijna een verdubbeling van het huidige aantal). Voor de jaren 2019 en 2020 wordt € 20 mln per jaar voor agrarisch natuurbeheer ingezet om de belangrijkste stappen te zetten om scenario 2 uit de toekomstscenario’s weide- en akkervogelbeheer te realiseren (zie Kamerstuk 33 576, nr. 97). De EC heeft de voorstellen in 2018 goedgekeurd.

Onderstaand volgt een overzicht van de bedragen die gemiddeld per jaar voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 -2020 (POP3) beschikbaar zijn, na toevoeging van bovenstaande middelen (bedragen x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Bijdrage EU

87,0

87,0

118,5

118,4

118,3

148,1

148,1

825,3

Bijdrage andere overheden

87,0

83,6

103,5

103,6

103,3

103,0

103,0

687

Bijdrage Rijk

 

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

33

Bijdrage andere overheden en bijdrage Rijk zijn niet gestegen omdat de toegevoegde pijler 1 middelen 100% financiering vanuit de EU betreffen.

Het LNV aandeel bedraagt circa € 5,5 mln per jaar en deze uitgaven worden verantwoord in het jaarverslag van LNV (artikel 6). Het Rijksaandeel heeft betrekking op de regeling brede weersverzekering. Vanaf 2016 is het Ministerie eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector, aardappelzetmeelsector en vleesveesector. Deze regelingen worden alleen via de EU gefinancierd. De hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

Onder POP3 is een ruimer bestedingsregime van kracht. Per jaartranche dient het geld binnen 4 jaar te zijn uitgegeven (N+3, was N+2).

De realisatie tot en met 2018 ziet er als volgt uit (bedragen x € 1 mln.).

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

Realisatie totaal 2014–2018

Bijdrage EU

0

33

41

60

78

212

Bijdrage provincies

0

10

18

25

38

91

Bijdrage Rijk

0

4

4,6

5,6

5,3

19,5

3. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Ontwikkelingen EFMZV 2014–2020

Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds zal eveneens worden ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het EFMZV-instrumentarium, zoals opgenomen in het in februari 2015 goedgekeurde Operationeel Programma, is gericht op 3 hoofdthema’s:

  • 1.  Invoering van de aanlandplicht;
  • 2.  Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;
  • 3.  Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

In 2018 zijn in uitvoering van het Operationeel Programma de navolgende maatregelen opengesteld voor de visserijsector:

  • 1.  Jonge vissers 2018;
  • 2.  Investeringen voor toegevoegde waarde van visserijproducten;
  • 3.  Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij;
  • 4.  Productie- en afzetprogramma’s voor productenorganisaties 2018;
  • 5.  Innovatieprojecten aquacultuur;
  • 6.  Rendementsverbeteringsprojecten.

De maatregelen jonge vissers (budget € 350.000) en productie- en afzetprogramma’s voor producentenorganisaties (budget € 59.000) zijn jaarlijks terugkerende openstellingen en zijn ook in 2017 opengesteld. De maatregel jonge vissers is bedoeld voor jonge vissers om nieuwe economische activiteiten op te starten. Vissers jonger dan 40 jaar kunnen een subsidie ontvangen als zij voor het eerst een vissersvaartuig willen aanschaffen. De maatregel productie- en afzetprogramma’s is bedoeld voor het ondersteunen van producentenorganisaties bij het realiseren van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten.

De maatregel investeringen voor toegevoegde waarde is in 2018 opengesteld met een budget van € 2,8 mln. Deze maatregel is bedoeld om visserijondernemingen te helpen om de toegevoegde waarde of de kwaliteit van de gevangen vis te verbeteren. Middels deze maatregel kunnen visserijondernemingen steun krijgen voor een beperkt aantal investeringen dat leidt tot verbetering van toegevoegde waarde in de bedrijfsvoering.

De maatregel samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij is in 2018 opengesteld met een budget van € 4 mln. Het doel van deze maatregel is om vissers te helpen kennis op te doen die zij kunnen gebruiken voor het verduurzamen van hun bedrijfsvoering. Deze maatregel is gericht op het opzetten van netwerken, partnerschapovereenkomsten of verenigingen (kennissystemen) tussen wetenschappers en vissers of visserijorganisaties en op het verrichten van activiteiten daarbinnen, zoals kennisontwikkeling en kennisdeling. Vissers of visserijorganisaties kunnen binnen het kennissysteem aan elkaar en aan de onafhankelijke wetenschappelijke organisatie de vragen stellen die zij hebben met betrekking tot de maatschappelijke uitdagingen waar de sector voor staat.

In het Nationaal Strategisch Plan Aquacultuur (2014–2020) is een meerjarenvisie opgenomen. Deze is gericht op een duurzame ontwikkeling van de aquacultuur binnen Nederland. Om invulling te geven aan de ontwikkelrichtingen in het plan wordt door middel van de maatregel innovatieprojecten aquacultuur (budget € 3 mln) subsidie verleend om innovaties in de aquacultuur te bevorderen. Hierbij worden verschillende aspecten van duurzaamheid meegewogen.

De maatregel rendementsverbeteringsprojecten beoogt de rendementen van de visserijbedrijven te verbeteren, door financiële ondersteuning bij het intensiveren van technologische ontwikkeling en innovatie. Voorbeelden hiervan zijn projecten die voor een zo breed mogelijk aantal betrokkenen uit de visserijsector een duidelijke kostenbesparing opleveren of die een duidelijke waardevermeerdering van hun product(en) tot gevolg hebben. Ook het realiseren van een meer vraaggestuurde aanvoer of een kortere keten komt voor steun in aanmerking. Het budget van deze maatregel was € 2,5 mln in 2018.

In het jaar 2018 zijn geen extra met het EFMZV gefinancierde overheidsopdrachten geselecteerd. Wel is door LNV verder gegaan met de uitvoering van reeds geselecteerde projecten:

  • •  Uitzet van glas- en pootaal;
  • •  Impact assessment pulse fisheries;
  • •  Doorontwikkel- en verbeterprogramma VIRIS3;
  • •  Verbeteren datasystemen en datastromen/uitwisseling;
  • •  Expertisecentrum visstroperij;
  • •  Datacollectie 2014–2016;
  • •  Datacollectie 2017–2019;
  • •  TransVIR2RVO-01: Basis op Orde VIRIS3 – Onderstroom. Fase 1: Vooronderzoek;
  • •  TransVIR2RVO-02: Overdracht taken en systemen vangstregistratie van de NVWA naar RVO-VIR. Fase 1: Vooronderzoek;
  • •  TransVIR2RVO-03: Basis op Orde VIRIS3 – Onderstroom;
  • •  TransVIR2RVO-05: Vernieuwing ERS Fishing Activity via FLUX;
  • •  Meerjarig onderzoeksprogramma garnalenpulsvisserij.

Het project uitzet glas- en pootaal heeft betrekking op de inkoop en uitzet van glasaal in het kader van het nationaal aalbeheerplan. De datacollectie projecten betreffen meerjaarlijkse onderzoeken naar visbestanden in het kader van het Data Collection Framework. De TransVIR2RVO-projecten en het project doorontwikkel- en verbeterprogramma VIRIS3, zijn IT- projecten bij de afdeling Visserijregelingen van RVO.nl. De projecten beogen de systemen voor visserijregistratie aan te passen aan de meest recente regelgeving en systemen toekomstbestendig te maken. De projecten «verbeteren datasystemen en datastromen/uitwisseling» en «expertisecentrum visstroperij» betreffen eveneens IT- projecten. Deze laatsten worden uitgevoerd door de NVWA. Daarnaast wordt middels de projecten impact assessment pulse fisheries en het meerjarig onderzoeksprogramma garnalenpulsvisserij onderzoek gedaan naar de effecten van pulstechniek binnen de visserij.

Financieel overzicht

De toenmalig Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het GVB een Operationeel programma opgesteld voor de periode 2014–2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50–50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

De voor Nederland beschikbare EU-budgetten voor het EFMZV (2014–2020) zijn (x € 1 mln.):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

EFMZV middelen

13,9

14,1

14,2

14,5

14,8

14,9

15,1

101,5

Op de begroting van LNV zijn op beleidsartikel 6 voor de cofinanciering van het GVB 2014–2020 de volgende nationale middelen beschikbaar (x € 1 mln):

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Rijksmiddelen co-financiering GVB

 

5,0

5,8

7,3

5,3

5,3

1,3

30,0

Tot en met 2018 is er een bedrag van circa € 32,3 mln uitgegeven. In deze periode is circa € 24,6 mln aan EFMZV middelen bij de Europese Commissie gedeclareerd. De Rijksmiddelen 2015, 2016, 2017 en 2018 waarvoor nog geen uitgaven zijn gedaan, blijven gereserveerd voor de nationale cofinanciering van het EFMZV.