Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Buitenlandse Zaken 2018

34775 V 45 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 45

Vastgesteld 5 januari 2018

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 21 maart 2017 inzake de uitvoering van motie van het lid Voordewind c.s. over een rapport over het gebruik van de term genocide door politici (Kamerstuk 34 550 V, nr. 72).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 december 2017. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,
Pia Dijkstra

De griffier van de commissie,
Van Toor

Vraag 1

Bent u bereid de kabinetsreactie ingevolge artikel 24 van de Kaderwet adviescolleges uiterlijk binnen drie maanden aan de Kamer te doen toekomen en derhalve bereid toe te zeggen dat u af zult zien van uitstelmogelijkheden?

Antwoord

De Kabinetsreactie is aangehouden in afwachting van de hoorzitting op 12 juni 2017. Tevens is gewacht op de afronding van de Kabinetsformatie. In het kader van de Kabinetsreactie zal uiteraard ook antwoord worden gegeven op de resterende feitelijke vragen.

Vraag 2

Zijn de Genocideconventie en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van kracht voor Nederland, op basis van de genocide die ISIS volgens u «hoogstwaarschijnlijk» pleegt? Wanneer is Nederland volgens u formeel gehouden aan de verplichtingen van de Genocideconventie?

Antwoord

Ja, de verplichting om genocide te voorkomen treedt in werking bij een betrouwbare aanwijzing van een ernstig risico op dreigende genocide. Ook de verplichting tot bestraffing van genocide is van kracht. In Nederland is de Wet internationale misdrijven van toepassing, op basis waarvan verdachten van genocide kunnen worden vervolgd indien het OM daartoe besluit.

Vraag 3

Is de regering het politieke oordeel toegedaan dat ISIS zich schuldig maakt aan misdaden tegen de menselijkheid?

Antwoord

Het Kabinet is van oordeel dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig maakt aan zeer ernstige internationale misdrijven, waaronder genocide en misdrijven tegen de menselijkheid.

Vraag 4

Vindt u dat de United Nations Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) die in juni 2016 geconcludeerd heeft dat «ISIS has committed, and continues to commit, the crime of genocide, as well as multiple crimes against humanity and war crimes, against the Yazidis. [...] ISIS seeks to destroy the Yazidis in multiple ways, as envisaged by the drafters of the 1948 Genocide Convention», voldoende feitenonderzoek gedaan heeft om tot die conclusie te komen?

Antwoord

Het Kabinet is van oordeel dat voldoende feiten zijn vastgesteld om te oordelen dat hoogstwaarschijnlijk sprake is van genocide gepleegd door IS. De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties heeft weliswaar met de grootste zorg kennisgenomen van de bevindingen in het rapport van deze onderzoekscommissie, maar is in de desbetreffende resolutie niet zover gegaan dat het conclusies van de Commissie heeft overgenomen.

Vraag 5

Kunt u alle interne memo’s, emails en andere stukken die bij de overheid geschreven zijn over ISIS en misdrijven tegen de menselijkheid en/of genocide tussen 2013 en april 2017 aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord

Het Kabinet is intern meerdere malen volkenrechtelijk geadviseerd over deze kwestie. Het Kabinet hecht eraan dat ambtenaren hun Ministers vrijelijk kunnen adviseren en daarin alle standpunten kunnen weergeven. Het achteraf openbaar maken van die adviezen staat daaraan in de weg.

Vraag 6

Welke genocides heeft de Nederlandse regering erkend en wanneer gebeurde dat en op basis van welk feitenmateriaal?

Antwoord

Nederland heeft in ieder geval de Holocaust, Rwanda en Srebrenica erkend als gebeurtenissen waarin genocide werd gepleegd. De beantwoording van de vraag naar de specifieke tijdstippen en het onderliggende feitenmateriaal zou gedetailleerd historisch onderzoek vergen.

Vraag 7

Wat zouden de internationaalrechtelijke verplichtingen zijn als Nederland de genocide door ISIS erkent?

Antwoord

Deze zouden gelijkluidend zijn ten opzichte van de huidige verplichting van Nederland op basis van het Genocideverdrag om genocide te voorkomen en te bestraffen. Deze verplichting is niet afhankelijk van een formele vaststelling dat sprake is van genocide.

Vraag 8

In hoeverre kan worden gesteld dat in het geval van de Armeense genocide degelijk feitenonderzoek is verricht?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 11.

Vraag 9

Is er in het geval van de Armeense genocide, in de ogen van de regering, sprake van een internationale vaststelling die als consensus kan worden gekwalificeerd?

Antwoord

Nee.

Vraag 10

Welke consequenties kan de kwalificatie «genocide» in volkenrechtelijke zin hebben?

Antwoord

Dit kan tot gevolg hebben dat maatregelen ter preventie en bestraffing van genocide worden genomen.

Vraag 11

Wat is uw standpunt met betrekking tot de Armeense genocide na het lezen van dit advies?

Antwoord

Het standpunt van het Kabinet ten aanzien van de kwestie van de Armeense genocide is ongewijzigd. Ten aanzien van de kwestie van de Armeense genocide is geen sprake van een uitspraak van een internationaal gerechts- of strafhof, noch van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Vraag 12

Wat is uw standpunt met betrekking tot genocide op de Jezidi's na het lezen van dit advies?

Antwoord

Het Kabinet veroordeelt de gruwelijk wandaden die door IS zijn gepleegd ten zeerste. Etnische en religieuze minderheden, waaronder Yezidi en Christenen, hebben zwaar geleden in de door IS gecontroleerde gebieden. In het Regeerakkoord staat dat «uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek en vaststellingen door de VN» leidend zijn bij de erkenning van genocides door de Nederlandse regering. In relatie tot de daden van IS in Irak en Syrië houdt het Kabinet de lijn aan dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige internationale misdrijven, waaronder genocide en misdrijven tegen de menselijkheid.

Vraag 13

Welke instanties zijn volgens u in de eerste plaats aangewezen om vast te stellen dat er in een bepaalde situatie sprake is van genocide of misdaden tegen de menselijkheid?

Antwoord

In en Kamerbrief van 15 september jl. over dit onderwerp1 heeft het Kabinet aangegeven dat de vaststelling of er in juridische zin sprake is van genocide, voorbehouden is aan de rechter. Het bestraffen van genocide ingevolge het Genocideverdrag veronderstelt immers een strafrechtelijk proces.

Dit sluit evenwel niet uit dat staten, als internationale rechtssubjecten, hun visie hierover kenbaar kunnen maken. Het kenbaar maken van statelijke visies kan zowel individueel als collectief, in internationale gremia zoals de Algemene Vergadering, de Veiligheidsraad en de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Ten aanzien van het nemen van maatregelen om genocide te voorkomen en te bestraffen, heeft een collectieve visie de voorkeur. Visies door staten zouden kunnen worden gevormd op basis van feitenonderzoeken door bijvoorbeeld onderzoekscommissies. Daarbij wordt aangetekend dat onderzoekscommissies sterk kunnen wisselen qua expertise en soms vergaande conclusies trekken op basis van hun onderzoek. Zo concludeerde bijvoorbeeld de Commissie Goldstone, ingesteld door de Mensenrechtenraad in 2009 naar aanleiding van de Gaza Oorlog, dat Israël mogelijk misdrijven tegen de menselijkheid had begaan in de Gaza oorlog. In 2011 werd deze bevinding door dhr. Goldstone weer ingetrokken.

Vraag 14

Waar is de veronderstelling, die in het Nederlandse discours wel gangbaar is, namelijk dat het vaststellen van genocide door de rechter dient te gebeuren, op gebaseerd? Zijn er literatuur, jurisprudentie of andere bronnen aan te wijzen voor die veronderstelling?

Antwoord

De veronderstelling dat het aan de rechter is om vast te stellen of in juridische zin sprake is van het misdrijf genocide is gebaseerd op de Nederlandse interpretatie van het Genocideverdrag.

Vraag 15

Wat is volgens u de betekenis van de resolutie uit 2016 van het Europees parlement dat de Islamitische Staat zich schuldig maakt aan genocide tegen christenen, Jezidi’s en andere godsdienstige en etnische minderheden en de daaraan gekoppelde oproep aan staten om hun verplichtingen onder internationaal recht na te leven?

Antwoord

Het Kabinet deelt het standpunt van de CAVV en de EVA dat er een verschil bestaat in internationaalrechtelijke betekenis tussen parlementaire vaststellingen en handelingen van, of namens, regeringen. Het internationaal recht wordt immers gevormd door staten, die op internationaal niveau worden vertegenwoordigd door hun regering. Deze resolutie van het Europees parlement en de daaraan gekoppelde oproep hebben uiteraard wel een politieke betekenis.

Vraag 16

Hoe beoordeelt u het volgende standpunt: «De motie suggereert dat alleen de rechter dergelijke vaststellingen zou kunnen doen. Een dergelijke stelling behoeft nuance. Het oordelen van staten over internationaalrechtelijke kwesties is inherent aan het systeem van het volkenrecht. In veel gevallen is immers geen rechterlijk orgaan met verplichte rechtsmacht beschikbaar, en het volkenrecht zou een belangrijk deel van zijn effectiviteit verliezen indien het zonder rechterlijke oordelen niet zou kunnen worden toegepast. In beginsel is het dan ook aan staten om een oordeel te vellen over volkenrechtelijk relevante handelingen van andere staten of andere personen.»? Hoe verhoudt zich dit tot uw weigering de genocide door ISIS te erkennen en te verwijzen naar de rechter, die zou moeten vaststellen of in juridische zin sprake is van genocide?

Antwoord

Het Kabinet sluit zich aan bij de nuancering dat staten hun visie op internationaalrechtelijke kwesties kenbaar kunnen maken. In het Regeerakkoord staat dat «uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek en vaststellingen door de VN» leidend zijn bij de erkenning van genocides door de Nederlandse regering. Zie voorts het antwoord op vraag 12.

Vraag 17

Welke genocides heeft de Nederlandse regering sinds 1948 erkend nog voordat zij in een rechtbank waren vastgesteld?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 6.

Vraag 18

Bent u het eens met de conclusie van het gezamenlijke advies dat het in beginsel aan staten is om een oordeel te vellen over volkenrechtelijk relevante handelingen van andere staten of andere personen?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 16.

Vraag 19

Bent u het eens met de conclusie van de CAVV en de EVA dat ook de vaststelling van genocide door parlementen van betekenis is?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 20

Wat is volgens u de betekenis van het oordeel van een parlement, en meer in het bijzonder de van de Tweede Kamer, dat er in een bepaald geval sprake is van genocide en/of misdaden tegen de menselijkheid?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 21

Welke gevolgen moet de parlementaire vaststelling van genocide in een lopend conflict volgens u hebben?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 22

Wat is volgens u het verschil in juridische betekenis van de vaststelling van genocide door ofwel de regering van een staat ofwel het parlement?

Antwoord

Zie het antwoord op vragen 13 en 15.

Vraag 23

Waarom blijft u van oordeel dat ISIS «hoogstwaarschijnlijk» verantwoordelijk is voor zeer ernstige misdrijven, zoals genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven? Waarom houdt u zelfs een slag om de arm als het gaat om misdrijven tegen de menselijkheid, waarvan zowel de CAVV als de EVA beweren dat het juist aan regeringen is om vast te stellen of in een andere staat genocide of misdrijven tegen de menselijkheid worden gepleegd?

Antwoord

Het Kabinet ziet het advies van CAVV en EVA als ondersteuning van het huidig beleid ten aanzien van het terughoudende gebruik van de termen «genocide» en «misdrijven tegen de menselijkheid» in relatie tot lopende situaties. Zie voorts het antwoord op vraag 12.

Vraag 24

Vindt u dat er voldoende feiten vastgesteld zijn, zowel nationaal als internationaal, om als regering te kunnen oordelen of ISIS genocide en misdaden tegen de menselijkheid pleegt? Waarom wel/niet?

Antwoord

Leidend bij de erkenning van genocides zijn voor de Nederlandse regering uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek en vaststellingen door de VN. Op basis hiervan kan het Kabinet nog niet tot erkenning overgaan. Het Kabinet is wel van oordeel dat voldoende feiten zijn vastgesteld om te oordelen dat hoogstwaarschijnlijk sprake is van genocide door IS.

Vraag 25

Welke betekenis heeft de kwalificatie «genocide» in volkenrechtelijke zin als deze door een staat wordt toegekend? Heeft een dergelijke betekenis gewicht in volkenrechtelijke zin als gezaghebbende volkenrechtelijke instituties deze kwalificatie niet hebben toegekend?

Antwoord

De oordelen van individuele staten worden beschouwd als rechtsopvatting en kunnen bijdragen aan de uitleg en toepassing van het internationaal recht en de vorming van gewoonterecht. Indien het oordeel van een individuele staat niet wordt gedeeld door andere staten zal dit oordeel internationaalrechtelijk geen doorslaggevend gewicht hebben.

Vraag 26

Uitgaande van het belang dat in het advies wordt gehecht aan degelijk feitenonderzoek alvorens genocide vastgesteld kan worden, aan welke criteria moet zulk feitenonderzoek volgens u voldoen? Welke onderzoekers of onderzoeksinstanties kunnen volgens u aan die criteria voldoen? Kunnen andere dan VN-organisaties aan deze criteria volgens u voldoen? Zo ja, welke?

Antwoord

Belangrijke criteria voor feitenonderzoek zijn onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid. De bevindingen die voortvloeien uit feitenonderzoek worden gezaghebbender als deze worden overgenomen door de intergouvernementele gremia die hen hebben ingesteld.

Vraag 27

Hoe denkt u over de rol die de EVA en CAVV zien voor het parlement om op te roepen tot internationale procedures om feiten vast te stellen?

Antwoord

Het Kabinet onderschrijft deze mogelijke rol van het parlement.

Vraag 28

Deelt u de voorkeur zoals uitgesproken in het rapport om aan te sluiten bij internationale vaststellingen? Zo ja, hoe vertaalt dit zich naar toekomstig beleid?

Antwoord

Deze voorkeur om aan te sluiten bij internationale vaststelling is reeds vertaald in beleid en het Regeerakkoord, waarbij uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies volgend uit wetenschappelijk onderzoek en vaststellingen door de VN leidend zijn bij de erkenning van genocides. Op basis hiervan ligt in de rede om tot erkenning over te gaan wanneer de Veiligheidsraad van de VN in een bindende resolutie heeft vastgesteld dat sprake is van genocide, dan wel wanneer er een uitspraak is van een internationaal gerechts- of strafhof. Wanneer het louter om historisch onderzoek dan wel een uitspraak van een individuele VN rapporteur gaat, ligt erkenning niet in de rede.

Vraag 29

Bent u het eens met het advies als dit stelt dat het verschil tussen genocide en misdrijven tegen de menselijkheid niet relevant is in de preventiefase?

Antwoord

Ja.

Vraag 30

Acht u zich gebonden aan de verplichting tot bestraffen, die uitgewerkt is in de Genocide-conventie, als het gaat om de genocide die ISIS volgens u «hoogstwaarschijnlijk» pleegt? Hoeveel Syriëgangers zijn of worden vervolgd voor (betrokkenheid bij) genocide?

Antwoord

Ja. Op dit moment lopen er geen vervolgingen naar Syriëgangers die verdacht worden van genocide. Wel lopen er een aantal onderzoeken. Concrete aantallen kunnen niet worden gegeven, gelet op de aard van deze onderzoeken. Ten opzichte van 2015 was in 2016 een stijging te zien van de opsporingsonderzoeken met betrekking tot het conflict in Syrië.

Vraag 31

Bent u het eens met de conclusie van het advies dat de verplichting om genocide te voorkomen die voortvloeit uit artikel 1 van het Genocideverdrag op zichzelf niet direct verplicht tot militair ingrijpen, en daar ook geen voldoende juridische rechtvaardiging voor is?

Antwoord

Ja.

Vraag 32

Bent u het eens met de interpretatie door de EVA en CAVV van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de Genocide-zaak tussen Bosnië-Herzegovina en Joegoslavië zoals gegeven op p.11 van het advies?

Antwoord

Ja.

Vraag 33

Hoe moet de verplichting genocide te voorkomen en te bestraffen uit het genoemde artikel volgens u worden ingevuld?

Antwoord

Het Genocideverdrag verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag om genocide te voorkomen en te bestraffen. Uit jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof blijkt dat de verplichting om genocide te voorkomen een inspanningsverplichting is en geen resultaatsverplichting: een staat moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs beschikbaar zijn om genocide zo veel mogelijk te voorkomen. De verplichting om genocide te bestraffen houdt volgens het Hof in dat staten genocide strafbaar moeten stellen en verdachten op hun eigen grondgebied moeten vervolgen. Deze verplichting richt zich primair op de territoriale staat – de staat waar de misdrijven worden gepleegd – maar is niet territoriaal begrensd. De reikwijdte van de verplichting om te voorkomen voor andere staten hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide.

Vraag 34

Kan de verplichting tot het voorkomen en bestraffen die voortvloeit uit artikel 1 van het Genocide-verdrag volgens u alleen geldig zijn als de VN of een onderzoeksinstantie van de VN de feiten heeft vastgesteld?

Antwoord

Nee.

Vraag 35

Onderschrijft u de conclusie dat er in juridische zin geen hiërarchie bestaat in de ernst tussen genocide en een misdrijf tegen de menselijkheid en dat het dus niet nodig is om tussen de twee misdrijven te differentiëren? Zo ja, gaat u dit doorzetten in beleid?

Antwoord

Ja. Dit is reeds verankerd in beleid.

Vraag 36

Deelt u de opvatting dat het gebruik van de term «genocide» of «misdrijf tegen de menselijkheid» een belangrijke eerste stap kan zijn op weg naar politieke besluitvorming over preventie en interventie? En dat de stappen om preventie daadwerkelijk te realiseren vragen om politieke besluitvorming die noodzakelijkerwijs moet worden ingegeven door gebruik van de relevante termen door politici? Zo ja, waarom brengt u dit niet in de praktijk bij de genocide die ISIS pleegt?

Antwoord

Ja. Het Kabinet is echter niet van oordeel dat politieke besluitvorming afhankelijk is van een formele vaststelling. Immers, ook in situaties waarin niet vaststaat of daden van geweld zijn aan te merken als genocide of misdrijven tegen de menselijkheid kan reeds worden overgegaan tot actie, ter preventie van verdere gruwelijkheden. Het zou onwenselijk zijn als dergelijke preventieve stappen afhankelijk zouden worden gemaakt van een formele vaststelling omtrent genocide. In het geval van IS is het de positie van het Kabinet dat deze organisatie hoogstwaarschijnlijk genocide pleegt. Dit heeft ertoe geleid dat Nederland bijdraagt aan de strijd tegen IS in coalitieverband, zowel in Syrië als in Irak. Ook zet Nederland in op onderzoek en vervolging van verdachten van internationale misdrijven, waaronder genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. Het Nederlandse Openbaar Ministerie kan verdachten van genocide vervolgen op basis van de Wet internationale misdrijven. Op basis van deze wet geldt universele rechtsmacht voor deze misdrijven. Daarnaast zet Nederland zich in voor de doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof. Ook ondersteunt Nederland in ruime mate de oprichting en werkzaamheden van de bewijzenbank voor Syrië (het zogenaamde «IIIM»), ter ondersteuning van toekomstige opsporing en vervolging van deze misdrijven in Syrië.

Vraag 37

Deelt u de opvatting dat «vroegtijdige politieke benoeming en erkenning van genocide of misdrijven tegen de menselijkheid vaak een stap is naar noodzakelijke internationale samenwerking voor interventie of preventie»? Waarom heeft u bijna drie jaar(!) na de opkomst van ISIS – en vele gruwelijkheden – nog steeds niet erkend dat ISIS genocide pleegt?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 36.

Vraag 38

Bent u het eens met de conclusie in het advies dat de vaststelling van genocide of misdrijven tegen de menselijkheid een noodzakelijke eerste stap is in het activeren van verplichtingen zoals de verplichting te voorkomen? Zo ja, wat kunnen de gevolgen hiervan zijn voor de opstelling van Nederland in lopende conflicten?

Antwoord

Nee, zie het antwoord op vraag 36.

Vraag 39

Wat kan de conclusie van dit advies dat vaststelling dat er sprake is van genocide een belangrijke stap is in het activeren van verplichtingen, betekenen in genocides in het verleden, zoals de Armeense genocide?

Antwoord

Het CAVV en EVA advies beperkt zich tot vaststellingen ten aanzien van lopende situaties. Zie voorts het antwoord op vraag 11.

Vraag 40

Hoe beoordeelt u de opvatting van de CAVV en de EVA dat het primair aan de regering is als belangrijkste vertegenwoordiger van de staat in de internationale betrekkingen om vast te stellen dat in een andere staat genocide of misdrijven tegen de menselijkheid worden gepleegd? Bent u bereid hieruit consequenties te trekken als het gaat om uw standpunt inzake de erkenning van de Armeense genocide? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vragen 11, 13, 16, 25 en 39.

Vraag 41

Hoe beoordeelt u de opvatting dat het primair aan de regering is als belangrijkste vertegenwoordiger van de staat in de internationale betrekkingen om vast te stellen dat in een andere staat genocide of misdrijven tegen de menselijkheid worden gepleegd? Bent u bereid hieruit consequenties te trekken als het gaat om erkenning van de genocide door ISIS op Yezidi's, christenen en andere minderheden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie de antwoorden op vragen 13, 16 en 25.

Vraag 42

Hoe beoordeelt u het standpunt dat «de stelling dat alleen de rechter kan oordelen dat in juridische zin sprake is van genocide of misdrijven tegen de menselijkheid dient te worden genuanceerd» in het licht van uw eigen standpunt dat de vaststelling of er in juridische zin sprake is van genocide voorbehouden is aan de rechter?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 16.

Vraag 43

Geldt bij de vaststelling zoals onder punt 5 genoemd dat deze bij voorkeur gebaseerd is op degelijke feitenonderzoek? En wie zou dan dat feitenonderzoek moeten hebben gedaan?

Antwoord

Het Kabinet heeft geen inzicht in de zienswijze van de CAVV en de EVA in dit verband.

Vraag 44

Hoe verhoudt de vaststelling onder punt 5 zich tot het aansluiten bij internationale vaststellingen? En zijn dat internationale vaststellingen die (idealiter) dan op zichzelf weer gebaseerd zouden zijn op degelijk feitenonderzoek?

Antwoord

Het Kabinet heeft geen inzicht in de zienswijze van de CAVV en de EVA in dit verband.

Vraag 45

Is de verwijzing naar activeren onder punt 5 gericht op het activeren in het daarvoor internationaal meest aangewezen orgaan (de VN)?

Antwoord

Het Kabinet heeft geen inzicht in de zienswijze van de CAVV en de EVA in dit verband.

Vraag 46

Hoe sluit de aanbeveling dat de aandacht dan uit kan gaan naar welke daden en maatregelen getroffen dienen te worden ter (verdere) preventie zoals onder punt 8 verwoord, aan bij het gestelde op pagina 10 dat de responsibility to protect geen autonome basis is voor geweldgebruik zonder autorisatie van de Veiligheidsraad?

Antwoord

Het Kabinet heeft geen inzicht in de zienswijze van de CAVV en de EVA in dit verband.

Vraag 47

Hoe zwaarwegend is hetgeen onder punt 6 gesteld in relatie tot het activeren van verplichtingen zoals de verplichting tot voorkomen als die verplichting nog niet geheel is uitgekristalliseerd?

Antwoord

Het Kabinet is van mening dat dit geen zwaarwegend bezwaar vormt in relatie tot het nemen van preventieve stappen. Zie voorts het antwoord op vraag 33.

Vraag 48

Hoe zwaarwegend is hetgeen onder punt 6 gesteld in relatie tot het gestelde onder punt 8 met betrekking tot de aandacht voor de vraag welke daden en maatregelen getroffen dienen te worden ter (verdere) preventie als daden en maatregelen als de verplichting om genocide te voorkomen op zichzelf niet direct verplicht tot militair ingrijpen en ook geen juridische rechtvaardiging biedt voor dergelijke ingrijpen? Beperkt dit de mogelijkheden tot het activeren van de verplichting zoals de verplichting om te voorkomen (onder punt 5 genoemd) tot niet militair ingrijpen? En zo ja, kan dat in unilateraal, bilateraal en/of multilateraal verband? Wat verdient de voorkeur?

Antwoord

Zie het antwoord op vragen 13, 31 en 47.

Vraag 49

Kunt u hetgeen onder punt 9 is gesteld nader toelichten op basis van hetgeen onder meer op pagina 10 en 11 is gesteld? Welke concrete maatregelen behoren dan tot de mogelijkheden van regeringen en parlementen wanneer de invulling van de daden en maatregelen ter preventie zo beperkt zijn?

Antwoord

Het Kabinet heeft geen inzicht in de zienswijze van de CAVV en de EVA in dit verband.

Vraag 50

Deelt u de opvatting dat «gezien de ambitie van Nederland om de internationale rechtsorde te bevorderen er een voorkeur bestaat voor aansluiting bij internationale vaststellingen, maar dat een nationale vaststelling hoeft niet om deze reden te worden uitgesteld»? Zo ja, vindt u de tijd rijp om zich aan te sluiten bij opvattingen van de Raad van Europa, het Europees parlement, parlementen in het VK, Canada en de VS, alsmede de Amerikaanse regering, dat ISIS genocide pleegt?

Antwoord

Zie het antwoord op vragen 24 en 28.

Vraag 51

Hoe beoordeelt u de opvatting dat een vaststelling dat genocide of misdrijven tegen de menselijkheid zijn of worden begaan een noodzakelijke eerste stap is in het activeren van verplichtingen zoals de verplichting om te voorkomen? Zijn deze verplichtingen formeel geactiveerd als het gaat om de misdrijven die ISIS pleegt?

Antwoord

Zie het antwoord op vragen 2 en 36. De verplichtingen van Nederland op basis van het Genocideverdrag zijn volgens het Kabinet reeds van kracht met betrekking tot de daden van ISIS, die hoogstwaarschijnlijk ernstige internationale misdrijven pleegt, waaronder genocide.

Vraag 52

Op welke wijze gaat u gevolg geven aan aanbeveling nummer 10?

Antwoord

Het Kabinet hecht aan nadere uitwerking van de inhoud en reikwijdte van de verplichting tot het voorkomen van misdrijven tegen de menselijkheid, hetgeen dit initiatief voorstaat. Afhankelijk van de beraadslagingen en uitkomsten van deze studie zal het Nederlandse standpunt worden bepaald. Nederland heeft in het kader van deze studie aangegeven sterk te hechten aan verbetering van de samenwerking tussen staten bij opsporing en vervolging van ernstige internationale misdrijven, waaronder misdrijven tegen de menselijkheid. Hierbij kan worden verwezen naar het initiatief voor een Multilateraal Verdrag betreffende Rechtshulp en Uitlevering bij Internationale Misdaden (MVRUIM). Sinds 2011 maakt Nederland zich hiervoor hard samen met de Kopgroep bestaande uit Argentinië, België, Mongolië, Slovenië en Senegal. Dit heeft ertoe geleid dat thans 58 landen hun steun hebben uitgesproken voor het initiatief. Dit aantal is nog steeds groeiende. Van 16-19 oktober jl. vond in Doorn een voorbereidende conferentie over het initiatief plaats. De conferentie werd gekenmerkt door constructieve besprekingen in een positieve sfeer. De urgentie van een snelle start van verdragsonderhandelingen werd onderstreept door deelnemers uit de rechtspraktijk (waaronder openbare aanklagers) die voorbeelden gaven van obstakels waar zij dagelijks mee te maken krijgen bij verzoeken om rechtshulp en uitlevering van internationale misdrijven. De volgende stap in dit initiatief is het opstellen van een concept-verdragstekst. Het is de intentie van de Kopgroep om de verdragsonderhandelingen in 2018 te openen.

Vraag 53

Bent u van plan om invulling te geven aan het advies om de initiatieven van de ILC met betrekking tot het opstellen van een zelfstandig Verdrag inzake Misdrijven tegen de Menselijkheid te steunen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 52.

Noot 1: Kamerstuk 27 925, nr. 598, Bestrijding internationaal terrorisme, 15 september 2016.