Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

6. Fiscale regelingen

6.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.9 Tot vorig jaar werden in deze bijlage alleen de fiscale regelingen opgenomen die voldeden aan de strikte definitie van een belastinguitgave. Met ingang van deze Miljoenennota vervalt het begrip «belastinguitgave». In het rapport van de studiegroep Begrotingsruimte is aandacht besteed aan de fiscale regelingen.10 Het rapport bevat de aanbeveling om voortaan geen onderscheid meer te maken tussen belastinguitgaven en andere inkomstenbeperkende regelingen. Niet de exacte definitie van een belastinguitgave, maar het budgettaire en beleidsmatige belang van een regeling is relevant. In lijn met dit advies zijn vorig jaar in de Miljoenennota in een aparte tabel in deze bijlage ruim twintig extra fiscale regelingen opgenomen die voldoen aan de criteria van budgettaire en beleidsmatige relevantie. Dit jaar zijn opnieuw circa twintig regelingen op grond van deze criteria toegevoegd aan het overzicht. Met ingang van deze Miljoenennota 2018 zijn de tabellen geïntegreerd. Ook worden vanaf dit jaar, uit het oogpunt van budgettaire en beleidsmatige relevantie, regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, niet meer in het budgettaire overzicht opgenomen.11 Deze regelingen blijven wel opgenomen in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij de Miljoenennota. De essentie van de nieuwe opzet is dat enerzijds transparantie wordt geboden en verantwoording wordt afgelegd, en anderzijds de beschikbare capaciteit gericht wordt ingezet om in te spelen op de informatiebehoefte van het parlement.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van de fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht van de fiscale regelingen is opgenomen in paragraaf 6.3. De drie daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 6.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2018 worden aangekondigd en de overige maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 6.5 behandelt de belangrijkste endogene ontwikkelingen in het gebruik van regelingen. Paragraaf 6.6 licht toe welke technische ramingsbijstellingen zijn gemaakt ten opzichte van de vorige Miljoenennota. Tot slot worden in paragraaf 6.7 de evaluaties in het fiscale domein gemeld die sinds de Miljoenennota 2017 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2017–2021.

Een toelichting op de regelingen – bestaande uit een beschrijving van de regeling en een weergave van de doelstelling, de ramingsgrond, het Ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie – is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». Daarin staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2017 en 2018 in een beleidsmatig deel en een endogeen deel.

6.2 Belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van fiscale regelingen

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van de fiscale regelingen tussen 2013 en 2018. Hierop zijn enkele uitzonderingen, op het gebied van de eigen woning, de innovatiebox, de 30%-regeling, de salderingsregeling in de energiebelasting en de fiscale regelingen voor nulemissievoertuigen (zie paragraaf 6.5). Bij de fiscale regelingen voor de eigen woning spelen meerdere factoren een rol, maar daalt per saldo het budgettaire belang, met name doordat de hypotheekrenteaftrek € 3,7 miljard krimpt als gevolg van de dalende rente. Het geraamde budgettaire belang van de innovatiebox neemt sterk toe, deels doordat uit de aangiftecijfers een grondslagstijging blijkt en deels doordat grotendeels dezelfde ontwikkeling wordt verondersteld als de ontwikkeling van de vennootschapsbelastingopbrengsten, die door de economische groei met name in 2016 aanzienlijk groeien. Het gebruik van de 30%-regeling neemt sterk toe en de regeling is afgelopen jaar geëvalueerd (zie paragraaf 6.7). De 30%-regeling is volgens de onderzoekers doeltreffend en doelmatig en eventuele beleidsconclusies zijn aan het volgende kabinet gelaten. Ook de salderingsregeling in de energiebelasting kent een aanzienlijk groeiend aantal gebruikers en is recent geëvalueerd. De salderingsregeling blijkt een relatief dure regeling per ton vermeden CO2-uitstoot en naar aanleiding daarvan heeft het kabinet in juli een onderzoek naar verschillende varianten van stimulering van lokale hernieuwbare energie naar de Tweede Kamer gestuurd. Het budgettaire belang van de fiscale regelingen ter stimulering van nulemissievoertuigen loopt op door het stijgende aantal van deze voertuigen. De Wet uitwerking Autobrief II, waarin deze stimulering is vormgegeven, wordt in 2018 geëvalueerd.

6.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 6.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2013 tot en met 2018. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2013 en 2018. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen in het gebruik van de regeling.

Tabel 6.3.1. Fiscale regelingen 2013–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei ’13-’182
 

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

225

237

228

206

212

218

– 0,6%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

345

339

339

356

362

367

1,2%

Aftrek specifieke zorgkosten

330

284

282

282

282

282

– 3,1%

Aftrek kosten monumentenpanden

54

58

56

56

57

58

1,3%

Onderhoudsverplichtingen aftrek

nb

338

336

336

336

336

– 0,1%

Belaste ontvangen alimentatie

nb

– 198

– 201

– 201

– 201

– 201

0,4%

 

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

19.909

19.745

17.390

17.423

19.178

19.686

– 0,2%

Pensioen belaste uitkering

– 11.732

– 12.317

– 12.941

– 12.797

– 13.175

– 13.449

2,8%

Pensioen vrijstelling box 3

5.767

5.961

7.185

7.183

7.288

7.427

5,2%

FOR aftrek

159

165

157

159

160

162

0,3%

FOR belaste uitkering

– 114

– 111

– 108

– 104

– 101

– 100

– 2,6%

Lijfrente premieaftrek

nb

532

496

501

549

565

1,5%

Lijfrente belaste uitkering

nb

– 348

– 387

– 383

– 394

– 402

3,7%

Lijfrente vrijstelling box 3

nb

168

215

215

218

222

7,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

nb

536

521

524

574

591

2,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

nb

– 417

– 406

– 414

– 460

– 476

3,3%

Reisaftrek OV

nb

10

9

10

10

10

0,0%

Middelingsregeling3

83

93

92

86

86

86

0,7%

 

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

13.818

13.492

12.989

11.944

10.648

10.121

– 6,0%

Aftrek financieringskosten eigen woning

103

139

212

256

280

250

19,6%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

25

27

28

29

31

32

5,0%

Aftrek rente en kosten van geldleningen restschuld vervreemde eigen woning

23

23

25

26

27

27

3,1%

Eigenwoningforfait

– 2.658

– 2.946

– 3.069

– 3.124

– 3.280

– 3.283

4,3%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

412

513

556

585

631

649

9,5%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

317

782

32

34

190

190

– 9,7%

OVB Verlaagd tarief woning

1.214

1.723

1.949

2.521

2.944

2.946

19,4%

 

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing3

0

2

28

16

23

60

nvt

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

10

10

10

0,0%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

892

896

946

978

979

971

1,7%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

23

25

25

26

27

28

4,3%

Vrijstelling groen beleggen box 3

54

49

45

43

41

39

– 6,5%

Heffingskorting groen beleggen

35

31

29

28

27

26

– 5,8%

Heffingvrij vermogen box 3

1.393

1.407

1.449

1.588

1.160

1.051

– 5,5%

 

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

1.733

1.660

1.720

1.720

1.720

1.720

0,9%

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

106

108

108

108

108

0,5%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

1,0%

Stakingsaftrek

16

15

15

14

14

14

– 2,5%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

0,0%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

– 0,7%

Doorschuiving stakingswinst

220

232

245

250

262

273

4,4%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

94

96

98

100

102

104

2,0%

MKB-winstvrijstelling

1.364

1.520

1.565

1.590

1.635

1.675

4,2%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

18

17

17

17

17

17

– 1,1%

Innovatiebox

883

1.081

1.287

1.708

1.687

1.679

13,7%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

393

359

386

395

405

410

0,9%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

139

124

107

144

164

147

1,1%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

169

58

102

108

97

99

– 10,1%

VAMIL

56

25

30

20

40

40

– 6,5%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

120

120

0,0%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.262

1.109

1.109

1.109

1.109

1.109

– 2,5%

Bosbouwvrijstelling

4

5

5

5

5

6

7,8%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

6

6

6

6

0,0%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

110

104

110

114

118

123

2,3%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

13

16

16

16

16

16

4,7%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

480

308

383

383

383

383

– 4,4%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

195

199

203

207

211

215

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

5

5

6

6

7

7

7,7%

 

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

766

780

769

1.208

1.205

1.163

8,7%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

– 

– 

– 

– 

29

29

0,0%

30%-regeling

651

699

806

850

901

955

8,0%

Afdrachtvermindering zeevaart

110

113

113

112

111

111

0,2%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

107

110

114

117

121

124

3,1%

 

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

22.889

21.908

22.694

20.133

20.163

20.193

– 2,5%

Arbeidskorting

9.644

11.664

12.868

17.134

18.207

18.657

14,1%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.621

1.597

1.623

1.952

2.003

2.056

4,9%

Jonggehandicaptenkorting

169

177

178

177

178

178

1,1%

Alleenstaande ouderenkorting

502

508

522

518

510

482

– 0,8%

Ouderenkorting

2.426

2.430

2.482

2.749

2.971

3.237

5,9%

 

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

84

83

106

126

121

124

8,2%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

34

31

26

25

24

23

– 7,6%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

7

4

6

6

6

7

1,9%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

0

0

0

1

nvt

Salderingsregeling

33

55

80

94

120

166

38,0%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

55

55

63

71

71

76

6,7%

Belastingvermindering per aansluiting

2.379

2.449

2.471

2.493

2.493

2.511

1,1%

 

Omzetbelasting

Laag tarief voedingsmiddelen en water

6.925

7.075

7.439

7.744

8.069

8.408

4,0%

Laag tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.630

1.662

1.802

1.794

1.830

1.804

2,0%

Laag tarief culturele goederen en diensten

1.222

1.228

1.416

1.494

1.568

1.647

6,1%

Laag tarief arbeidsintensieve diensten

882

981

931

641

660

680

– 5,1%

Laag tarief overig

1.579

1.620

1.660

1.797

1.877

1.957

4,4%

Kleine ondernemersregeling

124

130

141

150

160

170

6,5%

Landbouwregeling

19

19

19

18

18

0

– 100,0%

 

Auto

             

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

0

2

3

4

6

46,6%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

3

5

8

12

18

74,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

16

30

46

69

86

127

51,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

554

654

829

741

529

367

– 7,9%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

46

44

37

53

51

46

– 0,3%

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

51

50

49

46

48

47

– 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

15

11

12

15

16

16

1,2%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

23

24

25

25

25

25

2,1%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

713

738

765

804

834

868

4,0%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

14

14

15

15

15

15

2,2%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

207

45

48

51

58

65

– 20,7%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

– 

32

25

22

19

16

– 15,5%

MRB Kwarttarieven

106

118

125

132

142

153

7,6%

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

– 

– 

– 

31

38

43

17,3%

Noot 2: Als de regeling nog niet bestond in 2013 of het budgettair belang van 2013 niet bekend is, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het eerst bekende jaar in de reeks. Bij de zelfstandigenaftrek en de extra zelfstandigenaftrek starters is de gemiddelde jaarlijkse groei vanaf 2014 gegeven, vanwege de reeksbreuk tussen 2013 en 2014 (zie paragraaf 6.6).

Noot 3: Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cijfers in cursief zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2014 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat – deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2014 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2015 gemaakt – deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtsverminderingen in de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen enkele informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom feitelijk niet optelbaar.12 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

6.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 6.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota en zoals opgenomen in het pakket wetsvoorstellen Belastingplan 2018. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar die wetsvoorstellen.

Tabel 6.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1[+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [–] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe.
 

2017

2018

2019

structureel

Beleid sinds Miljoenennota 2017

       

Amendementen EIA

12

14

14

12

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek voor scholingsuitgaven

 

– 218

– 218

– 218

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek kosten monumentenpanden

– 57

– 57

– 57

– 57

         

Belastingplan 2018

       
Afschaffen btw-landbouwregeling2
 

22

22

22

Beperken laag btw-tarief geneesmiddelen

 

42

42

42

Koopkrachtpakket: Algemene heffingskorting

 

75

75

75

Koopkrachtpakket: Alleenstaande ouderenkorting

 

20

20

20

Koopkrachtpakket: Ouderenkorting

 

– 187

– 187

– 187

Noot 2: De opbrengst van de afschaffing van de btw-landbouwregeling in het Belastingplan bedraagt € 22 miljoen en is hoger dan het budgettaire belang van de regeling (€ 18 miljoen) volgens deze bijlage, omdat bij de voorgestelde afschaffing ook enkele tabelposten in de btw worden afgeschaft. Deze zijn geen onderdeel van de landbouwregeling als zodanig en zijn dus geen onderdeel van het budgettaire belang.

6.5 Toelichting opvallende endogene ontwikkelingen

In tabel 6.5.1 wordt de ontwikkeling van het budgettaire belang van de fiscale regelingen met de meest opvallende endogene ontwikkeling nader toegelicht. De tabel geeft de jaarlijkse endogene ontwikkeling tussen 2013 en 2018 en het gemiddelde hiervan. Onder endogene ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling ten gevolge van veranderingen in het gebruik van de regeling die niet het gevolg zijn van beleidsmaatregelen. Ontwikkelingen die het gevolg zijn van gevoerd beleid, zijn derhalve niet opgenomen in onderstaande tabel. In dit verband kan bijvoorbeeld worden verwezen naar de arbeidskorting, waarvan het budgettaire belang bijna verdubbelt tussen 2013 en 2018. De opwaartse ontwikkeling bij de arbeidskorting is echter primair het gevolg van gevoerd beleid.

Tabel 6.5.1. Fiscale regelingen 2014–2018, endogene groei van het budgettair belang
 

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld

Hypotheekrenteaftrek

– 5%

– 3%

– 8%

– 10%

– 4%

– 6%

Aftrek financieringskosten eigen woning

31%

53%

21%

9%

– 11%

19%

Eigenwoningforfait1Een stijging van de opbrengst van het eigenwoningforfait is weergegeven als een positief endogeen groeipercentage.

8%

4%

2%

5%

0%

4%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

22%

8%

5%

8%

3%

9%

OVB Verlaagd tarief woning

42%

13%

29%

17%

0%

19%

Innovatiebox

22%

19%

33%

0%

1%

14%

30%-regeling

7%

15%

5%

6%

6%

8%

Salderingsregeling

58%

38%

27%

22%

29%

34%

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

– 57%

320%

71%

39%

67%

48%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

173%

77%

45%

53%

56%

76%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

84%

56%

51%

24%

48%

51%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

14%

25%

– 8%

– 24%

– 23%

– 5%

Eigen woning

Bij de fiscale regelingen voor de eigen woning zijn een aantal sterke ontwikkelingen in het budgettaire belang te zien. Dit hangt samen met de ontwikkelingen op de woningmarkt. Enerzijds is de rente op hypotheken de afgelopen jaren steeds verder afgenomen, anderzijds zijn het aantal transacties en de gemiddelde WOZ-waarde van woningen sterk gestegen.

Daling hypotheekrente

De hypotheekrente is in de afgelopen kabinetsperiode gestaag gedaald. De gemiddelde rente voor nieuwe hypotheken met een rentevaste periode van meer dan tien jaar was begin 2017 lager dan 3%, terwijl dit in 2012 nog meer dan 5% was. Dit heeft met enige vertraging effect op het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek, doordat de lagere rente niet direct doorwerkt op alle uitstaande hypotheken, maar in eerste instantie vooral de nieuwe hypotheken raakt. Hierdoor treedt pas in 2016 en 2017 de sterkste daling van het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek op.

Stijging aantal transacties woningmarkt

Het aantal transacties op de woningmarkt bereikte afgelopen jaar een piek, op het hoogste niveau sinds 2005. Dit is vooral van invloed op het budgettaire belang van de aftrek financieringskosten en het verlaagd tarief in de overdrachtsbelasting (OVB) voor de eigen woning. Door deze trend is de gemiddelde groei van het budgettaire belang van deze regelingen bijna 20% per jaar. In 2018 vlakt de stijging weer af, doordat een lager aantal transacties wordt verwacht dan in 2017.

Stijging WOZ-waarde

De huizenprijzen stegen in 2016 met 5% en liggen nu bijna 15% hoger dan op het dieptepunt in 2013. De verwachting is dat de prijzen ook in 2017 en 2018 blijven stijgen. De hiermee gepaard gaande stijging van de gemiddelde WOZ-waarde leidt tot een stijging (in absolute zin) van het budgettaire belang van het eigenwoningforfait en van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Bij laatstgenoemde post is de groei nog hoger, doordat er ook extra aflossingen op de hypotheekschuld worden gedaan. De hogere WOZ-waarde wordt naar verwachting in 2018 gecompenseerd door een lager EWF-percentage, waardoor in dat jaar de stijging van het budgettaire belang afvlakt.

Innovatiebox

Het budgettaire belang van de innovatiebox stijgt endogeen gemiddeld 14% per jaar tussen 2013 en 2018. De beschikbare realisatiecijfers op basis van belastingaangiften laten tussen 2013 en 2014 een grondslagstijging van 22% zien. Voor de jaren vanaf 2015 is grotendeels dezelfde ontwikkeling verondersteld als de ontwikkeling van de vennootschapsbelastingopbrengsten (exclusief gas). Deze opbrengsten komen in 2016 fors hoger uit dan eerder werd geraamd. Hierdoor is van 2015 op 2016 een grote stijging van het budgettaire belang van de innovatiebox zichtbaar.

30%-regeling

Het budgettaire belang van de 30%-regeling is in de periode 2012 tot en met 2016 endogeen gegroeid met gemiddeld 8% per jaar. Indien de incidentele sterke stijging in 2015 buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt de gemiddelde stijging over de periode 2012 tot en met 2016 5,5%. Voor 2017 en 2018 is, op basis van deze stijging en de stijging in de jaren vóór 2012, de endogene groei geraamd op 6% per jaar. Het aantal gebruikers van de 30%-regeling is in de periode 2012–2016 gestegen met gemiddeld 9% per jaar tot 64.500 in 2016. Uit microdata die is gebruikt bij de evaluatie van de regeling blijkt vooral een groei van het aantal nieuwe gebruikers van de regeling.13 Voor deze stijging is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen.

Salderingsregeling

Het budgettaire belang van de salderingsregeling is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Dit komt doordat het geïnstalleerde vermogen zon-PV bij kleinverbruikers sinds 2011 aanzienlijk is gestegen, met een gemiddelde jaarlijkse groei van ongeveer 90% tussen 2011 en 2015. De salderingsregeling heeft, door het verlagen van de terugverdientijd van zonnepaneelsystemen, een bijdrage geleverd aan deze recente snelle groei. De komende jaren zet de groei naar verwachting door.

Nulemissievoertuigen

Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak is dit jaar gesplitst in een deel dat betrekking heeft op nulemissieauto’s en een deel dat betrekking heeft op overige zuinige auto’s. Vanaf 2017 geldt door de Wet uitwerking Autobrief II alleen nog een korting op de bijtelling voor nieuwe auto’s bij een CO2-emissie van nul, zoals bij volledig elektrische auto’s en auto’s op waterstof. Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor nulemissieauto’s loopt op vanwege het toenemend aantal elektrische auto’s van de zaak die ook privé mogen worden gebruikt. Het budgettaire belang van de korting op de bijtelling voor overige zuinige auto’s neemt af, omdat dit alleen auto’s betreft van vóór 2017 waarvoor nog overgangsrecht geldt. De stijging van het aantal elektrische auto’s werkt ook door in het toenemende budgettaire belang van de teruggaaf/vrijstelling in de BPM/MRB voor deze voertuigen.

6.6 Technische bijstellingen

Hypotheekrenteaftrek

Vanaf 2016 valt de boeterente bij het aflossen van de eigenwoningschuld op het aangiftebiljet onder de hypotheekrenteaftrek. Tot die tijd stond dit bij de financieringskosten eigen woning. De reeksen zijn bijgesteld zodat ook in 2013–2015 deze boeterente in het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek verwerkt zit. De opwaartse bijstelling van de hypotheekrenteaftrek bedraagt € 198 miljoen in 2013, € 306 miljoen in 2014 en € 469 miljoen in 2015.

Kamerverhuurvrijstelling

Tot nu toe werd bij de kamerverhuurvrijstelling (voorheen genaamd «Gedeeltelijke vrijstelling van inkomsten uit kamerverhuur») het budgettaire belang bepaald door de inkomsten uit kamerverhuur als vrijgestelde inkomsten in box 1 te beschouwen. De regeling houdt sinds 2001 echter in dat het verhuurde deel van de woning niet wordt aangegeven als rendementsgrondslag in box 3, maar onder de fiscale behandeling van de eigen woning blijft vallen (waarbij de huuropbrengst niet wordt belast, maar dat is ook het geval indien het verhuurde deel van de woning in box 3 zou vallen). Het budgettaire belang van de vrijstelling is dus het verschil tussen het belasten van de forfaitaire inkomsten uit het verhuurde deel van de woning in box 3 (vermogensrendementsheffing op basis van forfaitair rendement over het verschil tussen de waarde van het verhuurde deel van de woning en de aan het verhuurde deel toe te rekenen deel van de eventuele schuld) en het belasten van het verhuurde deel van de woning volgens de fiscale behandeling van de eigen woning (met eigenwoningforfait en aftrek van rente en kosten eigen woning). In deze Miljoenennota is het budgettaire belang herrekend, waardoor de bedragen uitkomen op ongeveer een vijfde van wat de afgelopen jaren is vermeld in de Miljoenennota.

Zelfstandigenaftrek en extra zelfstandigenaftrek starters

In de cijfers van de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek zit een reeksbreuk tussen 2013 en 2014, omdat de berekeningswijze van het budgettaire belang is gewijzigd. Met ingang van de cijfers voor 2014 worden de budgettaire effecten van de ondernemersregelingen geraamd met behulp van MIMOSI, een CPB-model. Deze berekeningswijze houdt beter integraal rekening met de samenloop van de hoogte van de zelfstandigenaftrek en de heffingskortingen alsmede met het feit dat de zelfstandigenaftrek niet altijd volledig in het jaar zelf gerealiseerd kan worden. Door deze wijziging heeft de mutatie van 2014 ten opzichte van 2013 geen beleidsmatige relevantie. In de laatste kolom van tabel 6.3.1 wordt om deze reden de gemiddelde procentuele groei vanaf 2014 in plaats van 2013 gegeven.

Btw Landbouwregeling

Tot vorig jaar is in de Miljoenennota bij de btw-landbouwregeling alleen het budgettaire belang opgenomen van het feit dat het forfaitaire aftrekpercentage hoger was dan de daadwerkelijke voordruk van afnemers. Bij het ramen van de opbrengst bij afschaffing van de regeling, is dit jaar geconcludeerd dat er ook een budgettair belang van ongeveer € 4 miljoen zit bij de rechtstreekse verkoop aan particulieren door paardenfokkers en -handelaren onder de btw-landbouwregeling. Daarom is het budgettaire belang in deze Miljoenennota omhoog bijgesteld. Aan de andere kant is er ook een technische neerwaartse bijstelling van ongeveer € 3 miljoen gedaan, omdat de trendmatige ontwikkeling nu gebaseerd wordt op het aantal gebruikers van de regeling volgens de Belastingdienst, in plaats van op basis van cijfers van het LEI.

Btw Laag tarief voedingsmiddelen

Tot Miljoenennota 2017 werd alleen het budgettaire belang gegeven van de toepassing van het lage btw-tarief op voedingsmiddelen in de horeca. In Miljoenennota 2017 is ook de reeks gegeven voor de overige voedingsmiddelen. In die reeks is echter abusievelijk het bedrag gepresenteerd voor het totaal van de voedingsmiddelen, inclusief horeca. Dit jaar zijn beide posten samengevoegd en is ook het lage btw-tarief op water toegevoegd aan de totaalpost.

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

De milieukorting op de bijtelling is vormgegeven als een percentage van de waarde van de auto. In de raming van vorig jaar is abusievelijk gerekend met een verkeerd kortingspercentage voor bestaande gevallen. Hierdoor viel het budgettair belang van de korting op de bijtelling vanaf 2017 te laag uit.

6.7 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2017. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evaluatieprogrammering voor de periode 2017–2021 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2017

In juli 2016 is een evaluatie van het CPB verschenen over de fiscale aftrek van scholingsuitgaven.14 Uit deze evaluatie blijkt dat hoogopgeleiden, werknemers en ambtenaren vaker gebruikmaken van de scholingsaftrek dan lageropgeleiden. Daarnaast blijkt dat iedere euro die wordt geïnvesteerd in een hogere fiscale scholingsaftrek, slechts leidt tot tussen de 0 en 27 cent extra scholing (afhankelijk van de groepafbakening). Met andere woorden, voor 73 tot 100% van de gevallen waarin scholingsuitgaven fiscaal in aftrek worden gebracht, geldt dat de begunstigden deze scholing ook hadden gevolgd zonder de fiscale tegemoetkoming. Hiermee lijkt de toegevoegde scholingsimpuls als gevolg van de regeling beperkt. Deze twee bevindingen, dat vooral hogeropgeleiden gebruikmaken van de regeling en dat de regeling slechts in beperkte mate leidt tot een vergroting van de totale scholingsdeelname, hangen met elkaar samen. Het CPB wijst op de literatuur die laat zien dat scholingsregelingen die vooral ten goede komen aan hogeropgeleiden over het algemeen leiden tot minder additionele scholing. De resultaten van deze evaluatie door het CPB zijn mede aanleiding geweest om vorig jaar een wetsvoorstel in te dienen om de aftrek van scholingsuitgaven om te zetten in een (niet-fiscale) subsidie. Dit wetsvoorstel is op verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in november 2016 door de Tweede Kamer aangehouden. Na de verkiezingen van 15 maart 2017 heeft de Tweede Kamer in nieuwe samenstelling het wetsvoorstel controversieel verklaard. Verdere besluitvorming wordt aan het volgende kabinet overgelaten.
In september 2016 is de evaluatie van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor de glastuinbouw naar de Tweede Kamer gestuurd.15 Uit de evaluatie blijkt dat het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw nog steeds bijdraagt aan het doel waarvoor het verlaagde tarief indertijd is ingesteld, namelijk het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de glastuinbouwsector doordat deze relatief kleinschalige sector, anders dan de overige energie-intensieve sectoren, onvoldoende profiteert van de degressieve tariefstructuur. Uit de evaluatie blijkt dat de doelmatigheid in voldoende mate wordt bereikt. Het kabinet heeft naar aanleiding van de evaluatie besloten tot voortzetting van de regeling.
Ook in september 2016 is de evaluatie van de wet Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen naar de Tweede Kamer gestuurd.16 In de evaluatie is met name aandacht besteed aan de nog bestaande regelingen: de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen en de belastingheffing over lucratieve belangen. Het aantal werkgevers dat met de eerste regeling te maken heeft is beperkt en stabiel, evenals de opbrengst. De regeling is echter arbeidsintensief en leidt door het generieke karakter, dat niet goed aansluit bij de beleving van werkgevers, tot relatief veel bezwaarschriften en beroepsprocedures. Met de belastingheffing over lucratieve belangen is, gelet op het feit dat sinds de invoering de aard van het voordeel en de grondslag van de heffing wettelijk is vastgelegd, de beoogde transparantie bereikt. De regeling heeft een belangrijke functie bij het belasten van carriedinterestregelingen, ook omdat economisch vergelijkbare situaties eronder vallen. Door het complexe karakter van private equity vindt veel overleg plaats met de Belastingdienst. Uit de evaluatie blijkt dat de wet Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen in de praktijk naar verwachting werkt, en tegelijkertijd wisselend wordt beoordeeld. Sommigen vinden de fiscale maatregelen om excessieve beloningen tegen te gaan te streng, anderen willen juist strengere regels. Om die redenen is er – mede gezien de demissionaire status van dit kabinet – op dit moment geen aanleiding voor aanpassingen van deze regelingen.
In september 2016 is tevens het onderzoek naar het gebruik van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten naar de Tweede Kamer gestuurd.17 Het Ministerie van Financiën heeft dit onderzoek uitgevoerd op basis van beschikbare gegevens bij de Belastingdienst. Voor een objectivering van de uitkomsten van het onderzoek is het onderzoeksrapport met de daarin opgenomen conclusies voor een onafhankelijke beoordeling voorgelegd aan het CPB. De uitkomsten van het onderzoek bevestigen het beeld van de ongerichtheid van de regeling. Zo laat het onderzoek zien dat de regeling ondanks de complexe vormgeving – met drempels, vermenigvuldigingsfactoren en een niet-fiscale verzilveringsregeling – geen doelmatig instrument is om de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten te compenseren voor hun meerkosten aan zorg. De Belastingdienst beschikt niet over contra-informatie en voorinvullen van de aangifte voor deze aftrekpost is niet mogelijk. De regeling is derhalve arbeidsintensief en de opgevraagde stukken moeten handmatig gecontroleerd worden, hetgeen in schril contrast staat met de massaliteit van het gebruik van deze regeling (circa 1 miljoen huishoudens). Belastingplichtigen hebben veel vragen over de regeling en ervaren de regeling als complex. Er is zowel sprake van onbedoeld verkeerd gebruik van de regeling door onwetendheid of ervaren complexiteit, als bewust verkeerd gebruik (fraude). Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is geconcludeerd dat de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten een op termijn niet houdbare regeling is en is, samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een verkenning gestart naar een alternatief voor deze regeling. Vanwege de complexiteit van de materie is de verwachting dat deze verkenning in ieder geval niet eerder dan in het najaar van 2017 wordt afgerond.
In oktober 2016 is de kabinetsreactie op de beleidsevaluatie Natuurschoonwet 1928 naar de Tweede Kamer gestuurd.18 Deze wet biedt fiscale voordelen aan eigenaren van bepaalde landgoederen. Uit de evaluatie blijkt dat de Natuurschoonwet 1928 van groot belang is voor de instandhouding van krachtens die wet gerangschikte landgoederen en daarmee voor het behoud van het op deze landgoederen voorkomende natuurschoon. Het is een nuttig instrument, maar tegelijkertijd oordelen de onderzoekers dat op onderdelen een actualisering wenselijk is. In de evaluatie wordt om die reden een aantal aanbevelingen gedaan, waarvan een groot deel door het kabinet is overgenomen. Daartoe zal, waar nodig, het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 worden aangepast.
In januari 2017 is de evaluatie van de salderingsregeling naar de Tweede Kamer gestuurd.19 De onderzoekers stellen in het evaluatierapport vast dat mede door de salderingsregeling het geïnstalleerde vermogen zonnepanelen (zon-PV) bij kleinverbruikers sinds 2011 sterk is toegenomen. Tegelijkertijd blijkt salderen in termen van euro’s per ton vermeden CO2-uitstoot een relatief dure regeling. Bovendien is de salderingsregeling individueel beperkt stuurbaar voor de overheid, omdat de stimulans mede afhankelijk is van de hoogte van de energiebelasting. De salderingsregeling werkt daarnaast verstorend voor de elektriciteitsmarkt en ontwikkelingen op het gebied van flexibiliteit en opslag. Naar aanleiding van de evaluatie heeft het kabinet een onderzoek aangekondigd naar een verantwoorde wijze van stimulering van lokale hernieuwbare energie vanaf 2020, die in de plaats kan komen van de salderingsregeling. De uitkomsten van dit onderzoek, bestaande uit een aantal varianten, zijn in juli naar de Tweede Kamer gestuurd.20
Ook in januari 2017 zijn drie evaluatierapporten in het kader van de giftenaftrek aan de Kamer gestuurd: het extern uitgevoerde evaluatieonderzoek door Dialogic van de giftenaftrek en twee intern uitgevoerde evaluatieonderzoeken door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst naar de uitvoeringsaspecten van de giftenaftrek en naar de praktijk rondom Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s) en Sociaal Belang Behartigende Instellingen (SBBI’s).21 De onderzoekers van Dialogic concluderen dat de giftenaftrek doeltreffend is, maar budgettair niet doelmatig. De regeling kent echter wel een aantal indirecte gewenste effecten, zoals het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid, waarvan de waarde lastig te kwantificeren is. Het onderzoek naar de ANBI’s en SBBI’s geeft een overzicht van de ontwikkelingen sinds 2008. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van deze onderzoeksrapporten worden verbonden, is aan het volgende kabinet.
In maart 2017 is de tweede evaluatie van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verstuurd naar de Tweede Kamer.22 Deze evaluatie beperkt zich tot de huur-, kinderopvang- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De drie hoofddoelstellingen van de Awir die in deze evaluatie zijn geëvalueerd zijn: a) transparantere regelgeving b) een klantvriendelijkere en meer doelmatige uitvoering en c) betere aansluiting op draagkracht door gebruik van het actuele inkomen in plaats van het vastgestelde inkomen uit het verleden.

De evaluatie concludeert dat de Awir bij invoering in 2005 harmonisatie heeft gebracht tussen een aantal inkomensafhankelijke regelingen. In de evaluatieperiode zijn een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd: het nieuwe partnerbegrip en vereenvoudigingen binnen de huurtoeslag. Dit droeg echter niet bij aan verdere harmonisering tussen inkomensafhankelijke regelingen – het bracht geen nieuwe regelingen onder de Awir en verminderde geen onderlinge afwijkingen. Verder stellen de onderzoekers dat het laten uitvoeren van alle toeslagen door één uitvoeringsorganisatie de klantvriendelijkheid heeft bevorderd, met name dankzij significante verbeteringen in het toeslagenproces, die tussen 2009 en 2016 zijn doorgevoerd. Wat betreft het gebruik van het actuele inkomen in plaats van het vastgestelde inkomen uit het verleden, concluderen de onderzoekers dat de tijd tussen het voorschot en de definitieve vaststelling over de evaluatieperiode is verminderd. Hierdoor is een belangrijk nadeel van het werken met het actuele inkomen gemitigeerd. Het percentage toeslaggebruikers dat een terugvordering moet doen is voor alle toeslagen verminderd en het percentage nabetalingen gestegen. De inzet van de Belastingdienst/Toeslagen om inkomensschattingen te verbeteren en burgers te motiveren inkomens- en andere wijzigingen door te geven lijkt wel effect te hebben gehad op lage terugvorderingen (<500). Voor hoge terugvorderingen is er echter nog geen verbetering opgetreden. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In april 2017 is de evaluatie van de WOM-regeling naar de Tweede Kamer gestuurd.23 Dit betreft wijkontwikkelingsmaatschappijen en heeft betrekking op de vrijstelling voor stedelijke herstructurering in de overdrachtsbelasting. In het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat de WOM-regeling op zichzelf beschouwd geen prominente rol speelt in het stimuleren van de samenwerking tussen diverse betrokken partijen in het geval van herstructureringsprojecten. Ook blijkt de vrijstelling van overdrachtsbelasting een horde weg te nemen, maar is het geen doorslaggevende factor geweest bij de keuze om een WOM op te richten. Na het intreden van de economische crisis in 2008 is er jaarlijks hooguit één nieuwe WOM opgericht. De crisis, de verlaging van de overdrachtsbelasting en de afname van het belang van een grootschalige wijkaanpak zijn hiervoor belangrijke oorzaken. Deze ontwikkelingen hebben ertoe bijgedragen dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor een WOM fiscaal gezien op dit moment nauwelijks doelmatig en doeltreffend is. Met het beperkte budgettaire belang en gebruik van deze regeling ligt het dan ook voor de hand om deze vrijstelling in haar huidige vorm af te schaffen. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.
In mei 2017 is het onderzoeksrapport evaluatie van de fiscale ondernemerschapsregelingen naar de Tweede Kamer gestuurd.24 Het onderzoek betrof de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en vijf andere regelingen met een verhoudingsgewijs gering budgettair belang. De belangrijkste doelen van deze regelingen zijn het stimuleren van ondernemerschap, het bewaken van de fiscale neutraliteit met andere rechtsvormen, het stimuleren van investeringen en het starten van een onderneming.

Het onderzoek, gebaseerd op microdata van het CBS, laat zien dat Nederland relatief veel ondernemers kent en dat een groot deel van de populatie bestaat uit zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) of bedrijven met minder dan tien werknemers. Op basis van een internationale vergelijking kent Nederland relatief weinig bedrijven die doorgroeien of als snel groeiende, innovatieve bedrijven aangemerkt kunnen worden. Uit de analyses in het rapport blijkt dat Nederlandse IB-ondernemers nauwelijks doorgroeien, maar een grote kans hebben te overleven en dat een deel jaar in jaar uit relatief lage winsten maakt, waardoor het twijfelachtig is of zij bijdragen aan het verhogen van economische groei, dynamiek en werkgelegenheid. In de data over de periode 2007–2014 bestaat geen positieve correlatie tussen investeringen in innovatie en het aantal IB-ondernemers in een sector. Ook wordt geen positieve correlatie gevonden tussen innovatie en het aantal succesvolle IB-ondernemers, gemeten naar winsthoogte. Het gebruik van de fiscale regelingen voor starters leidt tot een 1% hogere overlevingskans voor startende ondernemers die winst maken. Over het algemeen zijn de regelingen doelmatig qua administratieve lasten en uitvoeringskosten. Uit het onderzoek blijkt dat ondernemers vaak gebruik maken van meerdere fiscale regelingen die allemaal als hoofddoel hebben ondernemerschap te stimuleren. Het generieke karakter van veel van de regelingen zorgt ervoor dat de belastingvoordelen ook gelden voor ondernemers die deze niet nodig hebben voor het succesvol starten of continueren van hun bedrijf. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

In juni 2017 is de evaluatie van de fiscale vrijstellingen voor bos en natuur naar de Tweede Kamer gestuurd.25 De evaluatie ziet op de zes fiscale vrijstellingen voor bos en natuur, te weten de bosbouwvrijstelling, de vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer, de vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3, de vrijstelling overdrachtsbelasting natuurgrond, de vrijstelling overdrachtsbelasting Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) en de vrijstelling overdrachtsbelasting Bureau Beheer Landbouwgronden. Er wordt geconcludeerd dat deze regelingen bijdragen aan het bereiken van de doelen van het overheidsbeleid. Zij brengen geen hoge administratieve lasten en uitvoeringskosten met zich mee. Het budgettair belang is beperkt. De fiscale vrijstellingen zijn over het algemeen goed bekend bij en ook aantrekkelijk voor de betreffende doelgroepen. Een aantal aanbevelingen uit het rapport worden overgenomen.
Ook in juni 2017 is de evaluatie van de 30%-regeling naar de Tweede Kamer gestuurd.26 Het aantal gebruikers van de 30%-regeling is in de periode 2009–2015 gestegen met gemiddeld 7% per jaar. De onderzoekers concluderen dat de regeling naar hun inschatting doeltreffend en doelmatig is. Daarnaast bevat het rapport overwegingen om de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de regeling te verbeteren. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.
In juli 2017 heeft de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de evaluatie effecten administratieve lasten bedrijven Wet uniformering loonbegrip aangeboden aan de Tweede Kamer.27 De onderzoekers concluderen dat sprake is van een vereenvoudiging met het wegnemen van de vier discoördinatiepunten in het loonbegrip, maar dat de vereenvoudiging als beperkt wordt ervaren. Ook wordt geconstateerd dat nog niet uitsluitend met het nieuwe loonbegrip wordt gewerkt en dat, onder meer door nieuwe afspraken en regelveranderingen in het loondomein, de beoogde verdere vereenvoudiging niet tot stand is gebracht. Het behalen van de met die verdere vereenvoudiging samenhangende administratieve lastenverlichting zou dan ook nadere stappen vergen. Het beantwoorden van de vraag of en zo ja welke beleidsconclusies aan de uitkomsten van dit onderzoeksrapport worden verbonden, is aan het volgende kabinet.

Evaluatieprogrammering 2017–2021

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2017–2021. Deze programmering is erop gericht om relevante evaluaties af te leveren, met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit op de informatiebehoefte van het parlement. Qua planning is er afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen, zodat het beleid aan uitgaven- en inkomstenkant in de doorlichtingen integraal kan worden behandeld.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Het departement waarbij de evaluatie in onderstaand overzicht is geplaatst, is het departement dat het voortouw neemt bij de evaluatie. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie. Bij een aantal evaluaties waar het gezamenlijk optrekken van departementen een grote rol speelt, is specifiek het departement genoemd dat ook betrokken is.

Naast evaluaties van specifieke fiscale regelingen, is een aantal overkoepelende evaluaties gepland van de fiscale regelingen binnen een bepaalde belastingsoort. Deze evaluaties worden door Financiën geïnitieerd en in samenwerking met betrokken departementen uitgevoerd.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

Tabel 6.7.1. Evaluatieprogrammering 2017–2021

Begroting

Begrotingsartikel

Binnenlandse Zaken (Wonen en Rijksdienst)

2017

Kamerverhuurvrijstelling

WenR 1: Woningmarkt

2018

   

2019

Vermindering verhuurderheffing

WenR 1: Woningmarkt

2020

Fiscale regelingen eigen woning

WenR 1: Woningmarkt

2021

   

Financiën

2017

   

2018

Werkkostenregeling

1: Belastingen

Fiscale regelingen Overdrachtsbelasting

1: Belastingen

IB Middelingsregeling

1: Belastingen

Accijns teruggaaf LNG

1: Belastingen

Evaluatie Autobrief II

1: Belastingen

2019

Vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen (met SZW)

1: Belastingen

Fiscale regelingen Assurantiebelasting

1: Belastingen

2020

Fiscale regelingen BPM en MRB (met IenM)

1: Belastingen

Fiscale regelingen Energiebelasting (met EZ)

1: Belastingen

2021

Fiscale regelingen Erf- en schenkbelasting

1: Belastingen

Fiscale regelingen Kansspelbelasting

1: Belastingen

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

Bankenbelasting

1: Belastingen

Infrastructuur en Milieu

2017

MRB Vrijstelling wegenbouw (in beleidsdoorlichting verwerkt)

14: Wegen en verkeersveiligheid

2018

Fiscale regelingen groen beleggen

21: Duurzaamheid

BPM en MRB Teruggaaf en vrijstelling taxi's

16: Openbaar vervoer en spoor

MIA en VAMIL

21: Duurzaamheid

2019

   

2020

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

2021

   

Economische Zaken

2017

EB Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2018

Innovatie-instrumenten

2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

EIA

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2019

   

2020

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

EB Verlaagd tarief openbare laadpalen

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Fiscale regelingen Energiebelasting (met FIN)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

2021

Fiscale regelingen bedrijfsopvolging (zodra er genoeg data is)

2: Bedrijvenbeleid

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2017

   

2018

   

2019

Vrijstelling nettolijfrenten en nettopensioen (met FIN)

8: Oudedagsvoorziening

2020

   

2021

   

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2017

   

2018

IB Vrijstelling vergoeding pleegkinderen vanaf het vierde kind

8: Tegemoetkoming specifieke kosten

2019

   

2020

   

2021

   

Noot 9: Er zijn ook enkele regelingen opgenomen die de belastingopbrengst verhogen, als deze de keerzijde zijn van een belastingverminderende regeling. Bij pensioenen worden bijvoorbeeld zowel de niet-belaste premie als de belaste uitkering gekwantificeerd, om een compleet beeld van de fiscale faciliteiten op dit gebied te geven.

Noot 10: Kamerstukken II 2016/2017, 34 300, nr. 74.

Noot 11: Enkele uitzonderingen hierop zijn gemaakt voor regelingen waarvan wordt verwacht dat het budgettaire belang in de toekomst nog oploopt.

Noot 12: Als voor twee regelingen afzonderlijk het verschil in belastingheffing wordt berekend met en zonder deze aftrekposten, is het berekende budgettaire belang kleiner dan als voor de twee samen het budgettaire belang wordt berekend, omdat in het tweede geval de aftrek groter is en daardoor een groter deel van de aftrek aan een hogere schijf wordt toegerekend.

Noot 13: Kamerstukken II 2016/2017, 34 552, nr. 84.

Noot 14: Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven, CPB Notitie, 1 juli 2016.

Noot 15: Kamerstukken II 2015/2016, 32 627, nr. 24.

Noot 16: Kamerstukken II 2016/2017, 34 550-IX, nr. 5.

Noot 17: Kamerstukken II 2016/2017, 34 550-IX, nr. 4.

Noot 18: Kamerstukken II 2016/2017, 33 576, nr. 90.

Noot 19: Kamerstukken II 2016/2017, 31 239, nr. 251.

Noot 20: Kamerstukken II 2016/2017, 31 239, nr. 263.

Noot 21: Kamerstukken II 2016/2017, 34 552, nr. 77.

Noot 22: Kamerstukken II 2016/2017, 31 580, nr. 6.

Noot 23: Kamerstukken II 2016/2017, 34 552, nr. 79.

Noot 24: Kamerstukken II 2016/2017, 31 311, nr. 186.

Noot 25: Kamerstukken II 2016/2017, 33 576, nr. 106.

Noot 26: Kamerstukken II 2016/2017, 34 552, nr. 84.

Noot 27: Kamerstukken II 2016/2017, 33 682, nr. 16