Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2017
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

1.5 Structurele hervormingen kabinet

Het kabinet heeft met structurele hervormingen een impuls gegeven aan het groeivermogen van de Nederlandse economie. Hervormen om de economie te laten groeien was een van de drie pijlers van het Regeerakkoord. Met een omvangrijk pakket aan hervormingen heeft het kabinet gewerkt aan een toekomstbestendige groei voor de Nederlandse economie. Deze hervormingen zijn uitgewerkt in afspraken met fracties in de Eerste en Tweede Kamer en diverse maatschappelijke organisaties, zodat zij kunnen rekenen op breed maatschappelijk draagvlak. De hervormingen stimuleren ook de welvaart in de brede zin13. Mensen hechten aan goed onderwijs, toegankelijke gezondheidszorg, een fijne leefomgeving en sociale contacten. Ook vinden ze het belangrijk dat welvaart vandaag in Nederland niet ten koste gaat van welvaart in de toekomst of elders in de wereld. Om deze reden wordt bijvoorbeeld met het Energieakkoord een duurzame ontwikkeling gestimuleerd, zodat er minder druk ontstaat op natuurlijke hulpbronnen en het klimaat. Toekomstige generaties in Nederland en in de rest van de wereld profiteren hiervan. Hervormingen als de verhoging van de AOW-leeftijd zorgen ervoor dat onze sociale zekerheid, ons goede onderwijsstelsel en onze toegankelijke gezondheidszorg ook voor toekomstige generaties beschikbaar blijven.

Aandacht voor een goede en zorgvuldige uitvoering blijft essentieel. Hervormingen bieden perspectief voor de toekomst, maar hebben op korte termijn ingrijpende effecten voor burgers en bedrijven. Om die reden heeft het kabinet gekozen voor een geleidelijke invoering van enkele grote hervormingen en is flankerend beleid ingezet om negatieve gevolgen op korte termijn zo veel mogelijk te verzachten. Het kabinet houdt de vinger aan de pols en bekijkt of de beoogde doelen worden bereikt. Waar dit niet het geval is, zijn plannen aangepast. Zo heeft het kabinet in april 2016 werkgevers en werknemers de mogelijkheid gegeven voor seizoensarbeid bij cao af te wijken van de Wet werk en zekerheid en worden werkgevers gecompenseerd voor de verschuldigde transitievergoeding bij ontslag na langdurige ziekte. Ook heeft het kabinet de bezuinigingen in de langdurige zorg verzacht, en is extra geïnvesteerd in de kwaliteit van zorg, om daarmee de medewerkers in verpleeghuizen te steunen die zich inspannen om ook in tijden van grote verandering goede zorg te leveren. Daarnaast vergt een aantal hervormingen – zoals de decentralisaties in het sociale domein – een cultuuromslag. Dit vraagt om een lange adem en vertrouwen.

Nieuwe ontwikkelingen zullen ook de komende jaren om bijsturing vragen. Goed beleid sluit aan op de wensen van burgers en bedrijven. Deze wensen veranderen steeds, bijvoorbeeld onder invloed van trends zoals internationalisering en individualisering van de arbeidsmarkt. Maar ook de flexibilisering van de arbeidsmarkt is van invloed. Daarom moeten we na blijven denken over hoe onze toekomst het beste vormgegeven kan worden en hoe beleid dit kan ondersteunen. Het kabinet heeft de aanpak van een drietal complexe vraagstukken al in de steigers gezet en voor een deel uitgewerkt in opties. In de eerste plaats gaat het om de positie van zelfstandigen. Een interdepartementaal beleidsonderzoeksrapport zet de problematiek en de opties voor deze groep uiteen. In de tweede plaats betreft het de toekomst van het pensioenstelsel. Het kabinet heeft stapsgewijs, en na consultatie van de Sociaal-Economische Raad (SER), al een aantal belangrijke keuzes voorbereid, zoals afschaffing van de doorsneesystematiek14. Het kabinet wil op belangrijke punten collectieve risicodeling behouden. Tot slot betreft het een verdere verlaging van de belastingdruk op arbeid, in vervolg op de lastenverlichting van 5 miljard, door een verschuiving naar het lokale belastinggebied. Hiervoor heeft het kabinet recent een mogelijke uitwerking aan de Kamer gestuurd. Daarnaast heeft de Studiegroep Duurzame Groei opdracht gekregen om op diverse deelterreinen nieuwe beleidsopties te verkennen.

1.5.1 Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

De sociale zekerheid en arbeidsmarktinstituties zijn gemoderniseerd en eerlijker gemaakt. Een goed werkende arbeidsmarkt met faire regels is van groot belang voor een evenwichtige economische ontwikkeling. Het kabinet heeft daarom in april 2013 met de sociale partners het Sociaal Akkoord gesloten. Daarin is het ontslagrecht aangepast en zijn er wijzigingen in het arbeidsrecht doorgevoerd om de positie van flexwerkers te versterken en schijnconstructies tegen te gaan. De ingekorte maximale WW-duur en de van-werk-naar-werkbegeleiding stimuleren werklozen om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan. Door het minimumjeugdloon voor jongeren van 18 jaar en ouder te verhogen, en door het loon voor 21- en 22-jarigen tot op het niveau van het algemene minimumloon te brengen, wordt beter aangesloten bij de maatschappelijke opvattingen over een eerlijke arbeidsmarkt- en inkomenspositie van jongeren. Werkgevers krijgen deels compensatie voor de loonkostenstijgingen die hieruit volgen.

De arbeidsdeelname van ouderen en mensen met een kwetsbare positie stijgt. Door de vergrijzing is het belangrijk dat ook ouderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Om het financiële draagvlak van het Nederlandse sociale stelsel te behouden, heeft het kabinet de AOW-leeftijd versneld verhoogd naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021, en deze daarna gekoppeld aan de levensverwachting. De gemiddelde uittreedleeftijd van werknemers is inmiddels 64,4 jaar (zie figuur 1.5.1a) en zal in de toekomst verder toenemen. Ondanks de crisis is het aantal mensen in de leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar met een baan gestegen van 57,6 procent in 2012 tot 61,7 procent in 2015 (zie figuur 1.5.1b). Ook deelname aan scholing is toegenomen in deze leeftijdscategorie. De invoering van de Participatiewet in combinatie met de banenafspraak over 125 duizend extra banen (in 2025) stimuleert daarnaast actieve deelname op de arbeidsmarkt van mensen met een arbeidsbeperking of kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Eind 2015 waren er ruim 21 duizend extra banen bijgekomen bij reguliere werkgevers, wat ruim meer is dan was afgesproken (9 duizend).

Figuur 1.5.1a en 1.5.1b Gemiddelde uittreedleeftijd van werknemers (links) en aandeel 55- tot 65- jarigen met een baan (rechts)

Bron: CBS.

Met een lastenverlichting op arbeid is de werkgelegenheid gestimuleerd en werken lonender gemaakt. Lasten op arbeid – die bestaan uit belasting en werkgevers- en werknemerspremies – zijn verstorend, omdat deze mensen prikkelen om minder te werken15. Door deze zogenoemde wig (zie figuur 1.5.2) te verkleinen, is het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen aan te nemen, en wordt werken lonender voor zowel inactieven als werkenden. De lastenverlichting is gericht op de groepen die het gevoeligst zijn voor belastingprikkels, omdat dit de meeste banen oplevert. Het kabinet introduceert per 2017 het zogenoemde lage-inkomensvoordeel (LIV) om de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verlagen. Hierdoor neemt voor hen de kans op werk toe, zonder dat hun inkomenspositie wordt aangetast. Met de hogere arbeidskorting maakt het kabinet werken lonender voor mensen met een laag inkomen of een middeninkomen. Door de herziening van de kindregelingen, de verhoging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) en de kinderopvangtoeslag wordt de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen bevorderd. De werkgelegenheid zou in de toekomst verder bevorderd kunnen worden door een verschuiving van rijksbelastingen naar gemeentebelastingen (zie box 1.4).
Figuur 1.5.2 De gemiddelde wig daalt met bijna 2 procentpunten

Bron: CPB.

Box 1.4 Hervorming van de gemeentebelastingen

Een verschuiving van rijksbelastingen naar gemeentebelastingen kan meer banen opleveren16. Dit komt doordat lokale belastingen als de ingezetenenheffing en de zogenoemde «OZB-gebruikers woningen» relatief minder economische verstoringen veroorzaken. Uit berekeningen van het CPB blijkt dat meer ruimte geven aan gemeenten om eigen belastingen te heffen, waardoor de uitkering uit het Gemeentefonds omlaag kan ter financiering van lagere lasten op arbeid, extra banen kan opleveren. Ook ontstaan er meer mogelijkheden om het lokale voorzieningen- en lastenniveau af te stemmen op lokale voorkeuren. Dit kan de lokale democratie versterken. Door een aantal stabiele gemeentelijke belastinggrondslagen te introduceren en gelijktijdig een aantal kleinere lokale belastingen en heffingen af te schaffen, wordt het stelsel van lokale belastingheffing bovendien transparanter en eenvoudiger. Het ligt voor de hand om een majeure operatie als deze te laten samenvallen met een zekere nettolastenverlichting, zodat eventuele negatieve inkomenseffecten kunnen worden gedempt. Deze keuzes moet een volgend kabinet logischerwijs maken.
Trends vragen om een breder maatschappelijk debat over de spelregels op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp) en het aantal mensen met een flexibel arbeidscontract is het afgelopen decennium sterk toegenomen, zowel in historisch als in internationaal perspectief. Deze ontwikkeling kan niet los worden gezien van het grote verschil in institutionele behandeling – fiscaal en qua bescherming tegen inkomensrisico’s zoals pensioen en arbeidsongeschiktheid – tussen zzp’ers, flexibele werknemers en werknemers met een vast dienstverband. Het kabinet heeft laten onderzoeken hoe deze verschillen verkleind kunnen worden17. Volgens het kabinet is een breder maatschappelijk debat noodzakelijk, voordat uiteindelijk instituties worden aangepast. Technologische ontwikkelingen hebben in het verleden bijgedragen aan een hoge welvaart, bijvoorbeeld door een verlichting van de taken van mensen. Ook van robotisering kunnen positieve effecten worden verwacht. Tegelijkertijd zien we dat bepaalde banen onder druk kunnen komen te staan. Daarom is het van belang dat mensen zijn toegerust met de benodigde vaardigheden en actief bezig zijn met hun eigen inzetbaarheid, zodat iedereen kan profiteren van technologische ontwikkeling. Private en publieke investeringen in onderwijs, wetenschap en innovatie zijn daarbij van groot belang. Ook kampt Nederland met langdurige werkloosheid, waarvan vooral oudere werkzoekenden last hebben. Het kabinet heeft in samenwerking met de sociale partners het actieplan Perspectief voor Vijftigplussers opgesteld om dit knelpunt te verlichten. Maar ook hier geldt dat een duurzame oplossing mede afhangt van een kritische blik op de spelregels op de arbeidsmarkt van zowel overheid als sociale partners.

1.5.2 Pensioenstelsel

Het pensioenstelsel heeft een onderhoudsbeurt gehad. Door de vermogensschokken op de financiële markten, de lage rente en de gestegen levensverwachting staat de financiële positie van de Nederlandse pensioenfondsen onder druk. De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd en de aanpassing van het fiscale kader voor de aanvullende pensioenopbouw hebben de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel verbeterd. Door modernisering van het Financieel Toetsingskader (FTK) voor pensioenfondsen worden de gevolgen van financiële schokken bovendien beter gespreid en eerlijker verdeeld tussen generaties.

Een toekomstbestendig pensioenstelsel vraagt om meer verandering. In de afgelopen decennia is het pensioenvermogen van Nederlandse huishoudens fors toegenomen (zie figuur 1.2.5). De meeste huishoudens hebben een goed pensioen, waarbij de vrije bestedingsruimte, rekening houdend met lagere woonlasten als gevolg van een (deels) afgeloste hypotheek, na pensionering vaak groter is dan voor pensionering (zie ook box 1.5). Tegelijkertijd zijn de grote pensioenvermogens kwetsbaar voor vermogens- en renteschokken. Deze schokken resulteren in extra premiebetalingen en/of lagere pensioenuitkeringen. Door de lage rente, de stijgende levensverwachting en de effecten van de krediet- en schuldencrisis staat de financiële positie van pensioenfondsen onder druk. Hierdoor is er onzekerheid over de waarde van de pensioenrechten die zijn opgebouwd. Er is behoefte aan een transparanter pensioenstelsel, waarin duidelijk is voor mensen wat de waarde is van hun pensioen, wat de risico’s zijn, en hoe ze die risico’s delen met andere deelnemers.

Het kabinet heeft daarom hoofdlijnen voor een toekomstbestendiger pensioenstelsel gepresenteerd. Daarbij zijn de bevindingen van de Nationale Pensioendialoog en het SER-advies18 over de toekomst van het pensioenstelsel belangrijke inspiratiebronnen geweest. Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt hebben geleid tot een grote variatie in pensioenopbouw, waarbij sommige groepen niet onder een pensioenregeling vallen. Het kabinet wil dat alle werkenden een toereikend pensioen kunnen opbouwen, dat past bij hun situatie op de arbeidsmarkt. Ook wil het kabinet een einde maken aan de oneerlijke herverdeling in het pensioenstelsel. De ambitie is om de zogenoemde doorsneesystematiek af te schaffen en te vervangen door een actuarieel fairdere systematiek19 van pensioenopbouw. De nieuwe pensioenovereenkomst moet de sterke elementen van bestaande overeenkomsten behouden. Denk aan de mogelijkheid om collectief, solidair en tegen relatief lage kosten pensioen op te bouwen. Tegelijkertijd moet er meer ruimte zijn voor maatwerk, keuzemogelijkheden en transparantie.

Box 1.5 De interactie tussen pensioen- en woningmarktbeleid

In veel huishoudens is de vrije bestedingsruimte na pensionering hoger dan tijdens de werkende fase. Veel huishoudens sparen via huis en pensioen voor hun oude dag. Ongeveer 60 procent van de Nederlandse huishoudens is eigenwoningbezitter20. Voor een meerderheid van de Nederlandse huishoudens leidt dit sparen via huis en pensioen ertoe dat zij na pensionering een grotere vrije bestedingsruimte hebben dan tijdens de werkende fase: deze zogenoemde verwachte nettovervangingsratio is voor deze huishoudens meer dan 100 procent21. Alleen huishoudens die in de hoogste 20 procent van de inkomensverdeling vallen (het vijfde kwintiel), hebben gemiddeld genomen een nettovervangingsratio die significant lager is dan 100 procent. Het vervangingsratio neemt af naarmate het inkomen stijgt, mede doordat voor lagere inkomens de bijdrage van de AOW aanzienlijk groter is. Om deze gemiddeld hoge vervangingsratio te realiseren, wordt het besteedbaar inkomen en de consumptie van huishoudens eerder in de levensloop gedrukt. Vooral in vroegere levensfasen kan een hoger besteedbaar inkomen wenselijk zijn, omdat het huishoudinkomen dan vaak nog relatief laag is en de (kindgerelateerde) uitgaven dan vaak hoog zijn22. Niet alle huishoudens hebben na pensionering meer te besteden dan tijdens de werkende fase. Vooral onder huishoudens met zelfstandigen en huishoudens met een huurwoning zijn huishoudens die relatief weinig sparen voor hun oude dag.
Figuur 1.5.3 Verwachte netto mediane vervangingsratio (in %) voor diverse huishoudtypes naar inkomensklassen

Bron: Knoef, Been, Caminada, Goudswaard en Rhuggenaath (2016). <<Toereikendheid van pensioenopbouw na de crisis en pensioenhervormingen>>. Leiden University. Te verschijnen als Netspar industry paper.

Het is belangrijk toekomstig beleid over de pensioenen en de woningmarkt in samenhang te bezien. Aan groepen die nu een verwachte nettovervangingsratio hebben van meer dan 100 procent kan mogelijk meer ruimte geboden worden om consumptie op een andere wijze over de levensloop te spreiden. Omgekeerd kan er voor sommige groepen met een relatief lage nettovervangingsratio aanleiding zijn om deze te stimuleren om meer te sparen. Ongeacht de maatregelen die genomen worden, is het belangrijk om rekening te houden met de interactie tussen bijvoorbeeld pensioen- en woningmarktbeleid en de effecten daarvan op verschillende typen huishoudens23.

1.5.3 Woningmarkt

De woningmarkt werkt beter. Het kabinet heeft op de woningmarkt een omvangrijk pakket van maatregelen genomen. Het kabinet heeft woningcorporaties gevraagd om zich eenduidig te richten op sociale huisvesting. De toewijzing van sociale huurwoningen aan de doelgroep is verbeterd en de maximale huurprijs wordt meer gekoppeld aan de marktwaarde van woningen. Om de doorstroming op de sociale huurmarkt te bevorderen, kunnen huishoudens met een hoger inkomen geconfronteerd worden met een extra huurverhoging. Ook kunnen nieuwe vormen van tijdelijke huur van woonruimte worden toegestaan, in de vorm van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd en uitbreiding van de mogelijkheden voor doelgroepcontracten voor jongeren, promovendi en grote gezinnen. Om de mobiliteit op de koopwoningmarkt te verhogen, is de overdrachtsbelasting structureel verlaagd van 6 naar 2 procent.

De risico’s voor huiseigenaren zijn afgenomen. Sinds 2013 zijn er aflossingsvoorwaarden verbonden aan het recht op hypotheekrenteaftrek. Huiseigenaren moeten om te beginnen hun hypotheek (ten minste) annuïtair binnen 30 jaar volledig aflossen. Verder gaat het maximale tarief waartegen de hypotheekrente mag worden afgetrokken, stapsgewijs omlaag tot 38 procent in 2041. Dit vermindert het verstorende effect van hypotheekrenteaftrek op de woningmarkt en de fiscale stimulans om schulden aan te gaan. De maximale lening als percentage van de waarde van het huis – de loan-to-value-ratio (LTV) – daalt met 1 procentpunt per jaar tot 100 procent in 2018. Mede hierdoor is onder starters de gemiddelde LTV bij het aangaan van een hypotheek afgenomen (zie figuur 1.5.4). De kans dat huishoudens worden geconfronteerd met een negatief vermogen in de eigen woning bij een eventuele prijsschok neemt door deze maatregelen af. Daarnaast is de maximering van de eigenwoningschuld ten opzichte van het inkomen (loan-to-income; LTI) sinds 2012 wettelijk verankerd.

Figuur 1.5.4 De initiële LTV (gemiddelde LTV, recente hypothekens) en de maximale LTV1

Bron: DNB.

1 Omdat er niet geregistreerd wordt welke hypotheken er naar starters gaan, kijken we hier naar nieuwe hypotheken aan personen onder de 35 jaar. Hierdoor zitten er ook oversluiters en verhuizers in de dataset. Het gevolg hiervan is dat de gemiddelde LTV boven de limiet kan uitkomen. Verder hebben de nieuwe hypotheekregels die vanaf 1 januari 2013 gelden, invloed gehad op het afsluiten van hypotheken in Q4 2012 en Q1 2013.

Een vitale vrije huursector blijft een belangrijke uitdaging. De samenstelling van de woningvoorraad verandert maar langzaam. De vrije huursector is met een aandeel van 6 procent in de totale woningvoorraad nog altijd klein, al is het aandeel tussen 2012 en 2015 wel met 40 procent gegroeid. Het kabinet stimuleert de ontwikkeling van de vrije huursector onder andere door van corporaties te vragen zich primair te richten op sociale huisvesting en de liberalisatiegrens te bevriezen. Versnelling van de ontwikkeling van het vrije huursegment vraagt om samenwerking tussen gemeenten, corporaties en marktpartijen en concrete afspraken met deze partijen. Het kabinet gaat deze versnelling ondersteunen. Gezien de bevoordeling van de gereguleerde huursector en koopmarkt24 is het immers de verwachting dat de ontwikkeling van de vrije huursector langzaam zal gaan en bijzondere aandacht zal vragen.

1.5.4 De zorg

De betaalbaarheid van het Nederlandse zorgstelsel is verbeterd. De Nederlandse gezondheidszorg scoort op veel punten sterk. Onze zorg is in vergelijking met andere landen erg toegankelijk en de kwaliteit is hoog. De Nederlandse zorguitgaven stijgen echter jaar op jaar. In de periode tussen 2002 en 2012 namen de reële zorguitgaven met gemiddeld 3,3 procent per jaar toe, terwijl de economie met gemiddeld 1,2 procent per jaar groeide. Het kabinet zag het daarom als een belangrijke opdracht om de zorguitgaven te beheersen, door gepast gebruik van zorg te stimuleren en zorg dichter bij de mensen te organiseren. Om dit te bereiken, heeft het kabinet akkoorden gesloten met zorgaanbieders in de curatieve zorg en zorgverzekeraars. In de akkoorden zijn maximale jaarlijkse groeipercentages voor de zorgkosten opgenomen. Begin 2015 heeft het kabinet deze akkoorden extra ondersteund door aanvullende afspraken in het plan Kwaliteit loont. Daarnaast zet het kabinet in op preventie en innovatie, bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van digitale mogelijkheden.

Mensen ontvangen langdurige zorg zo veel mogelijk in hun eigen omgeving. Daarmee wordt het mogelijk langer thuis te blijven wonen en behouden mensen meer controle over hun eigen leven. Er wordt meer maatwerk geboden en het sociale netwerk rond de zorgbehoevende krijgt een belangrijkere rol. Om dit mogelijk te maken, zijn delen van de extramurale zorg ondergebracht bij gemeenten, in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze transitie verliep niet altijd vlekkeloos. Zo waren er in het begin problemen bij de uitbetaling van het persoonsgebonden budget, wat tot onrust leidde onder getroffen budgethouders. Deze problemen zijn inmiddels opgelost. De langdurige zorg wordt weer meer gericht op mensen met een zware zorgbehoefte, zoals ook ooit de bedoeling was. Door deze maatregelen is de stijging van de zorguitgaven afgeremd, en zet de trend dat ouderen langer thuis blijven wonen naar verwachting versneld door (zie figuur 1.5.5a). Ook heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld om de kwaliteit van de zorg in verpleeghuizen te vergroten en zijn de geplande bezuinigingen geschrapt.

De beheersing van de zorgkosten verdient blijvend aandacht. Vanaf 2018 wordt weer een snellere stijging van de zorguitgaven verwacht (zie figuur 1.5.5b). Dit wordt deels verklaard doordat de akkoorden uit de periode 2011–2017 aflopen. Ook speelt de verwachte hogere economische groei hierbij een rol. Zonder nieuwe maatregelen of nieuwe akkoorden wordt verwacht dat de reële zorguitgaven op de middellangetermijn opnieuw stijgen met 3,4 procent per jaar25. Ook voor de komende jaren is de stijging van de zorguitgaven dus een punt van aandacht. Om een volgend kabinet hiervoor handreikingen te bieden, heeft het kabinet de Technische werkgroep beheersinstrumentarium zorguitgaven ingesteld. Die presenteert in het voorjaar van 2017 haar resultaten26.
Figuur 1.5.5a en 1.5.5b Het aandeel personen vanaf 65 jaar dat langdurig in een zorginstelling verblijft (links) en de groei van de netto BKZ-uitgaven (%) ten opzichte van het bbp (rechts)

Bron: CBS en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1.5.5 Onderwijs

De investeringen in onderwijs zijn ondanks de budgettaire krapte op peil gebleven. Goed onderwijs is een belangrijke investering in menselijk kapitaal, is een drijvende kracht achter persoonlijke ontwikkeling en is belangrijk voor het groeivermogen van de economie. Daarom zijn investeringen in onderwijs ook in tijden van budgettaire krapte belangrijk. Ondanks dat het kabinet in uitgaven heeft moeten snijden, is dit gelukt. De uitgaven aan onderwijs per deelnemer zijn gedurende de kabinetsperiode voor alle onderwijssoorten zelfs toegenomen (zie figuur 1.5.6). Dit draagt ertoe bij dat Nederland in vergelijking met andere landen goed presteert. Uit de onlangs gepubliceerde OESO- stelselreview27 blijkt dat een relatief hoog percentage van de Nederlandse jongeren deelneemt aan onderwijs, en dat Nederlandse leerlingen hoog scoren op wiskunde- en taalvaardigheden. De OESO heeft daarbij ook gewezen op een aantal belangrijke uitdagingen, onder andere op het terrein van voor- en vroegschoolse educatie, vroege selectie, de motivatie van leerlingen en de kwaliteit van verantwoording. Om de kwaliteit van het hoger onderwijs verder te verbeteren, heeft het kabinet de basisbeurs vervangen door een uitbreiding van de mogelijkheden om te lenen. Daarbij zijn de leenvoorwaarden versoepeld: het studievoorschot. Het kabinet investeert het bedrag dat met deze besparing vrijkomt in de kwaliteit van het hoger onderwijs: er wordt geïnvesteerd in extra docenten, talentprogramma’s, onderwijsgerelateerd onderzoek, onderwijsinnovatie en docentprofessionalisering. Om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen, is de aanvullende beurs verhoogd voor studenten van wie de ouders minder dan modaal verdienen. Om mbo-opleidingen intensiever, uitdagender en aantrekkelijker te maken voor studenten die willen doorstromen naar het hbo, zijn mbo-opleidingen – op enkele uitzonderingen na – verkort tot drie jaar.
Om te kunnen inspelen op nieuwe omstandigheden, moet Nederland blijven vernieuwen en innoveren28. Daarvoor zijn private en publieke investeringen in onderwijs, wetenschap en innovatie van groot belang. De (internationaal) achterblijvende private investeringen in research & development (R&D) blijven hierbij een aandachtspunt voor de toekomst van Nederland.
Figuur 1.5.6 OCW-uitgaven voor onderwijs per deelnemer (per onderwijssoort in prijzen 2015)

Bron: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.5.6 Energie en klimaat

In het Energieakkoord zijn afspraken gemaakt over energiebesparing en de overgang naar een duurzame energievoorziening. Samen met burgers, bedrijven, overheidsorganisaties en maatschappelijke organisaties zijn inmiddels stappen gezet, bijvoorbeeld om energiebesparing in de gebouwde omgeving te bevorderen en verschillende soorten hernieuwbare energie op te wekken via de SDE+-regeling. Tegelijk realiseert het kabinet tijdens deze kabinetsperiode via aanbestedingen versneld windenergie op zee. De eerste aanbesteding voor het bouwen van een windpark op zee was een succes. Met de afspraken die in april dit jaar zijn gemaakt tussen alle Energieakkoordpartijen over aanvullende inspanningen zijn de doelen van 14 procent hernieuwbare energie in 202029 en 100 petajoule (PJ) energiebesparing binnen bereik. Ook liggen de partijen gezamenlijk op koers om het doel van 16 procent hernieuwbare energie in 2023 te halen. De energieconsumptie neemt inmiddels af, en de productie van duurzame energie neemt toe. In 2015 gebruikten burgers, bedrijven en overheid gezamenlijk 6,2 procent minder energie en werd er 15,0 procentpunt meer gebruikgemaakt van duurzame energie dan in 2012, toen het kabinet aantrad (zie figuren 1.5.7a en 1.5.7b).

CO2-reductie krijgt als doel een belangrijke plek in het beleid. De komende periode zullen de zogenoemde Energiedialoog en de evaluatie van het Energieakkoord samen met de Energieagenda zorgen voor de voortzetting van een daadkrachtig klimaat- en energiebeleid. De bevindingen van het Energierapport, het interdepartementaal beleidsonderzoek CO2 en het rapport van de Studiegroep Duurzame Groei vormen daarvoor een stevig fundament. Daarbij is het belangrijk om te onderstrepen dat energie- en klimaatvraagstukken – zoals CO2-reductie – om een internationale aanpak vragen (zie paragraaf 2.7). Het Klimaatakkoord dat eind 2015 in Parijs werd gesloten, biedt daarvoor een goede basis. Daarnaast wordt ruimtelijke adaptatie een belangrijker thema. Nederland wordt door klimaatverandering vaker geconfronteerd met extreem weer, zoals hevige regenval. Om ervoor te zorgen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is ingericht voor watervraagstukken, wordt in 2017 een zogenoemd Deltaplan ruimtelijke adaptatie vastgesteld.

Figuur 1.5.7a en 1.5.7b Energieverbruik (PJ; links) en hernieuwbare energie (PJ; rechts)1

Bron: CBS

1 CBS-definities van bruto-eindverbruik van energie en hernieuwbare energie die overeenkomen met de definities zoals gehanteerd in de Nationale Energieverkenning (NEV). Het energieverbruik wordt per jaar ook in hoge mate bepaald door factoren als het weer en de conjunctuur.

1.5.7 De financiële sector

Mede onder druk van effectief toezicht is de Nederlandse bankensector meer solide. Sinds de financiële crisis in 2008 uitbrak, zijn veel stappen gezet en maatregelen genomen om financiële instellingen sterker te maken. Voor banken zijn de minimale risicogewogen kapitaaleisen nu drie tot vijf keer hoger dan voor de crisis. Daarnaast moeten de vier systeemrelevante banken30 uiterlijk in 2018 voldoen aan een kapitaaleis van minimaal 4 procent van de totale balansomvang (leverage ratio). Hierdoor moeten zij zich meer met eigen vermogen financieren. De leverage ratio van de totale Nederlandse bankensector is gestegen van 3,4 procent in 2014 naar 4 procent in 2016 (zie figuur 1.5.8). Wanneer banken ondanks de hogere kapitaaleisen in geval van een zware schok onverhoopt toch in de problemen komen, zijn in de EU afspraken gemaakt die ervoor zorgen dat aandeelhouders en andere crediteuren in dat geval de verliezen dragen (bail-in). Nederland heeft bij de totstandkoming hiervan een voortrekkersrol vervuld. De strengere kapitaaleisen beperken zich niet tot de banken. Voor verzekeraars gelden de nieuwe Europese solvabiliteitseisen van Solvency-II. Om het toezicht effectiever te maken, banken meer solide te maken en een gelijk speelveld te bevorderen, is in november 2014 de bankenunie van start gegaan.
Figuur 1.5.8 Ontwikkeling leverage ratio (in %) van de Nederlandse bankensector1

Bron: DNB

1 Berekend op basis van de einddefinitie van de leverage ratio uit Bazel III.

Het kabinet streeft naar een open en integere bankensector, die de klant centraal stelt31. Om ervoor te zorgen dat financiële instellingen zorgvuldiger en dienstbaarder omgaan met hun klanten is het provisieverbod uitgebreid en verbreed naar beleggingsdiensten. Daardoor zijn verkeerde prikkels – bijvoorbeeld bij advies aan klanten – teruggedrongen. Ook zijn er strenge regels gekomen voor bonussen in de financiële sector. Daardoor zullen bestuurders en medewerkers minder snel in de verleiding komen om excessieve risico’s te nemen. De maximale variabele beloning – als percentage van het vaste salaris – van bestuurders en het hogere management van banken en verzekeraars is sterk afgenomen (zie figuur 1.5.9). De financiële sector moet echter meer doen om het vertrouwen van klanten terug te winnen. Transparantie en eenvoud – bijvoorbeeld van financiële producten – moeten daarbij centraal staan. Het kabinet heeft meer ruimte gemaakt voor alternatieve kredietaanbieders (kredietinstellingen, crowdfunding) en er zijn stappen gezet om toetreding tot de bancaire markt te vergemakkelijken. Consumenten hebben hier baat bij en het kan ook een positief effect hebben op de financiële stabiliteit.
Figuur 1.5.9 Maximale variabele beloning grote banken en verzekeraars (ongewogen gemiddelde)

Bron: eigen berekeningen op basis van informatie Nederlandse Vereniging van Banken en Verbond van Verzekeraars.

Het kabinet heeft zijn belang in een aantal financiële instellingen afgebouwd. Omwille van het behoud van de financiële stabiliteit heeft de Nederlandse overheid tussen 2008 en 2013 verschillende financiële instellingen gesteund. Zo is een garantie afgegeven aan ING, is ABN AMRO in zijn geheel overgenomen en is in 2013 SNS genationaliseerd (zie paragraaf 4.3). De afgelopen jaren is eraan gewerkt de genationaliseerde instellingen te reorganiseren en klaar te maken voor een terugkeer naar de markt. ABN AMRO en ASR gingen naar de beurs en de verkoop van Propertize wordt naar verwachting in 2016 afgerond.