Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2017
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

2.4 Haperende groei van de wereldhandel: conjunctureel of structureel?

Er lijkt sinds de crisis een trendbreuk te hebben plaatsgevonden in de groei van de wereldhandel. Niet alleen neemt sinds 2007 de groei van de handel af, ook de handelselasticiteit – dat wil zeggen: de toename van de handel gedeeld door de groei van het mondiale bbp – daalt. Waar de wereldhandel de afgelopen 30 jaar minstens 50 procent sneller groeide dan het bbp, blijft de groei van de handel sinds 2010 juist achter bij de mondiale groei. En hoewel de wereldhandel in 2010 sterk opveerde na de scherpe neergang in 2008–2009, is de groei sindsdien achtergebleven bij de groei in voorgaande decennia.

Figuur 2.4.1 Ontwikkeling van wereldhandelsvolume 1970–2015. 2005 = 100

Bron: CPB

Over de oorzaken van deze ontwikkeling zijn economen het niet eens. De centrale vraag is of de lagere handelsgroei een nasleep is van de diepe economische en financiële crisis en dus van tijdelijke aard zal zijn, of dat er onderliggende, structurele verklaringen spelen die impliceren dat de lagere groei ook in de toekomst zal voortduren. Voorstanders van de conjuncturele verklaring benadrukken dat ook na eerdere crises de wereldhandel relatief langzaam groeide. Daarnaast werden handelsintensieve economische activiteiten, zoals investeringen, relatief hard geraakt in de crisis, en zijn deze nog niet terug op het oude peil. Ook de impuls die vanuit de snelle, schuldgedreven economische expansie in onder andere de Verenigde Staten en de perifere landen in het eurogebied uitging naar de wereldhandel is met de crisis vervallen. Deze onhoudbare groei zal in de toekomst waarschijnlijk niet terugkeren.

Naarmate het verwachte herstel van de wereldhandel uitblijft, wordt steeds meer gekeken naar structurele verklaringen. Vaak wordt gewezen op de rol van China. China was lange tijd de spil in de trend van outsourcing, waarbij productieprocessen in internationale waardeketens werden opgesplitst. Nu de Chinese groei is afgenomen en China bovendien zelf meer intermediaire goederen (halffabricaten) is gaan produceren, importeert het land minder halffabricaten. Handel in halffabricaten binnen China vervangt gedeeltelijk de internationale handel. Daarnaast is het mogelijk dat de outsourcingtrend in algemene zin tegen zijn grenzen aanloopt, als het kostenvoordeel dat wordt behaald door productieprocessen steeds verder op te knippen, niet langer opweegt tegen de coördinatie-, transport- en inventariskosten daarvan. Een verandering van de mondiale economische structuur kan ook een verklaring bieden: relatief handelsintensieve investeringen nemen af, en consumentenbestedingen in midden- en hoge-inkomenslanden verschuiven van verhandelbare goederen naar minder verhandelbare diensten. Ten slotte zijn er aanwijzingen dat landen recentelijk meer protectionistische, handelsverstorende maatregelen hebben genomen38.

De lagere groei van de wereldhandel verhult belangrijke verschillen tussen regio’s en productsoorten. De eerste jaren na de crisis droegen met name ontwikkelde landen – mede door de groeivertraging in de eurozone – bij aan de terugval in de wereldhandel. Sinds 2014 is – onder andere als gevolg van de meer gematigde groei van de Chinese economie – de handel in de opkomende landen harder teruggevallen (zie figuur 2.4.2). Nederland handelt overwegend met andere ontwikkelde landen, vooral in de EU. Hierdoor is de voor Nederland relevante wereldhandel, waarin landen gewogen worden op basis van hun aandeel in de Nederlandse export, recentelijk minder gedaald dan de totale wereldhandel. Daarnaast is de handel in halffabricaten, de drijvende kracht achter de zeer snelle groei van de wereldhandel in het eerste decennium van deze eeuw, de afgelopen jaren scherper gedaald dan van kapitaalgoederen of van producten die rechtstreeks naar de consument gaan. Figuur 2.4.3 toont dat de daling van de handel in halffabricaten een belangrijke verklaring is voor de afnemende handelsgroei. Dit kan overeenkomen met theorieën over een meer structurele tempering van de groei van de wereldhandel. De lagere groei van handel in kapitaalgoederen heeft waarschijnlijk een belangrijke conjuncturele component.

Figuur 2.4.2 Groei van handelsvolume ontwikkelde en opkomende economieën (in % per jaar)
Figuur 2.4.3 Groei van de wereldhandel, uitgesplitst naar producttype (in %)

De vooruitzichten voor de toekomstige ontwikkeling van de wereldhandel zijn onzeker. De afgelopen tijd hebben onder andere het IMF en de OESO hun ramingen voor de wereldhandel verschillende keren moeten bijstellen, omdat het verwachte herstel uitbleef. De OESO gaat nu uit van een groei van de wereldhandel van 2,1 procent in 2016 en 3,2 procent in 2017. Het CPB raamt voor de middellange termijn een langzaam herstel van de voor Nederland relevante wereldhandel, waarin de ontwikkelde landen relatief zwaarder wegen, naar 4,3 procent in de periode 2018–2021. Het bereiken van overeenstemming over handelsakkoorden waarover momenteel onderhandeld wordt, waaronder het Trans-Atlantische Handels- en Investeringspartnerschap (TTIP), kan een impuls geven aan de groei van de wereldhandel. Strengere grenscontroles in de EU zouden daarentegen juist een negatief effect hebben op de handel.

De groei van het Nederlandse bbp hangt sterk samen met de groei van de wereldhandel. Op de korte termijn zorgt een toename van de handel voor meer vraag naar Nederlandse producten, en leidt een toename van de export tot een hogere economische groei. Tot nu toe heeft Nederland bijzonder geprofiteerd van het internationaal opknippen van productieprocessen, omdat het via de haven van Rotterdam een spil was in dit proces. Hierdoor kan Nederland kleine marges realiseren op grote volumes doorvoer en wederuitvoer. Er zitten echter aanzienlijk grotere marges op de productie van in Nederland geproduceerde halffabricaten. Volgens het CPB leidt 1 procent lagere groei van de voor Nederland relevante wereldhandel tot een daling van de groei van het Nederlandse bbp met 0,3 procent na twee jaar. Op de lange termijn is internationale handel via verschillende kanalen een belangrijke bron voor productiviteitsgroei. Handel bevordert concurrentie en specialisatie volgens comparatieve voordelen39 en leidt zo tot een efficiëntere inzet van productiefactoren en tot schaalvoordelen. Ook draagt internationale handel bij aan verspreiding van technologische kennis en innovatie.

Box 2.1 Het Nederlandse overschot op de lopende rekening

Nederland heeft sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw continu een overschot op de lopende rekening. Dat komt voornamelijk doordat Nederland structureel meer goederen en diensten exporteert dan importeert. Het handelsoverschot gaat samen met een positief spaarsaldo (spaaroverschot). Dat betekent dat de totale besparingen door huishoudens, (niet-financiële) bedrijven en de overheid groter zijn dan de binnenlandse investeringen. Bij dit spaaroverschot spelen de relatief hoge (veelal verplichte) Nederlandse pensioenbesparingen een rol. Een belangrijke factor is ook dat in Nederland gevestigde bedrijven sinds ongeveer 2000 relatief veel zijn gaan sparen40. Dat zijn voor een deel multinationals, die hun besparingen (ingehouden winst) onder andere aanwenden om buitenlandse investeringen te financieren. Deze internationaal georiënteerde bedrijven hebben vaak veel buitenlandse aandeelhouders. Een deel van hun besparingen komt dus aan het buitenland toe. Aan de andere kant hebben Nederlanders via hun pensioenbesparingen ook een claim op ingehouden winst van buitenlandse bedrijven. In recente jaren waren deze tegengestelde effecten van een vergelijkbare orde van grootte41. Terwijl het lopende rekeningoverschot in de periode na de crisis flink opliep, is het de verwachting dat het overschot op de lopende rekening in de komende jaren wat daalt, omdat de binnenlandse bestedingen aantrekken en de aardgasbaten teruglopen. Ook het geleidelijk interen op pensioenbesparingen naarmate de vergrijzing doorzet, zal op termijn een dempend effect hebben op het Nederlandse overschot.

Als netto sparende economie is Nederland een netto-investeerder in het buitenland. Dit kan een voordeel zijn, bijvoorbeeld wanneer er in het buitenland beter renderende investeringsmogelijkheden zijn dan in Nederland, of als er gespaard moet worden voor een vergrijzende samenleving. Tegelijkertijd zien sommigen het spaaroverschot als een indicatie dat de investeringen in Nederland lager zijn dan wenselijk is. Het is echter niet duidelijk dat er marktverstoringen zijn waardoor te weinig in Nederland wordt geïnvesteerd. De investeringsquote stijgt dit jaar naar verwachting tot boven het langjarig (1995–2017) gemiddelde. Gegeven het feit dat Nederland uit een periode van laagconjunctuur komt, is dit een wenselijke ontwikkeling.

Figuur 2.4.4 Investeringsquote (in % bbp)

Internationale afspraken over handel en investeringen kunnen een impuls geven aan de groei van de wereldhandel. Handel in goederen, diensten en investeringen is veel sterker verbonden geraakt in mondiale waardeketens. Bijna geen product wordt nog in één land gemaakt, en naast goederen gaan er steeds meer diensten, kennis, data en investeringen de grens over. Over deze handelsvormen zijn in multilateraal verband nog onvoldoende afspraken gemaakt. Nederland zet daarom in op evenwichtige handelsakkoorden om ook deze onderwerpen te adresseren. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat standaarden voor onder andere milieubescherming, voedselveiligheid en dierenwelzijn behouden blijven, en worden afspraken opgenomen over duurzaamheid en, afhankelijk van het partnerland, over ontwikkeling. Waar het nog niet lukt om in multilateraal verband afspraken te maken, probeert Nederland op een informele manier deze nieuwe onderwerpen te bespreken via internationale organisaties zoals de OESO, de Wereldbank, de United Nations Conference on Trade and Development (UNCTAD) en het World Economic Forum. Hoewel internationale handel de totale economische koek vergroot, kunnen bepaalde partjes daarin kleiner worden door de toenemende internationale concurrentie. Zeker op de korte termijn kent globalisering (en elk handelsakkoord) ook verliezers. Met name wanneer de handel tussen ontwikkelde en minder ontwikkelde landen sterk toeneemt, kan een significante herallocatie van verschillende productiefactoren optreden. De inzet van arbeid of kapitaal neemt dan in één sector af, terwijl het in een andere sector toeneemt. Dit kan leiden tot ontwrichtingen op de arbeidsmarkt. De SER wijst er in een recent advies op dat deze effecten rond het handelsverdrag waarover de EU momenteel met de VS onderhandelt, TTIP, naar verwachting relatief beperkt zijn, omdat het een handelsverdrag betreft tussen landen met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau. De SER merkt op dat de verwachte verschuivingen die met TTIP gepaard gaan, zich onder invloed van technologische vooruitgang en globalisering sowieso zouden voordoen. Niettemin vraagt het verlies van werkgelegenheid in bepaalde economische sectoren – op EU-niveau zouden de metaalproducten- en elektrotechnische industrie volgens de ramingen negatief geraakt worden – om beleid om de arbeidsmarktpositie van personen die in deze sectoren werkzaam zijn te verbeteren en hen te ondersteunen bij het vinden van een nieuwe baan. Ook moet er voldoende inkomensbescherming zijn voor diegenen die daar niet meteen in slagen. Hierbij verdienen laaggeschoolde, oudere werknemers bijzondere aandacht.