Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2017
  • Begrotingsstaat
  • Voorjaarsnota
  • 1e suppletore
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017)

34552 STB 2016 544

Wet van 21 december 2016, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten

(Belastingplan 2017)

Kamerstuk 34 552

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2017 wenselijk is een aantal fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming en dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2017 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen, bijstellingen of technische reparaties aan te brengen die uiterlijk 1 januari 2017 in werking moeten treden;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 2.10, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.982

8,90%

€ 19.982

€ 33.791

€ 1.778

13,15%

€ 33.791

€ 67.072

€ 3.593

40,80%

€ 67.072

€ 17.171

52,00%

In artikel 2.10a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.982

8,90%

€ 19.982

€ 34.130

€ 1.778

13,15%

€ 34.130

€ 67.072

€ 3.638

40,80%

€ 67.072

€ 17.078

52,00%

Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het derde lid wordt, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e, na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • d.  vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan zes achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan achttien achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren en die in ten minste een deel van die periode behoren tot de bezittingen van een lichaam waarbij een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, uit de aandelen in of winstbewijzen van dat lichaam tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoort, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een peildatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;.

2.

In het vierde lid wordt «het derde lid, onderdeel d» vervangen door: het derde lid, onderdeel e.

Artikel 2.14a, zevende lid, komt te luiden:

Onder de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven ter zake waarvan blijkt dat die tot het vermogen, onderscheidenlijk de winst, van een onderneming van het afgezonderd particulier vermogen behoren, voor zover blijkt dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst. Onder een onderneming als bedoeld in de eerste volzin wordt mede begrepen een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

In artikel 3.15, vijfde lid, wordt «73,5%» vervangen door: 80%.

Aan artikel 3.16 wordt een lid toegevoegd, luidende:

Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorend huurrecht of soortgelijk recht met betrekking tot een woning, kosten en lasten van de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf, met uitzondering van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, die een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en ter zake waarvan de belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.

Aan artikel 3.19, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Met betrekking tot een woning waarop een tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behorend huurrecht of soortgelijk recht betrekking heeft ter zake waarvan de met dat recht verband houdende kosten en lasten ingevolge artikel 3.16, dertiende lid, geheel of gedeeltelijk niet in aftrek komen, is de eerste volzin niet van toepassing.

Het in artikel 3.42, derde lid, genoemde percentage wordt verlaagd met 2,5 procentpunt.

In artikel 3.95a wordt «artikel 2.14, derde lid, onderdeel d» telkens vervangen door: artikel 2.14, derde lid, onderdeel e.

Artikel 4.16 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • k.  het tot de reguliere voordelen, bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, uit de aandelen of winstbewijzen gaan behoren van een forfaitair voordeel als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a.

2.

Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

De vervreemding, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel k, wordt geacht plaats te vinden op de eerste dag van de periode waarover het reguliere voordeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, wordt berekend.

Het eerste lid, aanhef en onderdeel k, is niet van toepassing als toepassing ervan zou leiden tot een ingevolge artikel 4.12, onderdeel b, in aanmerking te nemen negatief vervreemdingsvoordeel.

Artikel 4.27 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het opschrift wordt «Reguliere voordelen» vervangen door: Voordelen.

2.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

Indien ter zake van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel k, een vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel b, in aanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs van het desbetreffende aandeel of winstbewijs daarmee verhoogd.

Artikel 7.7, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1.

De tweede en derde volzin worden vervangen door: Het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland wordt gesteld op het met overeenkomstige toepassing van de regels van hoofdstuk 5 bepaalde rendement van de rendementsgrondslag in Nederland.

2.

De tabel vervalt.

Artikel 7.8 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het derde lid, onderdeel a, wordt «genomen;» vervangen door: genomen, en.

2.

In het derde lid vervallen de onderdelen b en c.

3.

In het derde lid wordt onderdeel d verletterd tot onderdeel b.

4.

In het zevende lid vervalt: , waarbij voor het bepalen van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen en waarbij de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse I en de omvang van het gedeelte van die grondslag dat behoort tot rendementsklasse II worden bepaald aan de hand van de tabel in artikel 7.7, eerste lid.

Het in artikel 8.10, tweede lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 2.254.

Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede genoemde bedrag wordt vervangen door: € 3.223.

Het in artikel 8.17, tweede lid, als eerste genoemde bedrag wordt vervangen door: € 1.292.

Artikel 10.6bis wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het opschrift wordt «percentage rendementsklasse I en rendementsklasse II» vervangen door: percentages forfaitair voordeel uit vermogen.

2.

Onder vernummering van het eerste tot en met zesde lid tot tweede tot en met zevende lid wordt vóór het tweede lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 4.14, eerste lid, vermelde percentage na toepassing van het tweede tot en met zevende lid bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op de som van:

  • a.  het product van het als eerste vermelde percentage in artikel 5.2, eerste lid, en het als eerste vermelde percentage in de laatste rij van de tabel in artikel 5.2, eerste lid, en
  • b.  het product van het als tweede vermelde percentage in artikel 5.2, eerste lid, en het als tweede vermelde percentage in de laatste rij van de tabel in artikel 5.2, eerste lid.

3.

In het tweede lid (nieuw) en het derde lid (nieuw) wordt «artikel 5.2, eerste lid, en artikel 7.7, eerste lid» vervangen door: artikel 5.2, eerste lid.

4.

In het vierde lid (nieuw), vijfde lid (nieuw) en zesde lid (nieuw) wordt «bedoeld in het tweede lid» vervangen door: bedoeld in het derde lid.

5.

Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

Het percentage, bedoeld in het eerste lid, aanhef, de percentages, bedoeld in het tweede en derde lid, en de langetermijnrendementen, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, worden rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Het in artikel 10.7, vijfde lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 12.801.

Artikel 10a.7 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het opschrift wordt «Bestaand afgezonderd particulier vermogen per 1 januari 2010» vervangen door: Overgangsbepaling toerekening afgezonderd particulier vermogen.

2.

Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

Voor de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in de zin van deze wet wordt de verkrijgingsprijs van de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen die tot de bezittingen van een bestaand afgezonderd particulier vermogen behoren waarop direct voorafgaand aan 20 september 2016, 15.15 uur, artikel 2.14a, zevende lid, zoals dat tot dat tijdstip luidde, van toepassing was, en die met terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur, ingevolge artikel 2.14a worden toegerekend aan degene die dit vermogen heeft afgezonderd of aan zijn erfgenamen, per 20 september 2016, 15.15 uur, gesteld op de verkrijgingsprijs zoals die gold voor degene die deze aandelen en winstbewijzen rechtens dan wel in feite, direct of indirect, heeft afgezonderd:

  • a.  vermeerderd met de vervreemdingsvoordelen ter zake van die aandelen of winstbewijzen die ingevolge artikel 4.16, eerste lid, onderdeel j, tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend;
  • b.  vermeerderd met de waardestijging van die aandelen en winstbewijzen waarover ten laste van het afgezonderde particuliere vermogen, over de periode van 1 januari 2010 tot 20 september 2016, 15.15 uur, een belasting is betaald van ten minste 10%; en
  • c.  verminderd met de voordelen ter zake van die aandelen en winstbewijzen die op basis van artikel 2.14a, zevende lid, zoals dat luidde tot 20 september 2016, 15.15 uur, in de periode van 1 januari 2010 tot 20 september 2016, 15.15 uur, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend en waarvoor geen belasting is betaald van ten minste 10%.

ARTIKEL II

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 4, onderdeel d, wordt «artikel 12a, vijfde lid, onderdeel a» vervangen door: artikel 12a, zevende lid, onderdeel a.

Aan artikel 10a worden drie leden toegevoegd, luidende:

Voor zover het ingevolge het eerste lid in het kalenderjaar tot het loon behorende bedrag niet meer bedraagt dan € 50.000, wordt van het ingevolge het eerste lid tot het loon behorende bedrag slechts 75% in aanmerking genomen, indien:

  • a.  de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar waarin het aandelenoptierecht, bedoeld in het eerste lid, is toegekend, beschikte over een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen die is afgegeven voor in dat kalenderjaar verricht speur- en ontwikkelingswerk waarop in dat kalenderjaar het percentage, bedoeld in artikel 23, zevende lid, eerste volzin, van die wet, van toepassing was; en
  • b.  ten minste twaalf maanden en maximaal vijf kalenderjaren zijn verstreken sinds de toekenning van het aandelenoptierecht.

Het negende lid is slechts van toepassing indien de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid voor de onderneming, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), waar de inhoudingsplichtige toe behoort, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in die verordening, wordt overschreden. Het bedrag aan steun dat het gevolg is van de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van de eerste volzin per bij de onderneming, bedoeld in de eerste volzin, werkzame werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per kalenderjaar vastgesteld op de uitkomst van de vermenigvuldiging van € 12.500 met het totaal van de percentages, bedoeld in de artikelen 27, 28, tweede lid, 36 en 38, tweede lid, onderdeel b, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.10, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop voor de toepassing van het negende en tiende lid wordt vastgesteld of de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in het tiende lid, wordt overschreden.

Artikel 12a wordt als volgt gewijzigd:

1.

Na het tweede lid worden, onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vijfde tot en met negende lid, twee leden ingevoegd, luidende:

Indien aan het lichaam, bedoeld in het eerste lid, een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven voor in het kalenderjaar verricht speur- en ontwikkelingswerk waarop het percentage, bedoeld in artikel 23, zevende lid, eerste volzin, van die wet, van toepassing is, wordt, in afwijking van het eerste lid, het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op 108% van het twaalfvoud van het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat gold op 1 januari van het kalenderjaar. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop het loon ingevolge de eerste volzin ten minste wordt gesteld hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van de eerste volzin gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.

Het derde lid is slechts van toepassing indien de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid voor de onderneming, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), waar de inhoudingsplichtige toe behoort, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in die verordening, wordt overschreden. Het bedrag aan steun dat het gevolg is van de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van de eerste volzin per bij de onderneming, bedoeld in de eerste volzin, werkzame werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per kalenderjaar vastgesteld volgens de formule (a – b) * c, waarbij wordt verstaan onder:

  • a:  het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
  • b:  het bedrag waarop het loon op basis van het derde lid, eerste volzin, ten minste wordt gesteld;
  • c:  het totaal van de percentages, bedoeld in de artikelen 27, 28, tweede lid, 36 en 38, tweede lid, onderdeel b, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.10, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

2.

In het vijfde lid (nieuw) wordt «het eerste en het tweede lid» vervangen door: het eerste tot en met vierde lid.

3.

In het zesde lid (nieuw) wordt »Het eerste en tweede lid» vervangen door «Het eerste tot en met vierde lid» en wordt «het eerste tot en met derde lid» vervangen door: het eerste tot en met vijfde lid.

4.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt vastgesteld of de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in het vierde lid, wordt overschreden en met betrekking tot de toepassing van het derde en vierde lid voor sectoren waarop de verordening, bedoeld in het vierde lid, niet van toepassing is.

In artikel 20a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar loon van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.982

8,90%

€ 19.982

€ 33.791

€ 1.778

13,15%

€ 33.791

€ 67.072

€ 3.593

40,80%

€ 67.072

€ 17.171

52,00%

In artikel 20b, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:

Bij een belastbaar loon van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 19.982

8,90%

€ 19.982

€ 34.130

€ 1.778

13,15%

€ 34.130

€ 67.072

€ 3.638

40,80%

€ 67.072

€ 17.078

52,00%

Het in artikel 22, tweede lid, genoemde bedrag wordt vervangen door: € 2.254.

Het in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, als tweede genoemde bedrag wordt vervangen door: € 3.223.

Het in artikel 22b, tweede lid, als eerste genoemde bedrag wordt vervangen door: € 1.292.

Artikel 35o wordt als volgt gewijzigd:

1.

Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

De artikelen 12a, derde, vierde en tiende lid, en 10a, negende, tiende en elfde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2022.

ARTIKEL III

Onze Minister van Financiën zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel 12a, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, onderscheidenlijk een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel 10a, negende en tiende lid, van die wet.

ARTIKEL IV

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 8, vijfde lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van genoemd vijfde lid wordt het aldaar vermelde percentage vervangen door 73,5%.

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1.

In de aanhef van het vierde lid wordt «10» vervangen door «10, 12bb» en wordt «14a» vervangen door «14a, 15ad». Voorts wordt «33 en 33b» vervangen door: 33, 33b en 34d.

2.

Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

Als een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid en van artikel 15ad mede aangemerkt een lichaam dat een belang heeft in de belastingplichtige en dat samen met een of meer andere lichamen die met dat lichaam een samenwerkende groep vormen voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige. Als een met een belastingplichtige verbonden lichaam wordt voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid en van artikel 15ad mede aangemerkt een lichaam waarin de lichamen die deel uitmaken van de samenwerkende groep, bedoeld in de eerste volzin, gezamenlijk voor ten minste een derde gedeelte belang hebben.

3.

In het zevende lid (nieuw) wordt «vierde lid» vervangen door: vierde of zesde lid.

Artikel 12b komt te luiden:

Artikel 12b

De kwalificerende voordelen uit hoofde van een door de belastingplichtige zelf voortgebracht kwalificerend immaterieel activum worden, indien hij daarvoor bij de aangifte over een jaar kiest, met ingang van dat jaar in aanmerking genomen voor 5/H gedeelte. Daarbij staat H voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22, geldend voor het jaar waarin het kwalificerende voordeel is genoten. De eerste volzin vindt slechts toepassing voor zover het saldo van de kwalificerende voordelen uit kwalificerende immateriële activa bij de belastingplichtige positief is.

Na artikel 12b worden zeven artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 12ba

Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een kwalificerend immaterieel activum:

  • a.  voor kleinere belastingplichtigen: een immaterieel activum dat is voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring is afgegeven als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
  • b.  voor een niet onder onderdeel a vallende belastingplichtige: een immaterieel activum dat is voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring is afgegeven als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en:
    • 1°.  ter zake waarvan aan de belastingplichtige een octrooi of kwekersrecht is verleend;
    • 2°.  ter zake waarvan door de belastingplichtige een octrooi of kwekersrecht is aangevraagd;
    • 3°.  dat de vorm heeft van programmatuur;
    • 4°.  ter zake waarvan in een lidstaat van de Europese Unie aan de belastingplichtige een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel is verleend;
    • 5°.  ter zake waarvan aan de belastingplichtige door het Octrooicentrum Nederland een aanvullend beschermingscertificaat is verleend;
    • 6°.  ter zake waarvan aan de belastingplichtige een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie is toegekend; of
    • 7°.  dat samenhangt met een immaterieel activum als bedoeld in de onderdelen 1° tot en met 6°.

Een belastingplichtige wordt voor de toepassing van het eerste lid aangemerkt als een kleinere belastingplichtige indien:

  • a.  het bedrag van de voordelen die de belastingplichtige in het jaar geniet en in de vier voorafgaande jaren heeft genoten uit hoofde van immateriële activa die zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring is afgegeven als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen, vermeerderd met de kosten ter verwerving van de voordelen uit deze immateriële activa in die jaren, tezamen lager is dan € 37.500.000; en
  • b.  de netto-omzet, bedoeld in artikel 377 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, in het jaar en de vier voorafgaande jaren, van de belastingplichtige of, indien de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een soortgelijke buitenlandse regeling, van de groep waar de belastingplichtige in die jaren deel van uitmaakt, volgens de jaarrekeningen, onderscheidenlijk de geconsolideerde jaarrekeningen, van die jaren, tezamen lager is dan € 250.000.000.

Indien de belastingplichtige in enig jaar deel uitmaakt van meer dan één groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een soortgelijke buitenlandse regeling, wordt voor de toepassing van het tweede lid voor dat jaar de groep in aanmerking genomen met de grootste netto-omzet in dat jaar.

Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder een octrooi of kwekersrecht, een aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht, programmatuur, een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5°, of een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie mede verstaan: een exclusieve licentie om een octrooi of kwekersrecht, een aanvraag voor een octrooi of kwekersrecht, programmatuur, een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 4°, een aanvullend beschermingscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5°, onderscheidenlijk een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie, te gebruiken op een bepaalde wijze, voor een bepaalde termijn of in een bepaald geografisch gebied.

Indien het speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op het doorontwikkelen van een immaterieel activum dat niet door de belastingplichtige zelf is voortgebracht, is slechts sprake van een immaterieel activum dat door de belastingplichtige zelf is voortgebracht voor zover dat speur- en ontwikkelingswerk heeft geleid tot een nieuw immaterieel activum en het nieuwe immateriële activum is voortgevloeid uit dat speur- en ontwikkelingswerk.

Als kwalificerende immateriële activa worden niet aangemerkt merken, logo’s en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen.

Artikel 12bb

De kwalificerende voordelen uit hoofde van een kwalificerend immaterieel activum, bedoeld in artikel 12b, worden gesteld op K/T gedeelte, maar niet meer dan het geheel, van de voordelen uit hoofde van een kwalificerend immaterieel activum, na vermindering, doch niet verder dan tot nihil, van deze voordelen met de drempel, bedoeld in artikel 12bc, waarbij wordt verstaan onder:

K: de kwalificerende uitgaven in het jaar zelf en in alle voorgaande jaren ten behoeve van het voortbrengen van het kwalificerende immateriële activum vermenigvuldigd met 1,3;

T: de totale uitgaven in het jaar zelf en in alle voorafgaande jaren ten behoeve van het voortbrengen van het kwalificerende immateriële activum.

De voordelen uit hoofde van een kwalificerend immaterieel activum, de drempel en de breuk, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald op de meest passende wijze gezien de aard van de onderneming en van het speur- en ontwikkelingswerk dat heeft geleid tot het kwalificerende immateriële activum.

Indien het bij samenhangende kwalificerende immateriële activa redelijkerwijs niet mogelijk is de voordelen uit hoofde van die activa afzonderlijk te bepalen, worden de voordelen, de drempel en de breuk, bedoeld in het eerste lid, bepaald per groep van samenhangende kwalificerende immateriële activa.

Indien een immaterieel activum met toepassing van artikel 12ba, vierde lid, wordt aangemerkt als een kwalificerend immaterieel activum, is slechts sprake van kwalificerende voordelen uit hoofde van dat kwalificerende immateriële activum als bedoeld in het eerste lid voor zover deze voordelen voortvloeien uit het gebruik van de exclusieve licentie.

Onder de kwalificerende uitgaven ten behoeve van het voortbrengen van een kwalificerend immaterieel activum worden voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen verstaan de som van:

  • a.  de uitgaven gedaan door de belastingplichtige in verband met door hem ten behoeve van het kwalificerende immateriële activum verricht speur- en ontwikkelingswerk; en
  • b.  de uitgaven gedaan door de belastingplichtige in verband met het direct of indirect uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk ten behoeve van het kwalificerende immateriële activum aan een niet met de belastingplichtige verbonden lichaam.

Onder de uitgaven in verband met het uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk aan een niet met de belastingplichtige verbonden lichaam vallen voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen mede uitgaven gedaan door de belastingplichtige in het kader van een samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van het voor gemeenschappelijke rekening voortbrengen van een kwalificerend immaterieel activum.

Onder de totale uitgaven ten behoeve van het voortbrengen van een kwalificerend immaterieel activum worden voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen verstaan: alle uitgaven gedaan door de belastingplichtige voor speur- en ontwikkelingswerk ten behoeve van het voortbrengen van het kwalificerende immateriële activum.

Als uitgaven worden voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen niet in aanmerking genomen: uitgaven ter zake van schulden, uitgaven ter zake van huisvesting en andere uitgaven die niet direct verband houden met het speur- en ontwikkelingswerk dat heeft geleid tot het immateriële activum.

Artikel 12bc

De drempel, bedoeld in artikel 12bb, eerste lid, is gelijk aan:

  • a.  het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten, bedoeld in het tweede lid, van het immateriële activum aan het einde van het voorafgaande jaar, vermeerderd met:
  • b.  de voortbrengingskosten van het kwalificerende immateriële activum waarvoor de belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van artikel 12b, alsmede vermeerderd met:
  • c.  de waarde in het economische verkeer van het kwalificerende immateriële activum, indien de belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van artikel 12b op dat kwalificerende immateriële activum en de voordelen in enig voorafgaand jaar deel uitmaakten van de winst uit een andere staat waarop artikel 15e, eerste lid, van toepassing is, bepaald naar het moment waarop de voordelen uit dat immateriële activum niet langer deel uitmaakten van die winst, voor zover die waarde in het economische verkeer de voortbrengingskosten overtreft, en verminderd met:
  • d.  een bedrag gelijk aan de kwalificerende voordelen uit hoofde van het kwalificerende immateriële activum, indien dat bedrag negatief is, voor zover artikel 12b geen toepassing vindt op dat bedrag.

De inspecteur stelt gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag over het jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking vast het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten van de verschillende immateriële activa aan het einde van het jaar. Het saldo, bedoeld in de eerste volzin, is:

  • a.  het bedrag dat bij het einde van het voorafgaande jaar voor het immateriële activum op de voet van dit lid is vastgesteld, zo dat is vastgesteld, vermeerderd met:
  • b.  de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, en verminderd met:
  • c.  het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, alsmede verminderd met:
  • d.  de in het jaar uit hoofde van het immateriële activum genoten kwalificerende voordelen die de drempel van het jaar niet te boven gingen.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het saldo, bedoeld in het tweede lid, te laag is vastgesteld, kan de inspecteur de aldaar bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. Rechtsmiddelen tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op de bedragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en de verminderingen ingevolge het tweede lid, onderdelen c en d.

Artikel 12bd

In afwijking van artikel 12bb wordt bij de belastingplichtige die in het jaar of in een van de twee voorafgaande jaren een kwalificerend immaterieel activum heeft voortgebracht en die hiervoor kiest, het saldo van de kwalificerende voordelen uit kwalificerende immateriële activa voor de toepassing van artikel 12b gesteld op 25% van de winst vóór toepassing van artikel 12b, met een maximum van € 25.000. De eerste volzin vindt slechts toepassing indien de aldaar bedoelde winst positief is.

Indien alle kwalificerende immateriële activa waarop artikel 12b toepassing vindt en die in het jaar of in een van de twee voorafgaande jaren zijn voortgebracht, deel uitmaken van het vermogen van een of meer samenwerkingsverbanden van de belastingplichtige met een of meer andere belastingplichtigen, wordt het percentage, genoemd in het eerste lid, gesteld op de som van de voor elk van die samenwerkingsverbanden geldende percentages, doch ten hoogste op 25, waarbij het voor een samenwerkingsverband geldende percentage wordt gesteld op 25 vermenigvuldigd met de mate van gerechtigheid van de belastingplichtige tot de voordelen van dat samenwerkingsverband.

Ingeval bij een belastingplichtige de kwalificerende voordelen uit kwalificerende immateriële activa op basis van het eerste lid worden bepaald, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 12bc, tweede lid, onderdeel c, gesteld op nihil.

Artikel 12be

Indien in enig jaar ter zake van een immaterieel activum dat met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, als kwalificerend immaterieel activum is aangemerkt en waarop artikel 12b toepassing vindt, komt vast te staan dat de aanvraag voor het octrooi of kwekersrecht niet wordt toegewezen:

  • a.  vinden vanaf dat jaar de overige bepalingen van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen ter zake van dat immateriële activum geen toepassing, en
  • b.  wordt in dat jaar bij de belastingplichtige als winst in aanmerking genomen 20/H gedeelte van de kwalificerende voordelen uit hoofde van dat immateriële activum die in de aan dat jaar voorafgaande jaren bij de toepassing van artikel 12b in aanmerking zijn genomen, waarbij H staat voor het in dat jaar geldende percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ter zake van een immaterieel activum dat ingevolge artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 7°, samenhangt met een immaterieel activum als bedoeld in het eerste lid en dat met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 7°, als kwalificerend immaterieel activum is aangemerkt.

Het eerste lid vindt geen toepassing voor zover de belastingplichtige doet blijken dat het immateriële activum, bedoeld in dat lid, in de jaren, bedoeld in dat lid, onderdeel b, met toepassing van artikel 12ba, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, aanhef en onder 1°, 3°, 4°, 5°, 6° of 7°, als kwalificerend immaterieel activum wordt aangemerkt.

Artikel 12bf

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels, waaronder nadere voorwaarden, worden gesteld voor de toepassing van deze afdeling. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld voor de bepaling van de kwalificerende voordelen uit hoofde van een kwalificerend immaterieel activum en voor de bepaling welk deel van de door een andere Mogendheid geheven belasting over kwalificerende voordelen die onder artikel 12b vallen, op basis van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, kan worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting.

Artikel 12bg

Indien de belastingplichtige kiest voor toepassing van artikel 12b neemt hij, in aanvulling op de bij te houden administratie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, in zijn administratie gegevens op waaruit blijkt:

  • a.  dat hij een of meer kwalificerende immateriële activa bezit die door hem zelf zijn voortgebracht;
  • b.  tot welk bedrag hij kwalificerende voordelen geniet uit hoofde van kwalificerende immateriële activa;
  • c.  op welke wijze de voordelen, bedoeld in onderdeel b, worden bepaald op de meest passende wijze.

Een belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, eerste lid, onderdeel a, neemt in zijn administratie tevens gegevens op waaruit blijkt dat aan de vereisten, bedoeld in dat onderdeel, wordt voldaan.

Indien de voordelen, de drempel, en de breuk, bedoeld in artikel 12bb, worden bepaald per groep van samenhangende kwalificerende immateriële activa, neemt de belastingplichtige in zijn administratie gegevens op waaruit blijkt dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om de voordelen uit hoofde van elk kwalificerend immaterieel activum afzonderlijk te bepalen.

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid, eerste volzin, wordt «niet op de voet van artikel 20 aanspraak kan maken op voorwaartse verrekening van verliezen» vervangen door «niet aanspraak kan maken op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20». Voorts wordt «bij buitenlandse ondernemingswinsten» vervangen door: bij buitenlandse ondernemingswinsten, de overdrager niet aanspraak kan maken op toepassing van de innovatiebox.

2.

In het tweede lid, eerste volzin, wordt «bij buitenlandse ondernemingswinsten» vervangen door: bij buitenlandse ondernemingswinsten, bestaat voor de overdrager aanspraak op toepassing van de innovatiebox.

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het tweede lid, eerste volzin, wordt «bij buitenlandse ondernemingswinsten» vervangen door: bij buitenlandse ondernemingswinsten, bij de splitsende rechtspersoon indien deze blijft bestaan geen aanspraak bestaat op toepassing van de innovatiebox.

2.

In het dertiende lid wordt «tweede tot en met tiende lid» vervangen door: tweede tot en met elfde lid.

In artikel 14b, tiende lid, wordt «tweede tot en met tiende lid» vervangen door: tweede tot en met elfde lid.

Artikel 15ad wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan het zesde lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: Indien een maatschappij of een topmaatschappij het belang in de andere maatschappij, bedoeld in het eerste lid, heeft verkregen van een verbonden lichaam en die andere maatschappij ook al vóór deze verkrijging was gevoegd met een of meer maatschappijen als bedoeld in het eerste lid waarbij sprake was van een overnameschuld, wordt voor de toepassing van de eerste volzin, het vierde lid en het vijfde lid als jaar van voeging van eerstgenoemde maatschappij en de andere maatschappij of van de andere maatschappij en een zustermaatschappij aangemerkt het eerdere jaar van voeging van die andere maatschappij met de genoemde maatschappij of maatschappijen, bedoeld in het eerste lid. Indien een gevoegde maatschappij waarin een belang is verworven of uitgebreid reeds eerder deel heeft uitgemaakt van een fiscale eenheid waarvan ook de maatschappij die het belang heeft verworven of uitgebreid deel uitmaakte, wordt voor de toepassing van de eerste volzin, het vierde lid en het vijfde lid als jaar van voeging aangemerkt het jaar van voeging in die eerdere fiscale eenheid.

2.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

Voor de toepassing van het eerste lid wordt het deel van de winst van de fiscale eenheid dat toerekenbaar is aan de andere maatschappijen, bedoeld in dat lid, verhoogd met het bedrag aan renten en kosten ter zake van overnameschulden dat bij het bepalen van dat deel van de winst in aanmerking is genomen.

Na artikel 34c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 34d

Indien de belastingplichtige vóór 1 juli 2016 een immaterieel activum heeft voortgebracht en met betrekking tot dat activum uiterlijk in de aangifte over het jaar waar 1 juli 2016 deel van uitmaakt heeft gekozen voor toepassing van artikel 12b, blijft artikel 12b, zoals dat luidde op 31 december 2016, van toepassing op dat activum.

Een immaterieel activum dat de belastingplichtige vóór 1 januari 2017 doch na 31 december 2006 heeft voortgebracht waarvoor aan de belastingplichtige een octrooi of kwekersrecht is verleend en waarvan de te verwachten voordelen in belangrijke mate hun oorzaak vinden in het aan de belastingplichtige verleende octrooi of kwekersrecht, wordt voor de toepassing van afdeling 2.3 en de daarop berustende bepalingen aangemerkt als een kwalificerend immaterieel activum.

Bij het bepalen van de breuk, bedoeld in artikel 12bb, eerste lid, worden met betrekking tot een kwalificerend immaterieel activum waarop artikel 12b toepassing vindt, voor de periode voorafgaand aan het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2017 alleen de vier boekjaren in aanmerking genomen die daaraan direct voorafgaan, en wordt voor die boekjaren:

  • a.  onder de kwalificerende uitgaven ten behoeve van het voortbrengen van het kwalificerende immateriële activum verstaan: de in die boekjaren in aanmerking genomen kosten van het ten behoeve van het kwalificerende immateriële activum door de belastingplichtige zelf verrichte speur- en ontwikkelingswerk, vermeerderd met de in aanmerking genomen kosten van het ten behoeve van het kwalificerende immateriële activum direct of indirect uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk aan niet met de belastingplichtige verbonden lichamen;
  • b.  onder de totale uitgaven ten behoeve van het voortbrengen van het kwalificerende immateriële activum verstaan: alle in die boekjaren in aanmerking genomen kosten van ten behoeve van het kwalificerende immateriële activum verricht speur- en ontwikkelingswerk.

Bij de toepassing van het derde lid is artikel 12bb, zesde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor uitgaven wordt gelezen: kosten.

Bij een immaterieel activum waarop in het boekjaar dat begint op of na 1 januari 2017 artikel 12b, zoals dat luidde op 31 december 2016, van toepassing is gebleven, worden, indien artikel 12b, zoals dat luidde op 31 december 2016, vanaf enig boekjaar niet meer van toepassing is en dat activum een kwalificerend immaterieel activum vormt, voor de bepaling van de breuk, bedoeld in artikel 12bb, eerste lid, de uitgaven die zijn gedaan in de boekjaren die zijn aangevangen vóór 1 januari 2017 niet in aanmerking genomen. Indien de totale uitgaven, bedoeld in artikel 12bb, zevende lid, voor het kwalificerende immateriële activum door de toepassing van de eerste volzin nihil bedragen, wordt de breuk, bedoeld in artikel 12bb, gesteld op 1.

Artikel 12bg vindt geen toepassing voor zover de in de administratie op te nemen gegevens betrekking hebben op boekjaren die zijn aangevangen vóór 1 januari 2017.

ARTIKEL IVA

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt in artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, onder vernummering van de onderdelen 4° tot en met 7° tot onderdelen 5° tot en met 8°, na onderdeel 3° een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 4°.  ter zake waarvan de belastingplichtige is toegelaten een niet-chemische methode als bedoeld in artikel 18 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden te verhandelen en te gebruiken;.

ARTIKEL IVB

Ingeval als gevolg van de inwerkingtreding van artikel IVA verwijzingen in een of meer wetten niet meer juist of volledig zijn, kunnen deze verwijzingen bij ministeriële regeling worden gewijzigd of aangevuld. Die ministeriële regeling kan terugwerken tot en met 1 januari 2017.

ARTIKEL V

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt met ingang van 1 januari 2018 de tarieftabel in artikel 22 vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 250 000

20%

€ 250 000

€ 50 000

25%

ARTIKEL VI

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt met ingang van 1 januari 2020 de tarieftabel in artikel 22 vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 300 000

20%

€ 300 000

€ 60 000

25%

ARTIKEL VII

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt met ingang van 1 januari 2021 de tarieftabel in artikel 22 vervangen door:

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 350 000

20%

€ 350 000

€ 70 000

25%

ARTIKEL VIII

In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt met ingang van 1 juli 2021 artikel 34d als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede tot en met zesde lid tot eerste tot en met vijfde lid.

2.

In het derde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door: tweede lid.

ARTIKEL IX

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het tweede lid, onderdeel 1°, wordt geletterd a.

2.

In het tweede lid, onderdeel a (nieuw), wordt «of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is» vervangen door: of een andere staat die partij is.

3.

Het tweede lid, onderdeel 2°, wordt geletterd b.

4.

In het zevende lid wordt «ingevolge artikel 10» vervangen door: ingevolge artikel 10 of artikel 10a.

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In het eerste lid, eerste volzin, vervalt: , indien deze meer bedraagt dan € 23.

2.

In het eerste lid, vierde volzin, wordt «Het verzoek geschiedt bij een aangifte die» vervangen door: Het verzoek.

3.

In het tweede lid wordt «of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is» vervangen door: of in een andere staat die partij is.

4.

In het derde lid, eerste en tweede volzin, wordt «portfolio investeringen» vervangen door: portfolio-investeringen.

5.

Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

In de gevallen waarin het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisaties.

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a

Aan een natuurlijke persoon of een lichaam die woonachtig is, onderscheidenlijk dat gevestigd is, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt op zijn verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van de in een kalenderjaar ingehouden dividendbelasting ten aanzien van opbrengsten waarvoor die natuurlijke persoon, onderscheidenlijk dat lichaam, niet belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk de vennootschapsbelasting, voor zover deze dividendbelasting na vermindering met andere teruggaaf op basis van deze wet of een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, hoger is dan de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk de vennootschapsbelasting, die verschuldigd zou zijn indien die natuurlijke persoon, onderscheidenlijk dat lichaam, woonachtig, onderscheidenlijk gevestigd, zou zijn in Nederland.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een natuurlijke persoon of een lichaam die woonachtig is, onderscheidenlijk dat gevestigd is, in een bij ministeriële regeling aangewezen staat, niet zijnde een staat als bedoeld in het eerste lid, waarmee Nederland een regeling is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen voor de heffing van belastingen, voor zover de te zijnen laste ingehouden dividendbelasting betrekking heeft op de opbrengst uit portfolio-investeringen. Onder portfolio-investeringen worden verstaan de investeringen die vallen onder de vrijheid van kapitaalverkeer, bedoeld in artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en die geen directe investering vormen in de zin van artikel 64 van dat verdrag.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op belasting naar opbrengsten met betrekking waartoe die natuurlijke persoon of dat lichaam niet de uiteindelijk gerechtigde is.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing met betrekking tot lichamen die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling als bedoeld in de artikelen 6a of 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt niet verleend indien de natuurlijke persoon of het lichaam voor het voor teruggaaf in aanmerking komende bedrag aan dividendbelasting recht heeft op volledige verrekening in zijn woonstaat, onderscheidenlijk vestigingsstaat, op grond van een tussen Nederland en die woonstaat, onderscheidenlijk vestigingsstaat, gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

  • a.  het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en
  • b.  het bepalen van de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien de natuurlijke persoon, onderscheidenlijk het lichaam, woonachtig, onderscheidenlijk gevestigd, zou zijn in Nederland.

ARTIKEL X

In de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt artikel 11 als volgt gewijzigd:

1.

Het eerste lid, onderdeel e, onder 2°, komt te luiden:

  • 2°.  het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken niet geschikt zijn voor sportbeoefening;.

2.

Het vierde lid komt te luiden:

Onder een bouwterrein als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt verstaan onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd met een of meer gebouwen.

ARTIKEL XI

In de Wet belastingen op milieugrondslag wordt artikel 28, eerste lid, als volgt gewijzigd:

1.

[VERVALLEN]

2.

In onderdeel d wordt «€ 13,07 per 1.000 kilogram» vervangen door: nihil.

ARTIKEL XIA

In de Invorderingswet 1990 wordt in artikel 25, achtste lid, onderdeel a, «onderdelen a tot en met g, i of j» vervangen door: onderdelen a tot en met g, i, j of k.

ARTIKEL XII

In het Belastingplan 2012 wordt aan artikel XXXVIII een lid toegevoegd, luidende:

Het eerste lid, onderdeel e, vindt geen toepassing indien de fiscale eenheid, bedoeld in dat onderdeel, op enig tijdstip na 31 december 2016 deel is gaan uitmaken van een andere fiscale eenheid.

ARTIKEL XIII

In het Belastingplan 2016 vervalt in artikel III, onderdeel B, de tweede volzin.

ARTIKEL XIIIA

In de Wet uitwerking Autobrief II wordt in artikel XXV, onderdeel B, «met 2 percent» vervangen door: met 2,7 percent.

ARTIKEL XIIIB

In de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt in hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, «zes jaar» vervangen door: zeven jaar.

ARTIKEL XIIIC

De Belastingwet BES wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 8.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.27a Vergrijpboete na verzuimboete

Indien nieuwe bezwaren bekend zijn geworden kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen wegens hetzelfde feit als waarvoor eerder een verzuimboete is opgelegd. Als nieuwe bezwaren als bedoeld in de eerste volzin kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, die later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.

Bij het opleggen van een vergrijpboete als bedoeld in het eerste lid vermeldt de inspecteur waaruit de nieuwe bezwaren bestaan.

De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de wegens hetzelfde feit opgelegde vergrijpboete.

Bij toepassing van dit artikel vervalt de voorwaarde van gelijktijdigheid als bedoeld in artikel 8.25, eerste lid.

Artikel 8.65 komt te luiden:

Artikel 8.65 Bestuurdersaansprakelijkheid

In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen, verschuldigd door:

  • a.  een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders;
  • b.  een niet op de BES eilanden gevestigd lichaam: de leider van zijn vaste inrichting op de BES eilanden dan wel zijn op de BES eilanden wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger;
  • c.  een lichaam dat is ontbonden: ieder van de met de vereffening belaste personen – met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar – voor zover het niet betalen van de belasting-, premie- of accijnsschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, met dien verstande dat geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding drie jaren zijn verstreken.

Voor de toepassing van dit artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap.

Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

Degene die op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting, premie of accijns niet is voldaan.

Na artikel 8.65 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.65a Bestuurdersaansprakelijkheid volledig rechtsbevoegd lichaam

Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting, de premie op grond van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, de premie op grond van de Wet algemene weduwen en wezenverzekering BES, de premie op grond van het Besluit premie zorgverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ziektekostenverzekering BES, de premie op grond van de Wet Ongevallenverzekering BES, de premie op grond van de Cessantiawet BES en de premie op grond van het Besluit Zorgverzekering BES, de vastgoedbelasting, de opbrengstbelasting, de algemene bestedingsbelasting, de overdrachtsbelasting, de kansspelbelasting en de accijnzen verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van de in dat lid bedoelde belastingen, premies of accijnzen in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.

Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belasting, premie of accijns het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat het niet betalen aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan:

  • a.  de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belasting-, premie- of accijnsschuld is ontstaan;
  • b.  degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;
  • c.  indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

De tweede volzin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder belasting, premie of accijns uitsluitend verstaan de belasting, premie of accijns die het lichaam als inhoudingsplichtige of als ondernemer is verschuldigd.

Indien de bestuurder van het lichaam ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld ter zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar en kan de ontvanger deze vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze rechtshandelingen geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, vierde en vijfde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XIV

Artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel k, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing indien de toepassing van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van die wet het gevolg is van:

  • a.  een vóór 20 september 2016, 15.15 uur, ingediend verzoek als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; of
  • b.  het met terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur, aan de belastingplichtige toerekenen van de betreffende aandelen of winstbewijzen waarop tot dat tijdstip artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals dat tot dat tijdstip luidde, van toepassing was.

ARTIKEL XIVA

Indien het bij koninklijke boodschap van 15 oktober 2015 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid (Wet aanpassing fiscale eenheid) (Kamerstukken 34 323) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet later in werking treedt dan artikel IV, onderdeel A, van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel B, van die wet «zesde lid» vervangen door: zevende lid.

ARTIKEL XV

Ingeval de samenloop van wetten die in 2016 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

ARTIKEL XVI

Onder toepassing van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel II, onderdeel Aa, en met dien verstande dat:

  • a.  artikel I, onderdelen A en B, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 is toegepast;
  • b.  artikel I, onderdeel J, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel IV, onderdeel A, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2017 zijn toegepast;
  • c.  artikel I, onderdeel K, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel IV, onderdeel B, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2017 zijn toegepast;
  • d.  artikel I, onderdelen L en N, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2017 is toegepast;
  • e.  artikel II, onderdelen C en D, eerst toepassing vindt nadat de artikelen 20a, tweede lid, en 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2017 zijn toegepast;
  • f.  artikel II, onderdeel E, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel VIII, onderdeel A, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2017 zijn toegepast;
  • g.  artikel II, onderdeel F, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel VIII, onderdeel B, van het Belastingplan 2014 bij het begin van het kalenderjaar 2017 zijn toegepast;
  • h.  artikel II, onderdeel G, eerst toepassing vindt nadat artikel 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2017 is toegepast;
  • i.  artikel IV, onderdelen A tot en met H, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017;
  • j.  artikel 34d, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat luidt op 30 juni 2021, voor het laatst toepassing vindt met betrekking tot het laatste boekjaar dat eindigt vóór 1 juli 2021;
  • k.  artikel XII voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017;
  • l.  artikel XIIIA toepassing vindt voordat artikel XXV, onderdeel B, van de Wet uitwerking Autobrief II wordt toegepast;
  • m.  artikel XIIIB toepassing vindt voordat hoofdstuk III, artikel II, vierde lid, van de Invoeringswet fiscaal stelsel BES wordt toegepast.

Artikel XI, onder 2, werkt terug tot en met 1 juli 2015.

Artikel I, onderdelen D, F, G en O, en artikel XIV werken terug tot en met 20 september 2016, 15:15 uur.

Artikel XIA werkt terug tot en met 25 oktober 2016, 17.30 uur.

In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdeel Dd, en artikel IVA in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij kan worden bepaald dat deze terugwerken tot en met 1 januari 2017. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum.

Artikel II, onderdeel Aa, treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

ARTIKEL XVII

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2017.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Wassenaar,, 21 december 2016

Willem-Alexander

De Minister van Financiën,
J.R.V.A. Dijsselbloem

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Uitgegeven de negenentwintigste december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie,
G.A. van der Steur