Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

34555 E Verslag van een nader schriftelijk overleg

Vergaderjaar 2016-2017

E

Vastgesteld 29 juni 2017

De vaste commissie voor Financiën1 heeft kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 13 april 2017 over het verschil tussen een bepaald en een onbepaald elders verzekerd deel bij een pensioen in eigen beheer (PEB). Naar aanleiding hiervan is op 19 april 2017 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris.

De Staatssecretaris heeft bij brieven van 15 mei en 27 juni 2017 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën

Den Haag, 19 april 2017

De commissie voor Financiën heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 13 april 2017 over het verschil tussen een bepaald en een onbepaald elders verzekerd deel bij een pensioen in eigen beheer (PEB). De leden van de VVD-fractie hebben nog enige opmerkingen en vragen, waar de leden van de CDA-fractie zich bij aansluiten. Vooraf maken deze leden de volgende twee kanttekeningen om de reikwijdte van hun vragen voor alle duidelijkheid af te bakenen.

In de brief van 16 maart 2017 van de vaste commissie voor Financiën van deze Kamer over dit onderwerp wordt onmiddellijk voorafgaand aan de in die brief gestelde vragen het uitgangspunt gekozen dat overeenkomstig de Wet uitfasering pensioen eigen beheer (Wet PEB) de verdere opbouw in eigen beheer van aan de DGA toegezegde pensioenaanspraken uiterlijk op 30 juni 2017 wordt gestaakt. Met u zijn deze leden derhalve van mening dat in de pensioenovereenkomst moet worden opgenomen – voor zover dat al niet was gebeurd – dat de aanvulling op het pensioen van de DGA door het eigenbeheerlichaam nooit meer mag zijn dan nodig is voor het voldoen aan de pensioenverplichting die het lichaam uiterlijk op 1 juli 2017 heeft. De leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie gaan er hierbij overigens vanuit dat u hier de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende juridische pensioenverplichting bedoelt en niet de uit de balans blijkende fiscale verplichting. De omvang van de aanspraken van de DGA dient vóór 1 juli 2017 te zijn gefixeerd. Voor deze fixatie dient de overeenkomst inzake het pensioen eigen beheer te worden aangepast of aangevuld. Deze leden verschillen derhalve niet met u van mening over deze aanvulling op de pensioenbrief voor de fixatie voor de aanspraken van de DGA onder de pensioenbrief PEB waarnaar u op meerdere plaatsen verwijst in uw brief van 13 april 2017.

De vragen van deze leden in de genoemde brief waren er evenwel op gericht of verdere en/of andere wijzigingen van en/of aanvullingen op de pensioenovereenkomst juridisch eigenlijk wel vereist zijn, gelet op een elders, bij een verzekeraar ondergebracht onbepaald deel van de pensioenaanspraak van de DGA. Daarbij heeft u het standpunt ingenomen dat dat deel van de pensioenaanspraak bij de verzekeraar na 30 juni 2017 niet meer zonder fiscale sancties kan overgaan naar een eigenbeheerlichaam. De vragen van de leden van de VVD-fractie en de CDA-fractie in de brief van 16 maart 2017 betroffen uitsluitend hun twijfels over uw standpunt over het bij een verzekeraar onbepaald verzekerd deel van een PEB.

Deze leden merken dan ook voor de goede orde op dat hun vragen in de brief van 16 maart 2017 niet gaan over de zogenoemde «dekkingspolis». Deze leden bedanken u overigens voor de verduidelijkingen over de dekkingspolis in zijn brief van 13 april 2017.

De leden van de genoemde fracties vragen zich af of uw analyse over het overgangsrecht in 38n, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) omtrent de reikwijdte van het begrip «toegelaten verzekeraar» voor pensioenaanspraken (onbepaald elders verzekerd deel) bij een eigenbeheerlichaam, in verbinding met artikel 38b (oude en nieuwe versie) Wet LB 1964 alsmede de verwijzing naar de begrenzingen bedoeld in artikel 18, derde lid, Wet LB 1964, dwingt tot een conclusie dat het eigenbeheerlichaam in de zin van artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet LB 1964, vanaf 1 juli 2017 geen toegelaten verzekeraar meer is voor het bij het einde van de coulancetermijn niet in eigen beheer verzekerde pensioen. Reden voor de vraag van deze leden is dat hun uitgangspunt is dat overeenkomstig de Wet uitfasering pensioen eigen beheer (Wet PEB) de verdere opbouw in eigen beheer van aan de DGA toegezegde pensioenaanspraken immers uiterlijk op 30 juni 2017 wordt gestaakt. Naar de mening van deze leden gaat het vanaf 1 juli 2017 ook bij een elders onbepaald verzekerd deel PEB enkel om de financiering van gefixeerde pensioenaanspraken en niet om een verhoging van de aanspraken zelf van de DGA.

Deze leden van genoemde fracties ontvangen graag een bevestiging dat u in uw brief doelt op de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende juridische verplichting. Voorts vragen deze leden u om het budgettaire belang aan te geven van het wel of niet onder de overgangsregeling begrijpen van dat gedeelte van het PEB dat bij een verzekeraar onbepaald is verzekerd. Zij vragen of dat elders onbepaald verzekerd gedeelte op een later tijdstip na 30 juni 2017 alsnog kan worden overgedragen aan het eigenbeheerlichaam in het kader van de financiering van het PEB. Welke constructiemogelijkheden voor DGA’s veronderstelt u bij het onder het overgangsrecht begrijpen van een latere overdracht dan 30 juni 2017 van het bij een verzekeraar onbepaald verzekerd gedeelte?

Gelet op de afloop van de coulancetermijn per 30 juni 2017 vragen de leden van de commissie om uw reactie op een termijn van twee weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
F.H.G. de Grave

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 mei 2017

Hierbij deel ik u mede dat ik de door uw Kamer gestelde nadere vragen naar aanleiding van de correspondentie over het verschil tussen bepaald en onbepaald elders verzekerd deel bij pensioenen in eigen beheer (ingezonden op 19 april2017) niet binnen de door u gestelde termijn kan beantwoorden. De beantwoording van deze Kamervragen vergt meer tijd.

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2017

In reactie op mijn brief van 13 april 2017 waarin ik de vragen van uw Kamer van 16 maart 2017 over het verschil tussen een bepaald en een onbepaald elders verzekerd deel bij een pensioen in eigen beheer (PEB) heb beantwoord,2 zijn in de brief van de vaste commissie voor Financiën van 19 april 2017 nog enkele nadere vragen over dat onderwerp gesteld door de leden van de fractie van de VVD. De leden van de fractie van het CDA sluiten zich bij deze vragen aan. In deze brief worden deze vragen beantwoord.

1. Uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende verplichtingen

In mijn brief van 13 april 2017 heb ik toegelicht dat als na 30 juni 20173 sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel van het door de werkgever-bv aan de dga toegezegde pensioen, in de pensioenovereenkomst ook moet worden vastgelegd dat de aanvulling door het eigenbeheerlichaam nooit meer mag zijn dan nodig is voor het voldoen aan de verplichting die dat lichaam op 1 juli 2017 heeft. Deze verplichting wordt uiterlijk per 30 juni 2017 berekend. De leden van de fracties van de VVD en het CDA merken op dat zij het ermee eens zijn dat deze aanvulling van de pensioenbrief voor de fixatie van de aanspraken van de dga moet plaatsvinden. De vraag die deze leden in dit kader nog hebben is of ik kan bevestigen dat ik het hierbij heb over de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende juridische verplichting. Dit kan ik inderdaad bevestigen. Met de op 1 juli 2017 bestaande verplichting bedoel ik de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende juridische verplichting die het eigenbeheerlichaam als verzekeraar (en derhalve niet als werkgever) heeft. Deze verplichting hangt af van de tot 1 juli 2017 opgebouwde aanspraak van de dga waarvoor het eigenbeheerlichaam de verzekeraar is. Bij een onbepaald elders verzekerd deel van het door de werkgever-bv toegezegde pensioen staat de hoogte van de aanspraak die verzekerd is bij het eigenbeheerlichaam gedurende de opbouwfase van het pensioen echter niet vast. Deze is in die situatie namelijk mede afhankelijk van de hoogte van het pensioen dat de dga uiteindelijk daadwerkelijk zal ontvangen van de professionele verzekeringsmaatschappij. Om de aanspraak van de dga waarvoor het eigenbeheerlichaam als verzekeraar optreedt op 1 juli 2017 te bepalen, moet dan ook eerst berekend worden wat de pensioenuitkering is die de dga uitgaande van de situatie op dat moment vanaf de pensioeningangsdatum van de professionele verzekeringsmaatschappij zou ontvangen. Vervolgens kan dan de aanvulling berekend worden die het eigenbeheerlichaam op 1 juli 2017 zou moeten doen op basis van het tot dat moment door de werkgever-bv toegezegde pensioen. Met een voorbeeld wordt dit verduidelijkt. In dit voorbeeld wordt geabstraheerd van eventuele inflatiecorrectie.

Voorbeeld:

Uitgangspunt is een aanspraak op een jaarlijkse uitkering van € 10.000 die de werkgever-bv aan de dga heeft toegezegd. Deze toezegging is opgesplitst in een aanspraak die bij een professionele verzekeraar is ondergebracht en waaruit naar verwachting een jaarlijkse uitkering voortvloeit van € 4.000 en een (resterende) aanspraak die door het eigenbeheerlichaam zal worden uitgevoerd en in dat geval in een jaarlijkse uitkering van € 6.000 moet voorzien.

In dit voorbeeld is de juridische verplichting van het eigenbeheerlichaam op 1 juli 2017 derhalve gebaseerd op een jaarlijkse uitkering van € 6.000. Dit is dan ook het maximum voor de aanvulling die het eigenbeheerlichaam na 30 juni 2017 mag doen als na die datum nog steeds sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel van het door de werkgever-bv aan de dga toegezegde pensioen. De verplichting van het eigenbeheerlichaam kan na 30 juni 2017 wel lager worden als blijkt dat van de professionele verzekeringsmaatschappij een hogere uitkering zal worden ontvangen dan op 1 juli 2017 was berekend (zie onderdeel 2 van deze brief).

Indien het niet wenselijk wordt geacht dat de verplichting van het eigenbeheerlichaam na 30 juni 2017 lager wordt als gevolg van de (positieve) waardeontwikkeling van het bij de professionele verzekeringsmaatschappij verzekerde pensioen, dan kan van het onbepaalde elders verzekerde deel van het door de werkgever-bv toegezegde pensioen een bepaald deel worden gemaakt. Uitgaande van het hiervoor gegeven voorbeeld wordt de bij het eigenbeheerlichaam verzekerde aanspraak op een jaarlijkse uitkering van naar verwachting € 6.000 dan een losstaande aanspraak. Aldus wordt voorkomen dat de waardeontwikkeling van het elders verzekerde deel na 30 juni 2017 nog invloed heeft op de verplichting van het eigenbeheerlichaam. Met andere woorden: als blijkt dat van de professionele verzekeringsmaatschappij een hogere uitkering zal worden ontvangen, dan heeft dat door de omzetting in een bepaald deel geen invloed meer op de van het eigenbeheerlichaam te ontvangen uitkering en blijft deze € 6.000.

2. Wel of geen overdracht van het onbepaald elders verzekerde gedeelte na 30 juni 2017

Voorts vragen de leden van de fracties van de VVD en het CDA of het onbepaalde elders verzekerde gedeelte van een voor het overige bij een eigenbeheerlichaam verzekerde aanspraak op een tijdstip na 30 juni 2017 alsnog kan worden overgedragen aan het eigenbeheerlichaam in het kader van de financiering van het door de werkgever-bv aan de dga toegezegde pensioen.

De leden van de fracties van de VVD en het CDA geven aan dat zij zich afvragen of mijn analyse van het overgangsrecht in artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964 in combinatie met artikel 38b van de Wet LB 1964 dwingt tot de conclusie dat het eigenbeheerlichaam in de zin van artikel 19a, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet LB 1964, zoals dat op 31 december 2016 luidde, vanaf 1 juli 2017 geen toegelaten verzekeraar meer is voor het bij het einde van de coulancetermijn niet in eigen beheer verzekerde pensioen. Deze leden geven aan dat hun uitgangspunt is dat overeenkomstig de wet de verdere opbouw in eigen beheer van aan de dga toegezegde pensioenaanspraken uiterlijk 30 juni 2017 wordt gestaakt. Naar de mening van deze leden gaat het vanaf 1 juli 2017 bij een onbepaald elders verzekerd deel enkel om de financiering van gefixeerde pensioenaanspraken en niet om een verhoging van de aanspraken zelf van de dga.

Als ik de leden van de fracties van de VVD en het CDA goed begrijp zijn zij van mening dat de wet zo moet worden uitgelegd dat een waardeoverdracht van een op 30 juni 2017 bij een professionele verzekeringsmaatschappij verzekerd deel naar het eigenbeheerlichaam ook na 30 juni 2017 mogelijk is, omdat dit kapitaal dient ter financiering van de op 1 juli 2017 «bevroren» aanspraak bij het eigenbeheerlichaam en niet leidt tot een verhoging van de aanspraken zelf van de dga. Op zich begrijp ik de redenering van deze leden dat ingeval slechts sprake is van financiering van de op 1 juli 2017 «bevroren» aanspraak bij het eigenbeheerlichaam geen sprake is van een toename van de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken na 30 juni 2017.

Ingeval daadwerkelijk sprake zou zijn van een financieringsmodel van het eigenbeheerlichaam, waarbij dit lichaam een financieringsovereenkomst heeft gesloten met de professionele verzekeringsmaatschappij ter dekking van zijn pensioenverplichting, ben ik het met deze leden eens dat overdracht van het kapitaal van de professionele verzekeringsmaatschappij naar het eigenbeheerlichaam ook na 30 juni 2017 mogelijk zou zijn. Een dergelijke overdracht leidt dan niet tot het overgaan van een verplichting ingevolge een pensioenregeling van de professionele verzekeringsmaatschappij naar het eigenbeheerlichaam na 30 juni 2017. Dit is de situatie bij de in eerdere brieven toegelichte dekkingspolis.

De aanvullende vragen van de leden van de fracties van de VVD en het CDA gaan over de situatie dat sprake is van een gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging. De dga heeft dan een pensioenaanspraak die bij een professionele verzekeringsmaatschappij is verzekerd en een pensioenaanspraak waarvoor het eigenbeheerlichaam als verzekeraar optreedt. De genoemde leden zijn in die situatie van mening dat overdracht van de bij de professionele verzekeringsmaatschappij verzekerde aanspraak naar het eigenbeheerlichaam en daarmee overgang van de tegenover die aanspraak staande verplichting ook na 30 juni 2017 mogelijk is. Met instandhouding van mijn eerdere antwoorden op dit punt is en blijft het mijn bedoeling de overdracht van een bij een professionele verzekeringsmaatschappij verzekerd deel van een voor het overige in eigen beheer verzekerd pensioen naar het eigenbeheerlichaam na 30 juni 2017 niet meer toe te staan. Dit vanwege de beoogde uitfasering van het PEB en om te bewerkstelligen dat zoveel mogelijk dga’s hun PEB beëindigen gelet op de daaraan verbonden knelpunten. Deze knelpunten doen zich niet voor bij een bij een professionele verzekeringsmaatschappij verzekerd (deel van een) pensioen.

Een andere overweging waarom het kabinet een dergelijke overdracht onder de nieuwe regelgeving niet wil toestaan is dat het kabinet een veilige oudedagsvoorziening ook voor dga’s wenselijk acht en daarom niet wil stimuleren dat een relatief veilige oudedagsvoorziening bij een professionele verzekeraar wordt overgedragen naar het minder zekere eigen beheer. Een pensioen dat in een eigenbeheerlichaam is belegd, biedt in beginsel nauwelijks risicospreiding. Het succes van deze belegging en het behaalde rendement zijn volledig afhankelijk van het welslagen van dat (ene) bedrijf. Ook als sprake is van een concernstructuur waarvan het eigenbeheerlichaam deel uitmaakt is in de meeste gevallen de risicospreiding niet vergelijkbaar met die bij een professionele verzekeraar. Verder zie ik bij een PEB, zoals nader wordt toegelicht in reactie op de laatste vraag, weglekrisico’s. Dit is het risico dat op pensioeningangsdatum om andere redenen onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor een adequaat pensioen voor de dga.

In de wet is via de aanpassing van artikel 19a, eerste lid, van de Wet LB 1964 geregeld dat het eigenbeheerlichaam in beginsel geen toegelaten aanbieder meer is voor een fiscaal gefaciliteerd pensioen. Als een voor de professionele verzekeringsmaatschappij uit de (pensioen)verzekeringsovereenkomst voortvloeiende verplichting wordt overgedragen aan het eigenbeheerlichaam, is sprake van het overgaan van een verplichting ingevolge een pensioenregeling van de professionele verzekeringsmaatschappij naar het eigenbeheerlichaam. Op een dergelijke waardeoverdracht is artikel 19b, tweede lid, van de Wet LB 1964 van toepassing. Dit betekent dat als de overgang na 30 juni 2017 plaatsvindt, de tekst van dat artikel zoals die op het moment van overgang luidt van toepassing is. Op basis van die tekst is overgang van de verplichting naar een eigenbeheerlichaam fiscaal niet meer toegestaan, omdat een eigenbeheerlichaam vanaf 1 juli 2017 geen toegelaten aanbieder meer is. Op grond van artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964 is dit alleen anders voor de in dat artikel genoemde aanspraken, deze vallen wel onder het overgangsrecht. Dit betreft «... aanspraken ingevolge een pensioenregeling waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt,....» Op deze aanspraken is artikel 19b, tweede lid, Wet LB 1964, zoals dat tot 1 juli 2017 geldt, van toepassing en is overgang van de tegenover de aanspraak staande verplichting naar een eigenbeheerlichaam nog wel toegestaan. De hiervoor geciteerde tekst van artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964 ziet op aanspraken die verzekerd zijn bij een eigenbeheerlichaam. Deze vormgeving past bij mijn hiervoor toegelichte insteek dat alleen pensioen dat in eigen beheer is verzekerd wordt uitgefaseerd. Alleen voor dergelijke pensioenaanspraken is overgangsrecht nodig.

Bij een onbepaald elders verzekerd deel van een voor het overige in eigen beheer verzekerde aanspraak valt derhalve alleen de aanspraak die op 30 juni 2017 is verzekerd bij het eigenbeheerlichaam onder artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964. Zoals de vragenstellers aangeven, is het mogelijk dat deze aanspraak na 30 juni 2017 vermindert, doordat de aanspraak bij de professionele verzekeringsmaatschappij toeneemt. In dat geval is sprake van het overgaan van een deel van de verplichting ingevolge een pensioenregeling van het eigenbeheerlichaam naar de professionele verzekeringsmaatschappij. Een dergelijke overgang is toegestaan op grond van artikel 19b, tweede lid, van de Wet LB 1964, omdat de professionele verzekeringsmaatschappij een toegelaten aanbieder is. Het is vervolgens niet mogelijk om de (toegenomen) aanspraak die verzekerd is bij de professionele verzekeringsmaatschappij weer «terug» over te dragen aan het eigenbeheerlichaam. Deze (toegenomen) aanspraak bij de professionele verzekeringsmaatschappij betreft namelijk de voortzetting van de opbouw van de op 30 juni 2017 bij deze verzekeringsmaatschappij verzekerde aanspraak en is derhalve geen «voortzetting» van de aanspraak die verzekerd was bij het eigenbeheerlichaam die onder het overgangsrecht van artikel 38n, eerste lid, van de Wet LB 1964 valt.

3. Risico’s van een overdracht van het onbepaald elders verzekerde gedeelte na 30 juni 2017

De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen naar het budgettaire belang ingeval het bij een verzekeraar ondergebrachte onbepaalde deel van een voor het overige bij een eigenbeheerlichaam verzekerde aanspraak onder de overgangsregeling zou vallen en verder welke constructiemogelijkheden ik veronderstel indien een overdracht van het onbepaald elders verzekerde deel van het pensioen naar het eigenbeheerlichaam na 30 juni 2017 wel onder het overgangsrecht zou worden begrepen.

Zoals hiervoor al is toegelicht is het niet mijn bedoeling om toe te staan dat een op 1 juli 2017 nog bij een professionele verzekeringsmaatschappij verzekerd deel van een voor het overige bij een eigenbeheerlichaam verzekerde aanspraak mag worden overgedragen naar het eigenbeheerlichaam. Budgettaire aspecten of mogelijkheden voor constructies zijn daarom niet nader onderzocht. Dat betekent overigens niet dat ik dergelijke risico’s hier ook niet bij zie. Ik zie wel degelijk risico’s, vooral voor de schatkist, maar ook voor de dga zelf. Zo zie ik weglekrisico’s. Hiermee bedoel ik het risico dat op pensioeningangsdatum onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor een adequaat pensioen voor de dga. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als het mogelijk zou zijn om het bij een professionele verzekeraar ondergebrachte deel van de voor het overige bij een eigenbeheerlichaam verzekerde aanspraak in de tijd onbeperkt terug te kunnen halen naar het eigenbeheerlichaam. Zo kan een dga geld lenen bij «zijn» besloten vennootschap (bv). Wanneer het pensioenkapitaal van de professionele verzekeraar aan deze bv wordt overgedragen, bestaat het risico dat de dga (opnieuw) bij zijn bv geld leent. Dit kan ertoe leiden dat op pensioeningangsdatum onvoldoende liquide middelen beschikbaar zijn in de bv voor het aan de dga toegezegde pensioen en dat minder of geen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen kan worden afgedragen aan de Belastingdienst. Door het elders verzekerde deel van het pensioen niet onder het overgangsrecht te laten vallen, worden dergelijke nadelige situaties voorkomen. Het minder kunnen innen van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen zou uiteraard budgettaire effecten hebben. Deze zijn echter niet in kaart gebracht omdat deze mogelijkheid niet wordt geboden in de wet zoals die op 1 april 2017 in werking is getreden.

Ik hoop dat ik met deze brief de laatste eventueel nog onduidelijke punten over de gevolgen van de wet voor een onbepaald elders verzekerd deel heb kunnen wegnemen.

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Noot 1: Samenstelling:Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD), Backer (D66), Ester (CU), De Grave (VVD) (voorzitter), Hoekstra (CDA) (vice-voorzitter), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Van Beek (PVV), Van Apeldoorn (SP), N.J.J. van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Overbeek (SP).

Noot 2: De brieven van 16 maart en 13 april 2017 zijn inmiddels samengevoegd in een Verslag van een schriftelijk overleg dat op 14 april 2017 is vastgesteld (Kamerstukken I 2016/17, 34 555, D).

Noot 3: Pensioen in eigen beheer opbouwen is wettelijk mogelijk tot en met 31 maart 2017 en gedurende de coulanceperiode (zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 maart 2017, nr. 2017–7412 (Stcrt. 2017, 18118)). Deze coulanceperiode eindigt op het moment van afkoop of omzetten, doch uiterlijk op 30 juni 2017. Voor de leesbaarheid van deze brief wordt verder van de laatstgenoemde datum uitgegaan.