Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2017

34552 P Verslag van een schriftelijk overleg

Vergaderjaar 2016-2017

P

Vastgesteld 12 mei 2017

De leden van de vaste commissie voor Financiën1 hebben kennisgenomen van de brief2 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2016 inzake de beantwoording van vragen over de effecten van het kabinetsbeleid op de mediane koopkrachtmutaties.

Naar aanleiding hiervan is op 15 februari 2017 een brief gestuurd aan de Minister.

De Minister heeft op 11 mei 2017 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 15 februari 2017

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben met belangstelling kennisgenomen van

uw brief3 van 19 december 2016 inzake de beantwoording van vragen over de effecten van het kabinetsbeleid op de mediane koopkrachtmutaties.

De leden van de fracties van de SP en GroenLinks hebben nog enige nadere vragen.

SP

De leden van de SP-fractie constateren dat u in uw brief stelt dat de gegevens over de koopkrachtontwikkeling van de vier inkomenskwartielen worden gemeten door uit te gaan van de mediaan van elke groep en dat dit geen duidelijk beeld geeft omdat de koopkrachtontwikkeling binnen het kwartiel zeer heterogeen is. Naar de mening van deze leden kan er dan (nog) meer duidelijkheid komen als zij cijfers over de koopkrachtontwikkeling ontvangen waarbij de huishoudinkomens, ongeacht de bron van het inkomen, worden ingedeeld in tien decielen. Wilt u deze gegevens, zowel wat betreft de koopkrachtontwikkeling 2012–2017, als wat betreft de gevolgen van het beleid en van het beleid van Rutte II delen met deze leden?

Zij constateren eveneens dat u in uw brief stelt dat de Gini-coëfficiënt ten gevolge van «het beleid» in genoemde periode zeer licht afneemt. Zij verzoeken u om apart aan te geven wat de ontwikkeling van de Gini-coëfficiënt is ten gevolge van de koopkrachtontwikkeling in het algemeen, en van het beleid in het algemeen en van het beleid van Rutte II in het bijzonder.

GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat in de notitie «Terugblik inkomensbeleid en koopkracht»4 te zien is dat er actief beleid is gevoerd om hogere inkomens, waaronder ook de allerhoogste inkomensgroep, er in inkomen op vooruit te laten gaan. Kunt u toelichten waarom hiervoor is gekozen?

Eveneens merken deze leden op dat er in deze notitie te lezen is dat er actiever beleid is gevoerd om hogere inkomens van werkenden, ook de allerhoogste inkomensgroep werkenden, er in inkomen zelfs meer op vooruit te laten gaan dan de laagste (en alle) inkomens van gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden (ongeveer 0,8% voor de laagste inkomensgroepen qua beleidseffect, versus 1,1% als beleidseffect voor de hoogste inkomensgroep werkenden). Waarom is hiervoor gekozen?

In de ogen van deze leden stelt u terecht dat zonder actief beleid, de hoogste inkomensgroep werkenden er meer op vooruit was gegaan dan de laagste. Kunt u nader toelichten hoe dit mogelijk is? Meent u ook niet dat lange termijn beleid er op gericht moet zijn om juist deze autonome ontwikkelingen om te keren, zo vragen deze leden.

U stelt dat het kabinetsbeleid de verwachte stijging van de ongelijkheid heeft verminderd. Tegelijk geeft u ook toe dat de lange termijn berekening van de inkomensongelijkheid laat zien dat deze nog steeds toeneemt, ook als het beleid van dit kabinet wordt meegenomen. Is het niet mogelijk ook dit lange termijn beeld te corrigeren, of heeft de regering ervoor gekozen de ontwikkeling van inkomensongelijkheid niet zodanig te corrigeren dat ook op langere termijn de ongelijkheid afneemt, zo vragen deze leden.

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
F.H.G. de Grave

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 mei 2017

Hierbij zend ik u de antwoorden op de Kamervragen van de leden van de fracties van de SP en GroenLinks over «Toezegging mediane koopkrachtmutaties en de effecten van kabinetsbeleid op de ongelijkheid».

Koopkrachtontwikkeling per deciel

De leden van de fractie van de SP vragen de koopkrachtcijfers 2012–2017 voor alle huishoudens verder uit te splitsen in decielen (naar algemene koopkrachtontwikkeling, beleid en beleid Rutte II). Deze indeling is in tabel 1 weergegeven.

Tabel 1 Overzicht van inkomensdecielen over alle huishoudens
 

Koopkracht cum 2012–2017

Effect totaal beleid

Effect beleidRutte II

Inkomensniveau

     

1e deciel

3,5

1,4

0,9

2e deciel

3,1

1

1,2

3e deciel

1,7

– 0,8

0,2

4e deciel

3,2

– 0,3

1

5e deciel

5,1

1,3

1,6

6e deciel

6,7

1,6

2,4

7e deciel

8,2

2,3

3,2

8e deciel

8,1

2,6

3,2

9e deciel

7,6

2

2,5

10e deciel

5,8

– 0,6

0,7

       

Alle huishoudens

5,5

1,2

1,7

Zoals ook in de eerdere beantwoording is aangeven komt er geen eenduidig beeld naar voren wanneer huishoudens met verschillende inkomensbronnen allemaal samen worden bekeken. Om die reden is er in de «Terugblik Inkomensbeleid en Koopkracht» voor gekozen om onderscheid naar inkomensniveau te maken per inkomensbron (werkenden/ uitkeringsgerechtigden/ gepensioneerden). Deze indeling laat zien dat het inkomensbeleid veelal gericht was op koopkrachtverbetering voor werkenden met een laag inkomen. Maar ook binnen de groep uitkeringgerechtigden en gepensioneerden zijn de verschillen tussen de inkomensniveaus kleiner geworden omdat de laagste inkomens het meeste voordeel hadden van beleid5.

Gini-coëfficiënt van beleid

De leden van de fractie van de SP vragen tevens naar de ontwikkeling van de Gini-coëfficiënt ten gevolge van de algemene koopkrachtontwikkeling, beleid en beleid van Rutte II.

Zoals ook is aangegeven in de «Terugblik Inkomensbeleid en Koopkracht» is het middels de steekproef van 90.000 huishoudens in het microsimulatiemodel MIMOSI, mogelijk om een indicatie te gegeven van de verandering van de inkomensongelijkheid als gevolg van beleid. MIMOSI is onvoldoende geschikt om uitspraken te doen over het totale niveau van de Gini-coëfficiënt en de veranderingen daarin. Dat heeft een aantal oorzaken. Ten eerste wordt in MIMOSI uitgegaan van een statische huishoudsituatie. Dat betekent dat er niets verandert aan de persoonlijke omstandigheden van huishoudens (ze worden niet werkloos, maken geen promotie, gaan niet samenwonen of scheiden etc). In werkelijkheid hebben deze dynamische omstandigheden natuurlijk een grote invloed op de inkomenspositie en de koopkracht van huishoudens. De effecten van beleid op de Gini-coëfficiënt zijn klein in verhouding tot de effecten van dynamische veranderingen.

Daarnaast wordt in de steekproef voor de koopkrachtberekeningen om methodologische redenen een aantal groepen niet meegenomen (onder andere zeer lage of zelfs negatieve inkomens en intramurale huishoudens). De berekende Gini-coëfficiënt komt hierdoor lager uit dan het gerealiseerde niveau wat door het CBS wordt vastgesteld. Ook de in verhouding grote effecten van dynamische veranderingen zitten in het gerealiseerde niveau.

Het model leent zich wel voor een uitspraak over de effecten van beleid. De «Terugblik Inkomensbeleid»6 laat zien dat beleid van het kabinet Rutte II de inkomensongelijkheid met circa 1,5% verkleind heeft. Het totale beleid heeft de inkomensongelijkheid tussen 2013 en 2017 met circa 1,0% verkleind. De inkomensongelijkheid is door beleid dus beperkt afgenomen. Daarmee is niet gezegd dat het absolute niveau van de ongelijkheid is afgenomen. Daarover kunnen alleen de realisaties van het CBS uitsluitsel bieden. Het is wel duidelijk dat de ongelijkheid zonder het gevoerde inkomensbeleid hoger had gelegen.

Koopkrachtontwikkeling naar inkomensniveau

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom ervoor gekozen is om actief beleid te voeren om de allerhoogste inkomensgroep er in koopkracht op vooruit te laten gaan en waarom er actief beleid is gevoerd om de allerhoogste inkomensgroep werkenden er meer op vooruit te laten gaan dan de laagste (en alle) inkomens van gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden. Dit kabinet heeft gekozen voor een activerend arbeidsmarktbeleid waar alle werkenden van geprofiteerd hebben. De werkenden met de laagste inkomens hebben daarbij wel duidelijk meer geprofiteerd dan de werkenden met hoge inkomens. Verder bestaat de groep werkenden met de hoogste inkomens voor een groot deel uit tweeverdieners, waarbij de minst verdienende partner vaak wel het volledige voordeel heeft van het activerende arbeidsmarktbeleid. Tot slot is er vanwege bezuinigingen in het begin van de kabinetsperiode voor gekozen om regelingen als de zorgtoeslag en arbeidskorting meer gericht te maken en tegelijkertijd de laagste inkomens te beschermen. Voor de hoogste inkomens heeft dit nauwelijks effect omdat deze regelingen maar een klein deel van hun inkomen vormen.

Koopkrachtontwikkeling zonder beleid

Deze leden vragen tevens hoe het mogelijk is dat zonder actief beleid de hoogste inkomensgroep werkenden er meer op vooruit is gegaan dan de laagste. Er zijn een aantal ontwikkelingen die er voor zorgen dat zonder actief inkomensbeleid de werkenden met hoge inkomens er meer op vooruit zouden zijn gegaan dan de werkenden met lage inkomens. Ten eerste hebben de hoogste inkomens het meeste voordeel gehad van de fors gedaalde hypotheekrente. Daarnaast hebben verhogingen van de pensioenpremies en hogere zorgkosten bij de hoogste inkomens relatief gezien minder impact.

Lange termijn beleid

Deze leden vragen verder of het lange termijn beleid er niet op gericht zou moeten zijn om de autonome ontwikkelingen waardoor de hoogste inkomensgroep werkenden er meer op vooruit gaat dan de laagste, om te keren. Met beleid corrigeren voor verschillen door autonome ontwikkelingen, betekent een correctie voor onzekere factoren zoals bijvoorbeeld een fluctuerende rente. Dit maakt het beleid onvoorspelbaar, omdat de ene keer moet worden afgeroomd en de andere keer moet worden gecompenseerd afhankelijk van de autonome ontwikkelingen. Beleid moet op de lange termijn juist stabiel zijn en een duidelijke richting hebben. Zo heeft dit kabinet ingezet op een activerend arbeidsmarktbeleid. Dit is zichtbaar in de grote bijdrage van beleid aan de koopkracht van werkenden met de laagste inkomens.

Bijsturen op inkomensongelijkheid

Deze leden vragen of het mogelijk is ook het lange termijn beeld van stijgende inkomensongelijkheid te corrigeren, of dat de regering ervoor gekozen heeft de ontwikkeling van inkomensongelijkheid niet zodanig te corrigeren dat ook op langere termijn de ongelijkheid afneemt. Om de effecten van beleid op de lange termijn te bepalen kan gebruik gemaakt worden van een door het CPB bij Keuzes in Kaart 2018–2021 geïntroduceerde maatstaf. Deze maatstaf maakt het mogelijk om de langetermijnbeleidseffecten op de inkomens en de inkomensverdeling te wegen ten opzichte van de ontwikkeling van de overheidsfinanciën en de werkgelegenheid. Hierdoor kunnen de lange termijn consequenties van voorgenomen beleid op de inkomensverdeling beter worden ingeschat.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher

Noot 1: Samenstelling:Nagel (50PLUS) Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD), Backer (D66), Ester (CU), De Grave (VVD) (voorzitter), Hoekstra (CDA) (vice-voorzitter), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Van Beek (PVV), Van Apeldoorn (SP), N.J.J. van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Overbeek (SP)

Noot 2: Kamerstukken I, 2016–2017, 34 527 / 34 545 / 34 552 / 34 553/ 34 554 / 34 555, K.

Noot 3: Kamerstukken I, 2016–2017, 34 527 / 34 545 / 34 552 / 34 553/ 34 554 / 34 555, K.

Noot 4: Notitie Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017 gepubliceerd d.d. 25 november 2016, zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/11/25/notitie-terugblik-inkomensbeleid-en-koopkracht-2012–2017

Noot 5: Zie figuur 1 op blz. 2 van Terugblik inkomensbeleid

Noot 6: Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/11/25/notitie-terugblik-inkomensbeleid-en-koopkracht-2012–2017