Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2017

34552 E Memorie van antwoord

Vergaderjaar 2016-2017

E1

Ontvangen 2 december 2016

Inhoudsopgave

blz.

     

1.

Inleiding

2

2.

Belastingplan 2017

2

2.1.

Vragen gesteld bij het schriftelijke overleg ter voorbereiding van de algemene financiële beschouwingen

2

2.2.

Inkomensbeleid

30

2.3.

Vbi’s en APV’s

48

2.4.

Innovatiebox

51

2.5.

Wijziging van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen

52

2.6.

Stimulering start-ups

53

2.7.

Verlenging van de eerste schijf van de vennootschapsbelasting

55

2.8.

Teruggaaf dividendbelasting voor niet-ingezetenen en heffingvrij vermogen voor buitenlands belastingplichtigen

56

2.9.

Bouwterreinen in de btw

57

2.10.

Wijziging btw-vrijstelling voor watersportorganisaties

57

2.11.

Exportheffing afvalstoffenbelasting

58

2.12.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

58

2.13.

Consultatie

60

3.

Overige fiscale maatregelen 2017

60

3.1.

Bedrijfsopvolgingsregeling

60

3.2.

Overgangsrecht schenkingsvrijstelling

63

3.3.

Boetevrij aflossen van een spaar- of beleggingshypotheek

63

4.

Fiscale vereenvoudigingswet 2017

64

4.1.

Stroomlijnen invordering belastingen en toeslagen

64

4.2.

Vereenvoudigingen teruggaafregeling oninbare vorderingen btw

66

4.3.

Afschaffen fictieve dienstbetrekking commissarissen

68

4.4.

Afschaffen jaarloonuitvraag

68

5.

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

68

6.

Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting

84

7.

Overige vragen

86

7.1.

Vermogensrendementsheffing

86

7.2.

Btw pensioenen

88

7.3.

Giftenaftrek

89

7.4.

CPB-notitie «De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen»

89

7.5.

Digitaal invullen van de aangifte en ondersteuning van kwetsbare groepen

89

7.6.

Wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing

90

1. Inleiding

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66, de SP, de PvdA, de ChristenUnie en 50PLUS. Het verheugt mij dat de leden van de fractie van het CDA de inspanningen van het kabinet waarderen om uitvoering te geven aan de motie Hoekstra door maatregelen waar mogelijk in separate wetsvoorstellen op te nemen. Verder constateer ik tot mijn vreugde dat de leden van de fractie van D66 met mij van mening zijn dat het belangrijk is dat de problematiek rond het pensioen in eigen beheer wordt opgelost.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

2. Belastingplan 2017

2.1. Vragen gesteld bij het schriftelijke overleg ter voorbereiding van de algemene financiële beschouwingen

De leden van de fractie van 50PLUS hebben bij het schriftelijke overleg ter voorbereiding van de Algemene financiële beschouwingen (AFB) en naar aanleiding van de brief over de hervorming van het gemeentelijke belastinggebied een aantal vragen gesteld die nog niet zijn beantwoord. Het antwoord op deze vragen treft u hierna aan.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar allerlei tabellen en grafieken van verschillende kortingen in verschillende combinaties. In de hierna opgenomen grafieken en tabellen worden hiervoor afkortingen gebruikt. Verder is de hoogte van de verschillende kortingen afhankelijk van verschillende inkomensbegrippen (grondslagen). In de hierna opgenomen tabellen en grafieken wordt met het inkomen de van toepassing zijnde grondslag bedoeld voor de betreffende korting. In tabel 1 zijn de afkortingen en grondslagen per korting weergegeven.

Tabel 1: Gebruikte afkortingen voor kortingen en inkomensbegrippen
 

Afkorting

Grondslag

Algemene heffingskorting

AHK

Belastbaar inkomen box 1

Arbeidskorting

AK

Inkomen uit arbeid

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

IACK

Inkomen uit arbeid

Ouderenkorting

OUK

Verzamelinkomen

Belasting inclusief premie volksverzekeringen

BEL

Belastbaar inkomen box 1

Marginale druk van schijftarieven box 1

TAR

Belastbaar inkomen box 1

De toevoeging «65» aan afkortingen geeft aan dat het gaat om de korting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd. Bij de ouderenkorting is deze toevoeging weggelaten, omdat deze korting alleen geldt voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de marginale druk voor personen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tussen € 0 en € 130.000. In de hierna opgenomen figuur 1 wordt de marginale druk voor het belastbare inkomen weergegeven voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 van € 0 tot en met € 130.000 voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen tabel 2 wordt de marginale druk voor deze groep weergegeven in tabelvorm in stappen van € 5.000. Hierbij wordt rekening gehouden met de schijftarieven, algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting.2
Figuur 1: Marginale druk belastbaar inkomen box 1 2017 onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten
Tabel 2: Marginale druk belastbaar inkomen box 1 2017 onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten

Inkomen

TAR

TAR+AHK

TAR+AHK+AK

TAR+AHK+AK+IACK

5.000

36,550%

36,550%

34,778%

28,619%

10.000

36,550%

36,550%

8,233%

2,074%

15.000

36,550%

36,550%

8,233%

2,074%

20.000

40,800%

45,587%

17,270%

11,111%

25.000

40,800%

45,587%

45,587%

39,428%

30.000

40,800%

45,587%

45,587%

39,428%

35.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

40.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

45.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

50.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

55.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

60.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

65.000

40,800%

45,587%

49,187%

49,187%

70.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

75.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

80.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

85.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

90.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

95.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

100.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

105.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

110.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

115.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

120.000

52,000%

52,000%

55,600%

55,600%

125.000

52,000%

52,000%

52,000%

52,000%

130.000

52,000%

52,000%

52,000%

52,000%

Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar het verloop van de marginale druk voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tussen € 0 en € 130.000, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene heffingskorting en ouderenkorting. In de hierna opgenomen figuur 2 en tabel 3 wordt de marginale druk voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. De marginale druk inclusief de schijftarieven en het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting is vrijwel gelijk aan de marginale druk inclusief de schijftarieven, het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. Alleen bij een belastbaar inkomen in box 1 van € 36.057 – het punt waarop de ouderenkorting lager komt te liggen – zit een piek in de marginale druk. Zie hierover ook het antwoord op de specifieke vraag over de marginale druk bij een verzamelinkomen van € 36.057.

Figuur 2: Marginale druk belastbaar inkomen box 1 2017 vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in procenten
Tabel 3: Marginale druk belastbaar inkomen box 1 2017 vanaf de pensioengerechtigde leeftijd

Inkomen

TAR

TAR+AHK65

TAR+AHK65+OUK

5.000

18,650%

18,650%

18,650%

10.000

18,650%

18,650%

18,650%

15.000

18,650%

18,650%

18,650%

20.000

22,900%

25,343%

25,343%

25.000

22,900%

25,343%

25,343%

30.000

22,900%

25,343%

25,343%

35.000

40,800%

43,243%

43,243%

40.000

40,800%

43,243%

43,243%

45.000

40,800%

43,243%

43,243%

50.000

40,800%

43,243%

43,243%

55.000

40,800%

43,243%

43,243%

60.000

40,800%

43,243%

43,243%

65.000

40,800%

43,243%

43,243%

70.000

52,000%

52,000%

52,000%

75.000

52,000%

52,000%

52,000%

80.000

52,000%

52,000%

52,000%

85.000

52,000%

52,000%

52,000%

90.000

52,000%

52,000%

52,000%

95.000

52,000%

52,000%

52,000%

100.000

52,000%

52,000%

52,000%

105.000

52,000%

52,000%

52,000%

110.000

52,000%

52,000%

52,000%

115.000

52,000%

52,000%

52,000%

120.000

52,000%

52,000%

52,000%

125.000

52,000%

52,000%

52,000%

130.000

52,000%

52,000%

52,000%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het verloop van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in tabel en grafiek. In de hierna opgenomen figuur 3 en tabel 4 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 3: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s
Tabel 4: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AHK

AHK65

5.000

2.254

1.151

10.000

2.254

1.151

15.000

2.254

1.151

20.000

2.253

1.151

25.000

2.014

1.028

30.000

1.774

906

35.000

1.535

784

40.000

1.296

662

45.000

1.056

540

50.000

817

418

55.000

578

296

60.000

338

173

65.000

99

51

70.000

0

0

75.000

0

0

80.000

0

0

85.000

0

0

90.000

0

0

95.000

0

0

100.000

0

0

105.000

0

0

110.000

0

0

115.000

0

0

120.000

0

0

125.000

0

0

130.000

0

0

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het verloop van de combinatie van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en naar het verloop van de combinatie van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in tabel en grafiek. In de hierna opgenomen figuren 4 en 5 en tabellen 5 en 6 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. Tevens vragen deze leden naar het totaal van de maximale algemene heffingskorting en de maximale arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd. Bij doorgang van het Belastingplan 2017 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 2.254 in 2017 en begint met afbouwen bij een belastbaar inkomen in box 1 van € 19.982. De arbeidskorting is maximaal € 3.223 bij een inkomen uit arbeid tussen € 20.108 en € 32.444. Het maximum van beide kortingen samen wordt bereikt bij een inkomen van € 20.108 (ervan uitgaande dat het belastbare inkomen in box 1 gelijk is aan het inkomen uit arbeid) en bedraagt € 5.471.

Figuur 4: Algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s
Figuur 5: Algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s
Tabel 5: Algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AHK

AK

AHK+AK

5.000

2.254

89

2.343

10.000

2.254

361

2.615

15.000

2.254

1.777

4.031

20.000

2.253

3.192

5.446

25.000

2.014

3.223

5.237

30.000

1.774

3.223

4.997

35.000

1.535

3.131

4.666

40.000

1.296

2.951

4.247

45.000

1.056

2.771

3.827

50.000

817

2.591

3.408

55.000

578

2.411

2.989

60.000

338

2.231

2.569

65.000

99

2.051

2.150

70.000

0

1.871

1.871

75.000

0

1.691

1.691

80.000

0

1.511

1.511

85.000

0

1.331

1.331

90.000

0

1.151

1.151

95.000

0

971

971

100.000

0

791

791

105.000

0

611

611

110.000

0

431

431

115.000

0

251

251

120.000

0

71

71

125.000

0

0

0

130.000

0

0

0

Tabel 6: Algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AHK65

OUK

AHK65

+OUK

5.000

1.151

1.292

2.443

10.000

1.151

1.292

2.443

15.000

1.151

1.292

2.443

20.000

1.151

1.292

2.443

25.000

1.028

1.292

2.320

30.000

906

1.292

2.198

35.000

784

1.292

2.076

40.000

662

71

733

45.000

540

71

611

50.000

418

71

489

55.000

296

71

367

60.000

173

71

244

65.000

51

71

122

70.000

0

71

71

75.000

0

71

71

80.000

0

71

71

85.000

0

71

71

90.000

0

71

71

95.000

0

71

71

100.000

0

71

71

105.000

0

71

71

110.000

0

71

71

115.000

0

71

71

120.000

0

71

71

125.000

0

71

71

130.000

0

71

71

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de te betalen premie en belasting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 na aftrek van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. In de hierna opgenomen tabel 7 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Tabel 7: Te betalen belasting en premie volksverzekeringen na aftrek van de algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

5.000

0

10.000

1.040

15.000

1.452

20.000

1.865

25.000

4.114

30.000

6.393

35.000

8.765

40.000

11.224

45.000

13.683

50.000

16.143

55.000

18.602

60.000

21.061

65.000

23.521

70.000

26.168

75.000

28.948

80.000

31.728

85.000

34.508

90.000

37.288

95.000

40.068

100.000

42.848

105.000

45.628

110.000

48.408

115.000

51.188

120.000

53.968

125.000

56.639

130.000

59.239

Ter vergelijking met de voorgaande situatie vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar de te betalen premie en belasting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 na aftrek van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. In de hierna opgenomen tabel 8 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Tabel 8: Te betalen belasting en premie volksverzekeringen na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

5.000

0

10.000

0

15.000

355

20.000

1.288

25.000

2.555

30.000

3.823

35.000

5.245

40.000

8.629

45.000

10.791

50.000

12.953

55.000

15.115

60.000

17.277

65.000

19.439

70.000

21.858

75.000

24.458

80.000

27.058

85.000

29.658

90.000

32.258

95.000

34.858

100.000

37.458

105.000

40.058

110.000

42.658

115.000

45.258

120.000

47.858

125.000

50.458

130.000

53.058

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het verloop van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. In de hierna opgenomen figuur 6 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 6: Inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het totaal van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting in tabel en grafiek. In de hierna opgenomen figuur 7 en tabel 9 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 7: Totaal van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s
Tabel 9: Totaal van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AHK+AK+IACK

5.000

3.392

10.000

3.972

15.000

5.696

20.000

7.419

25.000

7.518

30.000

7.587

35.000

7.444

40.000

7.025

45.000

6.605

50.000

6.186

55.000

5.767

60.000

5.347

65.000

4.928

70.000

4.649

75.000

4.469

80.000

4.289

85.000

4.109

90.000

3.929

95.000

3.749

100.000

3.569

105.000

3.389

110.000

3.209

115.000

3.029

120.000

2.849

125.000

2.778

130.000

2.778

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de belastingdruk na aftrek van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting tezamen voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000. In de hierna opgenomen tabel 10 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Tabel 10: Belastingdruk na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in procenten

5.000

0,0%

10.000

0,0%

15.000

0,0%

20.000

0,0%

25.000

7,3%

30.000

12,7%

35.000

17,1%

40.000

21,1%

45.000

24,2%

50.000

26,7%

55.000

28,8%

60.000

30,5%

65.000

31,9%

70.000

33,4%

75.000

34,9%

80.000

36,2%

85.000

37,3%

90.000

38,3%

95.000

39,3%

100.000

40,1%

105.000

40,8%

110.000

41,5%

115.000

42,1%

120.000

42,7%

125.000

43,1%

130.000

43,4%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de te betalen premie en belasting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 zonder de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting en met aftrek van deze drie kortingen. In de hierna opgenomen tabel 11 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Tabel 11: Te betalen belasting en premie volksverzekeringen zonder en met aftrek van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

BEL

BEL-AHK-AK-IACK

5.000

1.828

0

10.000

3.655

0

15.000

5.483

0

20.000

7.311

0

25.000

9.351

1.833

30.000

11.391

3.804

35.000

13.431

5.987

40.000

15.471

8.446

45.000

17.511

10.905

50.000

19.551

13.365

55.000

21.591

15.824

60.000

23.631

18.283

65.000

25.671

20.743

70.000

28.039

23.390

75.000

30.639

26.170

80.000

33.239

28.950

85.000

35.839

31.730

90.000

38.439

34.510

95.000

41.039

37.290

100.000

43.639

40.070

105.000

46.239

42.850

110.000

48.839

45.630

115.000

51.439

48.410

120.000

54.039

51.190

125.000

56.639

53.861

130.000

59.239

56.461

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of in dezelfde tabel en grafiek als op bladzijde 5 van de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2017 de hoogte van de volgende kortingen aangegeven kan worden:

  • –  de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd;
  • –  de arbeidskorting en ouderenkorting;
  • –  de combinatie van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en de arbeidskorting in vergelijking met de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouderenkorting; en
  • –  de combinatie van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd samen met de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting in vergelijking met de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en de ouderenkorting.

In de hierna opgenomen figuren 8, 9, 10 en 11 en tabellen 12, 13, 14 en 15 wordt dit weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 8: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s
Figuur 9: Arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s
Figuur 10: Totaal van de algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en totaal van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s
Figuur 11: Totaal van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en totaal van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s
Tabel 12: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s

Inkomen

2016

2017 was

2017 wordt

2016

2017 was

2017 wordt

 

AHK

AHK

AHK

AHK65

AHK65

AHK65

5.000

2.242

2.206

2.254

1.145

1.112

1.151

10.000

2.242

2.206

2.254

1.145

1.112

1.151

15.000

2.242

2.206

2.254

1.145

1.112

1.151

20.000

2.238

2.205

2.253

1.143

1.112

1.151

25.000

1.997

1.973

2.014

1.020

995

1.028

30.000

1.756

1.741

1.774

897

878

906

35.000

1.515

1.508

1.535

774

761

784

40.000

1.274

1.276

1.296

651

644

662

45.000

1.033

1.044

1.056

528

527

540

50.000

792

812

817

405

410

418

55.000

551

579

578

282

293

296

60.000

309

347

338

159

176

173

65.000

68

115

99

36

59

51

70.000

0

0

0

0

0

0

75.000

0

0

0

0

0

0

80.000

0

0

0

0

0

0

85.000

0

0

0

0

0

0

90.000

0

0

0

0

0

0

95.000

0

0

0

0

0

0

100.000

0

0

0

0

0

0

105.000

0

0

0

0

0

0

110.000

0

0

0

0

0

0

115.000

0

0

0

0

0

0

120.000

0

0

0

0

0

0

125.000

0

0

0

0

0

0

130.000

0

0

0

0

0

0

Tabel 13: Arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s

Inkomen

2016

2017 was

2017 wordt

2016

2017 was

2017 wordt

 

AK

AK

AK

OUK

OUK

OUK

5.000

90

89

89

1.187

1.077

1.292

10.000

400

364

361

1.187

1.077

1.292

15.000

1.785

1.801

1.777

1.187

1.077

1.292

20.000

3.103

3.238

3.192

1.187

1.077

1.292

25.000

3.103

3.269

3.223

1.187

1.077

1.292

30.000

3.103

3.269

3.223

1.187

1.077

1.292

35.000

3.064

3.231

3.131

1.187

1.077

1.292

40.000

2.864

3.051

2.951

70

71

71

45.000

2.664

2.871

2.771

70

71

71

50.000

2.464

2.691

2.591

70

71

71

55.000

2.264

2.511

2.411

70

71

71

60.000

2.064

2.331

2.231

70

71

71

65.000

1.864

2.151

2.051

70

71

71

70.000

1.664

1.971

1.871

70

71

71

75.000

1.464

1.791

1.691

70

71

71

80.000

1.264

1.611

1.511

70

71

71

85.000

1.064

1.431

1.331

70

71

71

90.000

864

1.251

1.151

70

71

71

95.000

664

1.071

971

70

71

71

100.000

464

891

791

70

71

71

105.000

264

711

611

70

71

71

110.000

64

531

431

70

71

71

115.000

0

351

251

70

71

71

120.000

0

171

71

70

71

71

125.000

0

0

0

70

71

71

130.000

0

0

0

70

71

71

Tabel 14: Totaal van de algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en totaal van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s

Inkomen

2016

2017 was

2017 wordt

2016

2017 was

2017 wordt

 

AHK+AK

AHK+AK

AHK+AK

AHK65+OUK

AHK65+OUK

AHK65+OUK

5.000

2.332

2.295

2.343

2.332

2.189

2.443

10.000

2.642

2.570

2.615

2.332

2.189

2.443

15.000

4.027

4.007

4.031

2.332

2.189

2.443

20.000

5.341

5.443

5.446

2.330

2.189

2.443

25.000

5.100

5.242

5.237

2.207

2.072

2.320

30.000

4.859

5.010

4.997

2.084

1.955

2.198

35.000

4.579

4.739

4.666

1.961

1.838

2.076

40.000

4.137

4.327

4.247

721

715

733

45.000

3.696

3.915

3.827

598

598

611

50.000

3.255

3.503

3.408

475

481

489

55.000

2.814

3.090

2.989

352

364

367

60.000

2.373

2.678

2.569

229

247

244

65.000

1.932

2.266

2.150

106

130

122

70.000

1.664

1.971

1.871

70

71

71

75.000

1.464

1.791

1.691

70

71

71

80.000

1.264

1.611

1.511

70

71

71

85.000

1.064

1.431

1.331

70

71

71

90.000

864

1.251

1.151

70

71

71

95.000

664

1.071

971

70

71

71

100.000

464

891

791

70

71

71

105.000

264

711

611

70

71

71

110.000

64

531

431

70

71

71

115.000

0

351

251

70

71

71

120.000

0

171

71

70

71

71

125.000

0

0

0

70

71

71

130.000

0

0

0

70

71

71

Tabel 15: Totaal van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd en totaal van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2016 en 2017 in euro’s

Inkomen

2016

2017 was

2017 wordt

2016

2017 was

2017 wordt

 

AHK+AK+IACK

AHK+AK+IACK

AHK+AK+IACK

AHK65+OUK

AHK65+OUK

AHK65+OUK

5.000

3.378

3.344

3.392

2.332

2.189

2.443

10.000

3.997

3.927

3.972

2.332

2.189

2.443

15.000

5.689

5.672

5.696

2.332

2.189

2.443

20.000

7.311

7.416

7.419

2.330

2.189

2.443

25.000

7.378

7.523

7.518

2.207

2.072

2.320

30.000

7.445

7.599

7.587

2.084

1.955

2.198

35.000

7.348

7.517

7.444

1.961

1.838

2.076

40.000

6.906

7.105

7.025

721

715

733

45.000

6.465

6.693

6.605

598

598

611

50.000

6.024

6.281

6.186

475

481

489

55.000

5.583

5.868

5.767

352

364

367

60.000

5.142

5.456

5.347

229

247

244

65.000

4.701

5.044

4.928

106

130

122

70.000

4.433

4.749

4.649

70

71

71

75.000

4.233

4.569

4.469

70

71

71

80.000

4.033

4.389

4.289

70

71

71

85.000

3.833

4.209

4.109

70

71

71

90.000

3.633

4.029

3.929

70

71

71

95.000

3.433

3.849

3.749

70

71

71

100.000

3.233

3.669

3.569

70

71

71

105.000

3.033

3.489

3.389

70

71

71

110.000

2.833

3.309

3.209

70

71

71

115.000

2.769

3.129

3.029

70

71

71

120.000

2.769

2.949

2.849

70

71

71

125.000

2.769

2.778

2.778

70

71

71

130.000

2.769

2.778

2.778

70

71

71

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de mutatie in de belastingdruk van het belastbare inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting tezamen tussen 2012 en 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in een tabel en een grafiek. Daarnaast vragen deze leden naar de mutatie in de belastingdruk na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting tezamen tussen 2012 en 2017 voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in een tabel en een grafiek. In de hierna opgenomen figuren 12, 13, 14 en 15 en tabellen 16 en 17 wordt dit weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 12: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 in procenten
Figuur 13: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 in procenten
Figuur 14: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd verschil in 2012 en 2017 in procentpunten
Figuur 15: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd verschil tussen 2017 en 2012 in procentpunten
Tabel 16: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 en het verschil tussen 2012 en 2017 in procentpunten

Inkomen

2012

2017

Verschil

5.000

0,0%

0,0%

0,0%

10.000

0,0%

0,0%

0,0%

15.000

4,2%

0,0%

– 4,2%

20.000

7,8%

0,0%

– 7,8%

25.000

13,4%

7,3%

– 6,0%

30.000

17,5%

12,7%

– 4,8%

35.000

20,7%

17,1%

– 3,6%

40.000

23,3%

21,1%

– 2,2%

45.000

25,4%

24,2%

– 1,2%

50.000

27,2%

26,7%

– 0,5%

55.000

28,6%

28,8%

0,2%

60.000

30,3%

30,5%

0,2%

65.000

31,9%

31,9%

0,0%

70.000

33,4%

33,4%

0,0%

75.000

34,6%

34,9%

0,3%

80.000

35,7%

36,2%

0,5%

85.000

36,7%

37,3%

0,7%

90.000

37,5%

38,3%

0,8%

95.000

38,3%

39,3%

1,0%

100.000

39,0%

40,1%

1,1%

105.000

39,6%

40,8%

1,2%

110.000

40,2%

41,5%

1,3%

115.000

40,7%

42,1%

1,4%

120.000

41,1%

42,7%

1,5%

125.000

41,6%

43,1%

1,5%

130.000

42,0%

43,4%

1,5%

Tabel 17: Belastingdruk belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 en het verschil tussen 2012 en 2017 in procentpunten

Inkomen

2012

2017

verschil

5.000

0,0%

0,0%

0,0%

10.000

0,0%

0,0%

0,0%

15.000

3,9%

2,4%

– 1,5%

20.000

7,2%

6,4%

– 0,7%

25.000

10,6%

10,2%

– 0,4%

30.000

12,8%

12,7%

– 0,1%

35.000

14,9%

15,0%

0,1%

40.000

20,2%

21,6%

1,4%

45.000

22,6%

24,0%

1,3%

50.000

24,6%

25,9%

1,3%

55.000

26,2%

27,5%

1,3%

60.000

28,1%

28,8%

0,7%

65.000

29,9%

29,9%

0,0%

70.000

31,5%

31,2%

– 0,3%

75.000

32,8%

32,6%

– 0,2%

80.000

34,0%

33,8%

– 0,2%

85.000

35,1%

34,9%

– 0,2%

90.000

36,0%

35,8%

– 0,2%

95.000

36,9%

36,7%

– 0,2%

100.000

37,6%

37,5%

– 0,2%

105.000

38,3%

38,2%

– 0,2%

110.000

38,9%

38,8%

– 0,2%

115.000

39,5%

39,4%

– 0,2%

120.000

40,0%

39,9%

– 0,1%

125.000

40,5%

40,4%

– 0,1%

130.000

40,9%

40,8%

– 0,1%

Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS met hoeveel de tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting verlaagd hadden kunnen worden als het maximum van de arbeidskorting en het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting niet zouden zijn verhoogd in de periode 2012 tot en met 2017. Het verlagen van het maximum van de arbeidskorting en het maximum van de inkomensafhankelijke combinatiekorting in 2017 naar een niveau dat gelijk is aan de naar 2017 geïndexeerde maximumbedragen vanuit de bedragen die golden in 2012 levert een budgettaire opbrengst op van circa € 10,5 miljard. De mutaties in de afbouw van de arbeidskorting – de verschuivingen in het beginpunt van de afbouw en de volledige afbouw naar nul – zijn daarbij in stand gelaten. Met deze opbrengst kunnen de belastingtarieven in box 1 elk met 2,8%-punt worden verlaagd.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de hoogte van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd voor de periode 2001 tot en met 2017. Deze cijfers zijn voor de periode 2002 tot en met 2017 te vinden in de bijlagen bij de nota naar aanleiding van verslag van het Belastingplan 2017.3 Voor 2001 zijn deze te vinden in de tabellen bij de nota naar aanleiding van verslag van het Belastingplan 2016.4 Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar het niveau van de algemene heffingskorting en arbeidskorting apart en samen voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd voor de periode 2012 tot en met 2017 in tabel en grafiek. In de hierna opgenomen figuren 16, 17 en 18 en tabellen 18, 19 en 20 wordt dit weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.
Figuur 16: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s
Figuur 17: Arbeidskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s
Figuur 18: Totaal algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s
Tabel 18: Algemene heffingskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s

Inkomen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

5.000

934

1.034

1.065

1.123

1.145

1.151

10.000

934

1.034

1.065

1.123

1.145

1.151

15.000

934

1.034

1.065

1.123

1.145

1.151

20.000

934

1.034

1.061

1.121

1.143

1.151

25.000

934

1.034

1.011

1.062

1.020

1.028

30.000

934

1.034

960

1.003

897

906

35.000

934

1.034

910

943

774

784

40.000

934

1.034

859

884

651

662

45.000

934

1.034

808

825

528

540

50.000

934

1.034

758

766

405

418

55.000

934

1.034

707

707

282

296

60.000

934

1.034

693

685

159

173

65.000

934

1.034

693

685

36

51

70.000

934

1.034

693

685

0

0

75.000

934

1.034

693

685

0

0

80.000

934

1.034

693

685

0

0

85.000

934

1.034

693

685

0

0

90.000

934

1.034

693

685

0

0

95.000

934

1.034

693

685

0

0

100.000

934

1.034

693

685

0

0

105.000

934

1.034

693

685

0

0

110.000

934

1.034

693

685

0

0

115.000

934

1.034

693

685

0

0

120.000

934

1.034

693

685

0

0

125.000

934

1.034

693

685

0

0

130.000

934

1.034

693

685

0

0

Tabel 19: Arbeidskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s

Inkomen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

5.000

40

47

46

46

46

45

6.000

114

176

185

183

205

186

7.000

397

571

659

685

911

908

8.000

680

890

1.062

1.132

1.585

1.631

9.000

740

890

1.062

1.132

1.585

1.645

10.000

740

890

1.062

1.132

1.585

1.645

11.000

740

890

1.062

1.132

1.565

1.598

12.000

740

890

1.062

1.132

1.463

1.506

13.000

740

792

975

1.132

1.361

1.414

14.000

712

689

874

1.127

1.259

1.322

15.000

704

585

773

1.025

1.157

1.231

16.000

704

482

672

924

1.055

1.139

17.000

704

379

570

822

953

1.047

18.000

704

284

469

720

851

955

19.000

704

284

368

618

748

863

20.000

704

284

267

516

646

771

21.000

704

284

186

414

544

680

22.000

704

284

186

312

442

588

23.000

704

284

186

210

340

496

24.000

704

284

186

108

238

404

25.000

704

284

186

94

136

312

26.000

704

284

186

94

34

220

27.000

704

284

186

94

0

128

28.000

704

284

186

94

0

37

29.000

704

284

186

94

0

0

30.000

704

284

186

94

0

0

Tabel 20: Totaal algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s

Inkomen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

5.000

974

1.081

1.111

1.169

1.191

1.196

10.000

1.048

1.210

1.250

1.306

1.350

1.337

15.000

1.331

1.605

1.724

1.808

2.056

2.059

20.000

1.614

1.924

2.123

2.253

2.728

2.781

25.000

1.674

1.924

2.073

2.194

2.605

2.673

30.000

1.674

1.924

2.022

2.135

2.482

2.551

35.000

1.674

1.924

1.972

2.075

2.339

2.382

40.000

1.674

1.924

1.921

2.016

2.114

2.168

45.000

1.674

1.826

1.784

1.957

1.889

1.954

50.000

1.646

1.723

1.632

1.893

1.664

1.740

55.000

1.638

1.619

1.480

1.732

1.439

1.526

60.000

1.638

1.516

1.365

1.609

1.214

1.312

65.000

1.638

1.413

1.263

1.507

989

1.098

70.000

1.638

1.318

1.162

1.405

851

955

75.000

1.638

1.318

1.061

1.303

748

863

80.000

1.638

1.318

960

1.201

646

771

85.000

1.638

1.318

879

1.099

544

680

90.000

1.638

1.318

879

997

442

588

95.000

1.638

1.318

879

895

340

496

100.000

1.638

1.318

879

793

238

404

105.000

1.638

1.318

879

779

136

312

110.000

1.638

1.318

879

779

34

220

115.000

1.638

1.318

879

779

0

128

120.000

1.638

1.318

879

779

0

37

125.000

1.638

1.318

879

779

0

0

130.000

1.638

1.318

879

779

0

0

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of een vergelijkend overzicht gegeven kan worden van de totale omvang van de algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd voor de periode 2012 tot en met 2017 in tabel en grafiek. Tevens zien deze leden graag eenzelfde overzicht tegemoet inclusief inkomensafhankelijke combinatiekorting. In de hiervoor opgenomen figuren 16, 17, 18 en tabellen 18, 19 en 20 en de hierna opgenomen figuren 19 en 20 en tabellen 21 en 22 worden de verschillende combinaties van kortingen weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017.

Figuur 19: Totaal algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s
Figuur 20: Totaal algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s
Tabel 21: Totaal algemene heffingskorting en arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s

Inkomen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

5.000

2.120

2.092

2.193

2.293

2.332

2.343

10.000

2.281

2.353

2.468

2.561

2.642

2.615

15.000

2.897

3.159

3.404

3.545

4.027

4.031

20.000

3.513

3.724

4.193

4.419

5.341

5.446

25.000

3.644

3.724

4.093

4.303

5.100

5.237

30.000

3.644

3.724

3.993

4.187

4.859

4.997

35.000

3.644

3.724

3.893

4.071

4.579

4.666

40.000

3.644

3.724

3.793

3.955

4.137

4.247

45.000

3.644

3.534

3.522

3.839

3.696

3.827

50.000

3.584

3.334

3.222

3.714

3.255

3.408

55.000

3.566

3.134

2.922

3.398

2.814

2.989

60.000

3.566

2.934

2.692

3.153

2.373

2.569

65.000

3.566

2.734

2.492

2.953

1.932

2.150

70.000

3.566

2.551

2.292

2.753

1.664

1.871

75.000

3.566

2.551

2.092

2.553

1.464

1.691

80.000

3.566

2.551

1.892

2.353

1.264

1.511

85.000

3.566

2.551

1.733

2.153

1.064

1.331

90.000

3.566

2.551

1.733

1.953

864

1.151

95.000

3.566

2.551

1.733

1.753

664

971

100.000

3.566

2.551

1.733

1.553

464

791

105.000

3.566

2.551

1.733

1.526

264

611

110.000

3.566

2.551

1.733

1.526

64

431

115.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

251

120.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

71

125.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

0

130.000

3.566

2.551

1.733

1.526

0

0

Tabel 22: Totaal algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in de jaren 2012 tot en met 2017 in euro’s

Inkomen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

5.000

3.151

3.124

3.225

3.332

3.378

3.392

10.000

3.512

3.584

3.699

3.800

3.997

3.972

15.000

4.328

4.590

4.835

4.983

5.689

5.696

20.000

5.144

5.355

5.824

6.058

7.311

7.419

25.000

5.475

5.555

5.924

6.142

7.378

7.518

30.000

5.675

5.755

6.024

6.226

7.445

7.587

35.000

5.777

5.857

6.026

6.223

7.348

7.444

40.000

5.777

5.857

5.926

6.107

6.906

7.025

45.000

5.777

5.667

5.655

5.991

6.465

6.605

50.000

5.717

5.467

5.355

5.866

6.024

6.186

55.000

5.699

5.267

5.055

5.550

5.583

5.767

60.000

5.699

5.067

4.825

5.305

5.142

5.347

65.000

5.699

4.867

4.625

5.105

4.701

4.928

70.000

5.699

4.684

4.425

4.905

4.433

4.649

75.000

5.699

4.684

4.225

4.705

4.233

4.469

80.000

5.699

4.684

4.025

4.505

4.033

4.289

85.000

5.699

4.684

3.866

4.305

3.833

4.109

90.000

5.699

4.684

3.866

4.105

3.633

3.929

95.000

5.699

4.684

3.866

3.905

3.433

3.749

100.000

5.699

4.684

3.866

3.705

3.233

3.569

105.000

5.699

4.684

3.866

3.678

3.033

3.389

110.000

5.699

4.684

3.866

3.678

2.833

3.209

115.000

5.699

4.684

3.866

3.678

2.769

3.029

120.000

5.699

4.684

3.866

3.678

2.769

2.849

125.000

5.699

4.684

3.866

3.678

2.769

2.778

130.000

5.699

4.684

3.866

3.678

2.769

2.778

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of ook voor werkende een- en tweeverdieners de belastingdruk kan worden gegeven zoals in het antwoord op vraag 4 naar aanleiding van de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën.5 Voor werkende alleenstaande en alleenverdienende 65-plussers ontvangen zij graag dezelfde informatie. In onderstaande tabellen is het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon weergegeven als percentage van het brutoloon voor de genoemde voorbeeldhuishoudens. De druk op het brutoloon voor een tweeverdienershuishouden is afhankelijk van het al dan niet hebben van jonge kinderen en van de verdeling van het huishoudinkomen tussen twee partners. In deze berekeningen is uitgegaan van huishoudens zonder kinderen en voltijd werken. Beide partners verdienen dan ook ten minste het wettelijke minimumloon (WML). In de voorbeelden van een werkende AOW-gerechtigde is, net als in de andere voorbeelden, uitgegaan van werk in loondienst. Omdat de AOW-uitkering voor een echtpaar hoger ligt dan het WML, kan geen sprake zijn van een inkomen op WML-niveau voor een werkende AOW-gerechtigde eenverdiener.

Belastingdruk IB (%)

van een alleenstaande1

WML

Modaal

2x modaal

3x modaal

2013

19

31

41

46

2017

11

28

41

46

Verschil (%-punt)

– 8

– 2

– 1

0

Noot 1: Deze cijfers wijken iets af van het antwoord op vraag 4 waar de leden naar verwijzen, omdat hier wordt gevraagd naar belastingdruk en in het eerdere antwoord specifiek werd gevraagd naar de effecten van beleid. In die laatste benadering blijft de pensioenpremie buiten beschouwing, waardoor de genoemde percentages lager uitkomen.

Belastingdruk IB (%)

van een eenverdiener

WML

Modaal

2x modaal

3x modaal

2013

12

27

39

45

2017

7

26

39

45

Verschil (%-punt)

– 5

– 1

0

1

Belastingdruk IB (%) van tweeverdieners zonder kinderen

2x WML

Modaal plus

modaal

Modaal plus

2x modaal

2013

19

31

38

2017

11

28

37

Verschil (%-punt)

– 8

– 2

– 1

Belastingdruk IB (%) van een AOW-gerechtigde werkende alleenstaande

WML

Modaal

2x modaal

3x modaal

2013

10

14

32

39

2017

8

16

31

39

Verschil (%-punt)

– 2

+ 2

0

0

Belastingdruk IB (%) van een AOW-gerechtigde werkende eenverdiener

WML

Modaal

2x modaal

3x modaal

2013

 

10

25

35

2017

 

8

25

35

Verschil (%-punt)

 

– 2

0

0

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het budgettaire beslag van de arbeidskorting en van de algemene heffingskorting. Het budgettaire beslag van de arbeidskorting bedraagt in 2017 naar verwachting circa € 18 miljard en het budgettaire beslag van de algemene heffingskorting € 19,7 miljard.

Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS met hoeveel de belastingtarieven in box 1 van de inkomstenbelasting kunnen worden verlaagd als de arbeidskorting wordt afgeschaft en als de algemene heffingskorting wordt afgeschaft. Met de budgettaire opbrengst van het volledig afschaffen van de arbeidskorting kunnen de belastingtarieven in de eerste, tweede, derde en vierde schijf elk met 4,8%-punt worden verlaagd. Met de budgettaire opbrengst van het volledig afschaffen van de algemene heffingskorting kunnen de belastingtarieven in de eerste, tweede, derde en vierde schijf elk met 5,25%-punt worden verlaagd.

Ook vragen de leden van de fractie van 50PLUS met hoeveel de tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd verlaagd kunnen worden als het recht op de arbeidskorting, de algemene heffingskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd worden afgeschaft. In de hierna opgenomen tabel 23 wordt per variant vermeld met hoeveel de tarieven verlaagd kunnen worden. Met deze tariefsverlagingen komt het tarief in de derde en vierde schijf van de inkomstenbelasting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd lager te liggen dan die voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd.

Tabel 23: Afschaffen heffingskortingen en verlaging tarieven belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd

Af te schaffen heffingskorting(en) voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd

Verlaging tarieven in de eerste, tweede, derde en vierde schijf van box 1 inkomstenbelasting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd

Arbeidskorting

– 5,8%-punt

Algemene heffingskorting

– 5,6%-punt

Arbeidskorting en algemene heffingskorting

– 11,4%-punt

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

– 0,7%-punt

Arbeidskorting, algemene heffingskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting

– 12%-punt

De voorgestelde vervanging van deze heffingskortingen door een verlaging van de tarieven in box 1 heeft voor bepaalde groepen belastingplichtigen forse koopkrachtgevolgen en heeft gevolgen voor de arbeidsparticipatie.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of een volledig overzicht gegeven kan worden van de leeftijdsafhankelijke fiscale regelingen waarbij 65 jaar het unieke beslissende criterium is en welke bedragen dan van toepassing zijn voor 65-minners respectievelijk 65-plussers. Ook vragen deze leden of per regeling gemotiveerd kan worden waarom dit verschil in leeftijd wordt gemaakt en waarom de bedragen vaak eenvoudigweg worden gehalveerd voor 65-plussers. Deze leden geven als voorbeelden van gehalveerde bedragen de bedragen van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de zelfstandigenaftrek. Tot slot vragen deze leden wat de budgettaire derving is als voor 65-plussers dezelfde bedragen zouden gelden als voor 65-minners.

Omdat deze leden naar mag worden aangenomen doelen op het onderscheid tussen belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt en belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, worden hieronder de fiscale regelingen opgesomd waarin onderscheid wordt gemaakt tussen belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt en andere belastingplichtigen.

AOW-premie en heffingskortingen

Belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, betalen geen AOW-premie meer. Dit heeft als gevolg dat het gecombineerde tarief van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen in de eerste en tweede schijf voor die belastingplichtigen een stuk lager is dan voor belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. De hoogte van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting is gekoppeld aan de hoogte van het gecombineerde tarief in de eerste schijf. De AOW-premie bedraagt in 2017 17,90%. Het gecombineerde tarief in de eerste schijf voor zowel de inkomstenbelasting als de premie voor de volksverzekeringen is in 2017 36,55%. Een belastingplichtige die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, ontvangt voor het belastingjaar 2017 18,65/36,55 deel (iets meer dan de helft) van de hiervoor genoemde kortingen, indien de belastingplichtige aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor deze kortingen voldoet. Belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, zouden ook het AOW-deel van de genoemde kortingen ontvangen, als zij AOW-premie zouden betalen. Dit zou per saldo een budgettaire opbrengst opleveren van circa € 4,7 miljard.

Ouderenkorting

De ouderenkorting geldt alleen voor belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De alleenstaande ouderenkorting geldt alleen voor alleenstaande belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Beide kortingen zijn gericht op ondersteuning van de koopkracht van ouderen. Indien deze kortingen zouden worden afgeschaft, dan zou dit een budgettaire opbrengst opleveren van bijna € 3,4 miljard.

Zelfstandigenaftrek

Indien een ondernemer, die aan het zogenoemde urencriterium voldoet bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek € 7.280 (cijfer 2017), hetgeen voor zogenoemde starters onder voorwaarden te verhogen is met de zogenoemde startersaftrek ten bedrage van € 2.123 (cijfer 2017). Indien de ondernemer die aan het urencriterium voldoet, bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd wel heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag van de zelfstandigenaftrek en eventuele startersaftrek van de kwalificerende ondernemers die bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. De zelfstandigenaftrek heeft, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, met name tot doel tegemoet te komen aan de specifieke functies van het winstinkomen bij zelfstandigen, te weten consumeren, investeren en reserveren. Bij ondernemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, zal de behoefte aan die reserveringsmogelijkheden in de regel minder dringend zijn. De AOW-gerechtigde ondernemer heeft immers met de AOW een inkomensbron die hij kan aanspreken.

Het verhogen van de zelfstandigenaftrek voor AOW-gerechtigde ondernemers tot het niveau van de aftrek voor andere ondernemers heeft een budgettaire derving van € 70 miljoen tot gevolg (afgezien van het effect op de toeslagen).

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt voor de (startende) ondernemer dat deze bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet mag hebben bereikt. Op deze manier wordt voor deze groep deelname aan het arbeidsproces bevorderd. Voor zover de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt, is een dergelijke stimulans niet (meer) nodig. Deze aftrek bedraagt onder voorwaarden de eerste keer maximaal € 12.000, maar niet meer dan hetgeen aan winst is genoten, de tweede keer maximaal € 8.000 en de derde keer maximaal € 4.000. Het recht op aftrek is gekoppeld aan het recht op een kwalificerende arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien deze aftrek ook voor AOW-gerechtigden zou worden opengesteld zou een derving van ten hoogste € 1 miljoen optreden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoeveel personen hun ouderenkorting niet volledig kunnen verzilveren. Ook vragen zij hoeveel personen niet profiteren van de stijging van de ouderenkorting voor lagere inkomens zoals voorzien in het Belastingplan 2017. Naar verwachting kunnen in 2017 circa 700 duizend belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd de ouderenkorting niet volledig verzilveren. Zij profiteren dus niet van deze verhoging. Verder vragen deze leden naar hoeveel van het totale recht aan algemene heffingskorting van belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd niet verzilverd kan worden. Naar verwachting kan in 2017 1% van het totale recht aan algemene heffingskorting van belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd niet verzilverd worden. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de algemene heffingskorting als eerste wordt verzilverd.

Het kabinet heeft ervoor gekozen om in 2017 maatregelen te nemen om de koopkracht van met name ouderen en uitkeringsgerechtigden te repareren, omdat deze groepen achter dreigden te blijven in koopkrachtontwikkeling. In de besluitvorming over de koopkracht wordt rekening gehouden met de het feit dat sommige personen heffingskortingen niet kunnen verzilveren. Daarom zijn er naast de verhoging van de ouderenkorting en de algemene heffingskorting ook andere maatregelen genomen die grotendeels ten goede zijn gekomen aan ouderen. Zo worden de zorgtoeslag en de huurtoeslag verhoogd. Overigens profiteren gepensioneerden over het algemeen wel volledig van de verhoging van de algemene heffingskorting door de netto-nettokoppeling.

Daarnaast vragen deze leden vanaf welk verzamelinkomen een belastingplichtige de ouderenkorting volledig kan verzilveren. Een alleenstaande belastingplichtige vanaf de pensioengerechtigde leeftijd kan met een volledige AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen de ouderenkorting geheel verzilveren. Om de alleenstaande ouderenkorting volledig te kunnen verzilveren, heeft deze belastingplichtige een aanvullend pensioen nodig van circa € 725 per jaar naast een volledige AOW-uitkering. Een belastingplichtige vanaf de pensioengerechtigde leeftijd die een partner heeft, kan vanaf een aanvullend pensioen van circa € 2.935 per jaar naast een volledige kale AOW-uitkering de ouderenkorting geheel verzilveren.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de budgettaire effecten van een aantal verhogingen van de inkomensgrens waarop de ouderenkorting daalt. In de hierna opgenomen tabel 24 worden de budgettaire effecten ten opzichte van het Belastingplan 2017 vermeld van het verhogen van de inkomensgrens voor de ouderenkorting naar € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000. De budgettaire effecten gelden voor 2017.

Tabel 24: Budgettaire effect verhogingen inkomensgrens ouderenkorting

Inkomensgrens ouderenkorting in €

Budgettair effect in 2017 in mln. €

40.000

– 160

45.000

– 300

50.000

– 385

55.000

– 450

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de budgettaire effecten van verschillende varianten waarin de ouderenkorting geleidelijker wordt afgebouwd. In de hierna opgenomen tabel 25 worden de budgettaire effecten ten opzichte van het Belastingplan 2017 vermeld van een geleidelijkere afbouw van de ouderenkorting voor lagere inkomens tot het bedrag voor hogere inkomens waarbij het afbouwpunt komt te liggen op € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000. De budgettaire effecten gelden voor 2017.

Tabel 25: Budgettaire effect geleidelijke afbouw ouderenkorting

Ouderenkorting € 71 bij een inkomen in box 1 vanaf in €

Afbouwpercentage

Budgettair effect in 2017 in mln. €

40.000

30,974%

– 70

45.000

13,655%

– 140

50.000

8,758%

– 200

55.000

6,446%

– 240

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de budgettaire effecten van een structurele verhoging van de ouderenkorting die geldt vanaf een verzamelinkomen van € 36.057 van € 71 naar € 150. Een dergelijke verhoging leidt tot een budgettaire derving van € 45 miljoen in 2017.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of een volledig overzicht gegeven kan worden van de besluiten van het kabinet over de ouderenkorting in de Belastingplannen 2015, 2016 en 2017 met voor elk jaar de voorgestelde respectievelijk besloten mutaties.

Hieronder worden per Belastingplan deze mutaties opgesomd. Op blz. 14 en 15 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2017 wordt in tabelvorm een overzicht gegeven van alle mutaties van de ouderenkorting in de periode 2015–2017.6

Belastingplan 2015

Op grond van het Belastingplan 2015 is de ouderenkorting met ingang van 2016 zowel voor de lagere als de hogere inkomens met € 83 verlaagd. Er zat geen verschil tussen de in het wetsvoorstel Belastingplan 2015 voorgestelde mutatie van de ouderenkorting en de uiteindelijk ingevolge het Belastingplan 2015 per 2016 doorgevoerde mutatie.

Belastingplan 2016

Op grond van het Belastingplan 2016 is de ouderenkorting voor lagere inkomens met ingang van 2016 met € 222 verhoogd, waarbij deze verhoging met ingang van 2017 deels wordt teruggedraaid door de ouderenkorting voor lagere inkomens met € 114 te verlagen. In het wetsvoorstel Belastingplan 2016, zoals dat ten tijde van de indiening bij de Tweede Kamer luidde, zou de verhoging van de ouderenkorting met ingang van 2017 geheel worden teruggedraaid.

Belastingplan 2017

Het wetsvoorstel Belastingplan 2017 bevat een verhoging van de ouderenkorting met ingang van 2017 van € 215.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar een overzicht van alle lastenmutaties in de periode 2012–2017 die een effect hebben gehad op pensioengerechtigden en om daarbij aan te geven welk deel van het budgettaire beslag toeziet op pensioengerechtigden. Voor de jaren 2015 en 2016 verwijs ik deze leden naar het lastenoverzicht dat gemaakt is in de antwoorden op blz. 22 en 23 van de memorie van antwoord bij het Belastingplan 2016. Het is ongebruikelijk om bij een overzicht van de inkomensontwikkeling van een bepaalde inkomens- of leeftijdsgroep een uitsplitsing van het budgettaire beslag van lastenmutaties te maken, omdat hierbij de lastenmutaties niet worden gerelateerd aan de grootte en de inkomenspositie van een bepaalde groep. Het kabinet kijkt daarom naar het koopkrachteffect van de maatregelen. Voor het effect van beleid op de koopkrachtontwikkeling van pensioengerechtigden in de periode 2012–2017 verwijs ik de leden van de fractie van 50PLUS naar een recente studie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de koopkrachtontwikkeling in deze kabinetsperiode.7

2.2. Inkomensbeleid

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de hoge marginale druk door inkomensafhankelijke afbouw van heffingskortingen en toeslagen en hoe dat te rijmen valt met het draagkrachtbeginsel. Daarnaast vragen zij naar de houdbaarheid van het stelsel. De afbouw van toeslagen is juist ingegeven vanuit het draagkrachtprincipe en zorgt ervoor dat huishoudens met hoge inkomens geen inkomensondersteuning ontvangen. De afbouw van de arbeidskorting is ingegeven vanuit doelmatigheidsoverwegingen, omdat een arbeidskorting het meest effectief is als deze wordt gericht op de onderkant van de arbeidsmarkt. Het inkomensafhankelijk maken van de algemene heffingskorting is ingegeven vanuit budgettaire overwegingen. De inkomensafhankelijke afbouwtrajecten zorgen voor een hogere marginale druk, met name voor huishoudens die te maken hebben met een stapeling van inkomensafhankelijke regelingen. Het kabinet heeft aangekondigd dat er een onderzoek komt naar de marginale druk naar aanleiding van onder meer een motie van de heer Omtzigt in de Tweede Kamer en de heer Schalk in de Eerste Kamer. Tijdens de AFB had ik toegezegd om uw Kamer nader te informeren over dit door SZW uit te voeren onderzoek. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is voornemens een brief over dit onderzoek aan uw kamer te sturen vóór de mondelinge behandeling van het Belastingplan.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar een cijfermatig overzicht van het totaal aan recht op heffingskortingen dat niet verzilverd kan worden. In de hierna opgenomen tabel wordt per heffingskorting voor het jaar 2017, uitgaande van doorgang van het Belastingplan 2017, het macrototaal aan heffingskorting dat niet kan worden verzilverd weergegeven, uitgedrukt in miljoenen euro’s en uitgedrukt als percentage van het macrototaal aan recht op heffingskorting. Bij de arbeidskorting, de algemene heffingskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting is ook rekening gehouden met het verzilveren van de heffingskorting tegen het inkomen van een eventuele partner. Voor de berekening is ervan uitgegaan dat de kortingen worden verrekend in de volgorde zoals in de hierna opgenomen tabel is aangegeven. In 2017 kan er in totaal circa € 3,7 miljard aan heffingskortingen niet verzilverd worden. Dat is circa 7,6% van het totaal aan recht op heffingskortingen. Het overgrote deel daarvan bestaat uit onvergolden algemene heffingskorting. Dit hangt vooral samen met het feit dat het loon van jongeren, studenten en andere groepen deeltijders vanwege de beperkte arbeidsparticipatie onvoldoende is om deze heffingskorting geheel te kunnen verzilveren. Verder speelt dat niet-werkende partners binnen eenverdienerhuishoudens maar een deel van hun algemene heffingskorting kunnen verzilveren tegen het partnerinkomen. Dit beleid is gericht op het vergroten van de arbeidsparticipatie.

Tabel 26: Onvergolden heffingskortingen

Korting

Niet verzilverd in mln. €

Niet verzilverd als % van totaal aan recht heffingskorting

Algemene heffingskorting

2.950

13,0%

Arbeidskorting

250

1,3%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

50

2,7%

Ouderenkorting

400

12,6%

Alleenstaande ouderenkorting

50

10,5%

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen te reflecteren op het gevoerde fiscale beleid in deze kabinetsperiode vanuit het perspectief van de verschillende doelgroepen met een gelijk huishoudinkomen, gelet op zowel de totale als marginale belastingdruk. Naar de mening van het kabinet is bij de vergelijking van belastingdruk het huishoudinkomen niet het juiste uitgangspunt. Belastingheffing vindt plaats op het niveau van het individu, wat impliceert dat de belastingdruk van individuen moet worden vergeleken. Daarnaast geldt voor marginale druk dat die afhankelijk is van welke persoon in het huishouden een extra verdiende euro verdient (en hoe) en dat marginale druk op huishoudniveau dus geen relevant begrip is. Dat gezegd hebbende zijn er verschillen in gemiddelde belastingdruk, of er nu wordt gekeken naar verschillende huishoudens met een gelijk inkomen of verschillende individuen met een gelijk inkomen. Dit zijn uitkomsten van het stimuleren of ontzien van specifieke groepen. Hieraan liggen verschillende beleidsdoelen ten grondslag. Zo is er een specifieke heffingskorting voor ouderen. Mensen met lage inkomens worden ontzien door de algemene heffingskorting. Werken wordt gestimuleerd door de arbeidskorting, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Voor ouders met jonge kinderen wordt werken daarnaast nog extra gestimuleerd door middel van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Verder wordt ook ondernemerschap gestimuleerd door de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en, specifiek voor startende ondernemers, de startersaftrek.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar grafieken van de op- en/of afbouwpaden van alle heffingskortingen en toeslagen in 2012 en 2017. Hiervoor verwijs ik de leden graag naar het recent verschenen rapport Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017 van de Minister van SZW. Hierin zijn figuren met het afbouwtraject van alle heffingskortingen en toeslagen opgenomen, behalve de huurtoeslag.8 Het afbouwpad van de huurtoeslag in respectievelijk 2012 en 2017 is te zien in figuur 21 en 22. De grafiek van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting is echter niet correct in het rapport opgenomen. Figuur 23 laat het juiste afbouwtraject in 2012 en 2017 zien. De cumulatie van verschillende inkomensafhankelijke afbouwtrajecten kan leiden tot een hoge marginale druk. Dit wordt betrokken bij het aangekondigde onderzoek naar de spreiding van de marginale druk naar aanleiding van moties in de Eerste en Tweede Kamer (motie Schalk en motie Omtzigt). Hierbij zullen ook specifieke voorbeelden (voorbeeldhuishoudens) in beeld worden gebracht.
Figuur 21: Inkomensafhankelijke afbouw van de huurtoeslag in 20121

1 EP/MP staat voor eenpersoonshuishouden/meerpersoonshuishouden. Het getal staat voor de hoogte van de huur.

Figuur 22: Inkomensafhankelijke afbouw van de huurtoeslag in 20171

1 EP/MP staat voor eenpersoonshuishouden/meerpersoonshuishouden. Het getal staat voor de hoogte van de huur.

Figuur 23: Algemene heffingskorting in 2012 en 2017 in euro’s

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een toelichting op de rationaliteit achter de ontwikkeling van de verschillende op- en afbouwpaden gedurende deze kabinetsperiode, waarom heffingskortingen afgebouwd worden op de manier waarop ze worden afgebouwd, in hoeverre daarbij geoptimaliseerd is op het totaal aan heffingskortingen (en toeslagen), welke verhouding het kabinet voor ogen (had) met betrekking tot de hoogte van de schijftarieven en de hoogte van de heffingskortingen en hoe het kabinet de huidige verhouding daartussen beoordeelt.

Het beleid van dit kabinet is deze kabinetsperiode gericht geweest op een aantal pijlers: het op orde brengen van de overheidsfinanciën, eerlijk delen en werken moet lonen. De aanpassingen die plaatsgevonden hebben in de heffingskortingen en tarieven zijn het gevolg van een of meer van deze pijlers. Zo zijn de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting verhoogd ter bevordering van de arbeidsparticipatie van met name de lagere inkomens. Verder zijn de algemene heffingskorting en arbeidskorting (meer) afgebouwd en de tarieven aangepast om de schatkist op orde te brengen en tot een evenwichtig inkomensbeeld te komen. Voor het inkomensbeeld wordt naar het totale koopkrachtbeeld gekeken, waarbij alle heffingskortingen en toeslagen meegenomen worden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke onderdelen van het belastingstelsel zijn gebaseerd op een individuele benadering en welke op een huishoudenbenadering en in hoeverre hier meer consistentie mogelijk is. Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in het Nederlandse belastingstelsel is de sinds de jaren zeventig ingezette ontwikkeling naar een grotere mate van verzelfstandiging. Tot en met 1972 werden alle inkomensbestanddelen van een getrouwde vrouw nog aan haar man toegerekend. Sindsdien zijn stappen richting een meer individuele invulling van het belastingstelsel gezet. Belangrijke stappen hierin waren bijvoorbeeld de herziening van de Wet inkomstenbelasting in 2001, waar is gekozen voor verdere individualisering van het belastingstelsel met als doelstelling onder meer de bevordering van de emancipatie, economische zelfstandigheid en arbeidsparticipatie9, en het besluit van het kabinet Balkenende IV om de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner geleidelijk af te bouwen. Tegenwoordig wordt in beginsel het inkomen van beide partners individueel belast. De belastbare winst, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen worden belast bij de belastingplichtige die deze inkomsten geniet.

Huishoudinkomen wordt nog wel als maatstaf voor draagkracht gebruikt waarop eventuele inkomensondersteuning, hoofdzakelijk via toeslagen, wordt gebaseerd.

Toch is de inkomstenbelasting niet helemaal individueel. Er geldt een keuzeregime voor partners ten aanzien van de verdeling van gemeenschappelijke inkomen (belastbaar inkomen uit eigen woning, belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en de persoonsgebonden aftrek) en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (box 310). Verder zijn er enkele uitzonderingen in de sfeer van de heffingskortingen. De inkomensafhankelijke combinatiekorting is afhankelijk van voorwaarden die niet individueel zijn (arbeidsinkomen van de partner en een inwonend kind onder de 12 jaar). Ten slotte geldt dat de mate waarin fiscale partners gebruik kunnen maken van hun heffingskortingen (deels) afhangt van het inkomen van de andere partner. Dit geldt voor de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Dat de heffing van de inkomstenbelasting niet geheel op individueel inkomen gebaseerd is heeft verschillende redenen. Sommige uitzonderingen zijn erfenissen uit de tijd dat het nog niet gebruikelijk was dat beide partners werkten en economisch zelfstandig waren, zoals de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. Andere uitzonderingen zijn bewuste keuzes om bepaalde specifieke doelen te bereiken. De inkomensafhankelijke combinatiekorting is hier een voorbeeld van. Deze regeling heeft als doelstelling de arbeidsparticipatie te vergroten door middel van een financiële stimulans voor de minstverdienende partner. De minstverdienende partner is in zijn of haar arbeidsaanbod in de regel namelijk vatbaarder voor financiële prikkels dan de meestverdienende partner. Verder voorkomt het keuzeregime voor gemeenschappelijk inkomen complexe juridische problematiek, die de uitvoering zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst onnodig zwaar zou belasten. Verdere stappen richting een stelsel waarbij inkomen op het niveau van het individu wordt belast, zijn aan een volgend kabinet. Een mogelijke vervolgstap hierbij kan het afschaffen of afbouwen van de uitbetaling van de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting tegen het partnerinkomen zijn, zoals de leden van de fractie van de ChristenUnie aangeven. Deze maatregel zorgt voor meer consistentie binnen het stelsel dat is gebaseerd op het belasten van individuele inkomens en zal daarnaast naar verwachting ook een positief effect hebben op de werkgelegenheid.

In dit verband heeft het kabinet naar aanleiding van amendement Schouten toegezegd het stapsgewijs afschaffen van de uitbetaling van het niet-verzilverbare deel van arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting te zullen betrekken bij het nadenken over het Belastingplan 2018. Het betreft een verschuiving die majeur is en goed moet worden doordacht. Of het daadwerkelijk terugkomt in het Belastingplan 2018 is mede afhankelijk van de uitkomsten van de formatie.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kan dat in het ene jaar het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie centraal staat en in het andere jaar koopkrachtontwikkeling centraal staat. Vorig jaar heeft het kabinet gekozen voor lastenverlichting voor werkenden, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, om zo de armoedeval en de wig te verkleinen en het economische herstel te verstevigen. Hierdoor zijn werkenden met lagere inkomens er in koopkracht flink op vooruitgegaan. Het kabinet streeft daarnaast altijd naar een evenwichtige koopkrachtontwikkeling. Daarom heeft het kabinet er dit jaar voor gekozen de koopkracht van niet-werkenden te repareren. In 2017 dreigden met name uitkeringsgerechtigden en ouderen achter te blijven in koopkracht. Het kabinet heeft daarom structureel extra geld uitgetrokken om deze groepen tegemoet te komen. Voor de dekking van de koopkrachtreparatiemaatregelen zijn enkele lastenverzwarende maatregelen in het koopkrachtpakket opgenomen wat een negatief effect heeft op de structurele werkgelegenheid.

Het vijfmiljardpakket heeft ervoor gezorgd dat de arbeidsmarktprikkels sterk zijn verbeterd en het pakket heeft geleid tot een hoger besteedbaar inkomen voor met name werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De wig en de armoedeval zijn lager geworden door het stimuleringspakket, waardoor werken meer is gaan lonen. Daarnaast wordt het vanaf 2017 voor werkgevers aantrekkelijker om lager betaalden in dienst te nemen, dankzij het lage-inkomensvoordeel dat zij dan krijgen. Ook in 2017 verbeteren de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval weer ten opzichte van 2016. Het vijfmiljardpakket is dus niet tevergeefs geweest, of teniet gedaan door de koopkrachtreparatie, maar heeft er daadwerkelijk voor gezorgd dat de arbeidsmarktprikkels zijn verbeterd.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet in te gaan op de visie van Stevens en Lejour op de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. Stevens en Lejour geven in hun boek aan dat de mogelijkheid tot uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner van meet af aan een twistpunt is geweest tussen de aanhangers van het draagkrachtbeginsel op gezinsniveau en de voorstanders van een draagkrachttoepassing op individuele basis. Het kabinet is van mening dat de belastingheffing zo veel mogelijk op het niveau van het individu moet plaatsvinden en de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner past bij deze visie.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet om een tabel met de cumulatieve koopkracht over 2012–2017, zoals in bijlage 1 van het rapport Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017, waarbij het inkomensniveau is ingedeeld in vier kwartielen. De gewenste uitsplitsing kan binnen de gestelde beantwoordingtermijn niet worden gemaakt. Het kabinet zal deze vraag bij de nota naar aanleiding van het verslag beantwoorden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar aanleiding van eerdere antwoorden bij de AFB op 22 november 2016 over het gemiddelde inkomen, of het bezwaar van de gemiddelde methode kan worden ondervangen door de uitschieters naar boven te elimineren. Het elimineren van de uitschieters naar boven is op zichzelf een redelijke methode om enig zicht te krijgen op het inkomen van een doorsneehuishouden. Het probleem met de beantwoording van de gestelde vragen is dan ook niet methodologisch, maar wel praktisch van aard. De noodzakelijke achterliggende inkomensgegevens die aan de op CBS Statline beschikbare gemiddelden ten grondslag liggen, zijn niet openbaar beschikbaar. Daardoor kan de gevraagde bewerking niet binnen de termijn voor het beantwoorden van de vragen worden uitgevoerd.

Om de vragen van de fractie van 50PLUS toch zo nauwkeurig mogelijk te beantwoorden is ervoor gekozen ook het mediane inkomen weer te geven. De mediaan is in de wetenschappelijke wereld een breed gedragen maatstaf om een betrouwbare indruk te krijgen van het doorsneecijfer van een verdeling met grote uitschieters. Deze methode houdt ook rekening met de aanwezigheid van huishoudens met hoge inkomens, maar corrigeert in feite voor de extremen daarin.

De hierna opgenomen tabel 26 met de berekening van het gemiddelde is gedaan op basis van een andere – niet openbare – bron van het CBS, namelijk het Inkomens Panel Onderzoek (IPO). Het IPO is een representatieve steekproef met inkomensgegevens van 90.000 Nederlandse huishoudens. Op basis van deze dataset komt het gemiddelde inkomen zonder de inkomens boven € 100.000 nog steeds hoger uit dan het mediane inkomen. Dit laat zien dat de mediaan goed corrigeert voor uitschieters in de verdeling.

Tabel 27

brutoinkomen

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar (x 1.000)

Hoofd kostwinner 65 jaar of ouder (x 1.000)

Hoofd kostwinner 75 jaar of ouder (x 1.000)

Tot 10.000 euro

32

10

3

10.000 tot 20.000 euro

168

365

222

20.000 tot 30.000 euro

199

608

329

30.000 tot 40.000 euro

189

377

146

40.000 tot 50.000 euro

199

210

73

50.000 tot 75.000 euro

450

244

78

75.000 tot 100.000 euro

348

79

21

100.000 euro of meer

495

68

14

Gemiddeld inkomen

€ 60.000

€ 36.000

€ 30.000

Mediaan inkomen

€ 46.000

€ 28.000

€ 24.000

Gemiddeld inkomen bij groep met inkomen tot 100.000 euro

€ 53.000

€ 32.000

€ 28.000

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70958NED&D1=0&D2=1&D3=a&D4=38-43&D5=l&VW=T, Gemiddelde en mediaan inkomen: SZW-berekeningen

In aanvulling op de antwoorden op de vragen over het gemiddelde inkomen vragen de leden van de fractie van 50PLUS om de totale populatie van elk van de drie groepen aan te geven en de percentages die bij elke populatie van de gepresenteerde inkomens behoren. In de hierna opgenomen tabel 27 staat in de laatste regel de totale omvang van het aantal huishoudens naar leeftijd van de hoofdkostwinner weergegeven. De percentuele onderverdeling naar inkomens binnen de drie leeftijdsgroepen is in de regels daarboven opgenomen. Van de 2,08 miljoen huishoudens waarvan de hoofdkostwinner tussen 50 en 65 jaar is, heeft volgens het CBS dus 22% een inkomen tussen € 50.000 en € 75.000.

Tabel 28

brutoinkomen

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar

Hoofdkostwinner 65 jaar of ouder

Hoofdkostwinner 75 jaar of ouder

Tot 10.000 euro

2%

1%

0%

10.000 tot 20.000 euro

8%

19%

25%

20.000 tot 30.000 euro

10%

31%

37%

30.000 tot 40.000 euro

9%

19%

16%

40.000 tot 50.000 euro

10%

11%

8%

50.000 tot 75.000 euro

22%

12%

9%

75.000 tot 100.000 euro

17%

4%

2%

100.000 euro of meer

24%

3%

2%

Totale omvang populatie

2.080.000

1.961.000

886.000

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70958NED&D1=0&D2=1&D3=a&D4=38-43&D5=l&VW=T

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar aanleiding van het gegeven overzicht over vermogen in antwoord op vragen bij de AFB, nogmaals om de uitschieter naar boven te elimineren van het vermogen boven € 500.000 respectievelijk € 2 miljoen. Zoals in de eerdere beantwoording reeds aangegeven publiceert het CBS geen exacte cijfers van het gemiddeld vermogen zonder vermogens boven € 500.000 of € 2 miljoen. Uit verschillende tabellen is dit bij benadering wel af te leiden. Op basis van het totale vermogen en het aantal huishoudens per vermogensgroep, kan het gemiddelde zonder hoogste vermogens worden afgeleid. Omdat de omvang en het totale vermogen van de groep met een vermogen boven € 2 miljoen onbekend is, is een grens van € 1 miljoen genomen. Overigens is het hierbij belangrijk te benadrukken dat dit een grove benadering van het gemiddelde is. In de eerdere beantwoording is ervoor gekozen om, net als bij de verdeling van het inkomen, de mediaan van het vermogen weer te geven. De mediaan corrigeert sterker voor uitschieters aan de bovenkant dan bij het gemiddelde vermogen met het elimineren van de vermogens boven respectievelijk € 500.000 en € 1 miljoen kan worden gerealiseerd.

Tabel 29
 

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar (x 1.000)

Hoofdkostwinner 65 jaar of ouder (x 1.000)

Hoofdkostwinner 75 jaar of ouder (x 1.000)

Gemiddeld vermogen zonder vermogens boven 500.000

97.000

113.000

232.000

Gemiddeld vermogen zonder vermogens boven 1.000.000

131.000

152.000

316.000

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80055NED&D1=2&D2=11-34&D3=48-53&D4=l&HDR=G2,T&STB=G1,G3&VW=T, en http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80048NED&D1=5,7&D2=0&D3=31,38-43&D4=l&HDR=G2,T&STB=G1,G3&VW=T

In aanvulling hierop vragen de leden van de fractie van 50PLUS aan te geven wat de waarde van het nettovermogen van de eigen woning is (waarde minus hypotheek) bij elk van de vermogensgroepen. Daarbij vragen deze leden ook weer te geven wat de totale populatie en de verdeling over de populatie van elk van de drie groepen van de bezitters van een eigen woning is. Het CBS publiceert de uitsplitsing naar vermogensdeel per vermogensklasse alleen voor alle Nederlandse huishoudens als totaal, en niet uitgesplitst naar leeftijdsklasse en bezit van eigen woning. In de hierna opgenomen tabel 29 is de uitsplitsing naar vermogensdeel per vermogensklasse voor Nederland als geheel weergegeven. Verder is onderaan de tabel de onderverdeling naar vermogensdeel voor de gevraagde leeftijdscategorieën als geheel weergegeven.

Tabel 30

Vermogen

Huishoudens

Gemiddeld vermogen

 

Aantal (x 1.000)

Percentage

Totaal (x 1.000)

Eigen woning (x 1.000)

tot – 10.000 euro

939

13%

-65

-65

– 10.000 tot – 5.000 euro

75

1%

-8

-22

– 5.000 tot 0 euro

77

1%

-2

-16

0 tot 5.000 euro

1.872

25%

1

-1

5.000 tot 10.000 euro

385

5%

7

-2

10.000 tot 20.000 euro

423

6%

15

-1

20.000 tot 30.000 euro

299

4%

25

1

30.000 tot 40.000 euro

191

3%

35

5

40.000 tot 50.000 euro

160

2%

45

10

50.000 tot 60.000 euro

139

2%

55

17

60.000 tot 70.000 euro

128

2%

65

24

70.000 tot 80.000 euro

118

2%

75

32

80.000 tot 90.000 euro

111

1%

85

39

90.000 tot 100.000 euro

109

1%

95

47

100.000 tot 125.000 euro

255

3%

112

61

125.000 tot 150.000 euro

239

3%

137

79

150.000 tot 175.000 euro

219

3%

162

99

175.000 tot 200.000 euro

196

3%

187

116

200.000 tot 250.000 euro

323

4%

224

139

250.000 tot 300.000 euro

241

3%

274

165

300.000 tot 400.000 euro

322

4%

346

198

400.000 tot 500.000 euro

189

3%

446

232

500.000 tot 1 miljoen euro

313

4%

677

279

1 miljoen euro en meer

157

2%

2.707

329

Totale populatie

7.480

     

Hoofd kostwinner 50 tot 65 jaar

2.058

28%

209

74

Hoofd kostwinner 65 jaar en ouder

1.899

25%

244

106

Hoofd kostwinner 75 jaar en ouder

857

11%

220

97

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=0,2,4&D2=31,131–154&D3=0,9,l&D4=l&HDR=G3,T,G2&STB=G1&VW=T

Vervolgens vragen deze leden wat de totale populatie van elk van de drie groepen is en de percentages die bij elke populatie van de drie groepen behoren van het gepresenteerde vermogen, inclusief eigen woning en exclusief eigen woning. In de hierna opgenomen tabel 30 staat in de laatste regel de totale omvang van het aantal huishoudens naar leeftijd van de hoofdkostwinner weergegeven. De aantallen wijken iets af van de aantallen bij het antwoord op de vraag om de totale populatie van elk van de drie groepen aan te geven en de percentages die bij elke populatie van de gepresenteerde inkomens behoren, aangezien het CBS niet van iedereen het vermogen (betrouwbaar) in beeld heeft. De percentuele onderverdeling naar vermogens binnen de drie leeftijdsgroepen is in de regels daarboven opgenomen. De onderverdeling naar bezit van de eigen woning is helaas niet te maken op basis van cijfers op CBS Statline.

Tabel 31

Vermogen

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar (x 1.000)

Hoofdkostwinner 65 jaar of ouder (x 1.000)

Hoofdkostwinner 75 jaar of ouder (x 1.000)

tot – 10.000 euro

8%

1%

0%

– 10.000 tot – 5.000 euro

1%

0%

0%

– 5.000 tot 0 euro

1%

0%

0%

0 tot 5.000 euro

20%

18%

18%

5.000 tot 10.000 euro

4%

6%

7%

10.000 tot 20.000 euro

4%

6%

8%

20.000 tot 30.000 euro

3%

5%

7%

30.000 tot 40.000 euro

2%

3%

3%

40.000 tot 50.000 euro

2%

2%

2%

50.000 tot 60.000 euro

2%

2%

2%

60.000 tot 70.000 euro

2%

2%

2%

70.000 tot 80.000 euro

2%

1%

1%

80.000 tot 90.000 euro

2%

1%

1%

90.000 tot 100.000 euro

2%

1%

1%

100.000 tot 125.000 euro

5%

4%

3%

125.000 tot 150.000 euro

4%

4%

3%

150.000 tot 175.000 euro

4%

4%

4%

175.000 tot 200.000 euro

3%

4%

4%

200.000 tot 250.000 euro

6%

7%

7%

250.000 tot 300.000 euro

4%

5%

5%

300.000 tot 400.000 euro

6%

7%

7%

400.000 tot 500.000 euro

3%

4%

4%

500.000 tot 1 miljoen euro

6%

7%

7%

1 miljoen euro en meer

3%

3%

3%

Totale populatie

2.058.000

1.899.000

857.000

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=80055NED&D1=0&D2=11-34&D3=48-53&D4=l&HDR=G2,T&STB=G1,G3&VW=T

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of alsnog ook het effect van de Wet uniformering loonbegrip11 (WUL) in 2013 in de koopkracht vanaf 2012 kan worden meegenomen in de «Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017»12 omdat anders het overzicht een onvolledig en vertekend beeld geeft van de koopkracht vanaf 2012. De effecten van de WUL zijn volledig meegenomen in de gepresenteerde cijfers in de notitie «Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017». De notitie brengt de cumulatieve koopkracht in beeld voor deze kabinetsperiode en vanaf 2010. Daarnaast zijn specifiek de effecten van beleid uit het totale koopkrachtbeeld gefilterd. In het totale koopkrachtbeeld over deze kabinetsperiode is alleen het effect van de WUL-maatregelen uit 2013 zichtbaar omdat de kabinetsperiode de koopkrachtjaren 2013–2017 betreft. In Bijlage 1 bij de hiervoor genoemde notitie is de cumulatieve koopkracht voor de jaren 2011–2017 weergegeven, daarin lopen zowel de WUL-maatregelen uit 2012 als uit 2013 mee. Deze maatregelen zijn ook toegerekend aan de effecten van «totaal beleid» (Bijlage 1, tweede kolom van de tabel op blz. 31). Van het beleid van het kabinet Rutte II, maakt de WUL geen deel uit, omdat hiertoe is besloten voor aanvang van de kabinetsperiode.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of alvast het effect op de koopkracht kan worden gegeven van de verhoging van de ouderenkorting die in 2016 tot stand kwam. In 2016 is de ouderenkorting tot de inkomensgrens van € 35.949 met € 145 omhooggegaan ten opzichte van 2015. Het gemiddelde inkomenseffect hiervan betrof +0,7%. Overigens werd de ouderenkorting ook ten tijde van de WUL, van 2012 op 2013, verhoogd met bijna € 300.

De leden van de fractie van 50PLUS hebben een aantal vragen over de WUL, die in 2012 en 2013 gefaseerd is ingevoerd. Een aantal van deze vragen is ook aan bod gekomen bij evaluatie van de wet13 en Kamervragen die begin 2013 over de wet zijn gesteld. Het kabinet geeft antwoord op de vragen van de fractie van 50PLUS, maar verwijst ook volledigheidshalve naar deze stukken waar verder wordt ingegaan op de effecten van de wet.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het budgettaire deel van de wet:

  • −  Hoe hoog was de budgettaire derving van de vrijstelling als onbelast loon?
  • −  Hoe hoog was de opbrengst van de compenserende 4%-heffing voor werkenden?
  • −  Hoe groot was het negatieve budgettaire saldo van deze operatie en dus het totale fiscale voordeel voor werkenden?
De WUL heeft geleid tot een stijging van het belastingtarief in de eerste schijf met 3,45%-punt. Van 2012 op 2013 is het belastingtarief in de eerste schijf met 3,9%-punt toegenomen (voor personen tot 65 jaar van 33,1% in 2012 naar 37% in 2013 en voor personen van 65 jaar en ouder van 15,2% in 2012 naar 19,1% in 2013). Een deel van de stijging is onderdeel van het begrotingsakkoord dat in 2012 is afgesloten. Het budgettaire beeld en de maatregelen die in de wet zijn opgenomen, zijn beschreven in de brief van 20 juni 2012.14 De in die brief en hierna opgenomen tabel 31 laten zien dat op dat moment de budgettaire derving van het afschaffen van de heffing over de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (IAB Zvw) € 7,7 miljard bedraagt. Een onderverdeling naar verschillende groepen waar de leden van de fractie van 50PLUS naar vragen is niet een-op-een te maken. Een 65-plusser kan immers ook werknemer of zelfstandige zijn.
Tabel 32: Budgettaire effecten uniformering loonbegrip (x € 1 miljard)
 

Lasten

Uitgaven

EMU-relevant

1. Afschaffing belasting IAB Zvw

– 7,7

0

– 7,7

2. Grondslagverbreding/verlaging tarief – 0,8%/verlaging tarief voor AOW – 2,1%

0,3

0,2

0,1

3. Compensatiepakket lasten (incl brutering)

7,3

0

7,3

4. Verlaging AOW tegemoetkoming

0

– 0,2

0,2

5. Totaal kaderrelevant

0

0

0

Voorts vragen de leden van deze fractie vragen of het klopt dat het in het najaar 2012 ontbrak aan de normale coördinatie tussen alle betrokkenen over de koopkrachtgevolgen van de voorstellen voor 2013 en de verwerking in de diverse administraties voor de personeelsafdelingen van werkgevers en pensioenfondsen, waardoor de WUL als een donderslag bij heldere hemel kwam. Het wetsvoorstel is in 2009 ingediend en in juni 2011 vastgesteld. Voor de benodigde voorbereidingstijd voor alle betrokkenen, zoals werkgevers, uitkeringsinstanties, pensioenfondsen en Belastingdienst is veel aandacht geweest. Er is rekening gehouden met de voorbereidingstijd van ruim een jaar. Tijdens deze voorbereidingsperiode is de vinger aan de pols gehouden om te beoordelen of alle partijen op schema lagen. In februari 2012 is bij koninklijk besluit de inwerkingtredingsdatum bepaald op 1 januari 2013. Gedurende dit in de fiscaliteit ongebruikelijk lange traject is veelvuldig en uitgebreid aan alle betrokken partijen informatie verschaft over de te verwachten wijzigingen als gevolg van de WUL. Deze inspanningen waren vooral gericht op procesaanpassingen. In de bovengenoemde evaluatie heeft het kabinet dan ook de conclusie getrokken dat informatiestromen met betrekking tot inkomenseffecten verbeterd moesten worden en dat departementen elkaar meer proactief moeten informeren. Op dat punt zijn toen direct maatregelen getroffen. Er wordt inmiddels geregeld overlegd door de meest betrokken uitvoeringsorganisaties waarbij besproken wordt op welke wijze en op welk moment maatregelen mensen in de portemonnee raken. Daarop volgt een check of de beoogde communicatie-inzet adequaat is of dat extra inspanningen nodig zijn. Ook is besloten dat er een beter overzicht nodig is van maatregelen die het loonstrookje en de portemonnee van mensen raken. Er is een apart dossier Koopkracht geïntroduceerd op www.rijksoverheid.nl. Mensen kunnen hier via een aparte koopkrachttool zien welke kabinetsmaatregelen van invloed zijn of worden op hun koopkracht. Verder worden, zoals voorheen ook al gebeurde, jaarlijks werkgevers en salarisverwerkers in november op de hoogte gesteld van de te verwachten zogeheten «loonstrookjeseffecten» voor het komende jaar.

De leden van de fractie van 50PLUS hebben ook een aantal vragen over de inkomenseffecten van de WUL. Zo vragen deze leden naar het belastingvoordeel voor werkenden met een inkomen tussen € 20.000 en € 100.000. Deze leden vragen naar de reden om ouderen die dit voordeel niet hadden ook een stijging van het belastingtarief met 3,9% op te leggen. Deze leden vragen naar de koopkrachtdaling van deze 3,9% voor ouderen met een inkomen tussen € 10.000 en € 55.000. Ook vragen deze leden waarom dit nadeel niet geheel werd gecompenseerd, en waarom er een aanzienlijk nettovoordeel voor werkenden overbleef terwijl ouderen een groot nadeel hadden. Tot slot vragen deze leden of een overzicht kan worden gegeven van de compensatie voor ouderen en de koopkrachtgevolgen voor de gepensioneerden op de volgende drie maatregelen apart en in totaal: de WUL-verhoging, van het verlaagde tarief van de IAB Zvw en de verhoogde ouderenkorting.

Het belastingvoordeel voor werkenden is opgenomen in de hierna opgenomen figuur 21.15
Figuur 24: Inkomenseffect voor de werknemer van het vervallen van de belastingheffing over de vergoeding voor de IAB naar hoogte van het brutoloon
De effecten van deze twee maatregelen van de WUL zijn echter niet los te zien van de totale effecten van die wet. Ouderen hadden weliswaar niet direct te maken met het vervallen van de heffing over de IAB, maar dit werkte wel positief door via de netto-nettokoppeling in de hoogte van de AOW. Hetzelfde geldt voor de andere onderdelen van de wet. Veel ouderen hebben voordeel gehad van de tariefsverlaging in de inkomensafhankelijke bijdrage die in 2012 heeft plaatsgevonden. De totale inkomenseffecten van de WUL zijn opgenomen in de hierna opgenomen tabel 32. Hierin is te zien dat een deel van de ouderen met een negatief inkomenseffect van de wet te maken heeft gehad, met name ouderen met een hoger inkomen. Ouderen zonder aanvullend pensioen zijn er weer op vooruitgegaan. Ook is te zien dat ook werkenden met een hoger inkomen er overwegend op achteruit zijn gegaan als gevolg van de wet. De compenserende maatregelen voor ouderen slaan onder meer op de tariefsverlaging in de inkomensafhankelijke bijdrage, de verhoging van de ouderenkorting en verlenging van de eerste schijf. Voor een verdere toelichting op de inkomenseffecten van de WUL, verwijzen we naar de doorrekeningen van het Centraal Planbureau (CPB).16
Tabel 33: Inkomenseffecten WUL

Actieven:

 

Alleenverdiener met kinderen

 

modaal

1 ¼

2 x modaal

– ¾

   

Tweeverdieners

 

modaal + ½ x modaal met kinderen

¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

modaal + modaal zonder kinderen

1 ¼

2 x modaal + modaal zonder kinderen

0

   

Alleenstaande

 

minimumloon

– 1

modaal

1 ½

2 x modaal

– ¾

   

Alleenstaande ouder

 

minimumloon

0

modaal

1

Inactieven:

 

Sociale minima

 

paar met kinderen

– ½

alleenstaande

– ¾

alleenstaande ouder

– ½

   

AOW (alleenstaand)

 

(alleen) AOW

¼

AOW + 10.000

– ¾

AOW + 15.000

– ½

AOW + 20.000

– ¼

AOW + 25.000

– 1 ¼

   

AOW (paar)

 

(alleen) AOW

1 ¼

AOW + 10.000

– ¼

AOW + 15.000

0

AOW + 20.000

0

AOW + 25.000

– ¼

AOW + 30.000

– 1

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar een voorbeeld waarin de werking van de netto-nettokoppeling voor de hoogte van het nettominimumloon, de nettobijstand en de netto-AOW wordt toegelicht. Daarbij vragen deze leden naar de mutatie. Ook vragen deze leden of de werkelijke reden voor de toepassing van de WUL het op gelijke wijze toepassen van de 3,9% voor werkenden en niet-werkenden was. De hoogte van de bijstand en de AOW zijn gekoppeld aan het nettominimumloon. Als gevolg van het afschaffen van de heffing over de IAB Zvw, stijgt dit netto-inkomen. Tegelijkertijd werken ook de andere mutaties van maatregelen die als onderdeel van de WUL zijn doorgevoerd door op dit netto-inkomen. Per saldo leidt dit tot een negatief effect voor huishoudens in de bijstand en een positief effect voor de AOW (zie ook de hiervoor opgenomen tabel 32 met de inkomenseffecten van de WUL). Het doel van de WUL staat omschreven in de memorie van toelichting van die wet: het waar mogelijk opheffen van de discoördinatiepunten tussen de verschillende loonbegrippen waarmee een vereenvoudiging in de loonheffing wordt bereikt. Dit leidt tot een administratieve lastenverlichting voor werkgevers en efficiëntere en robuustere uitvoering van de loonaangifteketen door de Belastingdienst en het UWV. Voor de werknemer wordt het loonstrookje eenvoudiger doordat deze korter en duidelijker wordt.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de compenserende maatregelen voor ouderen en wat er op dit moment per saldo is overgebleven als structurele compensatie voor de tariefsstijging. Het volledige pakket aan maatregelen van de WUL is zoals hierboven gezegd omvangrijk geweest. Van het totaalpakket had alleen de heffingskorting voor VUT/prepensioen een tijdelijk karakter. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is een vijftiental van deze maatregelen van toepassing op ouderen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hetzelfde overzicht inzake de AOW-premie te geven voor de werkende eenverdiener, tweeverdiener en zelfstandige zoals het gegeven overzicht voor de werkende alleenstaande. In de hierna opgenomen tabel 33 wordt naast het effectieve AOW-premiepercentage17 voor werkende alleenstaanden, zoals in de eerdere beantwoording, ook het effectieve AOW-premiepercentage voor de werkende eenverdiener, tweeverdiener en zelfstandige zonder kinderen weergegeven voor dezelfde brutoinkomens. In de toegezegde brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de financiering van de AOW wordt nader ingegaan op het effect van heffingskortingen op de AOW-premie. Deze brief zal voor het debat over het Belastingplan aan de Eerste Kamer worden toegezonden.
Tabel 34: Effectieve AOW-premiepercentages 2017 verschillende huishoudtypen werkenden zonder kinderen

brutoinkomen

Alleenstaande

Eenverdiener

Tweeverdiener

Zelfstandige

€ 10.000

5,1%

0,6%

0%

0%

€ 15.000

4,8%

1,7%

2,0%

0%

€ 20.000

4,6%

2,3%

5,1%

0%

€ 25.000

7,6%

5,8%

4,9%

0,2%

€ 30.000

10,0%

8,5%

4,8%

2,7%

€ 35.000

11,8%

10,5%

4,7%

5,1%

Bron: berekeningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Deze leden vragen verder aan te geven wat de hoogte is van de werkelijk te betalen IAB Zvw voor de zelfstandigen en gepensioneerden in deze inkomensgroepen en de inkomens van € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000 (nagenoeg de inkomensgrens van de IAB Zvw). In de hierna opgenomen tabel 34 wordt de werkelijk te betalen IAB Zvw18 voor alleenstaande zelfstandigen en gepensioneerden zonder kinderen weergegeven voor de gevraagde brutoinkomens. Hierbij is er vanuit gegaan dat de zelfstandige geen pensioenpremie of arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremie in aftrek brengt. Gepensioneerden betalen over hun AOW zelf geen IAB Zvw: die wordt door het AOW-fonds betaald.19 Zij betalen zelf wel IAB Zvw over hun aanvullende pensioen.
Tabel 35: Te betalen IAB Zvw 2017 voor alleenstaande zelfstandigen en gepensioneerden zonder kinderen

brutoinkomen

Zelfstandige

Gepensioneerden

€ 10.000

€ 126

€ 0

€ 15.000

€ 359

€ 15

€ 20.000

€ 591

€ 285

€ 25.000

€ 823

€ 555

€ 30.000

€ 1.055

€ 825

€ 35.000

€ 1.287

€ 1.095

€ 40.000

€ 1.520

€ 1.365

€ 45.000

€ 1.752

€ 1.635

€ 50.000

€ 1.984

€ 1.905

€ 55.000

€ 2.216

€ 2.105

Bron: berekeningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er alsnog een internationaal rechtsvergelijkend onderzoek kan worden ingesteld naar de specifieke fiscale voordelen van ouderen in de inkomstenbelasting. Een internationaal rechtsvergelijkend onderzoek naar de specifieke fiscale voordelen voor ouderen in de inkomstenbelasting is zeer omvangrijk en daardoor tijdrovend en kostbaar. Bovendien is het de vraag wat de waarde is van een dergelijk rechtsvergelijkend onderzoek, omdat het enkel ziet op de specifieke fiscale voordelen voor ouderen in de inkomstenbelasting. De belastingstelsels en meer specifiek de functie van de inkomstenbelasting hierin verschillen per land. Bovendien kunnen ook niet-fiscale instrumenten, zoals uitkeringen, subsidies en toeslagen het beeld veranderen. Een dergelijke vergelijking gaat voorbij aan deze – voor de vergelijking van belang zijnde – aspecten.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er geen aanleiding was om in 2016 ook niet-werkenden te laten meedelen in het vijfmiljardpakket. Het vijfmiljardpakket was vooral gericht op het verkleinen van de armoedeval en de wig, waardoor vooral werkenden met lage inkomens ervan geprofiteerd hebben. Omdat het kabinet ook altijd oog heeft gehad voor een evenwichtige koopkrachtontwikkeling is er toen voor gekozen om aanvullende maatregelen te nemen die de koopkracht van niet-werkenden verbeterden, zoals een verhoging van de ouderenkorting, zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderbijslag.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat een AOW-gerechtigde met een inkomen van € 23.376 betaalt aan IAB Zvw en welke motivering ten grondslag ligt aan het feit dat een zelfstandige voor dezelfde verzekering en bij een gelijk inkomen veel minder IAB Zvw betaalt dan een AOW’er. Een alleenstaande AOW’er met een brutoinkomen van € 23.376 betaalt € 467 aan IAB Zvw. Dit is juist minder dan een zelfstandige met hetzelfde inkomen. Een AOW-gerechtigde betaalt alleen IAB Zvw over zijn aanvullende pensioen. De IAB Zvw over de AOW wordt door het AOW-fonds betaald.

De leden van de fractie van 50PLUS zien graag nader toegelicht om welke reden een afbouw van de ouderenkorting niet onmiddellijk kan worden ingevoerd. Voor een afbouw van de ouderenkorting zijn aanpassingen nodig in de systemen voor de loon- en inkomstenbelasting 2017 die niet meer realiseerbaar zijn in de voorlopige aanslagregeling inkomstenbelasting 2017 en in de loonaangifte 2017. Verwerking voor 2017 zou alleen nog mogelijk zijn in de definitieve-aanslagregeling 2017. Het gevolg hiervan is dat het effect van de afbouw voor burgers pas in de loop van 2018 merkbaar zou worden nadat zij aangifte inkomstenbelasting 2017 hebben gedaan. Te verwachten is dat daarover veel vragen en klachten bij de BelastingTelefoon zouden binnenkomen en dat burgers een herziene voorlopige aanslag zouden aanvragen om al gedurende het jaar van de afbouw van de ouderenkorting gebruik te kunnen maken. Nu de systemen daarvoor niet kunnen worden aangepast, kan de Belastingdienst dergelijke verzoeken niet verwerken. Dit maakt de maatregel onuitvoerbaar voor het belastingjaar 2017.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat er met de term «inkomensheffing» wordt bedoeld. De term inkomensheffing is inderdaad geen wettelijke term. Deze bewoording wordt in de praktijk soms gebruikt wanneer wordt gesproken over het totaal van de verschuldigde inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. Dat is ook wat er in het door deze leden aangehaalde antwoord wordt bedoeld.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom voor de koopkrachtontwikkeling gekeken wordt naar relatieve mutaties. Omdat een euro (meer) niet voor ieder huishouden dezelfde waarde heeft, is het naar de mening van zowel het kabinet als het CPB logischer om te kijken naar relatieve mutaties dan naar absolute mutaties.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of fiscale verschillen gerechtvaardigd worden door het uitgangspunt dat inkomensbeleid is gestoeld op verschillende pijlers en of hier geen sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Verschillen in marginale of gemiddelde belastingdruk zijn uitkomsten van het stimuleren of ontzien van specifieke groepen en niet van leeftijds- of welk soort discriminatie dan ook. Hieraan liggen verschillende beleidsdoelen ten grondslag. Zo is er een specifieke heffingskorting voor ouderen. Mensen met lage inkomens worden ontzien door de algemene heffingskorting. Werken wordt gestimuleerd door de arbeidskorting, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Voor ouders met jonge kinderen wordt werken daarnaast nog extra gestimuleerd door middel van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Verder wordt ook ondernemerschap gestimuleerd door de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en, specifiek voor startende ondernemers, de startersaftrek.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen welke maatregelen er zijn genomen om de koopkracht van gepensioneerden te verbeteren. Daarnaast vragen deze leden hoe het kan dat de koopkracht van ouderen 30% is achtergebleven bij die van werkenden. Dat de koopkracht van ouderen is achtergebleven bij die van werkenden over de periode 2000–2014 komt vooral doordat werkenden profijt hebben gehad van reële loonstijgingen en er maatregelen genomen zijn om werken te stimuleren. Hierdoor zijn met name werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt er op vooruitgegaan. Ouderen met een aanvullend pensioen hebben te maken gehad met lage indexatie van de pensioenen, waardoor hun koopkracht relatief is achtergebleven. Daarnaast hebben ouderen met hogere inkomens, net als iedereen met een hoog inkomen, nadeel gehad van de invoering van een inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting en de steilere afbouw van toeslagen. Toch heeft het kabinet altijd oog gehad voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Zo zijn maatregelen genomen om ook niet-werkenden mee te laten profiteren van de aantrekkende economie. Maatregelen waar ouderen, met name met lage inkomens, van hebben geprofiteerd, zijn de verhoging van de algemene heffingskorting, de ouderenkorting, de zorgtoeslag en de huurtoeslag. In 2017 komt naar verwachting meer dan 60% van het totaal aan intensiveringen uit het koopkrachtpakket bij gepensioneerden terecht. Zonder koopkrachtreparatie was de verwachting dat in 2017 87% van de ouderen er niet op vooruit zou gaan in koopkracht, na het koopkrachtpakket is de verwachting dat 78% van de ouderen een positieve koopkrachtontwikkeling kent.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoe het verschil te verklaren is tussen de in de antwoorden op de AFB gegeven grafiek met een overzicht van het gemiddelde besteedbaar inkomen van werkenden en gepensioneerden en het overzicht van het CBS over Koopkrachtontwikkeling 2000–2014 waaruit blijkt dat werkenden er 30% op vooruit zijn gegaan en gepensioneerden gelijk zijn gebleven. In het overzicht van het CBS is de mediane koopkrachtontwikkeling voor verschillende inkomensbronnen weergegeven. In de eerdere vragen werd verzocht een overzicht te geven van de ontwikkeling van het gemiddelde besteedbaar inkomen van huishoudens. Bij deze laatste benadering is sprake van een cohort-effect: ouderen die nu met pensioen gaan hebben gemiddeld een hoger inkomen dan ouderen die overlijden, waardoor het gemiddelde inkomen van de groep ouderen stijgt. De «nieuwe» ouderen hebben vaker een aanvullend pensioen opgebouwd, dat gemiddeld ook hoger is dan vroeger.

Deze leden vragen verder wanneer de cijfers van het CBS over 2015 bekend zijn. De cijfers van het CBS over de koopkrachtontwikkeling in 2015 zijn al bekend.20 Van het gemiddelde besteedbaar inkomen zijn nog geen cijfers uit 2015 bekend. Wanneer deze cijfers precies beschikbaar komen, is niet bekend.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of aanvullend de koopkrachtontwikkeling kan worden gegeven voor gepensioneerden met een aanvullend pensioen van boven de AOW van € 10.000, € 20.000, € 30.000, € 40.000, € 50.000 en € 60.000 zowel in tabel als in grafiek.

Zoals te zien is in de hierna opgenomen tabel 34 met de gevraagde AOW-voorbeeldhuishoudens, is het statische koopkrachtbeeld voor ouderen overwegend negatief sinds 2010. Dat komt vooral door de achterblijvende pensioenindexatie, maar ook bijvoorbeeld door de snellere afbouw van de zorgtoeslag in 2015. De koopkrachtmutatie is negatiever naarmate het aanvullend pensioen hoger is. Bij het voorbeeld met een aanvullend pensioen van € 60.000 worden de effecten gedempt doordat deze huishoudens bijvoorbeeld geen recht meer hebben op zorgtoeslag. De snellere afbouw uit 2015 raakt deze groep daarom niet. Over de periode 2002–2012 was de koopkrachtontwikkeling van de groep ouderen juist gunstiger dan die van veel andere groepen. Dat werd ook geconcludeerd in de Beleidsdoorlichting artikel 41: Inkomensbeleid.21
Tabel 36: Koopkrachtontwikkeling over de periode 2010–2017 voor AOW-gerechtigden (stand begroting 2017)

Aanvullend pensioen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Cumulatief 2010–2017

 

Alleenstaand

             

geen

– 1,2

– 1,0

0,6

1,4

0,6

2,2

0,5

2,9

10.000

– 1,6

– 1,2

– 3,3

0,1

– 0,3

1,2

0,6

– 4,5

20.000

– 1,7

– 1,4

– 4,1

0,2

0,4

0,4

0,0

– 6,1

30.000

– 2,3

– 2,8

– 4,4

– 0,3

0,4

– 0,5

– 0,5

– 10,1

40.000

– 2,3

– 3,6

– 4,5

– 0,7

0,2

– 0,6

– 0,7

– 11,6

50.000

– 2,0

– 3,3

– 4,4

– 0,7

0,3

1,0

– 0,8

– 9,7

60.000

– 2,0

– 3,2

– 4,3

– 0,8

0,3

1,2

– 0,7

– 9,3

                 
 

Paar

             

geen

– 1,6

– 1,3

0,9

0,1

0,2

1,7

0,5

0,5

10.000

– 1,6

– 1,4

– 3,5

– 0,1

– 1,1

1,4

0,6

– 5,7

20.000

– 2,0

– 1,6

– 4,7

– 0,1

0,1

0,6

0,1

– 7,3

30.000

– 2,0

– 2,4

– 4,6

0,3

0,2

– 0,2

– 0,4

– 8,7

40.000

– 2,5

– 3,3

– 4,2

– 0,1

0,2

– 0,3

– 0,5

– 10,1

50.000

– 2,2

– 3,1

– 4,2

– 0,3

0,3

0,1

– 0,7

– 9,7

60.000

– 2,2

– 3,0

– 4,1

– 0,4

0,2

1,2

– 0,6

– 8,7

Bron: berekeningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom de door hen gevraagde verdeling naar inkomensklassen niet exact beschikbaar is via openbare bronnen en wanneer die wel beschikbaar is.

Over de exacte indeling van de cijfers in publicaties maakt het CBS zijn eigen afweging. Het kabinet gaat daar niet over, maar zal, op basis van de beschikbare bronnen, vragen van het parlement zo goed mogelijk beantwoorden.

Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar het marginale tarief wanneer een belastingplichtige vanaf de pensioengerechtigde leeftijd met een verzamelinkomen van € 36.057 te maken krijgt met verschillende stijgingen van het verzamelinkomen. Als voor een pensioengerechtigde belastingplichtige het verzamelinkomen door een stijging boven de € 36.057 uitkomt daalt de ouderenkorting van € 1.292 naar € 71. De marginale druk is afhankelijk van de grote van de inkomensstijging, maar ongeacht de stapgrote relatief hoog. Het heeft weinig toegevoegde waarde om de exacte marginale druk voor de verschillende genoemde inkomensstijgingen te berekenen. Feit is dat door de harde inkomensgrens de heffingskorting met € 1.221 euro daalt bij een stijging van het verzamelinkomen vanaf € 36.057 ongeacht de hoogte van de inkomensstijging. Als de fictieve inkomensstijging waar bij de berekening van de marginale druk vanuit wordt gegaan maar klein genoeg is, gaat de marginale druk in de limiet naar oneindig.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar het marginale tarief wanneer een belastingplichtige vanaf de pensioengerechtigde leeftijd na een daling van het verzamelinkomen op een verzamelinkomen € 36.057 uitkomt. Hier geldt dezelfde redenering als bij de berekening van de marginale druk bij een inkomensstijging, maar dan andersom. De marginale druk is dan afhankelijk van de grote van de inkomensdaling, maar ongeacht de stapgrote relatief laag.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen tot slot naar een oordeel over de mogelijkheden van tax planning rondom de inkomensgrens van de ouderenkorting en geven als voorbeeld het doen van een extra fiscale gift van € 10. De huidige vormgeving van de afbouw brengt mee dat belastingplichtigen door geplande aanpassingen in het verzamelinkomen hun belastingdruk aanzienlijk kunnen verlagen. Naar alle waarschijnlijkheid is het budgettaire effect van deze tax planning beperkt. Zo toont een recente studie van het CPB aan dat gestuurde aanpassingen in het belastbare inkomen rondom schijfgrenzen in de inkomstenbelasting relatief beperkt zijn.22 Het is in ieder geval niet zo dat bij een verzamelinkomen net boven de inkomensgrens door het doen van een fiscale gift van slechts € 10 de belastingplichtige een hogere ouderenkorting ontvangt. Er geldt namelijk een ondergrens voor de aftrekbaarheid van eenmalige giften van 1% van het verzamelinkomen. Voor verzamelinkomens net boven de inkomensgrens geldt dus een ondergrens van € 360.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen naar de reden achter de huidige afbouw van de ouderenkorting en of deze niet geleidelijker zou kunnen worden gemaakt. De reden achter de huidige vormgeving van de ouderenkorting is dat deze heffingskorting primair bedoeld is als fiscale tegemoetkoming voor ouderen met een lager inkomen. Een geleidelijkere afbouw maakt de heffingskorting minder gericht op ouderen met een lager inkomen. Het kabinet is daarom niet voornemens om de afbouw geleidelijker te laten verlopen. Het totale aan recht op ouderenkorting dat niet vergolden wordt, kan niet worden aangewend als dekkingsmaatregel. Bij verhogingen van de heffingskortingen wordt in de berekening van de budgettaire effecten namelijk al meegenomen dat een deel van de verhogingen niet verzilverd kan worden.

De leden van 50PLUS hebben gevraagd of het kabinet een oplossing ziet voor het probleem van de niet-verzilvering van de ouderenkorting. Het kabinet ziet de niet-verzilvering van heffingskortingen niet als een probleem. Hier wordt rekening mee gehouden in de ramingen van de budgettaire en inkomenseffecten van maatregelen. Huishoudens met lage inkomens kunnen ondanks verzilveringsproblemen vaak wel bereikt worden met toeslagen. Daarom wordt er bij koopkrachtreparaties ook niet alleen naar fiscale maatregelen gekeken, maar juist ook naar toeslagen. Ook in 2017 worden de zorgtoeslag en de huurtoeslag weer verhoogd. Van deze maatregelen profiteren ook ouderen met een laag inkomen.

2.3. Vbi’s en APV’s

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom ik niet heb gekozen voor het bestrijden van flits-vbi’s (tijdelijke vrijgestelde beleggingsinstelling) met het leerstuk van een incidenteel fiscaal voordeel. Deze leden vragen zich af of dit leerstuk geen eenvoudigere oplossing zou zijn geweest en of het daarom niet beter zou zijn geweest de Belastingdienst in een interne instructie te wijzen op dit leerstuk.

De constatering van een incidenteel fiscaal voordeel is geen zelfstandig toepasbaar leerstuk, zoals fraus legis (het leerstuk van wetsontduiking) dat is. Het begrip incidenteel fiscaal voordeel wordt voorts in beginsel gebruikt in de winstsfeer (inkomsten- en vennootschapsbelasting).23 De constatering van een incidenteel fiscaal voordeel is daarom niet toepasbaar bij het bestrijden van constructies met een flits-vbi. Bovendien kent de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) sinds 2001 al specifieke wettelijke maatregelen tegen peildatumarbitrage. Deze zijn opgenomen in artikel 2.14, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet IB 2001. Het ligt daarom voor de hand om ook de flits-vbi tegen te gaan door in het verlengde van de bestaande wettelijke regeling een aanvullende specifieke maatregel op te nemen. Het voordeel van de voorgestelde, specifieke maatregel is dat die de bewijslastpositie van de Belastingdienst aanzienlijk verbetert. Daarnaast is het de verwachting dat de voorgestelde maatregel een zodanig ontmoedigende werking heeft dat flits-vbi’s niet of nauwelijks meer zullen voorkomen. Hierdoor is het de verwachting dat de voorgestelde, specifieke maatregel de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel juist ten goede komt.

Een concept van de voorgenomen aanpassingen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 ten gevolge van de voorgestelde veranderingen in de wetgeving met betrekking tot een afgezonderd particulier vermogen (APV) is op verzoek van de leden van de fractie van de VVD als bijlage bij deze memorie van antwoord gevoegd.

De voorgestelde maatregelen voor een aanmerkelijk belang in een vbi zijn tevens van toepassing bij een aanmerkelijk belang in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam. De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe dit zich verhoudt tot de Europese wet- en regelgeving. Er wordt zowel in de huidige wet- en regelgeving als in de voorgestelde aanpassingen geen onderscheid gemaakt tussen een aanmerkelijk belang in een vbi en een aanmerkelijk belang in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam. Aangezien het hier in mijn ogen vergelijkbare gevallen betreft die gelijk worden behandeld is geen sprake van strijdigheid met Europese wet- en regelgeving.

De leden van de fractie van de PvdA vragen een toelichting op het ogenschijnlijke verschil van inschatting van de Raad voor de rechtspraak (de Raad) en het kabinet over het aantal rechtszaken als gevolg van de maatregelen in het Belastingplan met betrekking tot de vbi’s en APV’s. De Raad verwacht een toename van het aantal rechtszaken, terwijl het kabinet verwacht dat het aantal zaken niet wezenlijk zal verschillen ten opzichte van nu. Zoals in de advies- en consultatieparagraaf van de memorie van toelichting is opgenomen zullen de maatregelen die zien op box 2-beleggingen in vbi’s ertoe leiden dat die beleggingen in de praktijk nagenoeg niet meer zullen voorkomen. De Raad verwachtte extra rechtszaken als gevolg van de maatregel ter bestrijding van flits-vbi’s. De zorgen van de Raad zagen met name op de tegenbewijsregel op grond waarvan de belastingplichtige aannemelijk kan maken dat er een zakelijke reden was om het vermogen binnen achttien maanden weer terug te halen naar box 3. Een beroep op de tegenbewijsregeling zal naar verwachting echter zeer weinig voorkomen.

Voor wat betreft de wijziging in de voorwaarden wanneer vermogen van een APV aan de inbrenger van het vermogen wordt toegerekend verwacht het kabinet evenmin dat het aantal rechtszaken zal toenemen. In de advies- en consultatieparagraaf van de memorie van toelichting is vermeld dat de artikelsgewijze toelichting op dit punt is verduidelijkt ten opzichte van de versie waarop de Raad zijn advies heeft gebaseerd. Ten slotte gaf de Raad aan nog zorgen te hebben over de vervangende constructies die worden bedacht en opgezet en vervolgens worden bestreden. Op dit moment zijn geen vervangende constructies in beeld. Daarom wordt thans niet verwacht dat dit zal leiden tot een toename van het aantal rechtszaken. De constructies met APV’s die momenteel voorkomen leiden overigens slechts bij hoge uitzondering tot rechtszaken.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet te reageren op de conclusies uit het artikel «Belastingarbitrage tussen box 3 en de eigen bv» van professor Van Sonderen. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet het met hen eens is dat de vbi ook na de voorgestelde maatregelen aantrekkelijk blijft voor belastingplichtigen met een groot vermogen in box 3. Tot slot vragen deze leden in hoeverre het kabinet bevreesd is dat in de periode tot de invoering van een stelsel dat beter aansluit bij het werkelijke rendement box 3 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kleine spaarders zal kennen.

Het gebruik van een flits-vbi wordt door de voorgestelde maatregelen minder aantrekkelijk. Daarnaast wordt het forfaitaire rendement in box 2 bij een aanmerkelijk belang in een vbi automatisch gekoppeld aan het voor dat jaar geldende percentage van de hoogste schijf in box 3. Desondanks kan het voor een belastingplichtige fiscaal voordelig zijn box 3-vermogen in te brengen (in een vbi) in box 2. Het kabinet onderkent die mogelijkheid en beseft dat hierdoor de kans dat de grondslag in box 3 afneemt bestaat. Hier staan op zijn beurt wel hogere belastingopbrengsten in box 2 (en mogelijk in de vennootschapsbelasting) tegenover.

Die arbitragemogelijkheden tussen box 2 en box 3 komen door het verschil in tarief en door een andere wijze van het bepalen van het inkomen. In box 2 worden immers de werkelijke inkomsten belast tegen 25%, terwijl in box 3 het forfaitaire rendement wordt belast tegen 30%. Het kabinet wil ook in box 3 naar een stelsel waarin de werkelijke inkomsten worden belast of – indien dit niet mogelijk of onwenselijk blijkt te zijn – een stelsel dat het werkelijke rendement beter benadert. Dit heeft tot gevolg dat de genoemde arbitragemogelijkheden zullen verdwijnen of afnemen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de voorgestelde aanpassing van het vbi-regime niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever op het moment van invoering van het vbi-regime. Het vbi-regime is, naast het al langer bestaande regime van de fiscale beleggingsinstelling, ingevoerd in 2007 met als doel Nederland als vestigingsland voor collectieve beleggingsinstellingen aantrekkelijk te houden ten opzichte van landen met een vergelijkbaar regime. De voorgestelde maatregel doet daar niet aan af. De maatregel richt zich immers op een aanmerkelijk belang in een belaste vennootschap dat wordt omgezet in een aanmerkelijk belang in een vbi dan wel in een kwalificerend buitenlands beleggingslichaam. Het (gaan) beleggen via een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vbi wordt door deze maatregel dus niet minder aantrekkelijk dan het (gaan) beleggen via een aanmerkelijk belang in een vergelijkbare buitenlandse beleggingsinstelling.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet om precies aan te geven wat nu wel en wat niet onder de terugwerkende kracht valt in de situaties dat vóór 20 september 2016, 15.15 uur, al mondeling of schriftelijk overleg heeft plaatsgevonden met de Belastingdienst betreffende het onderbrengen van vermogen in een vbi. De voorgestelde maatregelen hebben terugwerkende kracht tot en met 20 september 2016, 15.15 uur. Op situaties waarin het verzoek voor het verkrijgen van de vbi-status vóór 20 september 2016, 15.15 uur, is ingediend is echter overgangsrecht van toepassing. In die situaties blijft het huidige regime gelden. Hierbij mag het begrip «verzoek» ruim worden uitgelegd. Het overgangsrecht is hierdoor bijvoorbeeld tevens van toepassing indien de Belastingdienst door een verzoek tot vooroverleg of daaropvolgende correspondentie vóór 20 september 2016, 15.15 uur, op de hoogte was van het voornemen van de belastingplichtige om een vbi-status aan te vragen. In die gevallen is geen sprake van anticipatie op de aangekondigde maatregel en daarom acht het kabinet dit overgangsrecht – dat de terugwerkende kracht in die situaties ongedaan maakt – op zijn plaats.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen om een cijfermatige onderbouwing van de noodzaak voor de terugwerkende kracht van de vbi-maatregel. Zonder terugwerkende kracht is het niet ondenkbaar dat in de periode van 20 september 2016 tot en met 31 december 2016 nog zeker € 1 à 2 miljard beclaimd box 2-vermogen onder het gunstige vbi-regime zou worden gebracht. Dat zou betekenen dat dit vermogen tot in lengte van jaren vrijgesteld van vennootschapsbelasting zou kunnen renderen, zonder dat bij inbreng over de aanmerkelijkbelangclaim is afgerekend. Afhankelijk van de hoogte van het te realiseren rendement, zou het daarbij om aanzienlijke bedragen aan in de toekomst te derven vennootschapsbelasting kunnen gaan. Deze situatie, waarbij de schatkist dus zowel de vennootschapsbelasting over de toekomstige beleggingsopbrengsten als de onmiddellijke box 2-heffing over de op het ingebrachte vermogen rustende ab-claim misloopt, acht het kabinet onwenselijk.

De leden van de fractie van het CDA constateren dat bij de invoering van het APV-regime in 2010 € 210 miljoen per jaar aan extra inkomsten is geraamd en dat sinds de invoering van het APV-regime € 950 miljoen aan opbrengst is ontvangen. Zij vragen welk deel van deze € 950 miljoen structureel is en welk deel incidenteel. Ook geven deze leden aan van mening te zijn dat een schatting van de zogenaamde «onzichtbare» opbrengsten mogelijk zou moeten zijn, omdat het aantal APV´s naar hun oordeel beperkt en overzichtelijk is. Sinds de invoering van het APV-regime in 2010 is in totaal ongeveer € 950 miljoen aan opbrengst ontvangen, ofwel gemiddeld € 100 tot 150 miljoen per jaar. Aangezien de APV-maatregelen structureel van aard zijn, betreft dit in beginsel structurele opbrengst. In tegenstelling tot hetgeen de leden van de fractie van het CDA veronderstellen is een meer precieze schatting van de zogenaamde «onzichtbare» opbrengsten van de APV-maatregelen niet goed mogelijk. Niet concreet bekend is namelijk hoeveel bestaande APV’s in de aanloop van de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zijn ontmanteld, hoeveel voorgenomen APV’s als gevolg daarvan niet zijn opgericht en voor hoeveel vermogen is afgezien van inbreng in een bestaande APV door deze wetgeving.

2.4. Innovatiebox

De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre het centraal stellen van de S&O-verklaring als toegangsticket voor de innovatiebox een administratieve lastenverzwaring oplevert. Deze leden vragen of een octrooi niet al aangeeft dat iets innovatief is.

De additionele administratieve lastenverzwaring die gepaard gaat met alle aanpassingen van de innovatiebox is geraamd op € 0,6 miljoen structureel. Het precieze aandeel van de administratieve lastenverzwaring door het centraal stellen van de S&O-verklaring daarin is niet bekend. Wel is bekend dat de totale omvang van de administratieve lastenverzwaring vooral is toe te rekenen aan de invoering van de nexusbenadering.

Met de S&O-verklaring wordt de binding van de kwalificerende innovatieve activiteiten met Nederland verder versterkt en het innovatieve karakter van de regeling nog beter gewaarborgd. In antwoord op de vraag van deze leden merk ik op dat een octrooi slechts een indicatie is of iets innovatief is maar niet per se de binding met Nederland versterkt. De S&O-verklaring wordt daarom het centrale toegangsvereiste voor de innovatiebox. Met deze benadering, die in lijn is met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gemaakte afspraken, wordt uitvoering gegeven aan een aanbeveling uit de evaluatie van de innovatiebox 2010–201224 en uit de CPB-studie Kansrijk Innovatiebeleid.25

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke stappen mogen worden verwacht om de implementatie van het weerlegbaar vermoeden van de nexusbenadering mogelijk te maken.

In OESO-verband is overeengekomen dat de nexusbenadering als weerlegbaar vermoeden mag worden beschouwd. Zoals deze leden terecht opmerken ontbreekt een bepaling hierover in het voorliggende wetsvoorstel. Het weerlegbaar vermoeden betekent – kort gezegd – dat wanneer vanwege uitzonderlijke omstandigheden de nexusbenadering geen recht doet aan de economische realiteit, belastingplichtigen de mogelijkheid hebben tegenbewijs te leveren. Het OESO-rapport biedt weinig houvast in welke gevallen dat zou kunnen spelen. In het OESO-rapport wordt wel de stellige verwachting uitgesproken dat het weerlegbaar vermoeden slechts in een (zeer) beperkt aantal gevallen aan de orde zou moeten komen. Of, en zo ja hoe, dat zich kan voordoen, is helemaal afhankelijk van de invulling van het begrip «uitzonderlijke omstandigheden». Tijdens de totstandkoming van dit wetsvoorstel heeft zich, bijvoorbeeld in de internetconsultatie, geen praktijkcasus aangediend waarin het weerlegbaar vermoeden aan de orde kwam.

Het kabinet is van mening dat een reeds complexe regeling als de innovatiebox op dit moment niet verder gecompliceerd moet worden door de nexusbreuk te beschouwen als weerlegbaar vermoeden. Het kabinet wordt in deze mening gesteund door andere OESO-landen. Voor zover op dit moment bekend, is er slechts twee OESO-landen die ervoor kiezen om het weerlegbaar vermoeden in hun innovatiebox op te nemen. Tot slot wil ik, dit ook in reactie op de vraag van deze leden, benadrukken dat, ingeval in de praktijk blijkt dat de nexusbenadering in voorkomende gevallen onredelijk uitpakt, het kabinet de desbetreffende belastingplichtigen door middel van begunstigend beleid tegemoet zal komen.

2.5. Wijziging van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen

De leden van de fracties van de PvdA en de VVD vragen of het kabinet mogelijkheden ziet om, bijvoorbeeld door richtsnoeren, meer informatie te geven over het begrip samenwerkende groep om zodoende de rechtszekerheid te verbeteren.

Het kabinet onderschrijft het belang van duidelijkheid en zekerheid over de invulling van het begrip samenwerkende groep. Tegelijkertijd bestaat bij het kabinet de wens om, nu en in de toekomst, op effectieve wijze situaties van grondslaguitholling te kunnen bestrijden. Om tot een balans tussen het verstrekken van duidelijkheid en een dynamische wetstoepassing te komen, heeft het kabinet een materiële toets voor de invulling van het begrip «samenwerkende groep» voorgesteld. Door te kiezen voor een «principle based»-benadering ontstaat een systeem dat kan meebewegen met veranderende maatschappelijke opvattingen zodat beter kan worden ingespeeld op nu nog niet voorziene ontwikkelingen.

Tot slot kan worden opgemerkt dat ten aanzien van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) uitvoeringscoördinatie plaatsvindt door de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering (CTC).26 Dat betekent dat inspecteurs die aan de hand van de feiten en omstandigheden beoordelen of al dan niet sprake is van een samenwerkende groep dit met de CTC afstemmen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat deze bepaling zo consequent mogelijk wordt uitgelegd. De coördinatie van de uitvoering van de bepaling bevordert de rechtszekerheid.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de reikwijdte van het begrip samenwerkende groep wel voldoende duidelijk bepaalbaar is en lijken daarmee bevreesd voor een te ruime toepassing.

Het voorgestelde begrip samenwerkende groep is weliswaar wettelijk vormgegeven als een materiële toets, maar hoeft daardoor mijns inziens niet onvoldoende duidelijk bepaalbaar te zijn. In de parlementaire behandeling is de praktijk immers een aantal handvatten geboden, hoewel de uiteindelijke beoordeling afhankelijk zal blijven van de feiten, omstandigheden en gedragingen die in het individuele geval aan de orde zijn. Voor het constateren of sprake is van een samenwerkende groep is met name relevant of de investering in een vennootschap en de daarbij behorende vormgeving van de financiering gecoördineerd plaatsvindt. De coördinatie ten aanzien van de vormgeving van de investering en financiering zal meestal zijn af te leiden uit het geheel aan overeenkomsten waarin partijen de onderlinge afspraken over de investering, financiering en samenwerking hebben vastgelegd.

Ten slotte wordt in antwoord op een vraag van deze leden opgemerkt dat het enkele feit dat sprake is van een gezamenlijke investering in een object, dan wel het feit dat men in de hoedanigheid van aandeelhouder samenwerkt, als zodanig niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van een samenwerkende groep.

2.6. Stimulering start-ups

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom alleen voor start-ups een aanpassing van de gebruikelijkloonregeling plaatsvindt en of dit niet algemener getrokken kan worden. Het kabinet heeft in de begeleidende brief bij het Belastingplan 2016 aangekondigd € 50 miljoen structureel beschikbaar te stellen voor het stimuleren van start-ups/mkb. De start-upsector heeft aangegeven knelpunten te ervaren bij de gebruikelijkloonregeling, onder meer omdat het internationaal gebruikelijk is dat de directeur-grootaandeelhouder (dga) van een innovatieve start-up in de eerste jaren afziet van loon. In dit kader wordt een deel van de beschikbare € 50 miljoen ingezet voor een versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor deze specifieke groep. Het is niet wenselijk om bij alle dga’s het loon op het minimumloon in plaats van het gebruikelijke loon te stellen, nog afgezien van de budgettaire gevolgen daarvan. De gebruikelijkloonregeling voorkomt dat dga’s belasting- en premieheffing uitstellen of afstellen door zichzelf geen of een (buiten de doelmatigheidsmarge vallend) onzakelijk loon uit te betalen. Het is daarom niet wenselijk het gebruikelijke loon in zijn algemeenheid op het minimumloon te stellen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen een reactie op de suggestie van Stevens om in de wet vast te leggen dat de vaststelling van het gebruikelijke loon niet hoger kan zijn dan de winst van de vennootschap.27 Deze vormgeving van de gebruikelijkloonregeling zou het alsnog onder omstandigheden mogelijk maken dat dga’s belasting- en premieheffing uitstellen of afstellen door zichzelf geen of een (buiten de doelmatigheidsmarge vallend) onzakelijk loon uit te betalen. Het een-op-een aansluiten bij de belastbare winst is bovendien complex en stuit op bezwaren in de uitvoering. De aangifte vennootschapsbelasting wordt na afloop van het boekjaar gedaan, waardoor de belastbare winst pas na afloop van dat jaar wordt vastgesteld. Het (gebruikelijke) loon moet worden verwerkt in de, meestal maandelijkse, loonaangifte en het genoten loon wordt doorgaans in diezelfde maand uitgekeerd. Het is niet mogelijk om genoten loon terug te draaien en daarbij wordt de belastbare winst dus niet tijdig vastgesteld voordat de loonaangifte moet worden gedaan. Ook kan bijvoorbeeld sprake zijn van achterwaartse verliesverrekening.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat wordt verstaan onder innovatieve start-ups. In deze maatregel wordt onder innovatieve start-up verstaan bedrijven die beschikken over een S&O-verklaring en voor de S&O-afdrachtvermindering als starter worden aangemerkt. Dit is het geval voor een periode van drie jaar binnen de eerste vijf kalenderjaren van de onderneming. Bij de aanvraag van de S&O-verklaring wordt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) getoetst of een aanvrager speur- en ontwikkelingswerk verricht. Onder speur- en ontwikkelingswerk vallen technisch-wetenschappelijk onderzoek, ontwikkeling van technisch nieuwe fysieke producten of productieprocessen en technisch nieuwe programmatuur.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk gedeelte van het eerder genoemde bedrag van € 50 miljoen bedoeld is voor verruiming van de gebruikelijkloonregeling. Van het gereserveerde bedrag van € 50 miljoen wordt € 27 miljoen bestemd voor deze verruiming van de gebruikelijkloonregeling. De genoemde bedragen zijn in de brief van de Minister van Economische zaken van 24 mei 2016 met de Kamer gedeeld.28 Het bedrag van € 27 miljoen is sindsdien als gevolg van aanpassing aan de tarieven 2016 bijgesteld naar € 29 miljoen. Het verschil van € 2 miljoen is gedekt binnen het wetsvoorstel Belastingplan 2017. De overige € 23 miljoen wordt bestemd voor een niet-fiscale durfkapitaalregeling.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom is gekozen voor een vaststelling op het minimumloon. Er is voor gekozen aan te sluiten bij het wettelijke minimumloon omdat dit in beginsel ook in normale dienstbetrekkingen een ondergrens is. De inhoudingsplichtige kan overigens een lager gebruikelijk loon in aanmerking nemen, indien hij aannemelijk maakt dat een lager loon dan het wettelijke minimumloon meer passend is.

De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen dat het bij de gebruikelijkloonregeling qua omvang om een tamelijk beperkte regeling gaat en vragen zich af of dit niet haaks staat op het grote innovatiepotentieel van start-ups, ook gezien het belang ervan voor de verdere ontwikkeling en verdiencapaciteit van de Nederlandse economie. Het kabinet heeft per 2017 € 50 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor het stimuleren van start-ups/mkb. Onderzocht is hoe het budget het beste kan worden bestemd. Hierbij is het idee van de start-upsector en de toenmalige special envoy voor start-ups mevrouw Kroes om tot een versoepeling van de gebruikelijkloonregeling voor innovatieve start-ups meegenomen. Bij de invulling is gekozen voor de groep inhoudingsplichtigen met een S&O-verklaring voor starters. Daarmee wordt aangesloten bij een bestaande regeling. Innovatieve bezigheden zijn met bovengemiddelde onzekerheid omgeven: de kans dat innovaties mislukken is groter dan de kans dat een beproefde activiteit mislukt. Dit betekent dat bedrijven terughoudend zijn met investeringen in speur- en ontwikkelingswerk. Dergelijk speur- en ontwikkelingswerk is echter van groot belang voor de economie. Ook andere bedrijven profiteren via kennisspillovers vaak van het speur- en ontwikkelingswerk van deze innovatieve start-ups. Daarnaast zijn er nog andere niet-fiscale faciliteiten waar start-ups gebruik van kunnen maken, zoals de SEED-capital regeling, de Vroege fase financiering en het Innovatiekrediet.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de uitvoerbaarheid van het verlaagde gebruikelijke loon voor start-ups. Bij deze aanpassing in de gebruikelijkloonregeling wordt gebruikgemaakt van de S&O-verklaring voor starters. RVO.nl beoordeelt een aanvraag voor een S&O-verklaring voor starters. De Belastingdienst gaat, zoals in de uitvoeringstoets29 is aangegeven, in het toezicht uit van de juistheid van de door RVO.nl aangeleverde gegevens. Gelet op de omvang van de doelgroep vindt het toezicht op de regeling door de Belastingdienst handmatig plaats. Als achteraf blijkt dat de start-up niet aan de criteria heeft voldaan, past RVO.nl de S&O-verklaring aan. De inhoudingsplichtige moet vervolgens zelf het eerder opgegeven gebruikelijke loon corrigeren. De controle op de hoogte van het gebruikelijke loon loopt mee in het reguliere toezicht.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er bij evaluatie van de gebruikelijkloonmaatregel voor start-ups ook wordt gekeken naar het effect van de fiscale maatregel op groei van innovatieve start-ups in ons land en aan de bijdrage ervan op de verdere ontwikkeling van een start-upeconomie. Bij de evaluatie zal inderdaad worden gekeken in welke mate de maatregel bijdraagt aan de beoogde stimulering van innovatieve start-ups.

2.7. Verlenging van de eerste schijf van de vennootschapsbelasting

Het kabinet is verheugd dat de leden van de fractie van het CDA de én-én-benadering onderschrijven, zoals uiteengezet in de brief over het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat.30 Die benadering is gericht op én het krachtig voortzetten van de proactieve aanpak van internationale belastingontwijking, én het behoud van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat met een voldoende concurrerend Vpb-tarief. Ten aanzien van het behoud van een aantrekkelijk fiscaal vestigingklimaat vragen deze leden of een nominaal tarief van 20% voor alle vennootschapsbelastingplichtige lichamen door het kabinet als concurrerend wordt gezien. Voorts vragen deze leden of het kabinet het met hen eens is dat een tarief van 20% in 2021 haalbaar is, waarbij bijvoorbeeld al op 1 januari 2018 een eerste stap naar 22,5% wordt gezet.

In de brief over het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat geeft het kabinet aan dat omringende landen een lager Vpb-tarief hanteren of hebben aangekondigd dan het Nederlandse (top)tarief en dat de fiscale vestigingsconcurrentie verschuift van «grondslag» naar «tarief». Nederland moet daarom zijn inzet opnieuw doordenken, omdat Nederland – met een statutair (top)tarief van 25% – een minder aantrekkelijk land wordt om in te investeren als nadere maatregelen uitblijven. Een tariefsverlaging naar een concurrerend niveau is daarbij nadrukkelijk het streven. Een tariefsverlaging moet als vanzelfsprekend wel op passende wijze worden gedekt en ten aanzien daarvan zijn allerlei politieke keuzes mogelijk. De besluitvorming over welk tarief als concurrerend wordt gezien, het daarbij beoogde tijdpad en de keuzes ter financiering van de tariefsverlaging zullen moeten plaatsvinden in het bredere kader van onderhandelingen over een regeerakkoord.

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet kan aangeven hoe hoog de opbrengst is uit de aanpak van belastingontwijking. In het Belastingplan 2017 zijn diverse maatregelen genomen die belastingontwijking aanpakken. Hierbij zijn alleen de maatregelen omtrent de innovatiebox direct het gevolg van de afspraken uit het BEPS-project van de OESO. In de hierna opgenomen tabel 37 zijn de lastenrelevante budgettaire opbrengsten gegeven van de maatregelen in het Belastingplan 2017 die belastingontwijking aanpakken voor de jaren 2017–2022. Deze bedragen komen overeen met hetgeen is weergegeven in de memorie van toelichting van het Belastingplan 2017 (blz. 39 en 40).

Tabel 39

(bedragen in € mln.)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Struc.

Wijzigingen innovatiebox

0

14

43

73

102

145

148

148

Box 2-beleggen in vrijgestelde beleggingsinstellingen

0

0

0

0

0

0

0

0

Beperken reikwijdte toerekeningsstop APV’s

1

5

5

5

5

5

5

5

Wijzigingen specifieke renteaftrekbeperkingen

0

167

167

167

167

167

167

167

Totaal

1

186

215

245

274

317

320

320

2.8. Teruggaaf dividendbelasting voor niet-ingezetenen en heffingvrij vermogen voor buitenlands belastingplichtigen

De leden van de fractie van de VVD verzoeken om informatie te verstrekken over de netto-opbrengst van de dividendbelasting in 2016. Daarnaast constateren zij dat met de invoering van artikel 10a van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) de belastingwetgeving ingewikkelder gemaakt wordt terwijl de netto-opbrengst voor de schatkist terugloopt. Om die reden vragen zij om te reflecteren over deze onbalans en een grondige analyse te verstrekken waarom de dividendbelasting nog langer valt te handhaven.

Er is geen jaarlijkse raming van de netto-opbrengst van de dividendbelasting. De structurele netto-opbrengst van de dividendbelasting wordt geraamd op € 1,6 miljard euro. De ontvangsten zoals gepresenteerd in de Miljoenennota geven geen vertekend beeld van de totale belastingontvangsten. De Miljoenennota geeft de belastingontvangsten weer zoals deze naar verwachting per belastingmiddel in de kas gerealiseerd worden. De verrekening van de dividendbelasting met de vennootschapsbelasting respectievelijk de inkomstenbelasting komt tot uiting in de gerealiseerde kasontvangsten van deze belastingsoorten.

Ik deel de zorg van deze leden over de complexiteit van de belastingwetgeving. In zijn algemeenheid merk ik, onder verwijzing naar mijn brief van 20 september 2016,31 op dat vereenvoudiging onverminderd hoog op de agenda staat. Vereenvoudiging is een van de permanente doelstellingen van dit kabinet. Om die reden is in het pakket Belastingplan 2017 en in het bijzonder in het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2017 verschillende vereenvoudigingsmaatregelen voorgesteld. Naast vereenvoudiging heeft het kabinet echter ook andere verplichtingen, zoals het in lijn brengen van de wetgeving met internationale afspraken of jurisprudentie, hetgeen noodzakelijk en onvermijdelijk is maar ook op gespannen voet kan staan met het vereenvoudigingsstreven. Deze nieuwe regeling in de Wet DB 1965 is hier een voorbeeld van en draagt inderdaad niet bij aan de complexiteitsreductie. Echter, van de nieuwe teruggaafregeling op grond van artikel 10a van de Wet DB 1965 heeft ook de Belastingdienst vastgesteld dat die beperkte gevolgen heeft voor de uitvoering en dat het risico op procesverstoringen klein is.32 Daar komt bij dat op grond van Europese jurisprudentie Nederland weinig keuze heeft bij de invoering van deze maatregel. Aangezien de structurele budgettaire derving die gemoeid is met deze maatregel naar verwachting beperkt is (€ 1 miljoen), ziet het kabinet daarin geen aanleiding om de dividendbelasting fundamenteel te heroverwegen. De invoering van artikel 10a van de Wet DB 1965 vormt mijns inziens dan ook geen aanleiding voor een grondige analyse over het bestaansrecht van de dividendbelasting.

2.9. Bouwterreinen in de btw

De leden van de fractie van de VVD geven aan dat er in de praktijk onduidelijkheid is over de uitleg van de reikwijdte van de «intentie van partijen». Daarnaast vragen zij om nog eens uitgebreid uit te leggen waarom er geen overgangsrecht kan worden geboden. Daarbij wijzen zij er op dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), die de aanleiding vormt voor de wijziging, al van een aantal jaren geleden is.

Door de aanpassing van de definitie van een bouwterrein in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) sluit deze beter aan op de BTW-richtlijn. De bedoeling van de BTW-richtlijn is om enkel de levering van onbebouwde gronden, niet zijnde bouwterreinen, vrij te stellen van btw.

Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat een terrein als bouwterrein in de zin van de BTW-richtlijn kan worden aangemerkt, wanneer uit een beoordeling van alle omstandigheden – met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens – blijkt dat op de datum van levering het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd.33 De huidige wet kent vier voorwaarden, maar houdt geen rekening met andere objectieve gegevens waaruit eveneens kan worden afgeleid dat het betrokken terrein bestemd is om te worden bebouwd, terwijl dit volgens het voormelde arrest van het HvJ EU wel zou moeten.

Daardoor kunnen belastingplichtigen door een rechtstreeks beroep te doen op de BTW-richtlijn alsnog de ruimere definitie van een bouwterrein van toepassing laten zijn. De verruiming moet een einde maken aan deze keuzemogelijkheid. Het is niet zo dat door de wetsaanpassing voor betreffende gevallen ineens een intentie tot bebouwen ontstaat. Die intentie (onderbouwd door objectieve gegevens) is nu ook al in de wet opgenomen. In de huidige regels is immers opgenomen dat bewerkingen en dergelijke aan de grond moeten plaatsvinden met het oog op bebouwing van de grond wil de grond kwalificeren als bouwterrein. Nu een vergelijkbaar criterium in de huidige regelgeving voor bouwterreinen geldt, verwacht ik op dit punt dan ook geen grote onduidelijkheid. Het opnemen van overgangsrecht betekent dat voor deze gevallen nog langer de mogelijkheid wordt geboden om af te wijken van Europese regelgeving. Deze situatie vind ik onwenselijk en beoog ik door middel van de voorgestelde wetsaanpassing te beëindigen. Het opnemen van overgangsrecht acht ik dan ook niet nodig.

2.10. Wijziging btw-vrijstelling voor watersportorganisaties

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke termijn en in welke vorm het kabinet het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State zal opvolgen. De Afdeling is van mening dat het voorstel betreffende de btw-vrijstelling voor sport op een tweetal punten nog steeds niet overeenstemt met de BTW-richtlijn. In de door de Afdeling genoemde brieven is niet alleen bevestigd dat verruiming van de btw-sportvrijstelling onvermijdelijk is, ook de reden waarom nog niet tot aanpassing is overgegaan is daarbij toegelicht.34 De geraamde budgettaire gevolgen van een eventuele wetsaanpassing zijn groot en het kabinet wil deze gevolgen op dat moment ook inpassen. Op dit moment is dat budgettair echter nog niet mogelijk. Het advies van de Afdeling zal dan ook worden opgevolgd door de wettekst richtlijn conform te redigeren, alleen niet bij dit voorstel. Het niet richtlijnconform zijn van de huidige tekst belet belastingplichtigen overigens niet om zich al te beroepen op de bredere vrijstelling in de BTW-richtlijn.

2.11. Exportheffing afvalstoffenbelasting

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de gevolgen voor de financiële situatie van Nederlandse afvalverwerkers als gevolg van het op nul zetten van de exportheffing in de afvalstoffenbelasting en de daarmee gepaard gaande dekking door een verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting. De leden van de fractie van D66 vragen naar de status van het onderzoek naar de mogelijkheid van een exportheffing. Wanneer kan een oplossing voor deze problematiek met de Kamer worden gedeeld, zo vragen deze leden. De dekking voor het niet doorgaan van de exportheffing is door de Tweede Kamer bij amendement gewijzigd.35 De derving van € 8 miljoen per jaar wordt als gevolg van het aanvaarden van het amendement De Vries niet meer gedekt door een verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting, maar door een verlaging van het budget voor de Energie-investeringsaftrek. Het tarief voor de afvalstoffenbelasting blijft dus ongewijzigd en is voor zowel storten als verbranden relatief laag. Het is de verwachting van het kabinet dat de huidige tariefstelling in combinatie met de geldende marktomstandigheden en tarieven aan de poort niet leidt tot sterke veranderingen in de afvalstromen en de concurrentiepositie van Nederlandse afvalverwerkers, ook gegeven het feit dat de introductie van een exportheffing wordt onderzocht. Daarbij benadrukt het kabinet dat de introductie van een exportheffing niet van tafel is. In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid van een exportheffing is een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van de afvalbranche, het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat en de Inspectie voor Leefomgeving en Transport. Door leden van de werkgroep zijn meerdere werkbezoeken afgelegd, onder meer aan de uitvoeringsinstantie van de Vlaamse afvalheffing en aan twee Vlaamse afvalexporteurs. Op dit moment schrijft de werkgroep een rapportage van haar bevindingen. Naar verwachting zal de werkgroep deze rapportage binnen enkele maanden kunnen presenteren. Ik zeg toe uw Kamer hierover te zullen informeren.

2.12. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de fractie van het CDA geven aan met grote instemming kennis te hebben genomen van de uitvoeringstoets nieuwe stijl. De waardering per onderdeel roept bij hen echter de nodige vragen op. Zo lijkt het er volgens deze leden op dat de door het kabinet bedachte maatregelen over het algemeen op een mild oordeel kunnen rekenen. Specifiek maken zij een aantal opmerkingen over de uitvoeringstoets bij de maatregel box 2-beleggingen in vbi’s, waar zij zelf op onderdelen tot een ander oordeel komen dan in de uitvoeringstoets is aangegeven, leidend tot een negatieve eindoordeel over deze maatregel. Dit roept bij hen de vraag op hoe objectief de weging in de uitvoeringstoets is en zij stellen de vraag of het kabinet bereid is hierover het oordeel van de Tweede en Eerste Kamer te horen, om de maatregel op grond daarvan mogelijk niet in te voeren.

Ik dank de leden van de fractie van het CDA voor de door hen uitgesproken waardering voor de uitvoeringstoets nieuwe stijl. Ik heb de uitvoeringstoets nieuwe stijl in 2014 aangekondigd in de Brede Agenda voor de Belastingdienst.36 De uitvoeringstoets nieuwe stijl wordt opgesteld door de Belastingdienst, richt zich specifiek op de uitvoeringsaspecten van een voorstel, inclusief de interactie tussen de Belastingdienst en burgers en bedrijven en is vrij van politieke druk. Vorig jaar is de uitvoeringstoets voor het eerst toegepast bij de beoordeling van de voorstellen uit het pakket Belastingplan 2016. Met deze leden ben ik van mening dat de introductie van de uitvoeringstoets nieuwe stijl een goede ontwikkeling is. Daarmee wordt het immers mogelijk de gevolgen van wet- en regelgeving voor de uitvoering integraal mee te wegen in de besluitvorming over voorstellen voor nieuwe wet- en regelgeving.

Soms dreigt het beeld te ontstaan dat de Belastingdienst geen enkele wijziging in wet- en regelgeving meer zou aankunnen. Ik heb daar steeds tegenover gezet dat veel kan, maar niet alles en niet alles tegelijk. In veel gevallen is er ruimte voor het doorvoeren van vereenvoudigingsvoorstellen. De Belastingdienst werkt er ook voortdurend aan de mogelijkheden te vergroten, waarbij overigens zal blijven gelden dat niet alles altijd kan. Een recente ontwikkeling is dat de Belastingdienst dit jaar in staat was aanpassingen van parameterwaarden (tarieven, schijflengtes, bedragen in heffingskortingen, et cetera) uit nota’s van wijziging en aangenomen amendementen te verwerken in de geautomatiseerde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2017 die eind dit jaar en begin volgend jaar aan miljoenen burgers worden opgelegd. Vorig jaar was dit nog niet mogelijk, met als gevolg dat deze voorlopige aanslagen moesten worden berekend met de cijfers zoals die op Prinsjesdag bekend waren.

Bij de voorbereiding van nieuwe wet- en regelgeving wordt nauw samengewerkt tussen de medewerkers die de wetgeving maken en de medewerkers van de Belastingdienst die aan de uitvoeringstoets werken. Dat leidt ertoe dat bij het opstellen van wet- en regelgeving rekening wordt gehouden met de (on)mogelijkheden in de uitvoering. Niet-uitvoerbare voorstellen kunnen in beeld zijn geweest, maar zijn vervolgens in het voorbereidingsproces afgevallen. Ik heb daarover eerder gezegd dat ik degene ben die het vaakst het oordeel «onuitvoerbaar» te horen krijgt. De gevolgde werkwijze heeft eraan bijgedragen dat voorstellen die in het pakket Belastingplan 2017 zijn opgenomen het oordeel uitvoerbaar hebben gekregen. Dat kan een verklaring zijn voor de constatering van de leden van de fractie van het CDA waar zij spreken over «een mild oordeel». Overigens worden in de uitvoeringstoetsen in een aantal gevallen meer of minder kritische kanttekeningen bij voorstellen geplaatst. In de totale weging rond een voorstel is dan besloten die kanttekeningen te accepteren.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA over de uitvoeringstoets bij de maatregel voor box 2-beleggingen in vbi’s merk ik op dat aan deze toets de constatering ten grondslag ligt dat het om een kleine doelgroep gaat en dat de noodzakelijke expertise voor de beoordeling en behandeling van aangiftes, vragen en verzoek in verband met de maatregel zonder uitbreiding van capaciteit binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Ook is de verwachting dat adviseurs van de betrokken belastingplichtigen zich goed van de voorgenomen wijziging op de hoogte stellen. Tegen die achtergrond is de weging in de uitvoeringstoets dat het voorstel een beperkte impact heeft en uitvoerbaar is. Het is aan het kabinet en het parlement om de uitvoeringsaspecten mee te wegen in het bredere perspectief waarin politieke besluitvorming tot stand komt en op basis daarvan tot een oordeel te komen over de (on)wenselijkheid van de invoering van een maatregel.

De leden van de fractie van het CDA kunnen zich voorstellen dat naar aanleiding van de tweede voortgangsrapportage Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) een tussentijdse uitvoeringstoets nieuwe stijl wordt uitgevoerd en vernemen daarop graag de reactie van het kabinet. Uitvoeringstoetsen worden uitgevoerd bij wijzigingen in wet- en regelgeving. Bij de opschorting van de handhaving van de Wet DBA is daarvan geen sprake.

2.13. Consultatie

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er uit bredere lagen van de bevolking en belanghebbenden respons op de internetconsultaties van fiscale wetsvoorstellen komt. Ook vragen deze leden of internetconsultatie nieuwe ideeën naar voren brengt. Ik krijg vanuit diverse hoeken uit de samenleving reacties op internetconsultaties. Bij de internetconsultatie naar de teruggaafregeling voor oninbare vorderingen in de btw en milieubelastingen heb ik bijvoorbeeld niet alleen reacties ontvangen van grote belangenorganisaties als VNO-NCW en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), maar heb ik ook reacties van individuele advieskantoren en enkele particulieren ontvangen.37 Ook op de internetconsultatie naar de aanpassing van de innovatiebox heb ik reacties ontvangen van diverse belangenverenigingen, particulieren en bedrijven.38 Dit waardeer ik enorm, omdat hier zowel waardevolle als nieuwe ideeën uit voortvloeien. Zo hebben de reacties naar aanleiding van de internetconsultatie naar zowel de teruggaafregeling voor oninbare vorderingen in de btw en milieubelastingen als de reacties op de internetconsultatie naar de aanpassing van de innovatiebox tot wijzigingen geleid.39

3. Overige fiscale maatregelen 2017

3.1. Bedrijfsopvolgingsregeling

De leden van de fractie van het CDA vragen om een preciezere kwantificering van de hoge administratieve lasten en uitvoeringskosten als gekozen zou worden voor het alternatief waarbij het ondernemingsvermogen in indirecte belangen van minder dan 5% wel kan kwalificeren voor de doorschuifregelingen en de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De administratieve lasten nemen bij dit alternatief fors toe. Omdat het kabinet dit alternatief niet voorgesteld heeft, is de hoogte van die toename niet gekwantificeerd. Wel kan een kwalitatieve omschrijving gegeven worden van de administratieve lasten als gevolg van het alternatief.

Na toepassing van de reparatiewetgeving vallen alle indirecte belangen van minder dan 5% (of van minder dan 0,5% als de uitzondering voor familiebedrijven van toepassing is) buiten de BOR. Als bij het alternatief, in lijn met het arrest over de BOR, de voorwaarde wordt gesteld dat het belang van de holding in de vennootschap waarin het indirecte belang gehouden wordt tot het ondernemingsvermogen van de holding behoort, moet die voorwaarde bij ieder indirect belang van minder dan 5% getoetst worden. Vervolgens moet van ieder indirect belang van minder dan 5% dat aan die voorwaarde voldoet, getoetst worden welke bezittingen en schulden op het niveau van de holding tot het ondernemingsvermogen behoren. Het toepassen van deze dubbele toets leidt tot een flinke toename van de administratieve lasten en uitvoeringskosten, zeker als men zich bedenkt dat het kan gaan om concernsituaties waarin belangen worden gehouden in vennootschappen die weer belangen houden in andere vennootschappen, die vervolgens weer in andere vennootschappen belangen houden, enzovoort. Iedere schakel in het concern en via aandelenbelangen in andere concerns, moet worden onderworpen aan die beoordeling.

Het zal ook niet in alle gevallen mogelijk zijn te achterhalen welke bezittingen en schulden tot het ondernemingsvermogen behoren, omdat hiervoor de gegevens bij de erfgenaam of de begunstigde van de schenking ontbreken. Het achterhalen van de juiste gegevens wordt lastiger naarmate de betrokkenheid (het belang) kleiner is en als sprake is van grensoverschrijdende situaties.

Of een belang tot het ondernemingsvermogen van de holding behoort en zo ja, welke bezittingen en schulden op het niveau van de holding tot het ondernemingsvermogen behoren, zal in veel gevallen tot discussies leiden met de Belastingdienst. Het aantal verzoeken om en de intensiteit van het vooroverleg zullen toenemen in vergelijking met de situatie waarin het arrest volledig wordt gerepareerd, evenals het aantal discussies tijdens de aanslagregeling. Ook het aantal bezwaar- en beroepsprocedures zal toenemen. De noodzakelijke extra personele inzet hiervoor bedraagt structureel 8 fte (€ 780.000). Deze benodigde extra werknemers bij de Belastingdienst (met de juiste expertise) zijn momenteel niet beschikbaar binnen de bestaande formatie en kunnen niet voor 1 januari 2017 worden geworven.

De leden van de fractie van het CDA vragen waar het kabinet de interpretatie op baseert dat voor ieder nieuw verworven indirect belang een nieuwe bezitsperiode gaat lopen. Vooropgesteld: de BOR geldt alleen voor zover sprake is van een reële bedrijfsopvolging. Dit betekent onder andere dat de schenker of erflater gedurende een periode van vijf respectievelijk één jaar de onderneming moet hebben gedreven. Een uitbreiding in deze bezitsperiode kwalificeert niet voor de toepassing van de BOR voor zover deze uitbreiding een zelfstandig deel van een onderneming betreft. Artikel 35d, eerste lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956 (SW 1956) eist immers dat de schenker of erflater gedurende de bezitsperiode ondernemer moet zijn geweest ten aanzien van de in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de SW 1956 bedoelde onderneming. Daaronder wordt mede begrepen een zelfstandig deel daarvan. Voor zover sprake is van een aanschaf van een zelfstandig deel van een onderneming voldoet de schenker of erflater niet aan de voorwaarde dat hij voor dat deel van de tot zijn vermogen behorende onderneming minimaal vijf jaar, respectievelijk minimaal één jaar, ondernemer was. Indien bijvoorbeeld een vennoot in een vennootschap onder firma een firma-aandeel van 30% heeft en vervolgens het firma-aandeel van de andere vennoot overneemt, gaat voor deze 70% een nieuwe bezitseis gelden. Niet alleen past dat binnen de ratio van de BOR en de bezitseis om alleen reële bedrijfsopvolgingen te faciliteren, maar ook binnen de tweede doelstelling van de bezitseis, te weten het voorkomen van misbruik.40 Een en ander werkt hetzelfde indien geen sprake is van een IB-ondernemer maar van aanmerkelijkbelanghouder. Omdat in dat geval de aanmerkelijkbelanghouder niet de onderneming drijft, maar het lichaam waarop de aandelen betrekking hebben, geldt een dubbele bezitseis (artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, van de SW 1956). Ten eerste moet de schenker of erflater de aandelen minimaal vijf jaar, respectievelijk minimaal één jaar, hebben gehouden. Ten tweede moet het lichaam waarop de aandelen betrekking hebben de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de SW 1956, gedurende minimaal vijf jaar, respectievelijk minimaal één jaar, hebben gedreven. In geval van een zogenoemd indirect aanmerkelijk belang zal het lichaam deze onderneming bij fictie drijven als gevolg van de toerekeningsregel van artikel 35c, vijfde lid, van de SW 1956. Overigens heeft de rechtbank Den Haag onlangs beslist dat de bezitseis zich ook uitstrekt over zelfstandige delen van een onderneming.41
De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet in het advies van de Raad van State aanleiding ziet om de BOR ten principale te herzien en zo ja, op welke termijn het bereid is zijn evaluatie van de doelmatigheid van de regeling met de leden van de Eerste Kamer te delen. Ook vragen deze leden hoe de voorliggende reparatie van de BOR zich verhoudt tot de bevindingen uit het proefschrift van mevrouw Hoogeveen.42 De leden van de fractie van het CDA vragen om meer duidelijkheid over het vooronderzoek dat dient te resulteren in een plan dat voorziet in de verzameling en verwerking van de benodigde data voor een adequatere analyse van de doelmatigheid en doeltreffendheid van met name de doorschuifregelingen en de BOR. Deze leden vragen of dit een weinig prozaïsche omschrijving van de kroniek van de «aangekondigde dood van de BOR» is. Voorts vragen deze leden wie dit onderzoek doet, hoe de opdracht luidt, wat de aannames zijn, wanneer het onderzoeksrapport wordt verwacht en wanneer het kabinet met het parlement in discussie gaat over de uitkomsten van het onderzoek. In 2014 zijn de fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht door SEO Economisch Onderzoek geëvalueerd. In het evaluatierapport concludeert SEO Economisch Onderzoek dat een gebrek aan adequate data een te grote barrière blijkt om een betrouwbaar empirisch onderzoek te doen naar de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de doorschuifregelingen en de BOR. Bij de start van de evaluatie was niet bekend dat de beschikbare data in die mate beperkingen zouden opwerpen. In reactie op de evaluatie heeft het kabinet geschreven dat de uitkomsten van het simulatiemodel naar het oordeel van het kabinet slechts een indicatie geven over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de doorschuifregelingen en de BOR en dat deze econometrisch onvoldoende basis bieden voor harde conclusies. Ook heeft het kabinet in de reactie op de evaluatie geconcludeerd dat het kabinet onvoldoende informatie heeft over mogelijke economische effecten en complicaties van het omzetten van (onder andere) de BOR in een uitstel van betalingsregeling en dat een wijziging op dit vlak daarom in de visie van het kabinet op dat moment niet wenselijk was. Deze situatie geldt nog steeds en geldt dus ook voor de door mevrouw Hoogeveen voorgestelde betalingsregeling die in plaats zou moeten komen van de huidige vrijstelling. Het ten principale herzien van de BOR vindt het kabinet daarom op dit moment niet wenselijk. Tegelijk is het kabinet van mening dat een uitbreiding van de BOR ook niet nodig is. De Belastingdienst heeft namelijk sinds de aanpassing van de BOR in 2010 geen gevallen geconstateerd waarbij de schenk- en erfbelasting een belemmering vormen voor de continuïteit van ondernemingen. Met de reparatie van het arrest wordt voorkomen dat de BOR uitgebreid wordt ten opzichte van hoe de Belastingdienst de BOR sinds 2010 heeft toegepast. Om in de toekomst (vervolg)onderzoek mogelijk te maken, heeft het kabinet in zijn kabinetsreactie de aanbeveling van SEO Economisch Onderzoek overgenomen om een vooronderzoek te starten. Dit onderzoek dient te resulteren in een concreet plan dat de mogelijkheden weergeeft voor de verzameling en verwerking van de benodigde data. Dit met het doel om te onderzoeken hoe een adequatere analyse van de doelmatigheid en doeltreffendheid van met name de doorschuifregelingen en de BOR mogelijk gemaakt kan worden in een volgende evaluatie. SEO Economisch Onderzoek voert dit vooronderzoek uit. In dit vooronderzoek wordt ook het CBS betrokken. Er wordt gekeken welke data van het CBS door middel van koppeling geschikt kunnen worden gemaakt voor de evaluatie van de doorschuifregelingen en de BOR. Het vooronderzoek is dus niet bedoeld als een aankondiging van de dood van de BOR, maar heeft als doel de kwaliteit van de volgende evaluatie te verbeteren. De volgende evaluatie is voorzien in het jaar 2019 of 2020.

3.2. Overgangsrecht schenkingsvrijstelling

De leden van de fractie van de PvdA vragen of geen vereenvoudiging mogelijk is bij het complex ogende overgangsrecht voor de verhoogde vrijstelling schenkbelasting voor de eigen woning en zo ja, wat zij op dit terrein mogen verwachten en zo nee, waarom niet.

De verruiming van de schenkingsvrijstelling eigen woning is een van de maatregelen uit het Belastingplan 2016 en treedt in werking per 1 januari 2017. Vanaf 1 januari 2017 mag iedereen tussen 18 en 40 jaar van een familielid of van een derde eenmalig een schenking van maximaal € 100.000 vrij van schenkbelasting ontvangen, mits deze schenking wordt aangewend voor de eigen woning. De SW 1956 kent jaarlijkse vrijstellingen en verhoogde vrijstellingen. De hoofdregel voor een verhoogde vrijstelling is dat deze eenmalig is: de verkrijger kan per schenker eenmaal in zijn leven van een of meer van de verhoogde vrijstellingen gebruikmaken. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2016 is uitgebreid ingegaan op het overgangsrecht, zoals gememoreerd in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017.43 Bij de totstandkoming van de structurele verruiming van de schenkingsvrijstelling voor een eigen woning rees de vraag naar de reikwijdte van het gewenste overgangsrecht. Daarbij was de insteek dat de inhaalvrijstelling voor de gevallen van vóór 2010 intact zou blijven. Daarnaast leek het wenselijk om te voorkomen dat voor 2015 en 2016 geplande schenkingen op basis van het in die jaren geldende recht zouden worden uitgesteld tot 2017. Daarom is mogelijk gemaakt dat in aanvulling op in 2015 of 2016 gedane schenkingen waarvoor de verhoogde vrijstelling eigen woning is toegepast, nog een schenking van dezelfde schenkers onder de vrijstelling kan worden gedaan in 2017 of 2018. Het in de wet opgenomen overgangsrecht is daarmee beperkt tot situaties waarin een kind vóór 2010, in 2015 of in 2016 gebruik heeft gemaakt van een verhoogde vrijstelling. Hierbij moet worden bedacht dat ouders in de periode dat de tijdelijk verruimde schenkingsvrijstelling van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 van kracht was, de mogelijkheid hebben gehad om een onbelaste schenking voor de eigen woning van maximaal € 100.000 te doen of als gevolg van het ruimhartige overgangsrecht destijds een eerdere schenking tot dat bedrag belastingvrij aan te vullen. Het kabinet ziet geen aanleiding om die mogelijkheid nogmaals te bieden voor de gevallen waarin daar toentertijd geen gebruik van is gemaakt. Het in het Belastingplan 2016 neergelegde overgangsrecht is goed uitvoerbaar in de praktijk, mede omdat het een relatief beperkte groep is die voor het overgangsrecht in aanmerking komt en vanwege het tijdelijke karakter. Naar de mening van het kabinet is hiermee een verdedigbaar, in tijd beperkt en overzichtelijk overgangsrecht tot stand gekomen.

3.3. Boetevrij aflossen van een spaar- of beleggingshypotheek

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet inderdaad voor 1 februari 2017 het parlement kan berichten over de uitkomsten van het onderzoek naar de impact van het aangenomen amendement Omtzigt en Ronnes inzake het boetevrij aflossen bij een spaar- of beleggingshypotheek. Voor 1 februari 2017 is het overleg tussen De Nederlandsche Bank en het Verbond van Verzekeraars afgerond en kan ik het parlement informeren over de uitkomst daarvan.

4. Fiscale vereenvoudigingswet 2017

4.1. Stroomlijnen invordering belastingen en toeslagen

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze bij het stroomlijnen van de invorderingsregelgeving rekening wordt gehouden met het bestaansminimum. Hier moeten twee situaties worden onderscheiden. De eerste situatie betreft de debiteurgerichte betalingsregeling. Als een burger een verzoek doet om een debiteurgerichte betalingsregeling en zijn schuld niet binnen 12 maanden kan voldoen, kan hij onder voorwaarden in aanmerking komen voor een maatwerkregeling. Bij een maatwerkregeling is het maandelijkse termijnbedrag gebaseerd op zijn betalingscapaciteit, ofwel – kort gezegd – het deel van zijn inkomen dat boven het bestaansminimum uitkomt. De tweede situatie betreft de dwangincasso. Als een burger zijn schuld niet voldoet en geen gebruikmaakt van een debiteurgerichte betalingsregeling, zal de Belastingdienst overgaan tot verrekening van de schuld met lopende toeslagvoorschotten of teruggaven inkomstenbelasting of beslag leggen op inkomens- of vermogensbestanddelen. Zowel in geval van verrekening, als in geval van beslag op een inkomensbestanddeel, houdt de Belastingdienst rekening met de beslagvrije voet. Nadat de voorgenomen vereenvoudiging van de beslagvrije voet wettelijk is gerealiseerd, naar verwachting voor 1 januari 2019, houdt de Belastingdienst voorafgaand aan de dwangincassomaatregel rekening met de beslagvrije voet. Zolang de vereenvoudiging van de beslagvrije voet nog niet is gerealiseerd kan de Belastingdienst alleen achteraf, op verzoek, rekening houden met de beslagvrije voet. Tot die tijd zal de uitbreiding van de verrekeningsbevoegdheid van de Belastingdienst, waarin dit wetsvoorstel voorziet, nog niet in werking treden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom ervoor is gekozen de wijzigingen in het kader van stroomlijnen pas op 1 januari 2019 in werking te laten treden. De belangrijkste reden waarom een implementatietermijn van twee jaar nodig is, is dat het voorstel grote aanpassingen van de systemen en processen van de Belastingdienst vergt. Om de implementatie zorgvuldig te laten verlopen werkt de Belastingdienst stapsgewijs toe naar een volledig geautomatiseerde uitvoering van de regeling. Naast de forse investering in de systemen en de processen, vergt stroomlijning een zorgvuldige begeleiding van burgers. Ook dit communicatietraject kost tijd. Overigens is gekozen voor inwerkingtreding bij KB van de bepalingen die stroomlijning van invordering betreffen, zodat met eventuele tegenvallers bij de implementatie rekening gehouden kan worden.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe aansluiting op het beslagregister goed zal functioneren. Voor een verantwoorde en daarmee goed functionerende aansluiting op het beslagregister door de Belastingdienst is nodig dat er een wettelijke basis komt voor uitwisseling van gegevens en dat aansluiting technisch wordt gerealiseerd. Dit vraagt waarschijnlijk technische aanpassingen in het beslagregister zelf en in de systemen van de Belastingdienst. Daarnaast moet bepaald worden welke gegevens precies in het beslagregister opgenomen moeten worden om alle schuldeisers van juiste en adequate informatie te voorzien. Bovendien dient er een antwoord te komen op vragen over onder meer eigenaarschap en kosten van het beslagregister.

De leden van de fractie van D66 vragen of de toegang van verschillende schuldeisers tot het beslagregister goed is gewaarborgd. Het beslagregister is ingericht door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en is op 1 januari 2016 operationeel geworden voor gerechtsdeurwaarders. Om een verantwoorde aansluiting van overheidspartijen op het beslagregister mogelijk te maken, is onder meer een wettelijke basis voor uitwisseling van gegevens nodig en moet de aansluiting technisch mogelijk worden gemaakt voor de desbetreffende overheidsorganisaties. Dit is onderdeel van de verdere uitwerking van de verbreding van het beslagregister. Een interdepartementale projectgroep, onder leiding van het Ministerie van SZW werkt het kabinetsvoornemen tot verbreding van het beslagregister verder uit op basis van een eerste verkennend onderzoek. Uitgangspunt daarbij is dat de toegang van verschillende overheidsschuldeisers geborgd is. De Staatssecretaris van SZW zal, mede namens de Ministers van Economische Zaken en van Volksgezondheid en Sport en de Staatssecretarissen van Financiën en van Veiligheid en Justitie, de eerste verkenning over uitbreiding van het beslagregister en een voorstel voor verdere uitwerking hiervan zeer binnenkort naar de Tweede Kamer zenden.44

De leden van de fractie van D66 vragen in welke (en in hoeveel) gevallen aansluiting op het beslagregister naar verwachting niet gerealiseerd kan worden of aansluiting op het register onverhoopt niet mogelijk zal zijn. De inzet van het kabinet is dat overheidspartijen aansluiten op het beslagregister. Dat is ook het uitgangspunt van de verdere uitwerking van de verkenning naar verbreding van het beslagregister.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe realistisch het is dat aansluiting op het beslagregister voor de Belastingdienst realiseerbaar is en waar dit op is gebaseerd. Ook vragen deze leden of er een hardheidsclausule is. Ik ben voorstander van aansluiting van de Belastingdienst op het beslagregister. Een antwoord op de vraag of en wanneer die aansluiting gerealiseerd kan worden, hangt af van de keuzes die bij verdere uitwerking van verbreding van het beslagregister worden gemaakt. De Belastingdienst zal hierbij betrokken zijn en ook een uitvoeringstoets doen als de contouren duidelijk zijn. Een hardheidsclausule is daarbij niet aan de orde. Er wordt naar gestreefd het register zo in te richten dat aansluiting voor alle betrokken overheidspartijen effectief en uitvoerbaar is.

De leden van de fractie van D66 vragen welke preventieve mogelijkheden zijn onderzocht om te voorkomen dat de beslagvrije voet van de schuldenaar wordt aangetast waardoor deze nog verder in de problemen raakt. Bij de vaststelling van de beslagvrije voet heeft de schuldenaar straks enkele mogelijkheden om in te grijpen. Het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging beslagvrije voet bevat naast een vereenvoudiging van de berekening van de beslagvrije voet ook wijzigingen in het proces, waardoor een betere afstemming tussen schuldeisers plaats kan vinden en de schuldenaar mogelijkheden krijgt om in een vroeg stadium de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van zijn beslagvrije voet aan te vullen of te wijzigen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de verzetsprocedure bij de burgerlijke rechter voor de betreffende doelgroep realistisch is. Na de vereenvoudiging van de beslagvrije voet wordt het voor de Belastingdienst mogelijk om vooraf, proactief, rekening te houden met de beslagvrije voet. De verwachting is dat het aantal gevallen waarin de schuldenaar zijn toevlucht tot de burgerlijke rechter moet zoeken dan zal afnemen. Overigens blijkt in de huidige praktijk dat de weg naar de burgerlijke rechter wel degelijk wordt gevonden.

De leden van de fractie van D66 vragen onder welke voorwaarden de kosten van bezwaar en beroep worden vergoed als de schuldenaar in het gelijk wordt gesteld. De belangrijkste voorwaarden voor het toekennen van een kostenvergoeding zijn dat de schuldenaar de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, dat de schuldenaar om een kostenvergoeding heeft verzocht voordat de Belastingdienst op het bezwaar heeft beslist en dat de gemaakte kosten expliciet zijn genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht, bijvoorbeeld: kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand, kosten van een getuige, deskundige of tolk en reis- en verblijfkosten.

De leden van de fractie van D66 vragen of onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor schuldenaren als het gaat om de toegankelijkheid van de rechtspraak. In het kader van het stroomlijnen van invorderingsregelgeving is niet specifiek onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van de rechtspraak. De rechtsbescherming wijzigt in geschillen over uitstel en kwijtschelding. Voor toeslaggerechtigden is de wijziging in rechtsbescherming, namelijk van de algemene bestuursrechtspraak naar de fiscale rechtspraak, in de praktijk zeer beperkt: ook in de huidige situatie is een uitstelbeschikking ter zake van de toeslagterugvordering vatbaar voor bezwaar en vervolgens voor beroep bij de bestuursrechter. Voor deze doelgroep zijn de wijzigingen pas merkbaar in de fase daarna: in plaats van hoger beroep bij de Raad van State, is straks hoger beroep bij het Gerechtshof en cassatieberoep bij de Hoge Raad mogelijk. Voor belastingschuldigen vervalt de mogelijkheid van administratief beroep bij de directeur. Daarvoor in de plaats komt de, net zo laagdrempelige, mogelijkheid van bezwaar bij de ontvanger. Daar waar de directeur nu het eindstation is, is er straks nog een gang naar een onafhankelijke rechter mogelijk. Los van het antwoord op de vraag hoe toegankelijk deze onafhankelijke rechter is, blijft dit een extra instantie waardoor de rechtsbescherming ten opzichte van de huidige situatie verbetert.

4.2. Vereenvoudigingen teruggaafregeling oninbare vorderingen btw

De leden van de fractie van de VVD vragen of in de voorgestelde teruggaafregeling voor oninbare vorderingen mogelijk cumulatie van btw kan optreden die in strijd is met het neutraliteitsbeginsel. Zij vragen daarnaar, omdat de verschuldigdheid tot btw-betaling over alsnog ontvangen bedragen niet afhankelijk wordt gesteld van de vraag of eerder daadwerkelijk een teruggaafverzoek is ingediend. In de versie van het wetsvoorstel waarover internetconsultatie heeft plaatsgevonden, was het opnieuw verschuldigd worden van de belasting over alsnog ontvangen bedragen gekoppeld aan de daadwerkelijke teruggaaf van belasting. In deze opzet werd de belasting opnieuw verschuldigd wanneer de vergoeding alsnog werd ontvangen na het moment van teruggaaf. Uit bij de internetconsultatie naar voren gebrachte bezwaren bleek echter dat deze opzet tot complicaties zou leiden, waarbij in bepaalde gevallen onbedoeld geen heffingsmoment zou ontstaan. De Belastingdienst gaf eveneens aan dat een koppeling van de verschuldigdheid aan het eerder in mindering brengen van de belasting in de praktijk tot complicaties zou leiden. Daarbij speelt een rol dat het zowel voor ondernemers als voor de Belastingdienst veelal lastig zou zijn om per vordering na te gaan in hoeverre in het verleden het recht op teruggaaf daadwerkelijk is geëffectueerd, wanneer op een later moment alsnog een bedrag wordt ontvangen. Dit zou nog extra moeilijk zijn in de situatie dat een vordering na het ontstaan van het recht op teruggaaf wordt overgedragen aan een factoringbedrijf, waar deze leden ook naar vragen. Naar aanleiding van het ontvangen commentaar is besloten de verschuldigdheid niet te koppelen aan het in mindering brengen van de belasting, maar aan het zijn ontstaan van het recht op teruggaaf.

Belangrijke punten van de nieuwe, vereenvoudigde regeling zijn dat de ondernemer één jaar na het verstrijken van de datum van opeisbaarheid hoe dan ook recht heeft op een teruggaaf en dat een vordering, vroeger of later, ook één of meerdere keren kan worden overgedragen aan een andere ondernemer. In zo’n systeem past het niet dat een belanghebbende geruime tijd na het ontstaan van het recht op teruggaaf een verzoek daartoe zou indienen, omdat dat zou kunnen leiden tot ongewenste complicaties. Als een ondernemer vergeet op tijd zijn recht op teruggaaf te verwerken, bestaat overigens altijd de mogelijkheid om de inspecteur te verzoeken om ambtshalve teruggaaf, bijvoorbeeld via een zogenoemde suppletie. Hiermee kan een cumulatie van btw dus ook achteraf nog worden voorkomen. Ik acht een aanpassing van het wetsvoorstel dan ook niet nodig, ook als gevolg van eisen die de BTW-richtlijn stelt. Zoals ik ook heb aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is deze regeling gebaseerd op artikel 90 van de BTW-richtlijn, waarbij de lidstaten zelf de voorwaarden kunnen vaststellen waaronder de teruggaaf wordt verleend.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe het verschil van behandeling in het overgangsrecht tussen enerzijds de teruggaaf van afgedragen btw en anderzijds de herziening van eerder afgetrokken btw zich verhoudt tot de BTW-richtlijn. De BTW-richtlijn legt op zichzelf geen link tussen de teruggaaf van afgedragen btw en de herziening van eerder afgetrokken btw. Niettemin is de voorgestelde structurele regeling zodanig vormgegeven dat voor beide situaties hetzelfde criterium geldt. Zowel het recht van de leverancier op teruggaaf van betaalde btw als de verplichting van de afnemer tot herziening van eerder in aftrek gebrachte btw ontstaan een jaar na het opeisbaar worden van de niet betaalde vordering.

De overgangsregeling ziet echter inderdaad alleen op het moment waarop bij de leverancier het recht op teruggaaf ontstaat. Voor alle vorderingen die op 1 januari 2017 opeisbaar zijn gaat de termijn van een jaar lopen vanaf die datum. Dit overgangsrecht voorkomt dat voor verschillende oninbare vorderingen tijdelijk twee teruggaafregimes naast elkaar bestaan, waarbij ook de verschuldigdheid wanneer alsnog wordt betaald in alle gevallen eenduidig wordt geregeld. Verder wordt hiermee om budgettaire redenen het kaseffect van de nieuwe teruggaafregeling voor bestaande vorderingen verlegd naar 2018.

Voor de verplichting tot herziening van eerder in aftrek gebrachte btw wordt geen vergelijkbaar overgangsrecht getroffen. In de voorgestelde regeling wordt de huidige termijn van twee jaar waarna deze verplichting ontstaat eveneens gesteld op één jaar na het opeisbaar worden van de niet betaalde vordering. De verkorting van de termijn gaat daarbij direct in, ook voor bestaande vorderingen. Dit leidt in relatief weinig gevallen tot een beperkte afwijking tussen het moment waarop de debiteur zijn aftrek moet herzien en het moment waarop voor de leverancier recht op teruggaaf ontstaat. Deze kortstondige en beperkte discrepantie past binnen de ruimte die de BTW-richtlijn de lidstaten laat.

De leden van de fractie van de VVD vragen voorts naar het feit dat factorbedrijven een verzoek om teruggaaf van btw apart kunnen doen, terwijl een eventuele terugbetaling op aangifte moet plaatsvinden. Is dit procedurele verschil gewenst voor praktijk en de Belastingdienst, zo vragen deze leden. In de teksten zoals deze ter consultatie zijn gepubliceerd op internet was het uitgangspunt dat de teruggaaf voor oninbare vorderingen in alle situaties via de aangifte zou gaan lopen en dat daarvoor geen apart teruggaafverzoek meer nodig zou zijn. Uit reacties vanuit het bedrijfsleven bleek echter dat voor de btw een apart teruggaafverzoek toch de voorkeur verdient in de situatie dat de vordering is overgenomen door een andere ondernemer. Ook de Belastingdienst heeft aangegeven dat dit uitvoeringstechnisch wenselijk is. Naar aanleiding van deze reacties is het wetsvoorstel aangepast. Wanneer een factorbedrijf voor een overgenomen vordering recht heeft op teruggaaf van btw, blijft daarvoor dus een apart teruggaafverzoek noodzakelijk. Wanneer een vordering alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, is de daarop betrekking hebbende btw op aangifte verschuldigd. Ook factorbedrijven dienen deze btw op de gebruikelijke wijze op aangifte te betalen. Dit staat los van het feit dat voor de teruggaaf een apart verzoek nodig blijft.

4.3. Afschaffen fictieve dienstbetrekking commissarissen

De leden van de fractie van de VVD vragen of de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking wordt doorgetrokken naar de niet-uitvoerende bestuurders in een zogenoemde «one-tier board» en zo nee, waarom niet. Sinds in het kader van de modernisering van het ondernemingsrecht de in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen wijzigingen per 1 januari 2013 in werking zijn getreden is het mogelijk om de rol van toezichthouder niet buiten, maar juist binnen het bestuur van een onderneming te plaatsen. Doortrekken van het afschaffen van de fictieve dienstbetrekking van de commissarissen naar de niet-uitvoerende bestuurder is een interessante maar ook veelzijdige vraag die nadere bestudering vergt. Het zou in ieder geval een verzwaring voor de uitvoering betekenen, omdat er dan meer arbeidsverhoudingen beoordeeld moeten worden.

4.4. Afschaffen jaarloonuitvraag

De leden van de fractie van de PvdA vragen of, nu wordt voorgesteld de jaarloonuitvraag af te schaffen, correcties over het verleden alleen nog via correctieberichten ingediend kunnen worden. Ook willen deze leden een appreciatie vernemen over de gevolgen voor de administratieve lasten van deze wijziging. In de bepalingen rond het indienen van correctieberichten (deze zien op tijdvakgegevens en zijn bestemd voor de polisadministratie) verandert niets. De jaarloonuitvraag (die ziet op jaargegevens) is een middel om, in het geval dat gegevens onvolledig of onjuist in de aangifte waren verwerkt, alsnog snel informatie te vergaren voor de processen van de Belastingdienst, in het bijzonder voor de vaststelling van toeslagen en de aanslagregeling inkomstenbelasting. In het geval de Belastingdienst bij een werkgever jaarloongegevens uitvroeg, verviel niet de verplichting de tijdvakgegevens alsnog correct in te dienen. De noodzaak om jaargegevens uit te vragen is in de jaren sinds 2006 sterk teruggelopen. Daarom is het effect voor de administratieve lasten van werkgevers verwaarloosbaar.

5. Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA zijn bezorgd dat indien er geen duidelijkheid ontstaat over de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke gevolgen van compensatie als gevolg van het voorwaardelijk prijsgeven van pensioenaanspraken door de (ex) partner, de doelstelling van de uitfasering in gevaar komt. Eerstgenoemde leden vragen welke mogelijkheden de regering ziet om deze onzekerheid weg te nemen. De laatstgenoemde leden hebben gevraagd om een uitvoerige reactie op het commentaar van de NOB en de brief van de Samenwerkende Register Accountants (SRA), het Register Belastingadviseurs (RB) en de Nederlandse Orde van administratie en belastingdeskundigen (NOAB) van 25 november 2016 over deze aspecten. De laatstgenoemde brief ziet uitsluitend op de compensatie van de partner van de dga en de eventuele schenkbelastingaspecten. Ook in het commentaar van de NOB neemt dit een belangrijke plaats in.

Gelet op de vragen van deze leden zal ik eerst ingaan op diverse aspecten die samenhangen met de compensatie voor het verlies aan pensioenaanspraken en de daaraan mogelijkerwijs verbonden schenkbelastingaspecten.

Bij afstempeling en afkoop of omzetting van pensioenaanspraken kan sprake zijn van verlies van aanspraken van de partner. Dat is dan ook de reden dat bij een dergelijke afstempeling en afkoop of omzetting naar een oudedagsverplichting tevens zal moeten worden nagedacht over een mogelijke compensatie van de partner van de dga. De partner heeft een voorwaardelijk recht op uitkering in geval van overlijden van de dga en in geval van echtscheiding. Het is in dit licht niet nodig om de compensatie direct – in het jaar van afkoop of omzetting naar een oudedagsverplichting – te verlenen. Het direct moeten uitkeren van de compensatie in de vorm van een financiële vergoeding is dus niet aan de orde.

De partners zijn geheel vrij in hun keuze voor compensatie. Net als bij een scheiding kunnen afspraken worden gemaakt om bijvoorbeeld het aan de partner toekomende deel van de waarde van het pensioen bij een professionele verzekeraar onder te brengen. Verder kan de partner compensatie krijgen via bijvoorbeeld aanvullende huwelijkse voorwaarden. De compensatie voor de afstempeling en afkoop of omzetting van de pensioenaanspraken – die voor wat betreft de partner kan zien op het tijdens het huwelijk opgebouwde deel van de pensioenaanspraken en op een nabestaandenpensioen bij overlijden van de dga – kan dus verschillende vormen hebben. De compensatie kan daarbij ook bestaan uit een mix van elementen, zoals een waardestijging van de aandelen die in handen zijn van de partner, de doorbetaling van een deel van de door de dga ontvangen afkoopsom en het treffen van een overlijdensrisicoverzekering voor de partner bij een externe verzekeraar. Ook de suggestie van de NOB om in een overeenkomst vast te leggen dat de compensatie (uitsluitend) plaatsvindt als de betreffende gebeurtenis (vooroverlijden van de dga of echtscheiding) zich voordoet, kan een passende compensatie vormen. Hiervoor kan een bepaling worden opgenomen in een aanvulling op de huwelijkse voorwaarden of in een onderhandse overeenkomst. In die bepaling kan de dga een compensatie bieden analoog aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS), zoals die op de datum van afstempeling gevolgd door afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting, van toepassing was tegen de voorwaarden op het (latere) moment van de eventuele toekomstige echtscheiding of overlijden van de dga. Daarbij kunnen partijen de tot het moment van uitfasering opgebouwde pensioenaanspraken vastleggen. Een berekening van compensatie is op het moment van afkoop, dan wel omzetting dan ook niet nodig, maar deze hoeft pas te worden gemaakt op het moment van echtscheiding of overlijden van de dga. Voor wat betreft het nabestaandenpensioen ben ik het met de NOB eens dat het sluiten van een overlijdensrisicoverzekering dan wel het sluiten van een partnerpensioenpolis bij een verzekeraar een eenvoudige mogelijkheid is om het verlies aan partnerpensioen te compenseren. Het geheel van de verschillende afspraken dient hierbij in onderlinge samenhang te worden bezien. Als er in relatie tot de pensioenregelgeving sprake is van een passende compensatie van de partner, is geen sprake van een schenking en is derhalve ook geen schenkbelasting verschuldigd.

Van een belastbare schenking is geen sprake tussen de partners die in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd (dit kan anders liggen bij afspraken in het zicht van echtscheiding). Met deze situatie wordt gelijkgesteld de situatie dat partners zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap maar met een wederkerig finaal verrekenbeding bij overlijden en echtscheiding alsof ze in wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Ook in die situatie zal schenkbelasting niet aan de orde komen. Bij andere vormen van huwelijkse voorwaarden is met het oog op de schenkbelasting wel de vraag relevant of sprake is van passende compensatie van de partner.

Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een huwelijksgoederenregime van koude uitsluiting met een periodiek verrekenbeding dat niet is uitgevoerd. Indien deze verrekening bij het einde van het huwelijk nog niet heeft plaatsgevonden, dan wordt wettelijk gedaan alsof er sprake is van een gemeenschap van goederen. Tijdens het huwelijk kan er echter steeds voor worden gekozen om de verrekening alsnog plaats te laten vinden. Om deze reden kan dan niet gezegd worden dat de fiscale gevolgen tijdens het huwelijk gelijk zijn aan die bij in gemeenschap van goederen gehuwden. Ook bij een huwelijksgoederenregime van koude uitsluiting zonder een (periodiek en) finaal verrekenbeding zal een passende compensatie nodig zijn, wil de schenkbelasting niet aan de orde zijn. Bij de beoordeling van de vraag of een schenking aanwezig is, mag worden uitgegaan van het daadwerkelijk in het pensioenlichaam ter dekking van de pensioenverplichtingen aanwezige vermogen (in plaats van de waarde van de rechten van de partner). Het gaat daarbij om de waarde in het economische verkeer van dat vermogen (inclusief winstverwachtingen). In de veel voorkomende situatie waarin het pensioenlichaam minder vermogen heeft dan zelfs de waarde van de fiscale verplichting, wordt het moeten betalen van schenkbelasting voorkomen indien een passende compensatie aan de partner toekomt waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin het pensioen onder water staat.

In dit opzicht wil ik er wel nog op wijzen dat het in de eerdere beantwoording richting de Tweede Kamer gegeven voorbeeld waarin wordt uitgegaan van een compensatie van 73% voor de partner, wellicht te zeer een eigen leven is gaan leiden.45 Zo is, zoals hiervoor is aangegeven, voor een passende compensatie, en dus om een belaste schenking te voorkomen, geen directe betaling vereist. Deze kan door partners ook op andere wijze worden vormgegeven, zoals een afspraak in de huwelijksvoorwaarden of een aanvullende overeenkomst die voorziet in toekomstige compensatie in de situatie waarin het verlies aan pensioenaanspraken voor de partner gevolgen heeft. Verder is het percentage van 73% gebaseerd op de specifieke omstandigheden van het gegeven voorbeeld. In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik een aantal van de feiten en omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, genoemd. Deze verschillen van geval tot geval. Afhankelijk van de individuele omstandigheden, zoals de leeftijd van de dga en zijn partner, de vormgeving van de pensioenaanspraken, de mate van dekking van de pensioenverplichtingen bij de bv en de wijze waarop de compensatie wordt vormgegeven, zal een andere verdeling passend kunnen zijn. Het gaat erom of de partner op zodanige wijze tegemoet wordt gekomen voor zijn verlies aan pensioenaanspraken dat van een kenbare vermogensverschuiving tussen de partners geen sprake meer is. Hierbij dient de totale vermogensrechtelijke verhouding tussen de partners in de beschouwing te worden betrokken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de wenselijkheid om de toestemming van de partner omtrent de wijziging van het pensioen in eigen beheer (PEB) via het privaatrecht te regelen. Bij de voorgestelde uitfasering van het PEB gaat het om – de uitfasering van – een fiscale regeling, namelijk enerzijds de aftrekmogelijkheid in de winstsfeer voor de vennootschapsbelasting en anderzijds de vrijstelling in de opbouwfase in de loonbelastingsfeer op basis van de omkeerregel. Het uitfaseren van het PEB betreft dan ook met name het fiscale recht. Beëindiging van het PEB door middel van afkoop dan wel omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting heeft echter ook gevolgen voor de (afgeleide) pensioenaanspraken voor de (ex-) partner. Het civiele recht biedt hiervoor geen bescherming, aangezien de beëindiging van het PEB in dit geval niet het gevolg is van scheiding of beëindiging van het partnerschap, waardoor de Wet VPS hierop niet van toepassing is. Tijdens de uitgebreide gedachtenwisselingen die voorafgegaan zijn aan de keuze voor beëindiging van het PEB is gebleken dat onder meer bij uw Kamer dan ook zorgen bestonden over de bescherming van de rechten van de (ex-)partner bij beëindiging van het PEB. Omdat het kabinet de bescherming van de rechten van de (ex-)partner ook een belangrijk punt vindt, is ervoor gekozen een instemmingsvereiste op te nemen als voorwaarde voor het verkrijgen van de fiscale faciliteit. Er is voor gekozen dit via de fiscaliteit te regelen, aangezien de uitfasering van het PEB een fiscale maatregel is. Er is niet beoogd een bredere civielrechtelijke regel te treffen. Het staat de partners vrij hoe zij dit verder willen vastleggen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een appreciatie van de uitvoerbaarheid van de overgangsregeling. De leden van de fractie van D66 vragen of de termijn van de uiterste datum van de keuze met 12 maanden verlengd kan worden. Ik neem aan dat deze vragen zien op de coulanceregeling waarvoor met de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen een grondslag is opgenomen. Op basis van deze grondslag komt er een beleidsbesluit waarmee een extra periode van drie maanden wordt gegeven. Deze regeling geeft de dga’s tot en met 31 maart 2017 de tijd om de laatste stappen te zetten om het PEB aan te passen aan de per 1 januari 2017 door te voeren wijzigingen. De wens om met betrekking tot de inwerkingtredingsdatum van onderhavig wetsvoorstel enige coulance te bieden werd in de praktijk door de betrokken belastingplichtigen, hun adviseurs en verzekeraars alsmede door de Belastingdienst breed gedragen. De overgangsperiode van drie maanden geeft de betrokken partijen de benodigde tijd voor een weloverwogen keuze. Ik ben er daarom van overtuigd dat deze regeling positief zal bijdragen aan de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Ik zie geen noodzaak om de toegezegde termijn van drie maanden met nog eens twaalf maanden te verlengen. Dat zou niet stroken met doel en strekking van de wet, namelijk het zo snel mogelijk wegnemen van de bestaande knelpunten van het PEB.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom het kabinet er niet voor heeft gekozen om de oudedagsreserve voor ondernemers uit te faseren. Het gaat hierbij om de zogenoemde fiscale oudedagsreserve (FOR). In bijlage 2 bij mijn brief van 17 december 201546 heb ik aangegeven dat afhankelijk van de te kiezen oplossingsrichting voor het PEB uitstraling naar de FOR ook in beeld zou kunnen komen. Verder verwijs ik naar het verslag van een algemeen overleg d.d. 3 mei 201647 waar ik heb aangegeven het onderwerp (de oplossingsrichting voor PEB) nu niet te verbreden, maar er wel goede nota van te nemen dat het hierna niet klaar is. Het heeft de voorkeur van het kabinet eerst de discussie over het PEB af te ronden.48

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een bevestiging dat voor de incidentele uitvoeringskosten in 2017 de capaciteit aanwezig is. De incidentele extra werkzaamheden die het gevolg zijn van dit wetsvoorstel zullen binnen de bestaande capaciteit van de Belastingdienst worden uitgevoerd. De leden van de fractie van de VVD vragen naar de mogelijkheid van een eenmalige vrijstelling van schenkbelasting in relatie tot de partner teneinde het succes van de uitfasering van het PEB te vergroten. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen ben ik ingegaan op deze suggestie. In deze memorie van antwoord heb ik voorts gereageerd op het commentaar van de RB, SRA en NOAB, waarbij ik ben ingegaan op de nog levende vragen rondom passende compensatie en schenkbelasting. Ik hoop met mijn reactie een groot deel van de kou uit de lucht te hebben gehaald. Een dga en zijn partner hebben voldoende alternatieven tot hun beschikking zodat geen sprake hoeft te zijn van een schenking. Ook indien men niet in algehele huwelijksgemeenschap is getrouwd, kan men goede afspraken maken dan wel een passende compensatie overeenkomen voor het verlies aan rechten door de partner. Ik concludeer dan ook dat het binnen de geschetste kaders voor de dga en zijn partner mogelijk moet zijn om waar nodig tot een passende compensatie zonder heffing van schenkbelasting te komen.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een grondige uitleg met betrekking tot het voor een onbepaald deel elders verzekerde pensioen. Ook de NOB heeft hierover een vraag. De leden van de fractie van de VVD vragen voorts toe te lichten waarom een verzekeringsovereenkomst gelijk is te stellen met een pensioenovereenkomst bij de vaststelling of sprake is van een «waardeoverdracht». Daarbij merken deze leden op dat artikel 19b, tweede lid, van de Wet LB 1964 het niet over de overgang van een pensioen heeft, maar over de overgang van een verplichting ingevolge een pensioenregeling. Deze leden vragen verder of de conclusie van deze leden juist is dat de verzekeraar door de overdracht van een extern verzekerd onbepaald deel aan het eigenbeheerlichaam weliswaar wordt bevrijd van een verplichting, maar dat dit de verplichting is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst en niet de verplichting ingevolge een pensioenregeling.

Over de gevolgen van de uitfasering van het pensioen in eigen beheer voor een zogenoemd onbepaald elders verzekerd deel van de pensioenaanspraak zijn al diverse vragen gesteld. Hierover leven derhalve veel vragen en mogelijk ook enige misverstanden in de praktijk. Om zoveel mogelijk duidelijkheid op dit punt te scheppen, hecht ik eraan hierna de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel indien sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel op een rijtje te zetten. Daarmee beantwoord ik tevens de hiervoor genoemde vragen.

Bij een pensioen in eigen beheer heeft het eigenbeheerlichaam (hierna: de bv) een pensioentoezegging gedaan aan de dga. Vervolgens kan de bv ervoor kiezen een deel van deze pensioenaanspraak bij een professionele verzekeraar onder te brengen. Van een onbepaald elders verzekerd deel is vervolgens sprake als een deel van de pensioenaanspraak bij de verzekeringsmaatschappij is ondergebracht, maar van de verzekeringsmaatschappij alleen een bepaald kapitaal beschikbaar komt op pensioeningangsdatum. Voor de vormgeving hiervan zijn vervolgens twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de bv het bij de verzekeringsmaatschappij opgebouwde kapitaal op de pensioeningangsdatum ontvangt en hieruit (een deel van) het toegezegde pensioen voldoet. Er is dan sprake van een verzekeringsovereenkomst tussen de bv en de verzekeringsmaatschappij. Hierbij is sprake van herverzekering door de bv van een (deel van de) door de bv aan de dga gedane toezegging (dekkingspolis). Hierbij is er geen sprake van een verplichting van de verzekeringsmaatschappij tegenover de dga, maar uitsluitend van de verzekeringsmaatschappij tegenover de bv en van de bv tegenover de dga. Deze mogelijkheid doet zich in de praktijk zelden voor. De tweede mogelijkheid, die wel gebruikelijk is, is dat de bv niet de begunstigde is van de verzekeringsovereenkomst, maar de dga. De dga kan de verzekeringsmaatschappij in dat geval rechtstreeks aanspreken op nakoming van de verplichting. In dat geval is sprake van een over twee uitvoerders gesplitste uitvoering van de toezegging. Te weten een deel in eigen beheer en een deel ondergebracht op een polis bij een verzekeringsmaatschappij. In dat geval is voor dat deel sprake van een pensioenovereenkomst tussen de dga en de verzekeringsmaatschappij.

Met betrekking tot de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel voor deze beide situaties wil ik allereerst opmerken dat in beide gevallen aanpassing van de overeenkomst met de verzekeraar niet nodig is. Deze overeenkomst kan dan ook ongewijzigd doorlopen. Bij een dekkingspolis is namelijk sprake van een verzekeringsovereenkomst en geen pensioenovereenkomst, dus hiervoor heeft het wetsvoorstel geen gevolgen. Bij een gesplitste uitvoering van de toezegging is ook ten aanzien van het bij de verzekeraar ondergebrachte deel sprake van een pensioenovereenkomst. Bij voortzetting van dit deel blijft deze externe verzekeraar een toegelaten verzekeraar. Wat in beide gevallen wel nodig is, is aanpassing van de pensioentoezegging die het eigenbeheerlichaam aan de dga heeft gedaan. Bij een dekkingspolis zit de volledige pensioenaanspraak bij het eigenbeheerlichaam. Geregeld zal dan moeten worden dat deze uiterlijk 31 maart 2017 premievrij wordt gemaakt, aangezien het eigenbeheerlichaam vanaf dat moment – afgezien van het overgangsrecht – geen toegelaten verzekeraar meer is. De uikering die de bv uit de dekkingspolis ontvangt van de verzekeringsmaatschappij kan de bv nog steeds gebruiken om het toegezegde (en uiterlijk 31 maart 2017 «bevroren») pensioen te betalen (mits deze aanspraak uiteraard niet reeds is afgekocht in 2017, 2018 of 2019). Mocht de bv meer ontvangen dan nodig is om de pensioenuitkeringen te betalen dan is deze vrij deze middelen ergens anders voor te gebruiken. Bij een gesplitste polis zal de toezegging die het eigenbeheerlichaam heeft gedaan aan de dga zo in de door de werkgever opgestelde pensioenbrief moeten worden aangepast dat de dga alleen nog verder pensioen opbouwt bij de externe verzekeraar en niet meer bij het eigenbeheerlichaam.

Met betrekking tot de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel voor de waardeoverdracht van de hiervoor omschreven mogelijkheden van een onbepaald elders verzekerd deel wordt ten slotte nog het volgende opgemerkt. Bij een gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging is ten aanzien van het bij de verzekeraar verzekerde deel van de pensioenaanspraak na 31 maart 2017 geen waardeoverdracht meer mogelijk van de verzekeringsmaatschappij naar het eigenbeheerlichaam, aangezien het hierbij gaat om de overdracht van een pensioenverplichting. Hiervoor is een eigenbeheerlichaam als gevolg van onderhavig wetsvoorstel na 31 maart 2017 geen toegelaten verzekeraar meer. Overdracht van het bedrag van de dekkingspolis naar het eigenbeheerlichaam blijft echter mogelijk. Hierbij is namelijk geen sprake van de overdracht van een pensioenverplichting, maar van een uitkering ingevolge een verzekeringsovereenkomst. Hiervoor verandert het onderhavige wetsvoorstel niets.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het informatieformulier dat bij afkoop van een PEB of de omzetting van een PEB in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting bij de Belastingdienst moet zijn ingediend, vanaf 1 januari 2017 op de site van de Belastingdienst zal zijn opgenomen. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord.

De leden van de fractie van D66 vragen of ik heb onderzocht of de dga’s voldoende tijd hebben om in te spelen op de uitfasering van het PEB. Verder vragen deze leden of ik de korte termijn tussen het moment van informeren van de belanghebbenden en de inwerkingtredingsdatum niet als een risico beschouw voor de belangrijke keuze die ondernemers moeten maken. Het voorstel om het PEB uit te faseren is naar aanleiding van een uitgebreide gedachtewisseling met beide Kamers over een periode van vier jaar gekomen. Het dient ertoe om een einde te maken aan alle problemen en knelpunten die in de praktijk omtrent het PEB spelen. In mijn brief van 1 juli 2016 aan beide Kamers heb ik de contouren voor dit wetsvoorstel vrij gedetailleerd geschetst. In feite hebben de dga’s al vanaf dat moment en daarmee zes maanden de tijd om erover na te denken wat zij met hun PEB willen gaan doen. Daarnaast heb ik via een nota van wijziging de mogelijkheid gecreëerd om door middel van een beleidsbesluit de belanghebbenden nog drie maanden langer de tijd te geven om de noodzakelijke stappen voor het uitfaseren van het PEB te zetten. Op deze zogenoemde coulanceregeling werd door de praktijk zeer positief gereageerd. Ik ga er daarom van uit dat de tijd voor de dga’s ruim voldoende is en vind verder onderzoek dan ook niet op zijn plaats. Juist de coulanceperiode zorgt ervoor dat de tijd tussen de informatieverstrekking door de Belastingdienst en het effectueren van de wetwijziging na de inwerkingtreding geen risico vormt voor de dga’s. Voor alle duidelijkheid wil ik nog opmerken dat de dga’s vervolgens nog tot ultimo 2019 de tijd hebben om te kiezen voor afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het proces van informeren tot nu toe verloopt. Het proces van informeren bestaat uit communicatie door de Belastingdienst vooruitlopend op de definitieve besluitvoering in de Eerste Kamer. De communicatie heeft plaatsgevonden tijdens de intermediairdagen door middel van een thematische behandeling van uitfasering pensioen in eigen beheer en de mogelijkheid tot stellen van vragen. Daarnaast vindt communicatie plaats via de Nieuwsbrief Loonheffingen, te vinden op www.belastingdienst.nl, en in het Forum Salaris en Forum Fiscaal Dienstverleners, waar een doorverwijzing naar de publicatie over PEB in de eerste Nieuwsbrief Loonheffingen is te vinden. Zodra de wetgeving definitief is zal aanvullende communicatie plaatsvinden via www.belastingdienst.nl, www.intermediairdagen.nl en www.belastingdienstpensioensite.nl.

De leden van de fractie van D66 vragen of ook voor de afstempeling de toestemming van de partner nodig is. De afstempeling van de aanspraak naar de fiscale balanswaarde van de tegenover de aanspraak staande verplichting is alleen mogelijk in samenhang met afkoop van de aanspraak dan wel in samenhang met het omzetten daarvan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. De instemming van de partner moet voor het hele pakket worden gegeven, dus ook voor het afstempelen.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de gevolgen voor de partner in geval van echtscheiding, in het bijzonder in verband met de Wet VPS. Op grond van de Wet VPS wordt bij scheiding het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap is opgebouwd onafhankelijk van het huwelijksvermogensregime bij helfte verdeeld, tenzij bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant de toepasselijkheid van de wet is uitgesloten of daarbij anders is afgesproken. Wanneer het PEB wordt afgestempeld en afgekocht of wordt omgezet in een oudedagsvoorziening, bestaat daarna geen pensioen meer in de zin van de Wet VPS. Nu de Wet VPS toepassing mist, worden de gevolgen voor partijen bij een scheiding bepaald door het voor partijen geldende huwelijksvermogensrecht.

De leden van de fractie van D66 vragen stil te staan bij de problematiek die kan ontstaan bij een uitblijven van de toestemming van de partner, zoals geschetst in het artikel van mw. mr. M.W. Bende en mw. mr. J. Kroonenberg in het Vakblad Estate Planning (2016–41, onder andere pagina 23). Genoemd artikel gaat met betrekking tot het uitblijven van de toestemming van de partner vooral in op diens handtekening op het informatieformulier dat binnen een maand ná afkoop dan wel omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting bij de Belastingdienst moet worden ingediend. In het artikel wordt terecht aangegeven dat bij het ontbreken van de handtekening op het formulier, de voorgestelde regeling niet van toepassing is en de huidige bepalingen over een niet-toegestaan prijsgeven onverkort toepassing vinden. Echter, de toestemming van de partner dient al te zijn gegeven vóórdat de dga de aanspraak prijsgeeft tot aan de fiscale balanswaarde van de tegenover de aanspraak staande verplichting en deze vervolgens afkoopt of omzet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Een tijdsklem, zoals deze leden veronderstellen, zal zich daarom in de praktijk niet voordoen. Verder geldt dat in de gevallen waar de partner (nog) niet akkoord is gegaan met het afstempelen en afkopen dan wel omzetten de consequentie is dat het tot en met 31 december 2016 opgebouwde PEB wordt bevroren.

De leden van de fractie van het CDA vragen een toelichting op de raming van de eenmalige opbrengst van het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer en vragen mij aan te geven welke aannames hierbij zijn gemaakt. Ook de leden van de fractie van D66 hebben gevraagd naar de mate waarin er liquiditeiten zijn om af te kopen. Door de dalende marktrente en de daardoor gestegen commerciële waarde hebben veel dga’s te maken gekregen met een zogenoemde dividendklem. Steeds meer dga’s hebben daarom de verdere opbouw van hun PEB stopgezet. De huidige verplichtingen als gevolg van het reeds opgebouwde PEB blijven echter op de balans staan en daarmee blijft ook de noodzaak bestaan voor de dga om jaarlijks kosten te maken in verband met de ingewikkelde waarderings- en berekeningssystematiek ten behoeve van de juiste waardering van de pensioenverplichting. Het kabinet verwacht dan ook, ook op basis van gesprekken met vertegenwoordigers van de doelgroep, dat een grote groep dga’s met een PEB een voorkeur zal hebben voor de afkoopregeling. Om de afkoop voor dga’s aantrekkelijk te maken, wordt het mogelijk gemaakt om de aanspraak eerst prijs te geven tot de fiscale waarde van de tegenover de aanspraak staande verplichting, zonder dat ter zake daarvan loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen en revisierente verschuldigd zijn. Vervolgens wordt nog een korting op de belastinggrondslag geboden wanneer een dga wil afkopen. Hiermee heeft het kabinet een aantrekkelijke regeling neergezet voor afkoop. Bij de berekening van de opbrengst van € 2,1 miljard in 2017 is uitgegaan van een fiscale waarde van het PEB van € 31 miljard. Dit geeft een gemiddelde fiscale balanswaarde van ongeveer € 220.000. Dit bedrag is relevant voor de te betalen loonbelasting bij afkoop. Verondersteld is dat circa 36% van de dga’s met een PEB van de afkoopmogelijkheid gebruik gaat maken. Daarmee heeft het kabinet geraamd dat het merendeel (circa twee derde) van de dga’s niet tot afkoop zal overgaan. Deze groep dga’s zal naar verwachting niet afkopen omdat zij respectievelijk er de liquide middelen niet voor hebben, geen overeenstemming kunnen krijgen met hun (ex-)partner of afkoop niet aantrekkelijk vinden. Bij het bepalen van het percentage dga’s dat zal afkopen is nadrukkelijk rekening gehouden met deze factoren.

Daarbij is niet specifiek onderscheid gemaakt naar de grootte van de PEB-verplichting. Bij dga’s met een klein PEB zal de overweging vooral liggen in het feit dat zij daarmee de beheerskosten kunnen verlagen en bij dga’s met een grote PEB zal de overweging tot afkoop liggen in het feit dat de pensioenuitkering bij hen vaker in de derde en vierde schijf van de inkomstenbelasting zal vallen, waardoor afkoop voor deze dga’s relatief gunstiger is.

In totaal zal hiermee in de periode 2017–2019 naar verwachting ruim € 3 miljard aan loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen worden ontvangen vanwege de afkoop van het PEB. Ruim twee derde van dat bedrag wordt naar verwachting in 2017 ontvangen. Verondersteld is namelijk dat het grootste deel van de dga’s die willen afkopen dit doet in 2017 vanwege de relatief gunstige korting in 2017 van 34,5% op de grondslag voor de heffing van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. In de jaren 2018 en 2019 bedraagt deze korting 25% respectievelijk 19,5%. Dit leidt in 2017 tot € 2,1 miljard aan loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Daarnaast vragen deze leden ook te reageren op het artikel van de heer Spanjers in het Weekblad Fiscaal Recht.49 In dit artikel pleit de heer Spanjers voor meer inzicht in de budgettaire raming. Zo vraagt hij zich af in hoeverre het mogelijk is dat er een negatief structureel effect kan leiden tot een positieve nettocontantewaarde. Verder stelt hij dat het bedrag van € 2,1 miljard in 2017 uitgegeven wordt en bevreemdt het hem dat de opbrengst van de vennootschapsbelasting zich pas in 2018 voordoet, omdat in 2017 de aftrekmogelijkheid al wordt beëindigd. Tot slot vraagt hij naar de omvang van de opbrengst van de dividendbelasting en box 2. Bij het bepalen van de contante waarde zijn de fors hogere ontvangsten in de loon- en inkomstenbelasting in aanmerking genomen in de eerste jaren na invoering van de in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen. Daartegenover staat echter dat de toekomstige uitkering van het PEB vervalt. Dat leidt op de langere termijn tot een derving van loon- en inkomstenbelasting. Ook wordt de aftrekmogelijkheid in de vennootschapsbelasting beperkt, wat tot een opbrengst in die belasting leidt. Deze laatste opbrengst wordt pas vanaf 2018 gerealiseerd, omdat dan de beperking van de aftrek via de aangifte vennootschapsbelasting in de kas gerealiseerd wordt. Ten slotte leidt het wetsvoorstel tot ontvangsten uit box 2 van de inkomstenbelasting respectievelijk de dividendbelasting. Hierbij is gerekend met de reguliere tarieven van 15% voor de dividendbelasting en 25% voor box 2. Door de mogelijkheid om af te stempelen en de afgestempelde pensioenaanspraak af te kunnen kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting wordt de dividendklem (grotendeels) weggenomen. Dat geeft meer ruimte voor dividenduitkeringen en zal daarmee tot hogere belastingontvangsten leiden. Als de plussen en minnen over de korte en lange termijn worden opgeteld, resulteert dat in nettocontantewaarde tot een opbrengst van € 62 miljoen structureel. Slechts dit bedrag is gebruikt ter dekking van lastenverlichtende maatregelen uit het pakket Belastingplan 2017. Het kaseffect van € 2,1 miljard in 2017 komt vrijwel geheel ten goede aan het EMU-saldo 2017.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op de vragen die door de NOB bij brief van 25 november j.l. aan de Vaste Commissie Financiën van de Eerste Kamer zijn gesteld. Hierna wordt op deze brief ingegaan voor zover dat nog niet in het voorgaande is gedaan.

De NOB beschrijft een voorbeeld van een pensioenstichting als eigenbeheerlichaam. De NOB vraagt vervolgens naar de fiscale gevolgen indien het PEB wordt afgestempeld en afgekocht bij de stichting. De afstempeling en afkoop vindt plaats met toestemming van de partner. De dga is buiten gemeenschap gehuwd. Voor de fiscale gevolgen maakt de NOB onderscheid tussen een situatie waarbij er sprake is van voldoende bezittingen om aan de pensioenverplichtingen te voldoen en de situatie waarin er weliswaar fiscaal niet sprake is van «onder water staan», maar er wel te weinig bezittingen zijn voor het voldoen aan de werkelijke pensioenverplichtingen van de stichting. Zoals de NOB terecht opmerkt stijgt door de afstempeling het vermogen van de stichting. Ter zake van deze vermogensstijging zal, zoals de NOB terecht veronderstelt, sprake zijn van een schenking aan de stichting. De omvang van deze schenking is hierbij beperkt tot de omvang van de bij de stichting aanwezige bezittingen (waarde in het economische verkeer) voor zover deze de afkoopsom te boven gaan. De dga zal de partner een passende compensatie moeten bieden voor het verlies van aanspraken dat bij die partner optreedt. Het door de dga ter zake van de afkoop ontvangen bedrag kan daarvoor worden gebruikt. De dga kan de compensatie overigens ook op een andere wijze vormgeven. De omvang van de compensatie zal mede afhangen van de bij de stichting – voor de afstempeling en afkoop – aanwezige bezittingen ter dekking van de pensioenverplichtingen. De hoogte van de bevoordeling van de stichting, de NOB vraagt ernaar, staat los van de wijze waarop de dga diens partner compenseert.

De NOB veronderstelt vervolgens dat een door het prijsgeven en de afkoop van pensioen bij de stichting vrijgevallen vermogen achteraf kan worden beschouwd als onverschuldigd door de werkgever betaalde pensioenpremies. Dit lijkt mij niet juist. Bij het betalen van de premies was de werkgever verplicht om de premie te voldoen. Het feit dat achteraf een deel van het pensioenvermogen niet nodig blijkt te zijn omdat de dga en/of de partner een groot deel van de pensioenaanspraak prijsgeeft, maakt niet ineens dat de werkgever eerder onverschuldigd heeft betaald. De vrijval van vermogen is het gevolg van het prijsgeven door de dga. Het vrijgevallen vermogen komt terecht in het vrije vermogen van de stichting die dit moet aanwenden conform de statutaire doelstelling. Het vervolgens weer aan de werkgever kunnen uitkeren van het door het prijsgeven en de afkoop vrijgevallen vermogen, zal afhankelijk zijn van de statutaire bepalingen van de stichting.

De NOB vraagt ook of een restitutie van eerder betaalde pensioenpremie door de pensioenstichting aan de werkgever onbelast kan plaatsvinden indien de premie eerder bij de werkgever niet heeft geleid tot fiscale aftrek. Ik vraag mij af of en onder welke voorwaarden zich dat voorgedaan kan hebben. De werkgever zal de voor de dga aan de pensioenstichting betaalde pensioenpremie ongetwijfeld ten laste van het fiscale resultaat hebben gebracht. Bovendien zal een restitutie van eerder betaalde pensioenpremie door de pensioenstichting aan de werkgever (indien statutair al mogelijk) naar mijn mening altijd leiden tot een te belasten bate bij de werkgever. Ik zie geen grond om dat voordeel buiten de fiscale winstberekening van de werkgever te houden.

De NOB stelt hierbij ook de vraag of kinderen moeten worden gecompenseerd voor het verlies aan wezenpensioen. Een wezenpensioen wordt nagenoeg altijd toegekend op risicobasis. Indien het verzekerde risico zich niet heeft voorgedaan in een jaar, daalt de waarde van het toegezegde wezenpensioen naar nihil. Indien de dga niet is overleden, heeft het wezenpensioen ook geen waarde waarvoor de kinderen gecompenseerd zouden moeten worden.

De NOB vraagt tevens of een eigenbeheerstichting vanaf het moment dat er geen pensioengerechtigde (meer) is, beschouwd en behandeld wordt als een APV. Een (voormalige) pensioenstichting zal te beschouwen zijn als een APV in de zin van artikel 2.14a van de Wet IB 2001, indien wordt voldaan aan de in dit artikel genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden komen er kortgezegd op neer dat sprake moet zijn van een meer dan bijkomstig particulier belang (tweede lid) en van een afgezonderd vermogen (derde lid). Na het prijsgeven en de afkoop is de stichting geheel bevrijd van de pensioenverplichting. De dga en de partner hebben na het prijsgeven en de afkoop geen claim op het vermogen van de stichting. Het resterende vrije vermogen van de stichting zal aangewend moeten worden conform de statutaire doelstelling van de stichting.

De NOB gaat verder in op de situatie van een belastingplichtige die 25% van de aandelen in een bv heeft en bij die bv een pensioen in eigen beheer heeft opgebouwd. Deze belastingplichtige wenst zijn pensioen met toepassing van de voorgestelde wetgeving fiscaal geruisloos af te stempelen en af te kopen tegen de fiscale balanswaarde omdat hij het vermogen in privé nodig heeft. De vraag van de NOB of er in deze situatie een verarming en een verrijking is zou ik bevestigend willen beantwoorden. Door de afstempeling en de afkoop verliest de belastingplichtige het recht op de uitkeringen die hij anders na zijn pensionering zou hebben gekregen (en het recht op een nabestaandenvoorziening). Daar staat tegenover dat de waarde van zijn aandelen en die van de overige aandeelhouders stijgt. Dat een dergelijke waardestijging wellicht ook (deels) zou zijn verkregen indien de belastingplichtige (en eventuele partner) voortijdig zou zijn overleden, doet hier niet aan af. Met deze kans zal bij de waardering van de pensioenverplichtingen rekening zijn gehouden. Daarnaast zal bij de belastingplichtige, anders dan de NOB meent, naar mijn mening in de regel sprake zijn van een bevoordelingsbedoeling indien deze, zonder compensatie, een groot deel van de waarde van zijn pensioenaanspraken laat toekomen aan de overige aandeelhouders. Als de bv over voldoende vermogen beschikt, zullen deze andere aandeelhouders in zakelijke verhoudingen immers naar verwachting bereid zijn om een dergelijke compensatie te verstrekken.

De NOB schetst de situatie waarin een dga ter compensatie van de waarde die hij misloopt qua gerechtigdheid tot pensioenuitkeringen, een letteraandeel krijgt toegekend ter waarde van het verschil tussen de commerciële waarde van de pensioenverplichting en de fiscale waarde daarvan. Ingeval de dga dit letteraandeel niet krijgt in zijn hoedanigheid van werknemer, kan ik de conclusie van de NOB bevestigen dat geen sprake is van genoten loon.

In aanvulling op het door de NOB gegeven voorbeeld vraagt de NOB of er bij de toekenning van het letteraandeel sprake is van een belastbaar voordeel in box 2. De stelling van de NOB dat bij het toekennen van het letteraandeel geen vermogen wordt uitgekeerd aan de dga en het nieuw toegekende aandeel in feite deel uitmaakt van zijn bestaande aanmerkelijk belang kan ik bevestigen. De verkrijgingsprijs van dit letteraandeel is in dit geval nihil. Wel kan als gevolg van de uitreiking van een letteraandeel afhankelijk van de daaraan verbonden rechten een verschuiving van vermogensrechten optreden. Afhankelijk van de vormgeving en de voorwaarden kan in dat geval sprake zijn van een vervreemdingsvoordeel bij de overige aandeelhouders.

De NOB vraagt of ik kan bevestigen dat de stijging van de fiscale pensioenverplichting ten gevolge van vervroeging van de pensioeningangsdatum niet wordt getroffen door de sancties van artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Dit kan ik bevestigen. Het voorgestelde artikel 38q van de Wet LB 1964 is van toepassing als de pensioenopbouw in 2016 meer dan 125% hoger is dan de pensioenopbouw in 2015. Het gaat hierbij derhalve om een verhoging van de pensioenaanspraak. Daarvan is geen sprake bij uitsluitend een vervroeging van de pensioeningangsdatum. Hierbij worden de jaarlijkse pensioenuitkeringen verlaagd en blijft de totale aanspraak gelijk.

De NOB vraagt hoe de opgebouwde waarde in de verzekeringspolis dient te worden gekwalificeerd als het pensioen in eigen beheer wordt afgestempeld en vervolgens wordt afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting en de polis die was aangemerkt als onbepaalde pensioenopbouw wordt voortgezet in een bepaalde pensioenopbouw. In het door de NOB gehanteerde voorbeeld is de fiscale waarde van het PEB op 1 april 2017 € 150.000. Hierbij is rekening gehouden met het onbepaalde elders verzekerde deel. Bij het prijsgeven, gevolgd door afkoop, is de fiscale waarde dus € 150.000. Hiermee is echter nog niet bepaald dat over dit bedrag de korting van 34,5% wordt verleend. De maximale korting die wordt verleend is namelijk het kortingspercentage berekend over de fiscale balanswaarde van het in eigen beheer verzekerde deel van de pensioenverplichting ultimo 2015 (zonder rekening te houden met het op dat moment nog elders verzekerde deel).

De NOB vraagt hoe bij de waardering van de pensioenverplichting moet worden omgegaan met de uit de pensioenbrief voortvloeiende verplichting om de premievrij gemaakte pensioenaanspraken tot aan pensioeningangsdatum te indexeren. Ingeval in de pensioenbrief is bepaald dat de opgebouwde pensioenaanspraken zullen worden geïndexeerd indien de pensioenopbouw in eigen beheer voor de pensioeningangsdatum wordt beëindigd, zal daar bij de waardering van de pensioenverplichting rekening mee gehouden moeten worden zodra deze omstandigheid zich voordoet. De pensioenverplichting op de balans van het eigenbeheerlichaam (hierna ook: de bv) is de weergave van de pensioenuitgaven die de bv in de toekomst zal moeten doen. Op het moment dat duidelijk is dat de opgebouwde pensioenaanspraken tot aan pensioeningangsdatum geïndexeerd zullen moeten worden, heeft dat invloed op de omvang van de toekomstige pensioenuitgaven van de bv. Op basis van goed koopmansgebruik (met name het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel), zal voor de waardering van de pensioenverplichting in principe rekening gehouden moeten worden met de verplichting om de opgebouwde pensioenaanspraken tot aan pensioeningangsdatum te indexeren. In het op www.belastingdienstpensioensite.nl gepubliceerde Vraag & Antwoord 09-004 heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst echter aangegeven dat uit praktische overwegingen bij de waardering van een geïndexeerde pensioenverplichting in eigen beheer kan worden uitgegaan van nominale uitkeringen en een rekenrente van 4%. Dit Vraag & Antwoord 09-004 kan ook worden toegepast in de situatie dat de pensioenaanspraken premievrij zijn gemaakt en volgens de pensioenbrief geïndexeerd moeten worden tot aan de pensioeningangsdatum.

De NOB vraagt ook of de lasten in verband met de indexatieverplichting na het premievrij maken en «bevriezen» van de pensioenaanspraken ineens ten laste van de fiscale winst gebracht kunnen worden. De lasten in verband met de toename van de pensioenverplichting door de indexatieverplichting kunnen door de werking van de artikelen 3.26 tot en met 3.28 van de Wet IB 2001 niet ineens ten laste van de fiscale winst worden gebracht. De lasten in verband met de (toekomstige) indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken kunnen ten laste van de fiscale winst worden gebracht naarmate deze lasten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. De indexatielasten kunnen ook ten laste van het fiscale resultaat worden gebracht ingeval de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken met toepassing van het voorgestelde artikel 38n van de Wet LB 1964 worden afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting. Op het moment van afkoop of omzetting worden de indexatielasten voor die pensioenaanspraken daadwerkelijk gerealiseerd.

Tevens vraagt de NOB of de toename van de pensioenverplichting valt onder de sanctiebepaling van het voorgestelde artikel 38q van de Wet LB 1964. De toename van de pensioenverplichting in verband met de verplichting tot het indexeren van de premievrij gemaakte pensioenaanspraken in eigen beheer is niet aan te merken als opbouw van pensioen in de zin van het voorgestelde artikel 38q van de Wet LB 1964. Het recht op indexatie van de premievrij gemaakte pensioenaanspraken maakt deel uit van de eerder opgebouwde pensioenaanspraken.

Ook vraagt de NOB of de gehele fiscale pensioenverplichting kan worden afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting. Voor de afkoop- of omzettingswaarde wordt volgens het voorgestelde artikel 38n van de Wet LB 1964 aangesloten bij de voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 in aanmerking te nemen fiscale balanswaarde. Zoals hiervoor opgemerkt maakt de verplichting tot het indexeren van de premievrij gemaakte pensioenaanspraak deel uit van die fiscale balanswaarde. Indien voor de waardering gebruik wordt gemaakt van het hiervoor genoemde Vraag & Antwoord 09–004, is in de fiscale balanswaarde uiteraard geen rekening gehouden met de verplichting tot het indexeren van de premievrij gemaakte pensioenaanspraak. De pensioenverplichting is dan immers gewaardeerd op basis van nominale uitkeringen en een rekenrente van 4%.

De NOB vraagt verder of het antwoord op deze vraag anders zou luiden indien de bestaande pensioenverplichting nog vóór 1 januari 2017 zou worden omgezet van intern eigen beheer naar extern eigen beheer. Bij een overdracht van de pensioenverplichting naar een andere bv zal uitgegaan moeten worden van de bekende feiten en omstandigheden omtrent de omvang van de over te dragen pensioenverplichtingen. Op grond van dit wetsvoorstel zal de pensioenopbouw in eigen beheer uiterlijk op 31 maart 2017 beëindigd moeten worden. Bij het premievrij maken van de pensioenaanspraken zal de in de pensioenbrief opgenomen indexatie in werking treden. Bij het bepalen van de waarde waarvoor de pensioenverplichting wordt overgedragen naar het andere eigenbeheerlichaam, zal rekening gehouden moeten worden met de indexatieverplichting. Omdat ook in die situatie niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3.26 tot en met 3.28 van de Wet IB 2001, zal het deel van de overdrachtswaarde dat betrekking heeft op de toekomstige indexatie niet direct ten laste van het fiscale resultaat van de overdragende bv gebracht kunnen worden. Indien de pensioenverplichting op een later moment bij het overnemende eigenbeheerlichaam wordt afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting, zal het overdragende eigenbeheerlichaam de indexatielast alsnog ten laste van het fiscale resultaat kunnen brengen.

De NOB vraagt – in geval van een echtscheiding in 2016 – over welke waarde het kortingspercentage moet worden toegepast als door conversie in 2016 ten gevolge van de echtscheiding per ultimo 2016 er een veel lagere fiscale waarde c.q. pensioenverplichting is dan ultimo 2015. De hoogte van het kortingspercentage is opgenomen in het voorgestelde artikel 38o, eerste lid, van de Wet LB 1964. Hierin is bepaald (samengevat) dat bij de korting die wordt verleend bij afkoop het kortingspercentage wordt toegepast op de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting bij het eigenbeheerlichaam op het moment van afkoop, maar ten hoogste op de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting op de eindbalans van het in 2015 geëindigde boekjaar van dat lichaam. In de hiervoor genoemde situatie zal de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting bij het eigenbeheerlichaam op het moment van afkoop echter lager zijn dan de fiscale balanswaarde van de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting op de eindbalans van het in 2015 geëindigde boekjaar van dat lichaam en derhalve als grondslag moet worden genomen.

De NOB vraagt of het voldoende is dat vóór 1 april 2017 een verzoek is ingediend bij de verzekeringsmaatschappij om het pensioen terug te halen en het niet noodzakelijk is dat een en ander voor 1 april 2017 volledig is uitgevoerd. Met de toegezegde extra periode van drie maanden, beginnend op 1 januari 2017, hebben dga’s een extra periode om de laatste stappen te kunnen zetten die nodig zijn om het pensioen in eigen beheer aan te passen aan de per 1 januari 2017 door te voeren wijzigingen. Hiermee hebben dga’s ook een extra periode om te regelen dat – desgewenst – een extern verzekerd pensioen wordt teruggehaald naar eigen beheer. Net als in de nota naar aanleiding van het verslag50 is aangegeven bij de datum van 1 januari 2017, geldt ook bij deze extra periode dat het verzoek door de externe verzekeraar vóór 1 april 2017 dient te zijn ontvangen. Als de administratieve afhandeling pas daarna plaatsvindt wordt dit aangemerkt als een (toegestane) overdracht vóór 1 april 2017. Hierbij ga ik er overigens wel van uit dat de administratieve afhandeling binnen de gebruikelijke termijnen plaatsvindt.
De NOB vraagt in de navolgende situatie of het door de dga geleden verlies aftrekbaar is als verlies uit aanmerkelijk belang in box 2, omdat het volgens de NOB niet zo kan zijn dat een belastingplichtige voor meer wordt belast (met loonbelasting/inkomstenbelasting) dan hij uiteindelijk daadwerkelijk ontvangt. Het gaat om de situatie dat de bv waarin het pensioen in eigen beheer is ondergebracht fiscaal onder water staat. De bv kan dan niet 100% van de fiscale waarde uitbetalen bij het afkopen van het pensioen. De dga krijgt dan een vordering op de bv. Dit is een vordering uit een terbeschikkingstelling (tbs) die niet ten laste van box 1 is af te waarderen, aangezien óf de openingsbalanswaardering nihil is óf er sprake is van een bodemlozeput- dan wel een onzakelijke lening. Gelet op de bestaande jurisprudentie51 zal dit verschil tot een verhoging van de verkrijgingsprijs van de aandelen leiden. Pas bij de verkoop van de aandelen in de bv zal het verlies op de vordering tot uitdrukking komen in box 2.

De NOB vraagt of, bij onvoldoende bezittingen om de volledige oudedagsverplichting na te komen, het fiscaal is toegestaan om de aanwezige bezittingen af te storten naar een verzekeraar of een bank in de vorm van een lijfrente, waarna de bv zonder fiscale gevolgen kan worden geliquideerd.

De fiscale gevolgen zijn gelet op de huidige uitvoeringspraktijk afhankelijk van de wijze waarop de onderdekking is ontstaan. Als de onderdekking een gevolg is van gewone ondernemershandelingen kan deze handeling dan bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd fiscaal geruisloos plaatsvinden als de bv vervolgens wordt geliquideerd. Dit wordt anders als de onderdekking door andere factoren is ontstaan, bijvoorbeeld doordat de bv in de afgelopen jaren dividend heeft uitgekeerd of door (oninbare) vorderingen op de dga of aan hem verwante personen. In een dergelijke situatie wordt de aanspraak als prijsgegeven beschouwd en wordt artikel 19b, eerste lid, van de Wet LB 1964, zoals dat luidde op 31 december 2016, toegepast, dat op basis van het voorgestelde artikel 38p, vierde lid, van de Wet LB 1964, ook van toepassing is op een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting.

De NOB vraagt of het mogelijk is het pensioen in eigen beheer deels om te zetten in een oudedagsverplichting en deels af te kopen met korting. Dit is niet mogelijk. Uit artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 volgt dat fiscaal geruisloze afstempeling van het pensioen in eigen beheer tot de fiscale balanswaarde van de tegenover deze aanspraak staande verplichting, alleen mogelijk is als die aanspraak op datzelfde tijdstip geheel wordt afgekocht of geheel wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. De fiscale faciliteit wordt derhalve niet verleend als de pensioenaanspraak gedeeltelijk wordt afgekocht en gedeeltelijk wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Wel is het mogelijk om na het omzetten in een dergelijke aanspraak bijvoorbeeld in 2017, deze dan in 2018 of 2019 alsnog volledig af te kopen onder toepassing van de voor deze jaren bepaalde kortingspercentages.

De NOB vraagt of het gemiddelde U-rendement dat dient ter oprenting van de oudedagsverplichting negatief mag zijn of dat er een bodem in ligt van 0%. Het gemiddelde U-rendement volgt de ontwikkeling van de maandelijks door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek gepubliceerde U-rendementen. Als gevolg daarvan is het mogelijk dat een toekomstig gemiddeld U-rendement ook negatief kan zijn. Er is geen ondergrens bepaald.

De NOB vraagt of een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting een aanspraak is die deel uitmaakt van de eventuele bestaande huwelijksgemeenschap tussen de echtelieden zodat de aanspraak bij een eventuele echtscheiding verdeeld moet worden tussen de partners of dat deze een verknochte aanspraak van de dga is. Wanneer het pensioen in eigen beheer wordt omgezet in een oudedagsvoorziening is er geen sprake meer van pensioen in de zin van de Wet VPS. De in genoemde wet vastgelegde verdeling is daarom in beginsel niet van toepassing op een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Op het moment van afstempelen en omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting kunnen partners uiteraard afspraken maken over de verdeling van deze aanspraak in geval van een eventuele echtscheiding in de toekomst, zodat zij zich op het moment van scheiding alleen nog de vraag moeten stellen hoe de eerder overeengekomen verdeling in feite uitpakt. Dát verdeeld moet worden, staat dan buiten kijf. Over de verknochtheid van pensioenrechten heeft de Hoge Raad in het arrest Boon/Van Loon aangegeven dat de aard van de pensioenrechten met zich meebrengt dat deze niet toegedeeld kunnen worden aan een ander, maar dat de verknochtheid zich niet verzet tegen een waardeverrekening ten gunste van de andere echtgenoot. Het lijkt op basis van die gedachte aannemelijk dat een oudedagsvoorziening die niet onder de Wet VPS valt eveneens in de gemeenschap valt en tussen partijen verrekend wordt.

De NOB vraagt om een toelichting op de verdeling van een oudedagsverplichting in geval van overlijden van een dga vóór de AOW-gerechtigde leeftijd die een echtgenote en twee kinderen nalaat, waar de echtelieden in algemene gemeenschap van goederen getrouwd zijn en waar geen testament bestaat. Met betrekking tot het erfrecht geldt het erfrecht bij versterf indien bij testament niet van de wettelijke regeling is afgeweken. In het voorbeeld van de NOB is geen testament gemaakt en vindt de verdeling van de aanspraak dus conform het wettelijke erfrecht plaats. Op grond van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek worden de goederen van de nalatenschap toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. De kinderen verkrijgen van rechtswege een (in beginsel) niet-opeisbare vordering op de langstlevende die overeenkomt met de waarde van hun erfdeel.

De NOB vraagt of een bv gezondheidswaarborgen moet vragen van de dga als de dga een ingegaan pensioen in eigen beheer wil afkopen als dit in het zakelijk verkeer ook het geval zou zijn. Net als een professionele verzekeraar mag een bv gezondheidswaarborgen vragen als de dga een ingegaan pensioen in eigen beheer wil afkopen. Een verplichting hiertoe bestaat, net als bij een professionele verzekeraar, niet. Eventuele gezondheidswaarborgen zullen geen effect hebben op de omvang van de afkoopsom. Zoals in de schriftelijke antwoorden tijdens het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer op een soortgelijke vraag van de NOB al is aangegeven, dient voor de berekening van de afkoop te worden uitgegaan van de fiscale balanswaarde, waarbij wordt uitgegaan van de actuariële berekeningen en hetgeen in artikel 3.29 van de Wet IB 2001 is opgenomen. In deze waarderingsmethodiek zijn geen medische waarborgen opgenomen.

De NOB vraagt of conform het eerder gegeven antwoord over een overdracht van een pensioenverplichting in 2016 van de ene naar de andere bv hetzelfde geldt wanneer zo’n overdracht in de jaren 2017, 2018 of 2019 plaatsvindt. Voor zover beide bv’s ook al vóór 1 januari 2017 eigenbeheerlichamen waren, kan ik dat bevestigen. Wanneer in de periode 2017 tot en met 2019 de pensioenverplichting van het ene eigenbeheerlichaam naar het andere eigenbeheerlichaam wordt overgebracht en vervolgens bij het overnemende eigenbeheerlichaam wordt afgekocht, wordt de korting berekend op basis van de fiscale balanswaarde per ultimo 2015 zoals die toen bij het overdragende eigenbeheerlichaam te boek stond.

De NOB verzoekt te bevestigen dat ook in situaties van fiscale onderdekking het mogelijk is de afkoop op basis van die lagere waarde qua aanspraken en de daarmee corresponderende bezittingen goed te keuren. Volgens de NOB is dan sprake van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van het huidige artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964. Een in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak kan op grond van het huidige artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964 alleen zonder fiscale gevolgen worden prijsgegeven voor zover sprake is van een niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraak. Er moeten dan dwingende maatschappelijke redenen zijn om af te zien van de aanspraken. Dit kan in feite alleen het geval zijn bij faillissement, surséance van betaling en schuldsanering. Het moet dus gaan om bijzondere situaties waarin sprake is van dwingende maatschappelijke redenen om af te zien van de aanspraken. Is geen sprake van dwingende maatschappelijke redenen, dan dient de uitkering te worden voortgezet zolang het lichaam waarbij de aanspraken zijn ondergebracht daarvoor nog voldoende middelen bezit.52 Indien niet aan de geldende voorwaarden voor het prijsgeven van een niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraak wordt voldaan, kan de pensioenaanspraak niet zonder fiscale gevolgen verdergaand (gedeeltelijk) worden prijsgegeven dan ingevolge het voorgestelde artikel 38n van de Wet LB 1964 is toegestaan.

De afkoopwaarde wordt vastgesteld op basis van artikel 38o, tweede lid, van de Wet LB 1964. Hieruit volgt dat het uitgangspunt de tegenover de afgekochte aanspraak staande verplichting aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het moment van afkoop is. Deze waarde wordt vervolgens verminderd met waardeverminderingen als gevolg van het gedeeltelijk prijsgeven van de afgekochte aanspraak als bedoeld in het huidige artikel 19b, achtste lid, van de Wet LB 1964. Het prijsgeven van een niet voor verwezenlijking vatbare aanspraak zal dan ook met inachtneming van de voorwaarden van artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, en achtste lid, van de Wet LB 1964 moeten plaatsvinden voor het moment van afkoop. In de door de NOB beschreven situatie van fiscale onderdekking bestaat natuurlijk ook de mogelijkheid om de pensioenaanspraak op basis van de (volledige) fiscale balanswaarde om te zetten in een oudedagsverplichting.

6. Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom niet in plaats van een maatregel in de energiebelasting is gekozen voor een niet-fiscale uitgavenregeling. Met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting) geef ik uitvoering aan de motie Van Weyenberg/Grashoff die is aangenomen door de Tweede Kamer.53 In die motie wordt geconstateerd dat de energiebelasting op laadpalen een knelpunt vormt voor de transitie naar elektrisch rijden en het kabinet verzocht een voorstel te doen om de energiebelasting aan te passen. Ik heb zowel bij de behandeling van het Belastingplan 2016 als in mijn brief in reactie op de motie aangegeven dat de energiebelasting geen knelpunt is voor de transitie naar elektrisch rijden gezien de lage belastingdruk per kilometer in verhouding tot benzine en diesel.54 Wel heb ik in mijn brief geconstateerd dat een verlaging van de energiebelasting kan bijdragen aan het verbeteren van de businesscase van openbare laadpalen. Daarbij is ook geconstateerd dat de regeling in de energiebelasting bovenop de subsidieregeling komt.

Voorts vragen deze leden hoe het onderhavige wetsvoorstel zich verhoudt tot het voornemen het fiscaal instrumentalisme te verminderen. Het moge duidelijk zijn dat dit voorstel niet leidt tot minder fiscaal instrumentalisme. Met dit wetsvoorstel heb ik de wens van de Tweede Kamer zoals vervat in de motie Van Weyenberg/Grashoff uitgevoerd. Daarbij betreft het hier een tijdelijke maatregel die zo is vormgegeven dat deze op een voor de Belastingdienst en de energiebedrijven zo min mogelijk belastende manier uitgevoerd kan worden. Dit voorstel doet echter niets af aan het bredere streven om tot vereenvoudiging van het belastingstelsel te komen. Het benadrukt eerder de noodzaak om ieder jaar óók met concrete voorstellen tot vereenvoudiging te komen. Voorstellen voor vereenvoudiging zijn dit jaar te vinden in de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 en de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de integrale businesscase van de publieke laadpalen. Het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur (NKL) heeft recent een overzicht gepubliceerd van de kosten van publieke laadinfrastructuur in 2013, 2016 en 2020.55 Deze cijfers zijn, aldus het NKL, tot stand gekomen met behulp van de wetenschap en een brede toetsing door stakeholders. Het beeld is dat de businesscase zich positief heeft ontwikkeld in de periode 2013 tot en met 2016. Zo zijn de kosten van de laadpaal gedaald met 30%, is de prijs per kWh gestegen met 12% en is het verbruik gestegen met 70%. Evenwel blijkt uit de cijfers dat de businesscase in 2016 nog niet sluitend is. De opbrengst per laadpaal komt uit op circa € 750 per jaar waar de kosten circa € 1.500 per jaar bedragen. Voor 2020 is de verwachting dat de businesscase gemiddeld sluitend zal zijn met opbrengsten en kosten per laadpaal van circa € 1.100 per jaar. Voor een overzicht van de verschillende kostencomponenten in de businesscase verwijs ik naar de genoemde publicatie.

Deze leden vragen verder of het kabinet aanwijzingen heeft dat de maatregel het elektrische rijden bevordert. Voorts vragen zij naar het aantal extra elektrische auto’s dat als gevolg van de maatregel gekocht zal worden en of dit gebaseerd is op een concreet ramingsmodel. Vanwege het belang van de aanwezigheid van openbare laadinfrastructuur voor de transitie naar elektrisch rijden beoogt dit wetvoorstel de businesscase voor openbare laadpalen te verbeteren. Het verbruik waarbij sprake is van een sluitende businesscase hangt onder meer af van het gekozen jaartal. Zo ligt het omslagpunt naar een positieve businesscase in 2020 ongeveer bij een verbruik van 10 kWh per dag. Dat verbruik ligt binnen de marge van het verwachte verbruik voor dat jaar. In 2016 ligt het omslagpunt bij een verbruik van 23 kWh per dag waar het werkelijke verbruik gemiddeld ongeveer op 7 kWh per dag ligt. In 2016 zijn er geen publieke laadpalen waar sprake is van een sluitende businesscase zonder dat gemeenten financieel bijspringen. Een betere laadinfrastructuur maakt elektrisch rijden aantrekkelijker. In welke mate zich dat zal vertalen in een extra toename van het aantal elektrische auto’s is niet bekend.

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat het onderhavige wetsvoorstel valt of staat met een heldere operationele definitie van «laadpalen met een zelfstandige aansluiting» en vragen of het kabinet hier praktische complicaties verwacht. Over de vormgeving van de beoogde maatregel heeft overleg plaatsgevonden met diverse organisaties, waaronder vertegenwoordigers van energieleveranciers. Uit dat overleg is naar voren gekomen dat de regeling in de praktijk goed uitvoerbaar zal zijn. Ook uit de uitvoeringstoets blijkt dat de regeling uitvoerbaar is. Wat betreft de definitie is in artikel 60a, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag opgenomen dat het moet gaan om elektriciteit die wordt geleverd aan een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting. Wat wordt bedoeld met een zelfstandige aansluiting en waar een oplaadinstallatie uit bestaat, is uiteengezet in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er zicht is op het honoreren van het derogatieverzoek dat Nederland bij de Europese Commissie heeft ingediend. Het derogatieverzoek is als hamerstuk geagendeerd voor de Ecofin Raad van 6 december a.s.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke maatregelen genomen worden om oneigenlijk gebruik van openbare laadpalen voor andere doeleinden dan autorijden te voorkomen. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, zal in het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag worden opgenomen dat de afnemer van de elektriciteit, om recht te krijgen op het verlaagde tarief, aan de energieleverancier moeten verklaren dat de elektriciteit die via de desbetreffende aansluiting geleverd wordt, uitsluitend wordt gebruikt in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen en dat de oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak. Als deze verklaring onjuist is, kan de belasting die als gevolg daarvan te weinig geheven is, op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij de afnemer worden nageheven. Als de elektriciteit voor iets anders wordt gebruikt dan om elektrische voertuigen op te laden, loopt de exploitant van de laadpaal dan ook het risico dat hij een naheffingsaanslag krijgt voor het totale belastingvoordeel dat hij ten onrechte verkregen heeft, waarbij hem in geval van opzet bovendien een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Ik verwacht dat van deze sancties voldoende preventieve werking zal uitgaan. Overigens is de kans op fraude beperkt doordat het praktisch omslachtig is om de elektriciteit vanuit de laadpaal met zelfstandige aansluiting in te zetten voor huishoudelijk energieverbruik.

Voorts ontvangen de leden van de PvdA-fractie van het kabinet graag inzicht in de uitvoerbaarheid van het voorstel om de derving van € 2 miljoen per jaar te dekken via een verlaging van de energie-investeringsaftrek (EIA). De wijziging van het percentage van de EIA wordt verwerkt in de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 en definitieve aanslagen vennootschapsbelasting 2017. Belastingplichtigen die in de VA inkomstenbelasting-winst al rekening willen houden met het gewijzigde percentage kunnen zelf verzoeken om een aangepaste VA inkomstenbelasting-winst. Hetzelfde geldt voor de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting.

7. Overige vragen

Daarnaast zijn nog enkele vragen gesteld die niet direct betrekking hebben op de wetsvoorstellen uit het pakket Belastingplan 2017.

7.1. Vermogensrendementsheffing

De leden van de fractie van de VVD vragen naar een concreet tijdpad voor verbetering van de vermogensrendementsheffing. Een dergelijk tijdpad is sterk afhankelijk van de variant die wordt gekozen. Een variant met een vermogensaanwasbelasting of een vermogenswinstbelasting vraagt om een gedegen voorbereiding van wetgeving in overleg met de ketenpartners en met de Belastingdienst. Daarvoor moet ten minste anderhalf jaar gerekend worden. Daarna volgt de behandeling in het parlement. Op het moment dat de wetgeving in het Staatsblad staat, kunnen de ketenpartners en de Belastingdienst beginnen met de implementatie van de wetgeving. De ketenpartners hebben aangegeven voor die implementatie zeker 24 maanden nodig te hebben. Naarmate in de uiteindelijk gekozen variant meer forfaitair wordt vastgesteld, kan dit tijdschema wellicht versneld worden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat de budgettaire derving is als het rendement voor spaarsaldi tot € 100.000 wordt gesteld op 1%. Als in 2017 het forfaitaire rendement in de eerste schijf van box 3 wordt beperkt tot 1% is de budgettaire derving circa € 900 miljoen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het aantal belastingplichtigen in box 3 in de verschillende vermogensklassen en hoe dat vermogen grosso modo is samengesteld. De cijfers in de hierna opgenomen tabel 38 betreffen het belastingjaar 2012, omdat voor dat jaar vrijwel het volledige aantal belastingaangiften beschikbaar is en deze cijfers ook zijn gebruikt bij het Belastingplan 2016. Deze cijfers zijn tevens gebruikt voor de bepaling voor de vermogensmix in 2017. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de vergelijkbaarheid met de cijfers in de schriftelijke behandeling van het Belastingplan 2016 in de Eerste Kamer. Ook hiervoor is dezelfde dataset gebruikt. Het aantal belastingplichtigen betreft het aantal personen, zodat twee fiscale partners van een huishouden met een gezamenlijk vermogen van € 150.000 ieder in de categorie van € 75.000 vallen. Het nettospaargeld betreft de bank- en spaartegoeden in box 3 verminderd met de schulden in box 3. De beleggingen bestaan uit aandelen, obligaties, onroerende zaken en een restpost van andere vermogenstitels.

Tabel 40: Box 3-vermogen

Personen met een vermogen van

netto spaargeld (x € 1 mln)

Beleggingen (x € 1 mln)

Totaal vermogen (x € 1 mln)

Aantal belasting-plichtigen (€ 1.000)

Minder dan

 

100.000

76.011

37.626

113.637

2.375,6

tussen 100.000

en

200.000

39.988

36.629

76.617

550,2

tussen 200.000

en

300.000

19.460

25.584

45.043

185,6

tussen 350.000

en

400.000

11.013

18.994

30.006

87,1

tussen 450.000

en

500.000

7.004

14.263

21.268

47,8

tussen 500.000

en

600.000

4.647

11.189

15.836

29,0

tussen 600.000

en

700.000

3.225

9.102

12.327

19,1

tussen 700.000

en

800.000

2.297

7.710

10.006

13,4

tussen 800.000

en

900.000

1.980

6.414

8.394

9,9

tussen 900.000

en

1.000.000

1.249

5.636

6.884

7,3

tussen 1.000.000

en

5.000.000

8.582

52.775

61.357

35,0

tussen 5.000.000

en

10.000.000

619

9.893

10.512

1,6

Meer dan

 

10.000.000

187

11.006

11.193

0,6

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op de alternatieve ad-interimoplossing voor box 3 in het boek «Geloofwaardig belastingheffen» van Stevens en Lejour. Deze auteurs stellen voor om, tot er een heffing op basis van het werkelijk rendement wordt ingevoerd, het forfaitair rendement te handhaven op 4% en het heffingvrije vermogen substantieel te verhogen. Daarmee beogen zij de kleine spaarder uit de wind te houden. In het systeem dat in werking treedt per 1 januari 2017 wordt gemiddeld al beter aangesloten bij het langjarige, werkelijke rendement dan in een systeem waarin een uniform forfaitair rendement wordt gehanteerd. Door de in de wet- en regelgeving opgenomen aanpassingsmechanismen wordt deze aansluiting in de komende jaren verder versterkt. Het terugdraaien van het systeem in 2017 zou in de ogen van het kabinet een stap in de verkeerde richting zijn. Daarnaast leidt de door Stevens en Lejour geschetste, alternatieve oplossing tot een flinke budgettaire derving.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel het budgettaire beslag van dit alternatief zou bedragen, indien het forfaitaire rendement 4% blijft, maar de vrijstelling wordt verhoogd tot € 50.000 per belastingplichtige. Ook vragen deze leden wat het budgettaire beslag is wanneer de vrijstelling in gelijke delen vanaf een belastbaar inkomen uit vermogen en sparen van € 100.000 tot € 1.000.000 wordt afgebouwd naar € 0 ter gedeeltelijke dekking van de verdubbeling van de vrijstelling. Een verhoging van het heffingvrije vermogen tot € 50.000 per persoon zorgt voor een derving van € 795 miljoen in box 3. Daarnaast nemen de uitgaven (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) met € 140 miljoen toe. Het geleidelijk afbouwen van het heffingvrije vermogen bij vermogens tussen € 100.000 en € 1 miljoen, waarnaar de leden van genoemde fractie ook vragen, vermindert de budgettaire derving in box 3 tot € 660 miljoen. De uitgaven zullen in deze variant eveneens met € 140 miljoen stijgen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of in de appendix van de toegezegde nadere uitwerking van de voortgangsrapportage box 3 ook een subvariant meegenomen kan worden waarbij het forfaitaire rendement gelijk zal zijn aan de Ultimate Forward Rate. Bij de tijdens het algemeen overleg in de Tweede Kamer van 27 oktober 201656 toegezegde nadere uitwerking van de voortgangsrapportage box 3 zal ook een variant worden betrokken waarin in het systeem dat gold tot en met het jaar 2016 het forfaitaire rendement gelijk wordt gesteld aan de Ultimate Forward Rate.

7.2. Btw pensioenen

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op de door pensioenfondsen berekende extra btw-lastenverhoging als gevolg van de afschaffing van de btw-koepelvrijstelling en verwijzen daarbij in het bijzonder naar het pensioenfonds van Metalelectro en de schilders. De leden van de fractie van het CDA wijzen er bovendien op dat de afschaffing van de koepelvrijstelling niet voor alle pensioenfondsen opgaat, zodat er sprake is van ongelijke gevolgen voor de pensioendeelnemers.

Het kabinet erkent zeker dat de btw-heffing over pensioenadministratiediensten tot een lastentoename leidt voor pensioenfondsen. Het gaat hierbij om een relatief kleine lastentoename die onvermijdelijk is. Het kabinet ziet geen enkele mogelijkheid om de regels op dit punt te versoepelen. De afschaffing bleek noodzakelijk omdat er sprake was van concurrentieverstoring tussen verschillende pensioenuitvoeringaanbieders. De ene pensioenuitvoeringsaanbieder moest wel btw betalen over de dienstverlening en de andere niet, indien gebruik werd gemaakt van de zogenaamde koepelvrijstelling. Dat mag niet van de dwingende Europese regels en ik sta daar ook achter nu een gelijke concurrentiepositie belangrijk is.

Dat er toch verschillen kunnen ontstaan komt omdat er pensioenfondsen zijn die samen met hun pensioenuitvoerder deel uitmaken van een zogenoemde fiscale eenheid btw. De reden hiervoor is dat dit interne diensten zijn binnen één bedrijf. De fiscale eenheid btw wordt namelijk wettelijk aangemerkt als één btw-ondernemer. Dat is conform de Europese regels die hiervoor gelden.

Ruimte voor versoepeling is er dus niet en zou bovendien ook precedentwerking naar andere gebieden van de koepelvrijstellingen betekenen met daarbij grote negatieve gevolgen voor de schatkist. Hiervoor zou dan ook dekking moeten worden gezocht. Op dit punt kan dus ook niet exclusief voor pensioenfondsen een regeling worden getroffen.

Verder vragen de leden van de fractie van het CDA of ik, ingeval de Hoge Raad de conclusie van Advocaat-generaal Ettema volgt, pensioenfondsen en vermogensbeheer beiden van btw zal vrijstellen. Hoewel ik de nieuwsgierigheid van de fractie van het CDA begrijp, is het niet aan mij om vooruit te lopen op de uitspraak van de Hoge Raad. Uiteraard wacht ik de uitspraak met belangstelling af en ik zal beide Kamers, na publicatie van de uitspraak, zo spoedig mogelijk informeren.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de budgettaire effecten van het uitsluiten van diensten met betrekking tot pensioenadministratie van de btw-koepelvrijstelling. Ten tijde van het besluit om deze diensten uit te sluiten van de koepelvrijstelling is een jaarlijkse budgettaire opbrengst van € 110 miljoen geraamd. Daarnaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS hoe deze budgettaire opbrengst zich verhoudt tot de jaarlijkse budgettaire derving van € 285 miljoen indien defined benefit pensioenregelingen zouden worden aangemerkt als gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De budgettaire opbrengst van € 110 miljoen ziet toe op diensten met betrekking tot pensioenadministratie, terwijl de budgettaire derving van € 285 miljoen betrekking heeft op vermogensbeheerdiensten afgenomen door pensioenfondsen. De ramingen zien dus niet op dezelfde diensten.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wanneer de uitspraak van de Hoge Raad over toepassing van de btw-vrijstelling op vermogensbeheerdiensten van dit jaar te verwachten is. Ik verwacht dat de Hoge Raad in december van dit jaar uitspraak zal doen. Zo niet, dan wordt dit naar alle waarschijnlijkheid ergens begin 2017.

7.3. Giftenaftrek

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan aangeven welke plannen het heeft met betrekking tot de giftenaftrek en hoe de besluitvormingsprocedure zal verlopen.

Het evaluatieonderzoek naar de giftenaftrek dat nu loopt is onderdeel van de normale cyclus van evaluaties van belastinguitgaven en stond reeds enige tijd gepland. Daarnaast loopt nu een onderzoek naar de regeling van de ANBI’s en SBBI’s.57 Het is mijn voornemen – gelet op de inhoudelijke verwevenheid – de evaluatierapporten in januari 2017 gezamenlijk naar de Tweede Kamer te sturen zodat de uitkomsten van de evaluaties in samenhang besproken kunnen worden. Het is niet zinnig vooruit te lopen op de bevindingen van de evaluaties.

7.4. CPB-notitie «De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen»

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet om een reactie op de fiscale aspecten uit de CPB-notitie «De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen». Verder vragen deze leden of de bevindingen uit die notitie een reden vormen voor heroverweging van fiscaal beleid. Door het CPB is op verzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzocht wat het de regionale arbeidsmarkt oplevert als de effecten van ligging aan de grens afwezig zouden zijn. In de notitie worden onder meer enkele grensfactoren die vooral een belemmering vormen voor de arbeidsmarkt in grensregio’s besproken. Met betrekking tot institutionele verschillen wordt in zijn algemeenheid opgemerkt dat verschillen in wetgeving en pensioen- en belastingsystemen een belemmering kunnen vormen. Dit lijkt echter een minder grote barrière dan bijvoorbeeld taal- en cultuurverschillen, zo volgt uit het rapport.

Het kabinetsbeleid is erop gericht om door het sluiten van belastingverdragen fiscale belemmeringen bij grensoverschrijdende arbeid zoveel mogelijk weg te nemen. Belastingverdragen verdelen heffingsrechten tussen landen over bijvoorbeeld loon uit niet-zelfstandige arbeid en winst uit onderneming. Door de toedeling van heffingsrechten wordt voorkomen dat belastingplichtigen in twee landen over hetzelfde inkomen belast worden. In de verdragen met de buurlanden Duitsland en België is bovendien een compensatieregeling voor (in Nederland wonende) grensarbeiders opgenomen. Met deze regeling kunnen grensarbeiders worden gecompenseerd, zodat de in Nederland wonende grensarbeider qua fiscale positie niet slechter af is dan zijn buurman die in Nederland werkt. Door het sluiten van belastingverdragen en door de specifieke onderhandelingsinzet bij verdragen met buurlanden zijn belangrijke fiscale belemmeringen voor grensarbeiders weggenomen.

7.5. Digitaal invullen van de aangifte en ondersteuning van kwetsbare groepen

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet de laatste gegevens kan delen betreffende het digitaal invullen van de aangifte en de toegezegde ondersteuning van kwetsbare groepen. De laatste cijfers zijn op 4 november 2016 met uw Kamer gedeeld in de 18e halfjaarsrapportage Belastingdienst.58 Zoals daar is vermeld, is het aantal digitaal ontvangen aangiften inkomstenbelasting iets verder toegenomen. Via de app en de website is deze campagneperiode 98% van de aangiften ontvangen, tegen 97% in het gehele vorige jaar. Het aantal aangiften via de app is ten opzichte van vorig jaar met 88% gestegen naar 358.000. Het aantal op papier ontvangen aangiften bedroeg nog maar 233.131 en is daarmee weer met een derde verminderd ten opzichte van vorig jaar. Het aantal mensen dat bij aangifte 2015 (dus de afgelopen aangifteperiode) is geholpen via de «hulp bij aangifte» van de Belastingdienst (op de belastingkantoren) bedraagt ruim 109.000. Daarnaast zijn bijna 357.000 mensen geholpen via de vakbonden en ouderenbonden. De Belastingdienst werkt inmiddels met een groot aantal maatschappelijke organisaties samen die mensen ondersteunen. Daarom geven deze cijfers geen compleet beeld van het aantal mensen dat hulp krijgt. Gedetailleerde cijfers over het aantal mensen dat wordt geholpen door deze organisaties zijn niet beschikbaar. Uit onderzoek van de Belastingdienst blijkt echter wel dat ongeveer 12% van de mensen zich laat helpen door een maatschappelijke organisatie. Daarnaast laat 49% van de mensen hun aangifte verzorgen door onder andere commerciële dienstverleners, familie en buren. Dit laatste percentage betreft overigens niet per se mensen uit kwetsbare groepen.

7.6. Wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de dekking voor het aanhouden van het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing is geregeld. De Tweede Kamer heeft ingestemd met het verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) om het wetsvoorstel aan te houden waarin is voorgesteld de monumentenaftrek en aftrek scholingsuitgaven af te schaffen. Het aanhouden van dit wetsvoorstel tot volgend jaar leidt wat betreft de aftrek scholingsuitgaven niet tot een besparingsverlies, aangezien afschaffing van deze regeling in het wetsvoorstel reeds is voorzien per 2018. Afschaffing van de monumentenaftrek was in het wetsvoorstel voorzien per 2017 en het uitstellen van deze maatregel tot 2018 leidt derhalve wel tot een besparingsverlies. Dit gaat om € 25 miljoen in 2017. De Minister van OCW heeft in een brief aan de Tweede Kamer van 9 november 2016 gemeld dat zij dit besparingsverlies bij voorjaarsnota 2017 zal inpassen in haar begroting. Overigens heeft de Tweede Kamer recent twee amendementen ingediend die strekken tot dekking van dit besparingsverlies (op de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). In een brief van de Minister van Financiën van 16 november 2016 aan de Tweede Kamer is aangegeven dat deze amendementen technisch mogelijk zijn en het kabinet het oordeel hierover aan de Kamer laat.59

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Noot 1: Letter E heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 552.

Noot 2: In de marginale druk en belastingdruk zoals gepresenteerd in de antwoorden in deze memorie van antwoord wordt geen rekening gehouden met toeslagen en pensioenpremies. Deze benadering wijkt daarmee af van de marginale druk zoals die doorgaans door SZW gepresenteerd wordt.

Noot 3: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/10/25/bijlage-tabellen

Noot 4: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2015/10/16/tabellen-bij-nota-naar-aanleiding-van-verslag-over-belastingplan-2016

Noot 5: Kamerstukken II 2016/17, 34 550, nr. 31.

Noot 6: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 14, p. 14 en 15.

Noot 7: Kamerstukken I 2016/17, 34 550, L.

Noot 8: Kamerstukken I 2016/17, 34 550, L.

Noot 9: Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3.

Noot 10: De verdeling van de gezamenlijke grondslag voor sparen en beleggen werkt door naar de toerekening van de korting voor groen beleggen.

Noot 11: Kamerstukken 2009/10, 32 131 nr. 2.

Noot 12: Bijlage bij Kamerstukken I 2016/17, 34 550, L.

Noot 13: Bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 33 682, nr. 1.

Noot 14: Kamerstukken II 2011/12, 32 131, nr. 25.

Noot 15: Zie hiervoor ook de brief van 26 april 2013 (Kamerstukk II 2012/13, 32 131, nr. 27, pagina 16).

Noot 16: Zie onder andere: https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-notitie-21juni2013-inkomenseffecten-wet-uniformering-loonbegrip.pdf.

Noot 17: Nominaal AOW-premiepercentage: 17,9%.

Noot 18: De IAB Zvw voor zelfstandigen en gepensioneerden bedraagt 5,40% in 2017.

Noot 19: De IAB Zvw over de AOW bedraagt € 795.

Noot 20: Zie bijvoorbeeld https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/37/koopkracht-blijft-in-doorsnee-stijgen en CBS Statline.

Noot 21: Kamerstukken 2011/12, 30 982, nr. 7.

Noot 22: https://www.cpb.nl/publicatie/aanpassing-van-inkomen-rondom-belastinggrenzen

Noot 23: Het gaat daarbij onder meer om de (on)mogelijkheid om een fiscaal waarderingsstelsel te wijzigen. Daarnaast speelt incidenteel fiscaal voordeel bijvoorbeeld een rol bij het al dan niet verlenen van terugwerkende kracht bij geruisloze inbreng van een onderneming in een bv of bij het aangaan van een samenwerkingsverband (zoals een vof).

Noot 24: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 111.

Noot 25: CPB, Kansrijk Innovatiebeleid, 2016, pagina 92.

Noot 26: Mededeling van 14 oktober 2010, Nr. DGB/2010/6307M (Stcrt. 2010, 16697).

Noot 27: FD, Ongefundeerde tegemoetkoming start-ups, Leo Stevens, 31 oktober 2016.

Noot 28: Kamerstukken II 2015/16, 32 637, nr. 241.

Noot 29: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3.

Noot 30: Kamerstukken I 2016/17, 34 418, C.

Noot 31: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 5.

Noot 32: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, bijlage Uitvoeringstoets Belastingplan 2017.

Noot 33: HvJ EU 17 januari 2013, nr. C-543/11 (Woningstichting Maasdriel), ECLI:EU:2013:20.

Noot 34: Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 102, Kamerstukken II 2015/16, 34 402, nr. 103 en Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 115.

Noot 35: Kamerstukken II 2015/16, 34 552, nr. 26.

Noot 36: Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 201.

Noot 37: Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, blz. 11–13.

Noot 38: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 3, blz. 24–25.

Noot 39: Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, blz. 11–13 en blz. 27–28.

Noot 40: Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 103.

Noot 41: Rechtbank Den Haag 15 juli 2016, nr. 15_5875, ECLI:NL:RBDHA:2016:9308.

Noot 42: M.J. Hoogeveen, De kwaliteit van de fiscale bedrijfsopvolgingswetgeving, dissertatie Tilburg, Den Haag, Sdu 2011.

Noot 43: Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 7, blz. 23 en 24.

Noot 44: Kamerstukken II 2015/16, 24 515, nr. 360.

Noot 45: Kamerstukken II 2016/17, 33 552, nr. 19.

Noot 46: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 108, blz. 21.

Noot 47: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 117, blz. 17.

Noot 48: Kamerstukken II 2016/17, 34 555, nr. 5, blz. 30

Noot 49: M.P.A. Spanjers, «Budgettaire aspecten Belastingplanpakket 2017», WFR 2016/220.

Noot 50: Kamerstukken II 2016/17, 34 555, nr. 5, blz. 8.

Noot 51: Zie o.a. HR 25 november 2011, nr. 10/04588, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, BNB 2012/78.

Noot 52: Zie Hof Amsterdam van 27 november 2000, nr. 99/2650 (ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8671). In deze casus is het Hof van oordeel dat er weliswaar een zakelijke overweging voor de dga kan zijn om als aandeelhouder af te zien van zijn pensioenaanspraak jegens de bv, maar dat zulks geen dwingende maatschappelijke reden was om als werknemer zijn pensioenaanspraak prijs te geven.

Noot 53: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 96.

Noot 54: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 114.

Noot 55: http://nklnederland.nl/uploads/files/Verslag_workshop_Benchmark_Kosten_Publieke_Laadinfrastructuur_2016.pdf.

Noot 56: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 28.

Noot 57: Zie ook Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 125.

Noot 58: Kamerstukken II 2016/17, 31 066, nr. 318.

Noot 59: Kamerstukken II 2016/17, 34 550 VIII, nr. 56.