Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2017

34552 G Nota naar aanleiding van het verslag

Vergaderjaar 2016-2017

G1

Ontvangen 9 december 2016

Inhoudsopgave

blz.

       

1.

Inleiding

2

2.

Belastingplan 2017

2

 

2.1.

Inkomensbeleid

2

 

2.2.

Vbi’s

24

 

2.3.

Bouwterreinen in de btw

25

 

2.4.

Wijziging btw-vrijstelling voor watersportorganisaties

25

 

2.5.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

27

3.

Overige fiscale maatregelen 2017

27

 

3.1.

Bedrijfsopvolgingsregeling

27

 

3.2.

Boetevrij aflossen van een spaar- of beleggingshypotheek

29

4.

Fiscale vereenvoudigingswet 2017

30

5.

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

31

6.

Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting

40

7.

Overige vragen

40

 

7.1.

Vermogensrendementsheffing

41

 

7.2.

Btw pensioenen

41

1. Inleiding

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA, de PvdA en 50PLUS.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

2. Belastingplan 2017

2.1. Inkomensbeleid

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de marginale druk exclusief de AOW-premie voor personen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tussen € 0 en € 130.000, vergelijkbaar met figuur 1 en tabel 2 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen figuur 1 wordt deze marginale druk weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen tabel 1 wordt deze marginale druk weergegeven in tabelvorm in stappen van € 5.000. In de berekening van de marginale druk wordt van de heffingskortingen alleen het belastingdeel, het Anw-premiedeel en het Wlz-premiedeel meegenomen. Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar de marginale druk van de AOW-premie voor dezelfde groep. Deze wordt weergegeven in figuur 2 en tabel 2. In de berekening van de marginale druk van de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het AOW-premiedeel meegenomen.

Figuur 1: Marginale druk exclusief AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 in het jaar 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten

TAR = tarieven belasting en premie Anw/Wlz

AHK = algemene heffingskorting

AK = arbeidskorting

IACK = inkomensafhankelijke combinatiekorting

Tabel 1: Marginale druk exclusief AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 in het jaar 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten

Inkomen

TAR

TAR+AHK

TAR+AHK+AK

TAR+AHK+AK+IACK

5.000

18,650%

18,650%

17,746%

14,603%

10.000

18,650%

18,650%

4,201%

1,058%

15.000

18,650%

18,650%

4,201%

1,058%

20.000

22,900%

25,343%

10,894%

7,751%

25.000

22,900%

25,343%

25,343%

22,200%

30.000

22,900%

25,343%

25,343%

22,200%

35.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

40.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

45.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

50.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

55.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

60.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

65.000

40,800%

43,243%

45,080%

45,080%

70.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

75.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

80.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

85.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

90.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

95.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

100.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

105.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

110.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

115.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

120.000

52,000%

52,000%

53,837%

53,837%

125.000

52,000%

52,000%

52,000%

52,000%

130.000

52,000%

52,000%

52,000%

52,000%

Figuur 2: Marginale druk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 in het jaar 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten
Tabel 2: Marginale druk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 in het jaar 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in procenten

Inkomen

AOW-premie

AOW-premie +AHK

AOW-premie +AHK+AK

AOW-premie +AHK+AK+IACK

5.000

17,900%

17,900%

17,032%

14,016%

10.000

17,900%

17,900%

4,032%

1,016%

15.000

17,900%

17,900%

4,032%

1,016%

20.000

17,900%

20,244%

6,376%

3,360%

25.000

17,900%

20,244%

20,244%

17,228%

30.000

17,900%

20,244%

20,244%

17,228%

35.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

40.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

45.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

50.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

55.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

60.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

65.000

0,000%

2,344%

4,107%

4,107%

70.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

75.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

80.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

85.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

90.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

95.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

100.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

105.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

110.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

115.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

120.000

0,000%

0,000%

1,763%

1,763%

125.000

0,000%

0,000%

0,000%

0,000%

130.000

0,000%

0,000%

0,000%

0,000%

Daarnaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar de mutatie in de gemiddelde belasting- en premiedruk exclusief de AOW-premie van het belastbare inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting tezamen tussen 2012 en 2017 voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in een tabel en in een grafiek, vergelijkbaar met figuur 12 en 14 en tabel 16 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen figuren 3 en 5 en tabel 3 wordt dit weergegeven, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. In de berekening van de gemiddelde druk exclusief de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het belastingdeel, het Anw-premiedeel en het Wlz-premiedeel meegenomen. Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar eenzelfde vergelijking tussen 2012 en 2017 maar dan voor de gemiddelde druk van de AOW-premie. In de hierna opgenomen figuren 4 en 6 en tabel 4 wordt dit weergegeven. In de berekening van de gemiddelde druk van de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het AOW-premiedeel meegenomen.

Figuur 3: Belasting- en premiedruk exclusief AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 in procenten
Figuur 4: Premiedruk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 in procenten
Figuur 5: Belasting- en premiedruk exclusief AOW-premie belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd verschil in 2012 en 2017 in procentpunten
Figuur 6: Premiedruk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd verschil in 2012 en 2017 in procentpunten
Tabel 3: Belasting- en premiedruk exclusief AOW-premie belastbaar inkomen box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 en het verschil tussen 2012 en 2017 in procentpunten

Inkomen

2012

2017

Verschil

5.000

0,0%

0,0%

0,0%

10.000

0,0%

0,0%

0,0%

15.000

1,9%

0,0%

– 1,9%

20.000

3,9%

0,0%

– 3,9%

25.000

7,3%

4,2%

– 3,1%

30.000

9,8%

7,2%

– 2,6%

35.000

12,3%

10,2%

– 2,0%

40.000

16,0%

14,6%

– 1,4%

45.000

18,9%

18,0%

– 0,9%

50.000

21,3%

20,7%

– 0,6%

55.000

23,2%

22,9%

– 0,2%

60.000

25,3%

24,8%

– 0,6%

65.000

27,4%

26,3%

– 1,0%

70.000

29,1%

28,0%

– 1,1%

75.000

30,6%

29,7%

– 0,9%

80.000

32,0%

31,3%

– 0,7%

85.000

33,2%

32,6%

– 0,6%

90.000

34,2%

33,8%

– 0,4%

95.000

35,1%

34,8%

– 0,3%

100.000

36,0%

35,8%

– 0,2%

105.000

36,7%

36,6%

– 0,1%

110.000

37,4%

37,4%

0,0%

115.000

38,1%

38,1%

0,1%

120.000

38,7%

38,8%

0,1%

125.000

39,2%

39,3%

0,1%

130.000

39,2%

39,3%

0,1%

Tabel 4: Premiedruk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in 2012 en 2017 en het verschil tussen 2012 en 2017 in procentpunten

Inkomen

2012

2017

Verschil

5.000

0,0%

0,0%

0,0%

10.000

0,0%

0,0%

0,0%

15.000

2,3%

0,0%

– 2,3%

20.000

4,0%

0,0%

– 4,0%

25.000

6,1%

3,2%

– 2,9%

30.000

7,7%

5,5%

– 2,2%

35.000

8,4%

6,9%

– 1,5%

40.000

7,3%

6,5%

– 0,8%

45.000

6,5%

6,3%

– 0,3%

50.000

5,9%

6,0%

0,1%

55.000

5,4%

5,9%

0,4%

60.000

5,0%

5,7%

0,8%

65.000

4,6%

5,6%

1,0%

70.000

4,3%

5,4%

1,1%

75.000

4,0%

5,1%

1,2%

80.000

3,7%

4,9%

1,2%

85.000

3,5%

4,7%

1,2%

90.000

3,3%

4,6%

1,3%

95.000

3,1%

4,4%

1,3%

100.000

3,0%

4,3%

1,3%

105.000

2,8%

4,2%

1,3%

110.000

2,7%

4,1%

1,4%

115.000

2,6%

4,0%

1,4%

120.000

2,5%

3,9%

1,4%

125.000

2,4%

3,8%

1,4%

130.000

2,4%

3,8%

1,4%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de gemiddelde belasting- en premiedruk exclusief de AOW-premie na aftrek van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting tezamen voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 in 2017, vergelijkbaar met tabel 10 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017. In de berekening van de gemiddelde druk exclusief de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het belastingdeel, het Anw-premiedeel en het Wlz-premiedeel meegenomen. In de hierna opgenomen tabel 5 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. Verder vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar de gemiddelde premiedruk van de AOW-premie. In de hierna opgenomen tabel 6 wordt dit voor 2017 weergegeven. In de berekening van de gemiddelde druk van de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het AOW-premiedeel meegenomen.

Tabel 5: Belasting- en premiedruk exclusief AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in procenten

Inkomen

Belasting- en premiedruk

5.000

0,0%

10.000

0,0%

15.000

0,0%

20.000

0,0%

25.000

4,2%

30.000

7,2%

35.000

10,2%

40.000

14,6%

45.000

18,0%

50.000

20,7%

55.000

22,9%

60.000

24,8%

65.000

26,3%

70.000

28,0%

75.000

29,7%

80.000

31,3%

85.000

32,6%

90.000

33,8%

95.000

34,8%

100.000

35,8%

105.000

36,6%

110.000

37,4%

115.000

38,1%

120.000

38,8%

125.000

39,3%

130.000

39,3%

Tabel 6: Premiedruk van de AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 na aftrek van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in procenten

Inkomen

Belastingdruk

5.000

0,0%

10.000

0,0%

15.000

0,0%

20.000

0,0%

25.000

3,2%

30.000

5,5%

35.000

6,9%

40.000

6,5%

45.000

6,3%

50.000

6,0%

55.000

5,9%

60.000

5,7%

65.000

5,6%

70.000

5,4%

75.000

5,1%

80.000

4,9%

85.000

4,7%

90.000

4,6%

95.000

4,4%

100.000

4,3%

105.000

4,2%

110.000

4,1%

115.000

4,0%

120.000

3,9%

125.000

3,8%

130.000

3,8%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de te betalen premie en belasting exclusief de AOW-premie voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 na aftrek van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, vergelijkbaar met tabel 7 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen tabel 7 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. In de berekening van de te betalen belasting en premie exclusief de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het belastingdeel, het Anw-premiedeel en het Wlz-premiedeel meegenomen. De leden van de fractie van 50PLUS vragen ook naar eenzelfde opstelling maar waarbij dan alleen rekening wordt gehouden met de AOW-premie. In de hierna opgenomen tabel 8 wordt dit weergegeven voor 2017. In de berekening van de te betalen belasting en premie waarbij alleen rekening wordt gehouden met de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het AOW-premiedeel meegenomen.

Tabel 7: Te betalen belasting en premie volksverzekeringen exclusief AOW-premie na aftrek van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

BEL/Premie Anw/Wlz-AHK-AK

5.000

0

10.000

528

15.000

738

20.000

949

25.000

2.202

30.000

3.470

35.000

5.000

40.000

7.254

45.000

9.508

50.000

11.762

55.000

14.016

60.000

16.270

65.000

18.524

70.000

21.035

75.000

23.727

80.000

26.419

85.000

29.111

90.000

31.802

95.000

34.494

100.000

37.186

105.000

39.878

110.000

42.570

115.000

45.262

120.000

47.954

125.000

50.590

130.000

50.590

Tabel 8: Te betalen AOW-premie na aftrek van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AOW-premie-AHK-AK

5.000

0

10.000

512

15.000

714

20.000

916

25.000

1.912

30.000

2.924

35.000

3.765

40.000

3.970

45.000

4.175

50.000

4.381

55.000

4.586

60.000

4.791

65.000

4.997

70.000

5.133

75.000

5.221

80.000

5.309

85.000

5.397

90.000

5.485

95.000

5.573

100.000

5.662

105.000

5.750

110.000

5.838

115.000

5.926

120.000

6.014

125.000

6.049

130.000

6.049

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de te betalen premie en belasting exclusief de AOW-premie voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen in box 1 tot en met € 130.000 zonder de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting en met aftrek van deze drie kortingen, vergelijkbaar met tabel 11 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017. In de hierna opgenomen tabel 9 wordt dit weergegeven voor 2017, waarbij wordt uitgegaan van doorgang van het Belastingplan 2017. In de berekening van de te betalen belasting en premie exclusief de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het belastingdeel, het Anw-premiedeel en het Wlz-premiedeel meegenomen. De leden van de fractie van 50PLUS vragen ook naar eenzelfde opstelling waarbij alleen rekening wordt gehouden met de AOW-premie. In de hierna opgenomen tabel 10 wordt dit weergegeven voor 2017. In de berekening van de te betalen belasting en premie waarbij alleen rekening wordt gehouden met de AOW-premie wordt van de heffingskortingen alleen het AOW-premiedeel meegenomen.

Tabel 9: Te betalen belasting en premie volksverzekeringen exclusief AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 zonder en met aftrek van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

BEL/Premie Anw/Wlz

BEL/Premie Anw/Wlz-AHK-AK-IACK

5.000

933

0

10.000

1.865

0

15.000

2.798

0

20.000

3.731

0

25.000

4.876

1.038

30.000

6.021

2.148

35.000

7.382

3.583

40.000

9.422

5.837

45.000

11.462

8.091

50.000

13.502

10.345

55.000

15.542

12.599

60.000

17.582

14.853

65.000

19.622

17.107

70.000

21.990

19.618

75.000

24.590

22.309

80.000

27.190

25.001

85.000

29.790

27.693

90.000

32.390

30.385

95.000

34.990

33.077

100.000

37.590

35.769

105.000

40.190

38.460

110.000

42.790

41.152

115.000

45.390

43.844

120.000

47.990

46.536

125.000

50.590

49.173

130.000

50.590

49.173

Tabel 10: Te betalen AOW-premie voor belastbaar inkomen in box 1 zonder en met aftrek van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor belastingplichtigen onder de pensioengerechtigde leeftijd in het jaar 2017 in euro’s

Inkomen

AOW-premie

AOW-premie-AHK-AK-IACK

5.000

895

0

10.000

1.790

0

15.000

2.685

0

20.000

3.580

0

25.000

4.475

794

30.000

5.370

1.656

35.000

6.049

2.404

40.000

6.049

2.610

45.000

6.049

2.815

50.000

6.049

3.020

55.000

6.049

3.226

60.000

6.049

3.431

65.000

6.049

3.636

70.000

6.049

3.772

75.000

6.049

3.860

80.000

6.049

3.949

85.000

6.049

4.037

90.000

6.049

4.125

95.000

6.049

4.213

100.000

6.049

4.301

105.000

6.049

4.389

110.000

6.049

4.477

115.000

6.049

4.566

120.000

6.049

4.654

125.000

6.049

4.688

130.000

6.049

4.688

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de mutatie in de belasting- en premiedruk exclusiefAOW-premie na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting tezamen tussen 2012 en 2017 voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in een grafiek, vergelijkbaar met figuur 15 uit de memorie van antwoord. Figuur 15 van de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017 geeft de belasting- en premiedruk weer voor AOW-gerechtigden. Daarmee geeft de figuur de belasting- en premiedruk exclusief de AOW-premie weer. Deze leden vragen daarnaast naar de premiedruk van de AOW-premie na aftrek van de algemene heffingskorting en ouderenkorting tezamen tussen 2012 en 2017 voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd. Deze bedraagt 0%, omdat belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd geen AOW-premie zijn verschuldigd en de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en de ouderenkorting om die reden ook geen AOW-premiedeel kennen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of ook alleen de druk van de inkomstenbelasting in de tabellen – ongenummerd – na tabel 22 van de memorie van antwoord2 weergegeven kan worden. Het verschil met de eerder weergegeven tabellen betreft in dat geval alleen het effect van de pensioenpremie op de belastingdruk. Het meenemen van de pensioenpremie in de berekening van de belastingdruk, zoals gebruikelijk is, betekent dat de belastingdruk hoger uitkomt dan in een berekening zonder pensioenpremie. Voor de onderscheiden inkomensniveaus in de tabellen geldt dat de belastingdruk, bijvoorbeeld voor een werkende alleenstaande in 2017, respectievelijk 2, 4, 5 en 5 procentpunt lager ligt in het geval de pensioenpremie niet wordt meegerekend.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat het effect is op de marginale druk en belasting- en premiedruk als wel rekening wordt gehouden met toeslagen en pensioenpremies. In de cijfers over marginale en gemiddelde belastingdruk die door het Centraal Planbureau (CPB) en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) worden gepubliceerd, wordt normaliter rekening gehouden met pensioenpremies en de toeslagen. Pensioenpremies verhogen de gemiddelde en marginale belastingdruk. Als rekening wordt gehouden met toeslagen valt de gemiddelde belastingdruk lager uit maar de marginale belastingdruk juist hoger.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de ex ante-argumentatie voor het gevoerde beleid van verhogingen van heffingskortingen. Tevens vragen zij naar de ex-ante-argumentatie voor beleid waarbij de marginale belastingtarieven verlaagd zouden worden. Tijdens deze kabinetsperiode zijn de maximale arbeidskorting, de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting en de maximale algemene heffingskorting verhoogd. Daarnaast is in de arbeidskorting en de algemene heffingskorting een inkomensafhankelijke afbouw geïntensiveerd, respectievelijk geïntroduceerd. Het gevolg is dat mensen met lage inkomens, en dan voornamelijk werkenden met lage inkomens, in 2017 een hoger bedrag aan heffingskortingen ontvangen dan in 2012, terwijl mensen met hogere inkomens een lager bedrag aan heffingskortingen zijn gaan ontvangen gedurende deze periode. De argumentatie achter de verhoging van de arbeidskorting was dat werken meer moest gaan lonen, waardoor de armoedeval zou worden verkleind. Dit is gebeurd met de doorvoering van het vijfmiljardpakket. De verhoging van de arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat de arbeidsmarktprikkels zijn verbeterd. De (intensivering van de) inkomensafhankelijke afbouw van de arbeidskorting is ingegeven vanuit doelmatigheidsoogpunt. Een arbeidskorting is het meest effectief als deze op de onderkant van de arbeidsmarkt wordt gericht.

Ook de inkomensafhankelijke combinatiekorting is verhoogd met het oog op de stimulering van structurele werkgelegenheid en verbetering van de arbeidsmarktprikkels, maar dan gericht op minstverdienende partners in huishoudens met jonge kinderen. Deze groep is in zijn arbeidsparticipatie het meest gevoelig voor financiële prikkels. Daarmee is de intensivering van de inkomensafhankelijke combinatiekorting een van de meest doelmatige intensiveringen om de werkgelegenheid te bevorderen.

De maximale algemene heffingskorting is verhoogd met het oog op de koopkracht van huishoudens met lage inkomens, en dan met name voor ouderen en uitkeringsgerechtigden. Deze groepen profiteren namelijk niet van de intensiveringen van de arbeidskorting en ander beleid gericht op werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Om deze groepen toch mee te laten profiteren van de aantrekkende economie is de maximale algemene heffingskorting verhoogd. De inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting is ingegeven vanuit budgettair oogpunt.

Een beleid waarbij de marginale belastingtarieven zouden zijn verlaagd, in plaats van de aanpassing van de vormgeving en de verhoging van genoemde heffingskortingen, zou veel minder gericht zijn geweest op de onderkant van de arbeidsmarkt en daarmee de arbeidsmarktprikkels minder hebben verbeterd. Voor het kabinet is het stimuleren van werkgelegenheid, naast een evenwichtig koopkrachtbeeld, een belangrijke leidraad geweest bij het nemen van genoemde maatregelen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar het effect van een verlaging van de marginale wig met 5% voor alle belastingplichtigen. Dit zou ongeveer corresponderen met het verlagen van de tarieven in alle belastingschijven. Daardoor daalt de belastingdruk en neemt de koopkracht toe. De overheidsfinanciën verslechteren. Voor sommige belastingplichtigen (lage inkomens, kleine deeltijders, zelfstandigen met een lage winst) is al sprake is van een marginale wig van nul. Volgens veel economen maakt het op lange termijn niet uit of een lagere wig tot stand komt via werkgevers of werknemers. De loonvorming zorgt er volgens deze economische theorie voor dat het voordeel op termijn volledig bij werknemers terecht komt. Dit geldt niet voor de lonen op of net boven het wettelijke minimumloon (WML), omdat lagere werkgeverskosten daar betekenen dat mensen met een lagere productiviteit aan de slag kunnen komen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom AOW’ers recht hebben op de helft van de fiscale heffingskortingen omdat zij geen AOW-premie betalen. Deze leden zijn van mening dat het gaat om fiscale heffingskortingen op de te betalen belasting. Verder vragen zij waarom werkenden door de aftrek van de heffingskortingen effectief een lagere AOW-premie betalen, terwijl AOW’ers halve heffingskortingen krijgen. Tot slot willen zij weten waarom voor de werkenden voor de belasting en AOW-premie wordt uitgegaan van de volledige heffingskorting, terwijl bij AOW’ers het niet betalen van AOW-premie tot een halvering van de kortingen leidt. De heffingskortingen zijn niet alleen een korting op de te betalen belasting, maar ook op de premie volksverzekeringen. Bij de invoering van de Oort-wetgeving is een systeem van gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot stand gebracht. De belastingvrije som gold sindsdien ook voor de premie volksverzekeringen. Door de gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen werden op het gebied van de inning van belastingen en premies aanmerkelijke efficiencyvoordelen geboekt. Met de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is de systematiek van heffingskortingen ingevoerd. De belastingvrije som is hierbij vervangen door de algemene heffingskorting. Deze bestaat uit een premie- en een belastingdeel. Zoals in de memorie van antwoord bij het onderhavige wetsvoorstel is vermeld, betalen belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt geen AOW-premie meer. Dit heeft tot gevolg dat het gecombineerde tarief van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen in de eerste en tweede schijf voor die belastingplichtigen een stuk lager is dan voor belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. De hoogte van onder andere de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting is gekoppeld aan de hoogte van het gecombineerde tarief in de eerste schijf. De AOW-premie bedraagt in 2017 17,90%. Het gecombineerde tarief in de eerste schijf voor zowel de inkomstenbelasting als de premie voor de volksverzekeringen is in 2017 36,55%. Een belasting- en premieplichtige die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, ontvangt voor het belastingjaar 2017 18,65/36,55 deel (iets meer dan de helft) van de hiervoor genoemde kortingen, indien de belastingplichtige aan de voorwaarden voor het in aanmerking komen voor deze kortingen voldoet. De verhouding tussen de algemene heffingskorting en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van AOW-gerechtigden, respectievelijk van mensen die nog niet AOW-gerechtigd zijn, is bij een gelijk belastbaar inkomen in box 1 exact hetzelfde.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om een gedetailleerde berekening van de € 4,7 miljard die genoemd wordt in het kader van de vragen over de halve heffingskortingen voor AOW-gerechtigden en met welke veronderstellingen gerekend is en of dan met de volle 18% gerekend wordt of met de variabele effectieve AOW-premie die werkenden betalen. In de berekening wordt de volledige AOW-premie van 17,9% gefiscaliseerd. Hiermee gaat de te betalen belasting vóór aftrek van kortingen omhoog met € 13,1 miljard en gaan de vergolden kortingen omhoog met € 3,2 miljard, waarmee de te betalen belasting na aftrek van kortingen omhoog gaat met € 9,9 miljard. De bruto AOW gaat omhoog met € 5,2 miljard. In totaal levert fiscalisering van de AOW-premie in één keer daarmee € 4,7 miljard op. Hierbij is de doorwerking naar de toeslagen (een opbrengst van circa € 0,3 miljard) nog buiten beschouwing gelaten.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen welke argumentatie er zou zijn voor een verschil in effectieve AOW-premie tussen niet-AOW’ers en AOW’ers. Belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, betalen geen AOW-premie meer. Voor hen is er dus ook geen effectieve AOW-premie.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het systeem van fiscale heffingskortingen is doorgeschoten door de stijgingen van kortingen. Daarnaast vragen deze leden of wordt erkend dat dit tot een onhanteerbaar stelsel is uitgegroeid dat niet verder kan worden uitgebreid. Het kabinet deelt deze mening niet. Elke intensivering van een heffingskorting is ingegeven vanuit een bepaald beleidsdoel dat op zichzelf zinnig is, of het nu vanuit het oogpunt van een evenwichtige koopkrachtontwikkeling is of vanuit het stimuleren van werk. Een aanpassing in de heffingskortingen moet worden beoordeeld op doelmatigheid gegeven het beleidsdoel, zoals dat nu altijd gebeurt en in de toekomst ook zal gebeuren. Daarbij wordt het complete koopkrachtbeeld niet uit het oog verloren.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om in de tabellen met de inkomensverdeling de groep met een leeftijd van 65 jaar en ouder als geheel te beschouwen. In de in de memorie van antwoord opgenomen tabellen werd deze groep al als geheel beschouwd, dus inclusief de groep van 75 jaar en ouder. Voor de volledigheid zijn de tabellen hieronder nogmaals opgenomen. De tweede kolom betreft dus alle huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar en ouder, inclusief de hoofdkostwinners van 75 jaar en ouder. De derde kolom is daarvan een deelselectie. In de eerste tabel is tevens het gevraagde totale aantal kostwinners in Nederland in aantallen en percentages toegevoegd. En ten slotte is het gevraagde nominale aantal per inkomensgroep in tabel 28 van de memorie van antwoord opgenomen.

Tabel 27 uit de memorie van antwoord

Bruto inkomen

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar (x 1.000)

Hoofdkostwinner 65 jaar of ouder (x 1.000)

Hoofdkostwinner 75 jaar of ouder (x 1.000)

Alle Nederlandse huishoudens (x 1.000)

Alle Nederlandse huishoudens (%)

Tot 10.000 euro

32

10

3

330

4%

10.000 tot 20.000 euro

168

365

222

875

12%

20.000 tot 30.000 euro

199

608

329

1.219

16%

30.000 tot 40.000 euro

189

377

146

910

12%

40.000 tot 50.000 euro

199

210

73

770

10%

50.000 tot 75.000 euro

450

244

78

1.455

19%

75.000 tot 100.000 euro

348

79

21

911

12%

100.000 euro of meer

495

68

14

1.076

14%

Totale omvang populatie

2.080

1.961

886

7.546

 

Gemiddeld inkomen

€ 60.000

€ 36.000

€ 30.000

€ 56.000

 

Mediaan inkomen

€ 46.000

€ 28.000

€ 24.000

€ 45.000

 

Gemiddeld inkomen bij groep met inkomen tot 100.000 euro

€ 53.000

€ 32.000

€ 28.000

€ 44.000

 
Tabel 28 van de memorie van antwoord

Bruto inkomen

Hoofdkostwinner 50 tot 65 jaar

Hoofdkostwinner 65 jaar of ouder

Hoofdkostwinner 75 jaar of ouder

Totaal aantal kostwinners van 50 jaar en ouder (x 1.000)

Tot 10.000 euro

2%

1%

0%

45

10.000 tot 20.000 euro

8%

19%

25%

533

20.000 tot 30.000 euro

10%

31%

37%

807

30.000 tot 40.000 euro

9%

19%

16%

566

40.000 tot 50.000 euro

10%

11%

8%

409

50.000 tot 75.000 euro

22%

12%

9%

694

75.000 tot 100.000 euro

17%

4%

2%

427

100.000 euro of meer

24%

3%

2%

563

Totale omvang populatie

2.080.000

1.961.000

886.000

4.041

Bron: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=70958NED&D1=0&D2=1&D3=a&D4=38–43&D5=l&VW=T

De leden van de fractie van 50PLUS vragen wat de AOW-premie voor zelfstandigen is als rekening wordt gehouden met pensioenpremie en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zelfstandigen mogen hun betaalde pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremie aftrekken van hun belastbaar inkomen. De betaalde pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremie leidt derhalve tot een verlaging van de verschuldigde AOW-premie. De omvang van dat effect is uiteraard afhankelijk van de hoogte van de betaalde pensioen- en arbeidsongeschiktheidspremie.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de voorbeelden van de genoemde vijf landen in het antwoord op de vraag over het rechtsvergelijkend onderzoek3 nader kunnen worden uitgelegd. Het verder uitwerken van deze voorbeelden vergt nader onderzoek. Zoals reeds in eerdere antwoorden aangegeven, is het doen van onderzoek op dit gebied zeer omvangrijk en daardoor tijdrovend en kostbaar.4 Daarbij is het de vraag wat de waarde is van een nadere uitwerking van deze regelingen. Enkel naar aanleiding van de inhoud van deze regelingen kan immers geen conclusie worden getrokken ten aanzien van de positie van ouderen, wanneer deze regelingen losstaand van het fiscale stelsel en andere niet-fiscale regelingen voor ouderen worden bezien.
De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het vijfmiljardpakket niet vooral gericht had moeten zijn op het verkleinen van de armoedeval van ouderen. Daarnaast vragen deze leden waarom niet een evenredig aandeel van het vijfmiljardpakket naar ouderen is gegaan en waarom ouderen fiscaal zijn uitgesloten bij de verkleining van de wig. Er is geen sprake van uitsluiting van ouderen van de maatregelen uit het vijfmiljardpakket. Ouderen hebben een evenredig deel van het vijfmiljardpakket gekregen. Dit is vorig jaar in tabelvorm op bladzijde 20 van de memorie van antwoord bij het Belastingplan 2016 weergegeven.5 Werkende AOW-gerechtigden hebben ook (naar rato) voordeel gehad van de verhoging van de arbeidskorting. Hierdoor is ook voor ouderen werken meer gaan lonen. AOW-gerechtigden zijn niet de primaire doelgroep waar arbeidsmarktbeleid op gericht wordt, aangezien AOW-gerechtigden over het algemeen niet werken. Voor ouderen is er echter wel veel minder sprake van een armoedeval, doordat iedereen die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt een AOW-uitkering krijgt. Deze uitkering vervalt of daalt niet als de betreffende persoon gaat werken.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom naast het vijfmiljardpakket met structurele maatregelen grotendeels gericht op werkenden alleen eenmalige maatregelen zijn genomen om de koopkracht in 2016 te repareren. Vorig jaar was het vijfmiljardpakket gericht op het stimuleren van de werkgelegenheid. Voor de koopkrachtreparatie was incidenteel geld beschikbaar. Dit jaar is de ruimte gevonden om de koopkrachtreparatie structureel te maken. Er is zelfs nog meer geld uitgetrokken voor de koopkrachtreparatie dan voor de eenmalige maatregelen in het Belastingplan 2016.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen zich af of ouderen worden vergeten bij het beleidsmatig fiscaal stimuleren of ontzien van specifieke groepen. Daarnaast vragen deze leden of ouderen bij de doorvoering van de Wet uniformering loonbegrip (WUL) en het vijfmiljardpakket systematisch zijn achtergesteld en of dat dan geen discriminatie is. Het kabinet herkent zich absoluut niet in het beeld dat ouderen systematisch worden achtergesteld. Allereerst hebben ouderen recht op ouderenkorting, een heffingskorting specifiek voor AOW-gerechtigden. Hierdoor betalen zij relatief weinig inkomstenbelasting. Ook met ouderen wordt dus specifiek rekening gehouden in het fiscale stelsel.

Niet elke maatregel is echter op ouderen gericht. Zo was het vijfmiljardpakket vooral gericht op het lonender maken van werken. AOW’ers werken over het algemeen niet en hebben als groep dus relatief minder profijt van maatregelen gericht op werkenden. Andere maatregelen, zoals de verhoging van de ouderenkorting, zijn dan juist weer specifiek gericht op ouderen, en daar hebben werkenden (en andere niet-AOW’ers) dus weer geen profijt van.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of bevestigd en toegelicht kan worden dat in het overzicht van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de mediane ontwikkeling wordt gegeven voor de diverse groepen en dat daaruit blijkt dat werkenden er 30% op vooruit zijn gegaan en gepensioneerden (gemiddeld) gelijk zijn gebleven. Daarnaast vragen deze leden waarom het kabinet desondanks vindt dat er voor gepensioneerden een evenwichtige ontwikkeling van de koopkracht heeft plaatsgevonden in de periode 2000–2014. In het CBS-overzicht6 betreft het inderdaad de mediane ontwikkeling van de koopkracht (bij gelijkblijvende inkomensbron) voor verschillende groepen. Hierin zijn niet meegenomen de koopkrachtveranderingen als gevolg van bijvoorbeeld baanverlies onder de werkende populatie (die normaal gesproken wel in het dynamische koopkrachtbeeld meelopen). De vooruitgang bij werkenden die wordt beschreven, betreft daardoor alleen de groep mensen die een baan had en heeft. Hierbij is vooral de incidentele loonontwikkeling (bijvoorbeeld door promoties die vooral de nieuwste generaties werkenden doormaken) dominant. Deze groep is daarmee niet representatief voor de totale beroepsbevolking. Het overzicht waarnaar wordt verwezen is naar mening van het kabinet dan ook minder geschikt om een oordeel over de evenwichtigheid van het inkomensbeleid op te baseren. Daarvoor kan beter gekeken worden naar de statische koopkracht (invloed van beleid), die uiteraard in samenhang moet worden bezien met de mate van inkomenszekerheid en het niveau van het besteedbaar inkomen van verschillende groepen in de samenleving. De verschillen in statische koopkrachtontwikkeling tussen AOW-gerechtigden en werkenden zijn veel beperkter. In het licht van de verschillen in de mate van inkomenszekerheid, welvaartsniveau en armoederisico tussen mensen onder en boven de AOW-leeftijd, vindt het kabinet deze verschillen gerechtvaardigd. Dat neemt niet weg dat ieder jaar maatregelen worden getroffen om het koopkrachtbeeld bij te sturen, ook voor AOW-gerechtigden. In 2017 komt naar verwachting meer dan 60% van het totaal aan intensiveringen uit het koopkrachtpakket bij AOW-gerechtigden terecht.

In het kader van het schriftelijke overleg ter voorbereiding van de Algemene financiële beschouwingen (AFB) hebben de leden van de fractie van 50PLUS gevraagd naar de ontwikkeling van het gemiddelde besteedbaar inkomen van huishoudens. De leden van de fractie van 50PLUS vragen nu of het antwoord klopt dat in de memorie van antwoord is gegeven, namelijk dat het daarbij gaat om het zogenoemde leeftijdscohort. Daarnaast vragen deze leden of het CBS-overzicht voor de periode 2000–2014 gegeven kan worden op basis van het zogenoemde leeftijdcohort. In het bedoelde antwoord in de memorie van antwoord is inderdaad sprake van een cohorteffect. Dit is iets anders dan de koopkrachtontwikkeling bij gelijkblijvende inkomensbron uit het CBS-overzicht. Daar komen geen «nieuwe ouderen» bij. De leden van de fractie van 50PLUS vragen nu naar cijfers per geboortecohort. Voor het geboortecohort 1935–1939 zijn koopkrachtcijfers beschikbaar conform het CBS-overzicht. Zie figuur 1. Het geboortecohort 1935–1939 is het laatste dat is meegenomen in deze CBS-cijfers, omdat deze groep in 2000 65 jaar is geworden en aan het begin van de meting al AOW ontving. De figuur laat zien dat de koopkrachtontwikkeling van de «jongste» ouderen in deze analyse licht negatiever is dan voor de totale groep ouderen die in 2000 65 jaar of ouder was. Het geboortecohort 1935–1939 heeft meer last van de lage indexatie van de pensioenen, omdat zij meer pensioen hebben opgebouwd dan oudere geboortecohorten.

Figuur 7: koopkrachtontwikkeling gepensioneerden conform CBS-overzicht (2000=100)

Bron: CBS-data, bewerking SZW

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of erkend wordt dat voor de koopkrachtontwikkeling het gebruik van geboortecohorten een juister beeld geeft omdat het dan gaat om de koopkrachtontwikkeling van dezelfde groep mensen, terwijl het bij leeftijdcohorten gaat om een steeds nieuwe groep van andere mensen. Voorts vragen deze leden of erkend wordt dat het moet gaan om de koopkracht van mensen die nu niet meer 65 jaar maar inmiddels 80 jaar zijn. Het CPB en het Ministerie van SZW laten standaard de statische koopkrachtcijfers zien: de ontwikkeling in het reëel besteedbaar inkomen in het geval dat de persoonlijke omstandigheden niet veranderen. De statische benadering houdt de samenstelling van de groep ouderen constant en volgt daarmee dezelfde generatie ouderen over de tijd. Dit is feitelijk een geboortecohortbenadering.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de figuren uit de CBS-publicatie waarnaar in de memorie van antwoord wordt verwezen,7 opgenomen kunnen worden. Daarnaast vragen deze leden of kan worden bevestigd dat gepensioneerden met een pensioen van € 20.000 of meer er 12% op achteruit zijn gegaan en of er een verschil van 42% is ontstaan met werkenden. De figuren uit de CBS-publicatie zijn hierna weergegeven. Hieruit blijkt dat de dynamische koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden met een aanvullend pensioen is achtergebleven bij de dynamische koopkrachtontwikkeling van de groep werkenden. De voornaamste oorzaak hiervan is dat ouderen met een aanvullend pensioen te maken hebben gehad met lage indexatie van de pensioenen. Ook werkenden ondervinden hier nadeel van, alleen komt dat niet tot uitdrukking in de koopkrachtplaatjes. Gepensioneerden die geen of weinig aanvullende inkomsten naast de AOW hebben, zagen hun koopkracht met meer dan 10% stijgen.
Figuur 8: CBS-cijfers koopkrachtontwikkeling 2000–2015

Bron: CBS

Figuur 9: CBS-cijfers koopkrachtontwikkeling 2000–2015

Bron: CBS

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het CBS-overzicht kan worden gegeven van de koopkrachtontwikkeling bij gelijkblijvende inkomensbron in de periode 2001–2015, onderverdeeld naar specifieke groepen zoals in een CBS-publicatie van september ook is aangegeven. In het CBS-artikel waarnaar wordt verwezen in de memorie van antwoord is een uitsplitsing gegeven naar werknemers, zelfstandigen, bijstandsontvangers, arbeidsongeschikten en gepensioneerden voor de gevraagde periode. De eerder opgenomen figuur 2 laat dit ook zien. De hierna opgenomen figuur 4 laat de koopkrachtontwikkeling bij gelijkblijvende inkomensbron zien voor de gevraagde groepen gepensioneerden. De groep gepensioneerden met het laagste inkomen, alleen AOW, is er het meest op vooruitgegaan. Gepensioneerden met een hoger inkomen hebben te maken gehad met de lage indexering van de aanvullende pensioenen.

Figuur 10: koopkrachtontwikkeling gepensioneerden conform CBS-overzicht (2000=100)

Bron: CBS-data, bewerking SZW

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het verloop van de totale belasting- en premieheffing en de toenemende zorgkosten niet belangrijkere oorzaken zijn van de verschillen in koopkracht tussen ouderen en werkenden dan het niet-indexeren van pensioenen en de steilere afbouw van de algemene heffingskortingen en toeslagen. Zoals ook in antwoord op eerdere vragen in de memorie van antwoord is aangegeven, wordt de koopkrachtachteruitgang bij ouderen met een hoger aanvullend pensioen vooral veroorzaakt doordat ouderen te maken hebben gehad met niet-indexatie van de pensioenen en de steilere afbouw van de algemene heffingskorting en de toeslagen. Werkenden zijn er daarbij extra op vooruitgegaan door het kabinetsbeleid om de arbeidsparticipatie te stimuleren. Beide ontwikkelingen verklaren de verschillen in statische koopkracht tussen deze groepen. Bij de verschillen in dynamische koopkrachtontwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden zoals het CBS deze in kaart brengt, spelen ook de incidentele loonontwikkeling en andere samenstellingseffecten een rol. Zo hebben vooral werkenden tot 25 jaar hun koopkracht snel zien stijgen als gevolg van de carrièregroei die zij doormaken. Bij de groep ouderen zien we dat vooral de nieuwste cohorten ouderen geraakt worden door het niet-indexeren van de pensioenen, omdat zij vaak over een hoger aanvullend pensioen beschikken. In de statische koopkrachtplaatjes die het CPB en het Ministerie van SZW presenteren spelen deze effecten geen rol omdat dezelfde huishoudens over de tijd, in gelijkblijvende persoonlijke omstandigheden, gevolgd worden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of uit de cijfers over het al dan niet volledig indexeren van de pensioenen blijkt dat het effect van de indexatieachterstand op de koopkracht zeer beperkt is en dat de hoofdoorzaak van de negatieve koopkrachtontwikkeling ligt in het gevoerde beleid. Zoals ook blijkt uit bijlage 1 van de terugblik inkomensbeleid8 draagt het beleid in de periode 2010–2017 1,3 procentpunt bij aan het koopkrachtverlies bij ouderen. Dat is aanzienlijk minder dan het effect van niet indexeren (2,7 procentpunt). Overigens wordt het totale koopkrachtbeeld niet alleen bepaald door de mate van pensioenindexatie en het kabinetsbeleid. Autonome ontwikkelingen spelen ook een rol. Zo was er in 2011, 2012 en 2013 sprake van een negatieve reële loonstijging, waardoor er ook bij volledige indexatie nog sprake zou zijn geweest van een negatieve koopkrachtontwikkeling. Daarnaast daalde de spaarrente sterk, waardoor ook een dalend inkomen uit vermogen de koopkracht beperkte.
De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar een uitvoerige toelichting op het koopkrachtbeeld van ouderen dat overwegend negatief is en ook negatiever wordt naarmate het aanvullend pensioen hoger is. Voor een nadere toelichting op de koopkrachtontwikkeling gedurende de kabinetsperiode en sinds 2010 verwijzen we naar de Terugblik inkomensbeleid en koopkracht.9

De leden van de fractie van 50PLUS stellen dat het kabinet verwijst naar de «Beleidsdoorlichting artikel 41: Inkomensbeleid», waarin wordt geconstateerd dat de koopkrachtontwikkeling voor ouderen gunstiger is geweest dan voor andere groepen. Deze leden vragen of dat niet komt, omdat de WUL niet in die periode zit en of het niet juister is om de periode 2012–2017 te kiezen, zoals in tabel 36 van de memorie van antwoord. De Beleidsdoorlichting over het toenmalige artikel 41 inkomensbeleid (2011) ziet op de periode 2002–2010. Dat was voor invoering van de WUL. De Terugblik inkomensbeleid en koopkracht die op 25 november 2016 aan uw Kamer is toegezonden, ziet op de periode 2012–2017. Om de aansluiting te maken met de vorige beleidsdoorlichting, is in de bijlage ook de cumulatieve koopkracht over de periode 2010–2017 opgenomen. In dit recente document lopen de effecten van de WUL volledig mee.

De leden van de fractie van 50PLUS geven aan dat uit de antwoorden blijkt dat het CBS geen cijfers publiceert voor pensioenen boven de € 20.000 en vragen of het kabinet het CBS kan vragen ook de ontwikkeling van de koopkracht van gepensioneerden te bepalen voor de aanvullende pensioenen van € 20.000, € 30.000, € 40.000, € 50.000 en € 60.000. Het kabinet acht een dergelijk verzoek om methodologische redenen niet wenselijk en daardoor ook niet kansrijk. De helft van de AOW’ers heeft een aanvullend pensioen van € 10.000 of minder, waardoor de groep met een aanvullend pensioen van meer dan € 20.000 beperkt is. Daardoor zijn er voor de hoogste aanvullende pensioenen te weinig waarnemingen om daar apart uitspraken over te doen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om alsnog een berekening te maken van het aandeel van de AOW’ers in de opbrengst van de 3,9% extra heffing over de eerste schijf, los van compensatie. Deze leden vragen ook of alsnog de vraag beantwoord kan worden hoe hoog de brutolastenverzwaring was als gevolg van de 3,9% WUL-belasting over de eerste schijf voor AOW’ers. De verhoging van het tarief in de eerste schijf in het kader van de WUL is een onderdeel van een pakket van maatregelen en kan daar niet los van gezien worden. Het CPB heeft het volledige pakket doorgerekend en vindt in doorsnee een effect van nul voor gepensioneerden.10

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de ontwikkeling van de koopkracht door de verhoging van het verlaagde tarief van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (IAB Zvw) in 2016 in beeld gebracht kan worden voor gepensioneerden met aanvullende pensioenen van € 20.000, € 30.000, € 40.000, € 50.000 en € 60.000. Tabel 11 laat de effecten van de verlaging van de korting op de IAB Zvw in euro’s en in percentages zien voor gepensioneerden met verschillende niveaus van het aanvullend pensioen. Het betreft hier echter slechts een van de beleidsmaatregelen uit 2016. Zo is bijvoorbeeld in het kader van de koopkrachtbesluitvorming over 2016 de ouderenkorting verhoogd met € 139. Dit doet het effect van de verlaging van de korting op de IAB Zvw voor aanvullende pensioenen tot circa € 30.000 grotendeels teniet.

Tabel 11: Effect verlaging korting op de inkomensafhankelijke bijdrage van 2,25% naar 1,2% in 2016

Aanvullend pensioen

alleenstaand

paar

 

euro

%bruto inkomen

euro

%bruto inkomen

geen

24

0,2

– 4

0,0

10.000

– 97

– 0,4

– 95

– 0,3

20.000

– 173

– 0,5

– 143

– 0,4

30.000

– 243

– 0,5

– 228

– 0,5

40.000

– 294

– 0,5

– 298

– 0,5

50.000

– 294

– 0,5

– 313

– 0,4

60.000

– 306

– 0,4

– 320

– 0,4

De leden van de fractie van 50PLUS vragen de lastenverlichting in beeld te brengen als gevolg van de structurele verhoging van de ouderenkorting van 2017 voor de inkomens boven de AOW-grens, voor zover van toepassing wegens de inkomensgrens van € 36.057.

Tabel 12: Effect verhoging ouderenkorting met 215 euro in 2017

Aanvullend pensioen

alleenstaand

paar

 
 

euro

%bruto inkomen

euro

%bruto inkomen

geen

80

0,5

0

0,0

10.000

215

0,9

215

0,7

20.000

215

0,6

215

0,5

30.000

0

0,0

0

0,0

Verder vragen deze leden naar het saldo van de ontwikkeling van de koopkracht van de WUL, de verlaging van de IAB Zvw en de verhoging van de ouderenkorting voor gepensioneerden met aanvullende pensioenen van € 20.000, € 30.000, € 40.000, € 50.000 en € 60.000. De WUL is in doorsnee neutraal voor gepensioneerden. De verlaging van de korting op de IAB Zvw heeft, behalve voor de alleenstaande AOW’er zonder aanvullend pensioen, ongunstig uitgepakt met een maximum effect van -0,5% van het brutoloon. Daar staat tegenover dat in 2016 de ouderenkorting verhoogd is. Ook in 2017 is deze verhoogd en daarmee is voor gepensioneerden met een inkomen tot circa € 36.500 het negatieve inkomenseffect van de verlaging van de korting op de IAB Zvw meer dan tenietgedaan.

De leden van de fractie van 50PLUS stellen een aantal theoretische vragen over de fiscalisering van de AOW als gedachte-exercitie. Deze vragen vergen berekeningen waar binnen het tijdsbestek van de behandeling van het huidige Belastingplan geen ruimte voor bestaat. Verder hebben deze vragen geen raakvlak met de wetgeving zoals voorgesteld in het Belastingplan en passen bijvoorbeeld meer in een doorrekening van een verkiezingsprogramma. Indien de leden van de fractie van 50PLUS willen voorstellen de AOW te fiscaliseren, geef ik hen in overweging deze maatregel als zodanig door te laten rekenen door het CPB.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de tabellen 16 en 17 uit de memorie van antwoord bij het pakket Belastingplan 2017 in grafiekvorm. Deze tabellen worden in de memorie van antwoord in de figuren 14 en 15 in grafiekvorm weergegeven.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de € 3,7 miljard aan heffingskortingen die niet verzilverd worden, volledig zijn verwerkt in de begroting van 2017 en zo ja hoe dat is gebeurd. Daarnaast vragen deze leden of in het Belastingplan 2018 maatregelen kunnen worden genomen om de niet-verzilverbaarheid van heffingskortingen te beperken. In de ramingen van fiscale maatregelen wordt altijd rekening gehouden met de te verwachten mate van verzilvering van heffingskortingen. Er is daardoor geen sprake van een «meevaller» van € 3,7 miljard. Als bijvoorbeeld de arbeidskorting met € 100 zou worden verhoogd dan kost dat volgens de sleuteltabel 2017 € 614 miljoen.11 Er is hierbij al rekening gehouden met het niet verzilveren van een deel van de verhoging van de arbeidskorting. Zou hier geen rekening mee gehouden worden, dan zou een verhoging van de arbeidskorting met € 100 € 628 miljoen kosten. € 14 miljoen, oftewel iets meer dan 2%, van de verhoging, kan niet verzilverd worden en wordt dus niet meegenomen in het budgettaire beslag van een verhoging van de arbeidskorting. Doordat in de ramingen van fiscale maatregelen al rekening wordt gehouden met niet-verzilvering is dit budgettair geen «probleem». Het betekent alleen dat bepaalde huishoudens niet worden bereikt met het verhogen van heffingskortingen. Mocht de wens zijn deze huishoudens financieel tegemoet te komen, dan zal dit dus op andere manieren moeten, bijvoorbeeld via de toeslagen, waar niet-verzilvering geen rol speelt. In het koopkrachtpakket dit jaar is daarom ook sprake van een scala aan verschillende maatregelen.
Overigens zorgen de twee maatregelen die de leden van de fractie van het CDA noemen er niet voor dat meer heffingskortingen verzilverd kunnen worden. Het amendement Schouten,12 de afbouw van de uitbetaling van de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting aan de minstverdienende partner, zou er juist voor zorgen dat de niet-verzilvering toeneemt. Een geleidelijke afbouw van de ouderenkorting heeft geheel geen effect op de mate van verzilvering van de ouderenkorting.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet naar de tabel met cumulatieve koopkrachtontwikkeling over de periode 2012–2017 uit het rapport Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017 opgesplitst in inkomenskwartielen. Voor de tabel in bijlage 1 van het rapport Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017 is conform het verzoek van de Tweede Kamer aangesloten bij de koopkrachttabel zoals het CPB deze publiceert bij zijn ramingen. De gevraagde indeling naar kwartielen splitst de onderste inkomensgroepen (<175% WML en 175–350% WML) verder op (er vallen dus mensen uit de laagste inkomensgroep volgens de CPB-indeling in het tweede kwartiel enzovoort), terwijl de bovenste inkomensgroepen meer samenvallen. Een nadeel van indeling naar inkomenskwartielen is dat de inkomensgrenzen niet herkenbaar zijn, omdat niet direct duidelijk is wat de inkomens zijn die corresponderen met de verschillende kwartielen. Daarnaast zegt een indeling naar kwartielen vooral iets over het relatieve inkomensniveau van de groep huishoudens in het ene inkomenskwartiel ten opzichte van huishoudens in een ander inkomenskwartiel en minder over het absolute inkomensniveau (bijvoorbeeld over een risico op armoede). Tabel 13 toont de cumulatieve koopkracht en effecten van beleid voor de inkomenskwartielen. Vooral het onderste kwartiel is sterk gemengd (ongeveer 45% gepensioneerden, 30% werkenden en 25% uitkeringsgerechtigden), waardoor de vraag is wat de inkomensbron is van het mediane huishouden van dit kwartiel. Wanneer de inkomenskwartielen per inkomensbron bepaald worden, zijn deze beter inzichtelijk. De cumulatieve koopkracht en effecten van inkomensbeleid zijn bij deze indeling goed vergelijkbaar met de uitkomsten van het rapport Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017. Het inkomensbeleid heeft binnen elk van de groepen vooral de laagste inkomens ondersteund. Voor de hogere inkomens is het effect van inkomensbeleid beperkt vanwege de (sterkere) afbouw van onder meer de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Het koopkrachteffect van beleid is hierdoor lager naarmate het inkomen hoger is.

Tabel 13: Cumulatieve koopkracht 2012–2017, koopkracht en effect beleid (in procenten)
 

Koopkracht cum 2012–2017

Effect totaal beleid

Effect beleid Rutte II1

Inkomensniveau

1e kwartiel

3,2

1,0

0,9

2e kwartiel

4,0

0,3

1,2

3e kwartiel

7,6

2,0

2,9

4e kwartiel

6,9

0,9

1,9

       

Werkenden naar inkomensniveau

1e kwartiel

8,0

4,4

4,8

2e kwartiel

8,3

2,6

3,4

3e kwartiel

8,9

3,2

3,7

4e kwartiel

6,9

0,7

1,7

       

Uitkeringsgerechtigden naar Inkomensniveau

1e kwartiel

1,7

0,0

0,7

2e kwartiel

2,3

– 0,3

0,9

3e kwartiel

1,2

– 1,9

– 0,9

4e kwartiel

2,6

– 1,3

– 0,6

       

Gepensioneerden naar Inkomensniveau

1e kwartiel

3,4

1,8

0,9

2e kwartiel

– 0,4

– 1,3

– 0,4

3e kwartiel

– 2,8

– 2,9

– 1,2

4e kwartiel

– 2,4

– 2,8

– 0,6

       

Alle huishoudens

5,5

1,2

1,7

Noot 1: Omdat de Begroting 2013 bij de start van het kabinet Rutte II grotendeels vastlag, is voor 2013 alleen dat beleid toegerekend waartoe nog door het kabinet Rutte II is besloten. Het meegenomen inkomensbeleid verschilt daarom tussen «effect totaal beleid» en «effect beleid Rutte II» alleen voor 2013 en bestaat uit het beleid in 2013 waartoe niet door Rutte II is besloten.

2.2. Vbi’s

De leden van de fractie van het CDA geven aan dat mijn voorganger heeft toegezegd dat de vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) ook door meerdere aanmerkelijkbelanghouders gebruikt zou kunnen worden en vragen of het kabinet hierop terugkomt. Dat is niet het geval. Het blijft voor aanmerkelijkbelanghouders dus mogelijk om met behulp van een vbi collectief te beleggen. Beleggen in een vbi kan door de voorgestelde wijzigingen wel minder aantrekkelijk worden voor aanmerkelijkbelanghouders.

De leden van de fractie van het CDA vragen ter zake van het overgangsrecht voor de vbi-maatregel of het kabinet kan bevestigen dat het overgangsrecht van toepassing is in alle gevallen waarin de Belastingdienst vóór 20 september 2016, 15.15 uur, door een verzoek tot vooroverleg of daaropvolgende correspondentie op de hoogte was van het voornemen van de belastingplichtige om een vbi-status aan te vragen. Tevens vragen deze leden het kabinet te bevestigen dat het overgangsrecht van toepassing is indien de afsplitsing van het vermogen na 1 januari 2017 plaatsvindt. Ik kan bevestigen dat in de door de leden van de fractie van het CDA genoemde situaties het overgangsrecht van toepassing is. In deze situaties bestond het voornemen om de vbi-status aan te vragen al vóór 20 september 2016, 15.15 uur, en is er geen sprake van anticipatie op de in het Belastingplan 2017 opgenomen maatregel voor aanmerkelijkbelanghouders met een vbi.

2.3. Bouwterreinen in de btw

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet rekening heeft gehouden met de gevolgen van het aanpassen van het begrip bouwterrein in de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) voor nieuwe natuur of nieuwe landgoederen. Bij de aanpassing van dit begrip is rekening gehouden met een groot aantal beleidsterreinen, waaronder dat van de nieuwe landgoederen. De reikwijdte van de bepaling wijzigt niet. Dat betekent dat door de aanpassing niet ineens een intentie tot bebouwen ontstaat. In de huidige regels is immers opgenomen dat bewerkingen en dergelijke aan de grond moeten plaatsvinden met het oog op bebouwing van de grond wil de grond kwalificeren als bouwterrein. Voor een perceel grond waarop een landgoed wordt gerealiseerd, betekent dit dat als die intentie er onder de huidige situatie is, deze nu al als bouwterrein in de zin van de BTW-richtlijn kwalificeert. Deze groep zal derhalve niet onbedoeld worden getroffen. De bedoeling van de BTW-richtlijn is en blijft namelijk om enkel de levering van onbebouwde gronden, niet zijnde bouwterreinen, vrij te stellen van btw. Het door de leden van de fractie van het CDA voorgestelde overgangsrecht lijkt mij daarom niet nodig.

2.4. Wijziging btw-vrijstelling voor watersportorganisaties

De leden van de fractie van de VVD vragen mij om enige coulance en de bereidheid om de watersportverenigingen actief te informeren over de per 1 januari 2017 gewijzigde regelgeving en hun ondersteuning te bieden bij de aanpassing daaraan. Bij het toezicht op de naleving van de gewijzigde regelgeving houdt de Belastingdienst rekening met de verwerking daarvan in de administraties van de watersportverenigingen. Ik zeg toe dat reeds afgesloten contracten met een looptijd tot 1 april 2017 zullen worden gerespecteerd, waarmee wordt aangesloten bij de voor dergelijke overeenkomsten gangbare contractsperiode tot 1 april. Ook kunnen deze verenigingen informatie inwinnen bij hun eigen inspecteur van de Belastingdienst, via de Belastingtelefoon of op de site van de Belastingdienst. De Belastingdienst assisteert echter niet bij de opzet van administraties. Dit zou ook botsen met de dienstverlening van commerciële adviseurs. Verder merk ik op dat, zowel in de aanloop naar de voorgestelde wijziging als gedurende de parlementaire behandeling ervan, contact en overleg met de belangenbehartigers van de watersportverenigingen heeft plaatsgevonden. Dit contact zal ook in het traject na de parlementaire behandeling worden voortgezet. Het Watersportverbond heeft al een aantal voorlichtingsavonden gehouden en ingepland waar geïnteresseerde verenigingen worden voorgelicht over de aanpassing aan de gewijzigde regelgeving. Vragen die uit deze sessies voortkomen en die nadere toelichting behoeven, zullen desgewenst ook in overleg met het Watersportverbond worden bezien. Daardoor kan de benodigde informatie niet alleen via de Belastingdienst, maar ook centraal vanuit de belangenbehartigers naar hun leden worden gecommuniceerd.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of niet beter als criterium kan worden gehanteerd: de registratie van boten waarvoor de bestuurder een vaarbewijs dient te bezitten, die ook voor de watersportvereniging eenvoudig herkenbaar en (administratief) registreerbaar is. Een klein vaarbewijs is onder meer verplicht als:

  • −  een vaartuig een lengte heeft van 15 meter tot 25 meter en niet bedrijfsmatig wordt gebruikt;
  • −  een vaartuig een lengte heeft van 15 meter tot 20 meter en bedrijfsmatig wordt gebruikt;
  • −  een vaartuig een sleepboot of duwboot is, die gebruikt wordt om een schip met een lengte van maximaal 20 meter te slepen, langszij mee te voeren of te duwen;
  • −  een vaartuig een motorboot is met een lengte minder dan 15 meter die een snelheid van meer dan 20 kilometer per uur kan bereiken.

Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) is een verplichting om een vaarbewijs te hebben voor een vaartuig niet geschikt als een criterium waaruit blijkt dat het vaartuig geschikt is voor sportbeoefening. Zoals uit de opsomming hiervóór blijkt, ziet een (klein) vaarbewijs ook niet op de vaartuigen waarvan kan worden gezegd dat deze kenmerken hebben waaruit kan worden afgeleid dat het vaartuig geschikt is voor sportbeoefening. Ook voor motorkruisers en sloepen kan een vaarbewijs nodig zijn, terwijl deze vaartuigen niet geschikt en noodzakelijk zijn om sport mee te beoefenen. Recreatieve vaartuigen zouden met een vaarbewijs als criterium onder de vrijstelling vallen, terwijl het HvJ EU deze categorie juist expliciet uitsluit van de sportvrijstelling. Ik heb in de memorie van toelichting en in de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel niet uitgesloten dat onder motorvaartuigen meer vaartuigen kunnen vallen die geschikt en noodzakelijk zijn voor sportbeoefening, onder verwijzing naar het voorbeeld van powerboats. Die vaartuigen moeten dan ook als zodanig duidelijk af te bakenen zijn om de regeling uitvoerbaar te houden voor zowel de watersportverenigingen als voor de Belastingdienst. De aanduiding speedboot of vaartuigen waarvoor een vaarbewijs nodig is, voldoet daar niet aan.

De leden van de fractie van de VVD vragen mij of ik het standpunt deel van de rechtbank Noord-Holland in de uitspraken van 28 november 2016 en zo ja, of het dan niet beter is om watersportverenigingen geheel van de sportvrijstelling uit te zonderen ten aanzien van alle ter beschikking te stellen lig- en bergplaatsen. De uitspraken waarnaar wordt verwezen zijn nog niet gepubliceerd. Deze uitspraken betreffen geen sportverenigingen. De jachthavenexploitanten in kwestie stellen dat de jachthaven als een sportaccommodatie moet worden aangemerkt in de zin van post b.3 van de bij de Wet OB 1968 behorende Tabel I, zodat het verlaagd btw-tarief kan worden toegepast. Deze post ziet echter op een andere dienst namelijk het gelegenheid geven tot sportbeoefening en baden. Het gaat daarbij volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad voornamelijk om het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie om daar te sporten. Louter de terbeschikkingstelling van een ligplaats wordt niet beschouwd als het gelegenheid geven tot sportbeoefening oftewel het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie in de zin van die tabelpost. De bepaling waarover de rechtbank heeft geoordeeld is dus een andere bepaling dan de vrijstelling waar de voorgestelde wetswijziging op ziet en waarover het HvJ EU, als hoogste rechtsinstantie in de EU, heeft geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van ligplaatsen in de vrijstelling kan delen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken geschikt zijn voor sportbeoefening. Daarbij heeft het HvJ EU afgewogen dat een ligplaats noodzakelijk kan zijn voor de sportbeoefening en daardoor in dat geval onder de sportvrijstelling valt. Dit doet echter niets af aan een oordeel van de rechtbank over de toepassing van de tabelpost b.3. Die post kent een ander afwegingskader, hetgeen de rechtbank ook duidelijk motiveert.

Ik ben het met het oordeel van de rechtbank eens dat het recht geven op een ligplaats niet hetzelfde is als het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie. Het HvJ EU oordeelt over een andere bepaling dat de dienst bestaande uit het ter beschikking stellen van een ligplaats in bepaalde gevallen noodzakelijk kan zijn voor de sportbeoefening en daarom onder die vrijstelling valt. Dit betekent niet dat die dienst verandert in een dienst bestaande uit het verlenen van toegang tot een sportaccommodatie.

Ik zie daarin dan ook geen reden om watersportverenigingen, in strijd met het oordeel van het HvJ EU dat specifiek over de terbeschikkingstelling van ligplaatsen binnen de sportvrijstelling gaat, de vrijstelling te ontzeggen als zij voldoen aan de door dit Hof gestelde voorwaarden.

2.5. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de fractie van het CDA geven aan dat zij de het kabinet erkentelijk zijn voor de uitleg ten aanzien van de uitvoeringstoetsen. Deze leden vragen of de bereidheid bestaat uitvoeriger met beide Kamers van het parlement het wegingsproces van de uitvoeringstoetsen door te lopen en zijn van mening dat het bijzonder zou helpen wanneer die toets zo objectief mogelijk gebeurt. Ook merken deze leden op de reactie met betrekking tot de gedachte een uitvoeringstoets uit te voeren naar aanleiding van de tweede voortgangsrapportage Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) niet goed te begrijpen. Deze leden zijn er stellig van overtuigd dat een objectieve analyse gebaseerd op de criteria voor de uitvoeringstoets goed zou kunnen helpen bij een nadere bezinning en om vast te stellen of de ingeslagen weg juist is. Het verheugt mij dat er interesse is voor de uitvoeringstoets en voor de wijze waarop die tot stand komt. Met de leden van de fractie van het CDA onderstreep ik het belang van een goede inbedding van de uitvoeringstoets en van een verbetering van het gebruik daarvan. Uiteraard ben ik bereid tot verstrekking van nadere informatie. Daartoe bied ik desgewenst graag een technische briefing aan waarin de totstandkoming van de uitvoeringstoets kan worden toegelicht.

Met een uitvoeringstoets wordt voorafgaand aan de implementatie van een voorstel een inschatting gemaakt van de daarmee samenhangende gevolgen. Bij de implementatie van de DBA is ervoor gekozen de gevolgen voor de praktijk meer diepgaand en doorlopend te monitoren. Daartoe is de commissie modelovereenkomsten zzp’ers (commissie Boot) ingesteld. Ook is het meldpunt DBA geopend, waar betrokkenen knelpunten kunnen melden. Op basis van alle binnengekomen signalen heb ik in de tweede voortgangsrapportage DBA een aantal maatregelen aangekondigd.

3. Overige fiscale maatregelen 2017

3.1. Bedrijfsopvolgingsregeling

De leden van de fractie van het CDA zijn van mening dat de reparatie van het arrest over de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)13 een overkill kent. Deze leden vragen waarom het kabinet daarvoor heeft gekozen. Daarbij wijzen deze leden op het amendement Omtzigt/Schouten14 dat in hun ogen voorziet in een passende oplossing waarbij het ondernemingsvermogen in indirecte belangen van minder dan 5% wel kwalificeert voor de BOR. Het kabinet heeft ook het alternatief dat de leden van de fractie van het CDA schetsen, overwogen. Vanwege de aan dit alternatief verbonden bezwaren is uiteindelijk gekozen voor de in het wetsvoorstel opgenomen reparatie van het arrest. Het alternatief dat onderzocht is, en tevens opgenomen is in het amendement Omtzigt/Schouten, is het ook toepassen van de toerekeningsregel op belangen van minder dan 5% die op het niveau van de holding ondernemingsvermogen vormen. Vervolgens kunnen de toegerekende bezittingen en schulden die ondernemingsvermogen bij de holding vormen, kwalificeren voor de BOR. Bij deze variant moet bij alle kleine belangen beoordeeld worden of deze belangen ondernemingsvermogen vormen voor de holding. Vervolgens moet toerekening plaatsvinden van de bezittingen en schulden. Daarna moet beoordeeld worden welke toegerekende bezittingen en schulden van de onderliggende onderneming ondernemingsvermogen vormen op het niveau van de holding. Dit leidt tot hoge administratieve lasten. Ook leidt deze variant tot fors hogere uitvoeringskosten voor de Belastingdienst. Het aantal verzoeken om vooroverleg met de Belastingdienst zal toenemen, evenals de discussies tijdens de aanslagregeling. Bovendien zullen zich bij deze variant naar verwachting meer bezwaar- en beroepsprocedures voordoen. Naast de hogere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt deze variant, in tegenstelling tot de in het wetsvoorstel opgenomen maatregel, tot een budgettaire derving. Ook leidt deze variant tot een verschil in behandeling tussen direct en indirect gehouden belangen van kleiner dan 5%. Dat vindt het kabinet niet wenselijk. Het kabinet is van mening dat de BOR, zoals die vóór het arrest toegepast werd, al voldoende ruim was en dat een verdere verruiming niet nodig is om de continuïteit van ondernemingen te waarborgen. In de afweging van alle voor- en nadelen van de twee varianten heeft het kabinet gekozen voor de variant waarbij het BOR-arrest volledig gerepareerd wordt.
De leden van de fractie van het CDA geven aan dat het kabinet selectief lijkt te winkelen voor wat betreft de uitkomsten van jurisprudentie. Deze leden geven aan dat jurisprudentie ruimhartig omarmd lijkt te worden als deze in het voordeel van de Belastingdienst is en dat er abrupt gekozen lijkt te worden voor reparatiewetgeving als die in het nadeel van de Belastingdienst is. Hetgeen deze leden hier beschrijven is niet mijn beleid. Als een gerechtelijke instantie de Belastingdienst gelijk geeft, kan geconcludeerd worden dat de Belastingdienst de wet juist toegepast heeft. Dit geeft geen aanleiding tot reparatie van de wet. Bij de beoordeling of een door de Belastingdienst verloren gerechtelijke procedure leidt tot het doen van een voorstel tot wetswijziging, spelen verschillende aspecten een rol. Ik noem er enkele. Hoe verstrekkend zijn de gevolgen van het arrest? Gaat het om een zeer principieel beslispunt of om een meer casuïstisch geval? Wat zijn de budgettaire gevolgen van het arrest en wat zijn de consequenties voor de uitvoerbaarheid van de regelgeving voor de Belastingdienst? Ook kan meespelen hoe lang een bepaalde bestendige wetstoepassing heeft plaatsgevonden door de Belastingdienst en of dit het geval was direct vanaf de introductie van bepaalde wetgeving. Na een zorgvuldige afweging van de relevante aspecten wordt vervolgens de beslissing genomen of een voorstel tot wetswijziging wordt gedaan. Zo heeft het in het voordeel van belastingplichtige gewezen arrest over de BOR van 15 april 2016 inzake vastgoed-bv’s15 niet geleid tot reparatiewetgeving, maar het arrest over de BOR van 22 april 2016 over indirecte belangen van minder dan 5%16 wel.

De leden van de fractie van het CDA zijn van mening dat de BOR de nodige knelpunten kent. Vervolgens vragen deze leden of het kabinet bereid is om mede naar aanleiding van de tot nu toe bekende jurisprudentie een internetconsultatie te laten plaatshebben over de knelpunten in de BOR.

Met de wetswijziging van 2010 zijn veel knelpunten in de BOR weggenomen. Met de huidige vormgeving van de BOR wordt het doel dat ermee nagestreefd wordt, behaald. Natuurlijk zijn er belanghebbenden die bepaalde verruimingen van de BOR wensen. Ook kent de BOR afbakeningsvraagstukken, zoals ook blijkt uit het arrest over de BOR van 15 april 2016 inzake vastgoed-bv’s. Ik sta open voor suggesties van het bedrijfsleven, van de Belastingdienst of in de literatuur voor verbeteringen en vereenvoudigingen in de BOR. Een internetconsultatie vind ik daarvoor niet nodig.

3.2. Boetevrij aflossen van een spaar- of beleggingshypotheek

De leden van de fractie van het CDA vragen of op basis van het voorgestelde artikel 10bis.6, elfde lid, van de Wet IB 2001 geldt dat ook in die gevallen waarin meer dan twintig jaar jaarlijks premie is betaald de vrijstelling van toepassing is als een restschuld wordt afgelost.

Dat is inderdaad het geval, mits het een situatie betreft als bedoeld in het voorgestelde artikel 10bis.6, derde lid, van de Wet IB 2001, waaronder ook het ontstaan van een restschuld bij verkoop van de woning valt. Hoewel het voorgestelde artikel 10bis.6, derde lid, van de Wet IB 2001 erop ziet de tijdklemmen in de in dat lid genoemde situaties buiten toepassing te laten, staat het toepassing van artikel 10bis.6, elfde lid, van de Wet IB 2001 niet in de weg als een van de in het derde lid van genoemd artikel bedoelde situaties aan de orde is, maar het buiten toepassing laten van de tijdklemmen overbodig is, omdat reeds is voldaan aan de eis van twintig jaren premiebetaling. Ook in dat geval is het aanwenden van de uitkering ter aflossing van een restschuld dus afdoende om een vrijstelling te kunnen benutten.

Overigens komt, indien de maatregel die is opgenomen in het amendement Omtzigt/Ronnes17 in werking treedt, in artikel 10bis.6, elfde lid, van de Wet IB 2001 (alsdan vernummerd tot tiende lid) de verwijzing naar artikel 10bis.6, derde lid, van de Wet IB 2001 te vervallen. In dat geval zal steeds aan de aflossingseis zijn voldaan indien de uitkering (mede) wordt aangewend ter aflossing van een restschuld.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van het amendement Omtzigt/Ronnes of de vrijstelling bij een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) met een looptijd van dertig jaar van toepassing blijft na beëindiging van de premiebetaling na de eerste twintig jaar van de looptijd.

Met de voorgestelde wijziging per 1 januari 2017 waarbij de tijdklemmen alleen in bepaalde situaties buiten toepassing blijven, wijzigt er niets met betrekking tot de fiscale gevolgen van het premievrij maken van een polis. Dit wordt anders indien de maatregel die is opgenomen in het amendement Omtzigt/Ronnes in werking treedt. De wettelijke eis van jaarlijks premie voldoen gaat dan voor de gehele looptijd gelden. Mocht inwerkingtreding van de genoemde maatregel aan de orde komen, dan zal ik op dat moment bezien hoe gevallen waarin van de contractuele mogelijkheid tot premievrijmaking gebruik is gemaakt kunnen worden ontzien.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van het amendement Omtzigt/Ronnes of het vervallen van de tijdklemmen ook gaat gelden voor Brede Herwaarderingspolissen en of het deel van het beleidsbesluit inzake het vervallen van de tijdklemmen dat ziet op genoemde polissen dus van toepassing blijft.

Op basis van het onderhavige wetsvoorstel worden de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuringen (enigszins uitgebreid) per 1 januari 2017 gecodificeerd.18 Het betreffende beleidsbesluit verliest met ingang van 1 januari 2017 dan ook zijn belang. Indien de tekst van het amendement Omtzigt/Ronnes in werking treedt, komt op dat moment de per 1 januari 2017 ingaande wettelijke maatregel met betrekking tot Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen te vervallen. Het amendement voorziet alleen in het vervallen van de tijdklemmen voor de KEW, spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek naar de impact van het vervallen van de tijdklemmen zal ik, indien de in het genoemde amendement opgenomen maatregel in werking treedt, bezien in hoeverre het wenselijk is om wederom deels of alsnog geheel de tijdklemmen te laten vervallen voor Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van het amendement Omtzigt/Ronnes of er een of meerdere gedeeltelijke opnames uit de KEW mogelijk zijn zonder fiscale gevolgen. Voorts vragen deze leden of aan te geven is wat de gevolgen zijn voor het eindkapitaal na een gedeeltelijke opname uit een KEW met een gegarandeerd eindkapitaal.

Een tussentijdse afkoop van een KEW leidt wettelijk tot het fictief tot uitkering komen van de gehele polis. Op basis van een beleidsbesluit kan wel eenmalig na vijftien jaar – vanwege toepassing van de lage vrijstelling – een tussentijdse afkoop plaatsvinden zonder dat de fictie toepassing vindt.19 Bij een volgende afkoop geldt onverkort dat het product geacht wordt geheel tot uitkering te zijn gekomen. Indien de maatregel die is opgenomen in het amendement Omtzigt/Ronnes in werking treedt, komt op dat moment de genoemde goedkeuring in het beleidsbesluit te vervallen. Het bestaansrecht van het besluit is namelijk gekoppeld aan de lage vrijstelling bij vijftien jaar premie betalen. Bij het geheel vervallen van de tijdklemmen, komt de lage vrijstelling te vervallen en geldt steeds de hoge vrijstelling (die nu bij twintig jaar premie betalen geldt). Bij inwerkingtreding van de maatregel die is opgenomen in het genoemde amendement geldt dan dus wederom onverkort de wettelijke regeling dat tussentijdse afkoop zonder fiscale gevolgen niet mogelijk is. De vraag van deze leden over de gevolgen voor het eindkapitaal na een gedeeltelijke opname staat in beginsel los van de fiscale gevolgen. Omdat door een tussentijdse opname een lager bedrag over is om de resterende looptijd te kunnen renderen zal de premie waarschijnlijk verhoogd moeten worden om op hetzelfde eindkapitaal (verminderd met het reeds opgenomen bedrag) uit te kunnen komen.

4. Fiscale vereenvoudigingswet 2017

De leden van de fractie van het CDA vragen of ik kan aangeven hoeveel ideeën ter vereenvoudiging van de fiscale wetgeving er in totaal zijn binnengekomen. Tevens vragen deze leden of ik inzicht kan geven in de hoeveelheid ideeën die gehonoreerd zijn. Begin dit jaar heb ik een brede uitvraag naar ideeën ter vereenvoudiging van het belastingstelsel gedaan. Alle reacties op deze brede uitvraag die voor het verstrijken van de deadline op 15 februari 2016 zijn aangeleverd, heb ik gepubliceerd op rijksoverheid.nl20. In totaal heb ik 66 reacties van organisaties, bedrijven en burgers binnen de termijn ontvangen en op internet gepubliceerd. Ik heb bij de beoordeling van de ingediende reacties niet precies bijgehouden hoeveel voorstellen elke reactie bevat. In de ingezonden reacties varieert het aantal gedane voorstellen per reactie tussen één concreet uitgewerkt voorstel en een veelheid aan voorstellen over diverse onderwerpen. In de fiscale vereenvoudigingsbrief heb ik beschreven dat ik de ingediende voorstellen heb beoordeeld op budgettaire neutraliteit, uitvoerbaarheid voor zowel de burger en het bedrijfsleven als de Belastingdienst, juridische houdbaarheid, politieke haalbaarheid en verenigbaarheid met het EU-recht.21 De voorstellen die aan de deze toetsen voldoen heb ik nader onderzocht. Een deel van deze voorstellen heb ik in het pakket Belastingplan 2017 opgenomen, een ander deel van de voorstellen is meegenomen in andere lopende trajecten en het resterende deel vergt een nadere afweging.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ik bij de prioritering van mijn wetgevingagenda 2017 voor het onderdeel Fiscale vereenvoudigingswet 2018 en volgende jaren wil toezeggen dat ik wil ingaan op de 130 technische hervormingspunten, zoals uiteengezet door de heer Stevens. Vereenvoudiging is niet alleen een permanent streven van dit kabinet, maar ook van mij persoonlijk. Vanzelfsprekend staat vereenvoudiging dan ook hoog op de prioriteitenlijst van de wetgevingsagenda voor aankomend jaar. Daarbij luister ik goed naar de maatregelen voor vereenvoudigingen die worden voorgesteld. Over de precieze inhoud van de wetgevingsagenda kan ik echter nog geen toezeggingen doen.

5. Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

De leden van de fractie van de VVD stellen diverse aanvullende vragen met betrekking tot het elders verzekerde deel van het pensioen van de directeur-grootaandeelhouder (dga). In de door deze leden aangehaalde memorie van antwoord aan uw Kamer22 heb ik uitgebreid de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel toegelicht als sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel van de pensioentoezegging. Daarbij heb ik aangegeven dat er bij een onbepaald elders verzekerd deel twee vormgevingen mogelijk zijn, de relatief weinig voorkomende dekkingspolis en de regulier voorkomende gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging. Bij een dekkingspolis is er geen sprake van een verplichting van de verzekeringsmaatschappij tegenover de dga, maar uitsluitend van de verzekeringsmaatschappij tegenover het eigenbeheerlichaam en van het eigenbeheerlichaam tegenover de dga. In de reguliere situaties van een gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging is niet het eigenbeheerlichaam maar de dga de begunstigde en kan de dga ook rechtstreeks die verzekeraar aanspreken op de verplichtingen die op hem rusten in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de regeling. Uit de aanvullende vragen die zijn gesteld door de genoemde leden leid ik af dat er wellicht ook nog onduidelijkheid is omdat de verschillende rollen die een besloten vennootschap (bv) van de dga kan hebben bij een pensioen dat in eigen beheer wordt verzekerd niet voldoende uit elkaar worden gehouden. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen de rol als werkgever en de rol als uitvoerder van de pensioenregeling. Dit zal ik hierna verder toelichten, waarmee ook meteen antwoord wordt gegeven op de op dit punt gestelde vragen. Allereerst is er de pensioentoezegging die de werkgever doet aan de werknemer. De werkgever die deze toezegging doet, heeft vervolgens de keuze om deze pensioentoezegging geheel of gedeeltelijk in eigen beheer te verzekeren (in dat geval is het mogelijk dat het lichaam dat de pensioentoezegging doet ook de verzekeraar is) of bij een professionele verzekeraar. Als de werkgever ervoor kiest om een deel in eigen beheer te verzekeren en een onbepaald deel bij een professionele verzekeraar, kan dit via de twee hiervoor genoemde mogelijkheden. Als gekozen wordt voor een dekkingspolis blijft het eigenbeheerlichaam de pensioenuitvoerder voor de gehele pensioenregeling. Het op de polis bij de professionele verzekeraar verzekerde kapitaal dient dan alleen voor de dekking van de pensioenverplichting die dit lichaam heeft ten opzichte van de dga. Als gekozen wordt voor een gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging zijn er twee verschillende pensioenuitvoerders. Een deel is dan verzekerd bij het eigenbeheerlichaam en een deel is elders verzekerd op de polis bij de professionele verzekeraar. Het eigenbeheerlichaam is geen gerechtigde voor dat elders verzekerde deel. Dat is de dga. Het eigenbeheerlichaam heeft zich in zijn rol als verzekeraar met het betalen van de pensioenpremie voor de polis van de dga (gedeeltelijk) bevrijd van de voor hem uit de pensioenregeling voortvloeiende verplichtingen. Voor dat deel van het opgebouwde pensioen kan de dga dus alleen nog maar de professionele verzekeraar aanspreken en is er geen sprake meer van in eigen beheer verzekerd pensioen.

Wat betreft de overgang in de zin van artikel 19b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) wordt het volgende opgemerkt. Voor de vraag of hiervan sprake is, is van belang of er sprake is van een overgang van verplichtingen (die zijn verbonden aan het optreden als uitvoerder van de pensioenregeling) van de ene pensioenuitvoerder naar de andere pensioenuitvoerder. Dat de verplichtingen die voortvloeien uit de pensioentoezegging bij de werkgever blijven, is niet van belang voor de vraag of sprake is van een overgang als bedoeld in genoemd artikel 19b, tweede lid, van de Wet LB 1964. Hieruit volgt dan ook dat bij een gesplitste uitvoering van de pensioentoezegging sprake is van een dergelijke overgang als de professionele verzekeraar het bij hem verzekerde deel van de pensioenaanspraak overdraagt naar het eigenbeheerlichaam. Op dat moment neemt het eigenbeheerlichaam namelijk een extra pensioenverplichting op zich tegen de ontvangst van de overdrachtswaarde. Bij de dekkingspolis is geen sprake van een dergelijke overgang omdat dan slechts uitkering plaatsvindt van het verzekerde kapitaal aan het eigenbeheerlichaam. De uitvoerder van het pensioen verandert in dat geval niet, dit is en blijft het eigenbeheerlichaam. Alleen de dekking voor de pensioenverplichting wijzigt van (gedeeltelijk) verzekerd op de polis bij de professionele verzekeraar naar volledig afhankelijk van de bezittingen van het eigenbeheerlichaam.

Naar mijn mening is de wetgeving op dit punt duidelijk. Ik acht een wetswijziging of een goedkeurend besluit dan ook niet nodig.

De leden van de fractie van de PvdA vragen een reactie op het nog te publiceren artikel in het Weekblad Fiscaal Recht «Uitfaseren pensioen in eigen beheer: schenkings- en verdragsaspecten» van dr. R.P. van den Dool en mr. H.F. van der Weerd-van Joolingen.23

Op diverse in het artikel opgebrachte aspecten is al in de memorie van antwoord ingegaan naar aanleiding van de brief van de NOB. Hierna ga ik in op enkele resterende punten.

Allereerst ga ik in op de in het artikel geadresseerde schenkingsaspecten van het onderhavige wetsvoorstel. In de eerste plaats betreft het de situatie dat de dga niet de enige aandeelhouder van het eigenbeheerlichaam is, maar er ook andere aandeelhouders zijn. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag voor de Tweede Kamer24 is vermeld, kan in dat geval bij het prijsgeven van pensioenaanspraken en als gevolg van de daaruit volgende waardestijging van de aandelen, sprake zijn van een bevoordeling van de andere aandeelhouders door de dga tenzij die andere aandeelhouders de dga hiervoor compenseren. Over de waardestijging van de aandelen kan schenkbelasting verschuldigd zijn. Met de auteurs deel ik de opvatting dat de beoordeling of er in zo’n situatie sprake is van een schenking feitelijk van aard is en dat er geen fictie nodig is om tot een schenking te komen. Relevant is of er sprake is van een schenking in de zin van artikel 1 van de Successiewet 1956 (SW 1956). Met de auteurs ben ik van oordeel dat de vrijgevigheid moet worden getoetst op het moment dat de dga van zijn aanspraken afziet.
In de tweede plaats vragen de auteurs zich af of onderhavig wetsvoorstel aanleiding zou moeten zijn voor het uitzonderen van de echtgenoot van de werking van artikel 13a van de SW 1956. Voorts vragen zij zich af of een dergelijke bepaling ook zou moeten gelden voor de schenkbelasting. Ik wil graag vooropstellen dat artikel 13a van de SW 1956 niet speelt in de situatie van afstempeling gevolgd door afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting. Artikel 13a van die wet geldt namelijk voor de situatie dat aandelen of winstbewijzen die door een ander dan de erflater worden gehouden in waarde zijn gestegen door het overlijden van die erflater. In de parlementaire behandeling van de herziening van de SW 1956 concludeerde mijn ambtsvoorganger dat er geen reden bestaat om de partner uit te sluiten van heffing op grond van deze bepaling.25

De afstempeling gevolgd door afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting geschiedt bij leven van de dga. Om die reden komt wel de vraag aan de orde of sprake kan zijn van een bevoordeling die leidt tot heffing van schenkbelasting. Voor wat betreft de situatie dat partners in algehele gemeenschap zijn gehuwd, heb ik voor de schenkbelasting reeds aangegeven dat heffing van schenkbelasting dan niet aan de orde is, omdat een waardestijging van aandelen dan in de algehele gemeenschap van goederen van de partners valt. Zoals de auteurs al veronderstellen, is het voor het instemmingsvereiste van de partner niet van belang of een partner enig (afgeleid) recht op een pensioenaanspraak heeft.

De auteurs geven aan dat het wenselijk is de fiscale oudedagsreserve (FOR) uit te faseren. Ook de leden van de fractie van het CDA hebben hierover een vraag. Deze leden geven aan dat er alle reden is om ook de FOR te herzien en vragen of dat op de prioriteitenlijst voor de wetgevingsagenda 2017 gezet zou kunnen worden. Over de FOR heb ik in de memorie van antwoord26 aangegeven dat bij het uitfaseren van het pensioen in eigen beheer (PEB) uitstraling naar deze regeling ook in beeld zou kunnen komen, maar dat het de voorkeur van het kabinet heeft eerst de discussie over het PEB af te ronden. Indien ook uw Kamer kan instemmen met het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen dient naar mijn mening inderdaad te worden nagedacht over de toekomst van de FOR. Besluitvorming hierover is aan het volgende kabinet.

Onder het kopje «internationale aspecten» geven de auteurs een beschrijving hoe de voorgestelde wetgeving volgens hen in een internationale context uitwerkt. Voor zover ik niet eerder ben ingegaan op de besproken materie, ga ik hierna in op drie aspecten die voor dga’s in een internationale situatie van belang zijn en die ook aan de orde komen in het artikel.

In de eerste plaats is dat de Nederlandse nationale wetgeving die de belastingplicht regelt van dga’s die gaan emigreren of die al geëmigreerd zijn en niet meer als inwoner van Nederland worden aangemerkt. Het gaat hierbij om het huidige recht en om de regels die zijn opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Daarnaast is het (belasting)recht van belang van het woonland van de dga. Tot slot is relevant wat in toepasselijke belastingverdragen is opgenomen over de verdeling van heffingsrechten tussen bronland en woonland ter zake van het inkomen dat de dga of zijn nabestaanden in de grensoverschrijdende situatie geniet.

Wat betreft de Nederlandse nationale fiscale regels is van belang dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan emigratie van de dga een conserverende aanslag over de waarde van zijn pensioen wordt opgelegd, die onder omstandigheden geheel of gedeeltelijk kan worden kwijtgescholden. De auteurs beschrijven in hun artikel de toepassing van de artikelen 70ca en 70cb van de Invorderingswet 1990 (IW 1990). Zij zetten vraagtekens bij het van toepassing zijn van artikel 19b van de Wet LB 1964 in situaties waarin omvorming (de auteurs spreken over geruisloze omzetting) plaatsvindt. Zoals aangegeven in de artikelsgewijze toelichting op artikel 70cb van de IW 1990 is genoemd artikel met name relevant in situaties waarbij een deel van de aanspraak wordt prijsgegeven (waardoor artikel 19b van de Wet LB 1964 in beginsel toepassing vindt) en het resterende deel van de aanspraak wordt omgevormd in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (waarop op basis van de bepalingen in het voorgestelde artikel 38n, eerste en tweede lid, van de Wet LB 1964, de sanctie juist niet wordt toegepast). Voor het deel van de conserverende aanslag dat betrekking heeft op het prijsgeven van de aanspraak wordt het verleende uitstel van betaling beëindigd, voor het andere deel wordt het uitstel van betaling gehandhaafd.

De fiscale behandeling van personen die niet (langer) inwoner zijn van Nederland is mede afhankelijk van het lokale (belasting)recht in het (nieuwe) woonland. De toepassing hiervan kan afhankelijk zijn van diverse factoren, zoals eventuele bijzondere regels voor oudedagsvoorzieningen, specifieke jurisprudentie en de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. Over de toepassing van het lokale (belasting)recht in het buitenland kan daarom door de Nederlandse overheid geen uitsluitsel worden gegeven.

Met betrekking tot de verdragsaspecten merk ik op dat voor de toepassing van de belastingverdragen (inkomen genoten uit) de aanspraak ingevolge oudedagsverplichting naar Nederlandse opvatting niet zal verschillen van (inkomen genoten uit) een PEB en dat Nederland dus zijn belastingverdragen op dienovereenkomstige wijze zal toepassen. Bij de toepassing van het pensioenartikel in een belastingverdrag worden heffingsrechten over de inkomsten verdeeld tussen het land waar de rechthebbende inwoner is en het bronland waarin de oudedagsvoorziening haar oorsprong vindt en waar die fiscaal is gefaciliteerd. Eventuele dubbele belastingheffing kan onder omstandigheden wel het gevolg zijn van een afwijkende interpretatie van een toepasselijk belastingverdrag door het andere land, al dan niet in combinatie met verschillen tussen de beide nationale belastingstelsels. Als de dubbele heffing het gevolg is van een afwijkende interpretatie van het belastingverdrag door het andere land, staat onder voorwaarden de mogelijkheid open tot een onderling overlegprocedure met het doel de dubbele belasting weg te nemen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een reactie op de door de Samenwerkende Register Accountants (SRA), het Register Belastingadviseurs (RB) en de Nederlandse Orde van administratie en belastingdeskundigen (NOAB) in hun brief van 25 november jl. geuite zorgen over de uitfasering van in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken en vragen om een cijfermatig inzicht in de omvang van de problematiek. Deze organisaties lijken te veronderstellen dat het wetsvoorstel specifiek is bedoeld voor bv’s die onder water staan. Verder suggereren zij om wettelijk vast te leggen dat het verlenen van medewerking door de partner zonder (afdoende) compensatie gedurende de periode 2017 tot en met 2019 geen schenking aan de dga oplevert. In de memorie van antwoord ben ik reeds uitgebreid op deze brief ingegaan. Daaraan kan ik nog toevoegen dat het doel van het wetsvoorstel een uitfasering van het PEB is. Het wetsvoorstel is niet specifiek bedoeld voor bv’s die onder water staan. Mijn conclusie was en is nog steeds dat het binnen de geschetste kaders voor de dga en zijn partner mogelijk moet zijn om waar nodig tot een passende compensatie zonder heffing van schenkbelasting te komen en dat invoering van een wettelijke vrijstelling van schenkbelasting niet nodig is. Zoals in het eerder genoemde nog te publiceren artikel «Uitfaseren pensioen in eigen beheer: schenkings- en verdragsaspecten» staat, is zo’n vrijstelling strijdig met de systematiek van de wet, doet deze geen recht aan de feitelijke omstandigheden en bergt deze ook een risico in zich dat bij gebrek aan huidig (fiscaal) belang de partner onvoldoende zicht heeft op hetgeen hij (mogelijk) prijsgeeft.

De leden van de fractie van het CDA hebben goed begrepen dat van een belaste schenking bij afstempeling van PEB-aanspraken geen sprake is tussen de partners die in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd (dit kan anders liggen bij afspraken in het zicht van echtscheiding). Hetzelfde geldt bij partners die zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap maar met een wederkerig finaal verrekenbeding bij overlijden en echtscheiding alsof ze in wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Van een belaste schenking kan wel sprake zijn bij overige huwelijkse voorwaarden, tenzij een passende compensatie voor de (gewezen) partner is overeengekomen.

Deze leden vragen wanneer sprake is van een belaste of onbelaste schenking, indien het initiatiefwetsontwerp Swinkels c.s.27 tot wet zou worden. Allereerst wordt opgemerkt dat alleen bij dga’s die tussen het tijdstip van inwerkingtreding van het initiatiefwetsontwerp en het tijdstip van afstempeling, afkoop of omzetting in het huwelijk treden sprake kan zijn van een samenloop van beide wetsontwerpen. Dit zal een zeer geringe groep dga’s betreffen. Genoemd initiatiefwetsvoorstel dat thans bij uw Kamer in behandeling is, introduceert als standaardstelsel in het huwelijksvermogensrecht de beperkte gemeenschap van goederen. Krachtens het voorstel vallen voorhuwelijks (privé)vermogen, erfenissen en giften niet in de gemeenschap, maar blijft dit vermogen tot het privévermogen van de echtgenoten behoren. Het standaardstelsel komt, nadat het initiatiefwetsvoorstel tot wet is verheven en die wet in werking is getreden, dus niet overeen met de algehele gemeenschap van goederen. Bij afstempeling en afkoop of omzetting van pensioenaanspraken die zijn opgebouwd tot en met 31 december 2016 kan sprake zijn van verlies van aanspraken van de partner. Indien sprake is van een passende compensatie voor de partner van dat verlies komt schenkbelasting niet aan de orde. Mocht er geen sprake zijn van passende compensatie, dan blijft de vraag of sprake is van een belaste schenking, net als nu, afhankelijk van de door de (aanstaande) echtgenoten gemaakte keuze met betrekking tot het huwelijksgoederenregime. Ook in het initiatiefwetsvoorstel bestaat de mogelijkheid om door middel van het opstellen van huwelijkse voorwaarden de samenstelling van het huwelijksgoederenregime anders vorm te geven dan de wettelijke standaard, zoals een algehele gemeenschap van goederen.
De leden van de fractie van het CDA vragen of ik bereid ben om de coulancetermijn van drie maanden op te rekken naar zes maanden, gelet op het feit dat in de memorie van antwoord28 is aangegeven dat het kabinet een verlenging van twaalf maanden te lang acht. De gegeven periode van drie maanden werd in de praktijk zeer positief ontvangen. Ook aangezien de dga’s en hun adviseurs sinds mijn laatste brief over de oplossing van de knelpunten van het PEB aan beide Kamers van 1 juli 201629 zich kunnen voorbereiden op de te maken keuzes, zie ik geen noodzaak om de toegezegde termijn van drie maanden te verdubbelen. Verdere verlenging zou niet stroken met doel en strekking van de wet, namelijk het zo snel mogelijk uitfaseren van het PEB.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een overgangsregeling voor het elders verzekerde deel van een pensioentoezegging waarbij bepaald wordt dat dit deel kan worden gecontinueerd tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en op dat moment wordt omgezet in een levenslang ouderdomspensioen. De voorgestelde regeling is geen uitzondering op het nieuwe wettelijke kader en volgt rechtstreeks uit hoofdstuk IIB en artikel 38n van de Wet LB 1964. De dga blijft namelijk werknemer in de zin van die wet en kan derhalve – via zijn werkgever – gewoon buiten de risicosfeer van de bv pensioen blijven opbouwen. De afkoopmogelijkheid van genoemd artikel 38n blijft beperkt tot het deel van de pensioentoezegging dat door de bv in eigen beheer wordt gehouden en betreft dus niet de extern bij de verzekeraar ondergebrachte polis van de dga. De bv kan de verzekeraar nog tot uiterlijk 31 maart 2017 verzoeken om het op de polis van de dga elders verzekerde deel naar eigen beheer over te dragen, maar hoeft dat natuurlijk niet te doen. De polis van de dga bij die professionele verzekeraar kan gewoon worden voortgezet en regulier worden afgewikkeld. De bv en de dga moeten uiterlijk 31 maart 2017 de pensioenopbouw van het deel dat in eigen beheer wordt uitgevoerd stopzetten. Ook zal de pensioenbrief zo moeten worden aangepast dat de dga niet langer pensioen opbouwt bij de bv in eigen beheer. Na de aanpassing van de pensioenbrief kan de dga voor hetgeen in eigen beheer bij de bv resteert, met inachtneming van genoemd artikel 38n, overgaan tot het afkopen of omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting en kan de extern ondergebrachte polis van de dga gewoon blijven doorlopen.

De leden van de fractie van het CDA stellen een vraag over de situatie dat het pensioen zich in de uitkerende fase bevindt maar (na afstempeling) zal worden omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. De artikelen 3.125, eerste lid, onderdeel a, en 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet IB 2001 schrijven echter voor dat de lijfrente uiterlijk moet ingaan op de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. Volgens deze leden worden belastingplichtigen die ouder zijn dan die leeftijd daarmede onbedoeld beperkt. Genoemde leden vragen derhalve om een toezegging dat ook mensen die meer dan vijf jaar ouder zijn dan de AOW-leeftijd hun pensioenverplichting via de oudedagsverplichting kunnen omzetten in een lijfrente.

Het klopt dat pensioengenieters die meer dan vijf jaar ouder zijn dan hun AOW-gerechtigde leeftijd op basis van de artikelen 3.125 en 3.126a van de Wet IB 2001 geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om de pensioenaanspraak – samen met het afstempelen naar de fiscale balanswaarde – bij omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting vervolgens aan te wenden ter verkrijging van een lijfrenteproduct. Dit past bij de eerder door de dga gemaakte keuze om het pensioen te laten uitkeren door het eigenbeheerlichaam en niet door een professionele verzekeraar. Ik zie dan ook geen aanleiding voor de gevraagde toezegging om een verruiming op dit punt. Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het in die situatie wel mogelijk is om het pensioen af te stempelen naar de fiscale balanswaarde en om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting die vervolgens in termijnen door het eigenbeheerlichaam wordt uitbetaald.30

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de herkomst van de fiscale waarde van € 31 miljard voor het PEB. Voor de bepaling van de totale waarde van de pensioenverplichtingen in eigen beheer op basis van de fiscale waarde is gebruikgemaakt van de informatie over deze verplichtingen van eind 2009. Alle dga’s samen hadden op basis van cijfers uit 2009 een pensioenverplichting in eigen beheer van circa € 31 miljard op basis van de fiscale waarde. Meer recentere cijfers zijn niet beschikbaar omdat met ingang van 2010 de gegevens over PEB niet meer als zelfstandige post op de aangifte staan.

Daarnaast vragen deze leden naar de veronderstellingen bij de aanname dat circa 36% van de dga’s met een PEB van de afkoopmogelijkheid gebruik gaat maken. In de memorie van toelichting is uiteengezet waarom een PEB in de loop van de tijd steeds minder aantrekkelijk is geworden, bijvoorbeeld door de zogenoemde dividendklem. Steeds meer dga’s hebben daarom de verdere opbouw van een PEB stopgezet. De huidige verplichtingen als gevolg van het reeds opgebouwde PEB blijven echter op de balans staan en daarmee blijft ook de noodzaak bestaan voor de dga om jaarlijks kosten te maken in verband met de ingewikkelde waarderings- en berekeningssystematiek ten behoeve van de juiste waardering van de pensioenverplichting. Om de afkoop voor dga’s aantrekkelijk te maken, wordt het mogelijk gemaakt om eerst de commerciële waarde af te stempelen naar de fiscale waarde, zonder dat daarover loonbelasting, premie voor de volksverzekeringen en revisierente verschuldigd zijn. Met het afstempelen komt de dividendklem geheel of gedeeltelijk te vervallen. Vervolgens wordt nog een korting op de belastinggrondslag geboden wanneer een dga wil afkopen. Met de afkoop kunnen dga’s eigen vermogen vrijspelen dat nu vastzit in de onderneming. Het kabinet verwacht, mede op basis van gesprekken met vertegenwoordigers van de doelgroep, dat een grote groep dga’s met een PEB belangstelling zal hebben voor een afkoopregeling. Bij het vaststellen van dit percentage is er desalniettemin ook rekening mee gehouden dat een groot deel (meer dan de helft) niet zal kunnen afkopen omdat zij respectievelijk er de liquide middelen niet voor hebben, geen overeenstemming kunnen krijgen met hun (ex-)partner of afkoop niet aantrekkelijk vinden. Per saldo is de verwachting dat 36% van het bestaande PEB wordt afgekocht.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het niet zo is dat pas bij een belastbaar inkomen van boven de € 80.000 de belastingdruk meer dan 34% bedraagt voor een belastingplichtige vanaf de pensioengerechtigde leeftijd in 2017, na aftrek van de algemene heffingskorting. In eerdere stukken heb ik gemeld dat voor de reguliere PEB-uitkering een gemiddeld marginaal tarief geldt van 34%. Dat is dus het marginale tarief dat uitsluitend betrekking heeft op de PEB-uitkering. Dit percentage ligt uiteraard hoger dan het gemiddelde tarief dat een gepensioneerde over zijn hele inkomen (inclusief AOW en eventueel ander pensioeninkomen) afdraagt zoals in tabel 17 van bladzijde 24 van de memorie van antwoord wordt getoond. Dit in de tabel genoemde percentage is dus geen goede maatstaf voor het belastingbedrag dat betaald zal worden over het PEB bij reguliere afwikkeling.

Daarnaast vragen deze leden in hoeverre ik bereid ben om aan het eind van 2017 een tussentijdse rapportage op te stellen waaruit blijkt hoeveel dga’s gebruik hebben gemaakt van de afkoopmogelijkheid in 2017 en in het geval dit aantal substantieel mocht afwijken van wat is geprognosticeerd of ik bereid ben om de korting voor 2018 en 2019 te herzien. Het wetsvoorstel voorziet in een informatieplicht voor de dga bij een keuze voor afkoop of omzetting van het PEB. Daarmee heeft de Belastingdienst inzicht in de bedragen die gemoeid zijn met de afstempeling en de afkoop of de omzetting in een oudedagsverplichting. Er is geen inschatting gemaakt welk deel van de dga’s in de eerste helft van het jaar zal afkopen en welk deel in de tweede helft van het jaar. Cijfers over het gebruik over de eerste helft van het jaar hoeven niet representatief te zijn voor het gebruik in de tweede helft. Verwacht mag worden dat het grootste deel van de dga’s tot afkoop overgaat in de tweede helft van het jaar. Pas na het eind van het jaar is er dus volledig inzicht in het totaal aantal dga’s dat gebruikmaakt van de afkoop in 2017. Daarom lijkt het me beter om na afloop van 2017, in lijn met mijn toezegging aan de Tweede Kamer, uw Kamer jaarlijks te informeren over het aantal dga’s dat gebruik maakt van de afkoopregeling.31 een rapportage over op te stellen. Aanpassen van de kortingspercentages voor 2018 en 2019 te zijner tijd leidt tot een lastenrelevante derving en zal van dekking moeten worden voorzien. Het kabinet kiest hier niet voor.

Verder vragen genoemde leden of er rekening mee is gehouden dat dga’s het vrijgekomen bedrag in een vbi zullen storten. In de raming is ervan uitgegaan dat dga’s het afkoopbedrag vrij ter beschikking hebben en het kunnen gebruiken om bijvoorbeeld te herinvesteren in de bv of het op een andere manier te beleggen, consumeren of inzetten voor een andere vorm van pensioenopbouw.

De leden van de fractie van het CDA hebben voorts nog een vraag over de situatie dat de dga niet 100% van de aandelen bezit ten tijde van de afstempeling waardoor bij afstempeling een vermogensverschuiving naar de andere aandeelhouders optreedt. Deze leden vragen of dit schenkingselement kan worden voorkomen als de dga vóór afstempeling de aandelen terugkoopt voor de waarde in het economische verkeer. Indien de dga op het moment van afstempeling alle aandelen in bezit heeft, vindt er door de afstempeling van het PEB van de dga geen vermogensverschuiving plaats van de dga naar andere aandeelhouders. De waardestijging door de afstempeling ziet in dat geval immers enkel op aandelen die in bezit zijn van de dga zelf. In samenhang hiermee vragen deze leden of alsdan bij het bepalen van de overdrachtsprijs rekening mag worden gehouden met een waardeverhogend effect als gevolg van de verwachte afstempeling in de situatie dat de beoogde afkoper alle aandelen eerst verwerft. Indien in de overdrachtprijs rekening wordt gehouden met een hogere waarde vanwege de verwachte afstempeling, komt de facto een gedeelte van de waardestijging als gevolg van de afstempeling terecht bij de andere aandeelhouders. Dit zal een zakelijk handelende dga in zijn algemeenheid niet doen. Mede omdat de andere aandeelhouders de dga niet kunnen verplichten diens PEB af te stempelen. Naar ik aanneem zal bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer dan ook geen rekening worden gehouden met de mogelijkheid tot afstempeling. Volledigheidshalve merk ik op dat als de dga de aandelen koopt voor een waarde waarbij wel rekening is gehouden met een waardeverhogend effect als gevolg van de verwachte afstempeling, in zoverre sprake kan zijn van een schenking.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom voor de waardering van de pensioenverplichting de fiscale rekenrente niet is aangepast aan de commerciële rente. Daarnaast vragen zij om een gestileerd voorbeeld van de impact van het verschil tussen de fiscale en de commerciële rente op de omvang van de pensioenverplichting in eigen beheer sedert het moment dat de actuele rente daalde beneden de fiscale minimumrente van 4%.

Met betrekking tot het niet aanpassen van de fiscale rekenrente aan de commerciële rekenrente verwijs ik naar de eerder gegeven antwoorden in het verslag van een schriftelijk overleg inzake het Belastingplan 2014 en in de brief van mijn voorganger van 6 december 2013.32 Hierin is reeds uitvoerig ingegaan op deze materie. De conclusie daarbij was en is nog steeds dat een dergelijke renteaanpassing geen oplossing is voor alle gesignaleerde knelpunten. Zo blijven de ingewikkelde en voor de dga niet inzichtelijke actuariële berekeningen noodzakelijk. Verder zou dit tot een aanzienlijke budgettaire derving leiden. De maatregel in het voorliggende wetsvoorstel lost deze punten wel op.

Voor wat betreft het gestileerde voorbeeld is het verschil, gezien de huidige discrepantie tussen de commerciële rekenrente en de fiscale rekenrente, globaal gezegd te stellen op een factor drie. Dit betekent dat de commerciële waarde circa driemaal de waarde is van de fiscale waarde. Uiteraard is deze aanname afhankelijk van de leeftijd van de dga, het eventuele partnerpensioen en andere toezeggingen. Uit de hierna opgenomen tabel 14 blijkt dat er tot 2007 nagenoeg geen discrepantie was. Uit dat overzicht blijkt ook dat vanaf 2009 de marktrente voortdurend onder de 4% ligt. Deze aanhoudende lijn is eind 2012 dan ook voor uw Kamer aanleiding geweest om hier in het kader van het PEB aandacht voor te vragen tijdens de behandeling van het Belastingplan 2013 met het onderhavige wetsvoorstel als uiteindelijk gekozen oplossing.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van 50PLUS waarom de fiscale rekenrente afwijkt van de marktrente. De rente waarmee fiscaal ten minste gerekend moet worden gold destijds als een voorzichtige rekenrente, die onder andere aansloot bij de waardeoverdrachtsprijs, zoals deze tussen pensioenfondsen werd gehanteerd. Dat gold zeker in situaties waarbij aan de dga een pensioentoezegging werd gedaan met een zogenoemde open indexatie. Door de lage marktrente is nu een groot verschil ontstaan. Als thans zou worden overgegaan naar een waardering op basis van de marktrente zou dit forse negatieve budgettaire consequenties hebben.

Deze leden vragen vervolgens waarom de commerciële rekenrente niet is aangepast aan de fiscale rekenrente. Het antwoord op deze vraag is eenvoudig. Ik ben geen partij in de situatie dat verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen een overdrachtswaarde bepalen. Dit is dus aan de markt.

Voor wat betreft de vraag van deze leden welke rentestand precies wordt gehanteerd voor de berekening van de commerciële waarde van de pensioenverplichting en door wie die wordt bepaald, verwijs ik naar het eerder genoemde verslag van een schriftelijk overleg inzake het Belastingplan 2014.

Verder vragen deze leden naar een overzicht van het verloop van de marktrente vanaf ultimo 2000 tot en met ultimo oktober 2016. Ik wil allereerst aangeven dat «de» marktrente niet bestaat. De gehanteerde rente is afhankelijk van veel factoren. In de onderstaande tabel is, conform de gehanteerde tarieven bij verzekeraars tot en met 2003, het CBS-rendement gebruikt. Vanaf 2003 is in de tabel uitgegaan van het U-rendement, zoals gepubliceerd door het Verbond van Verzekeraars.

Tabel 14: Ontwikkeling gehanteerde rente 2000–2016

Jaar

Rente in procent

2000

5,5

2001

4,9

2002

4,7

2003

3,9

2004

3,3

2005

3,5

2006

2,9

2007

3,5

2008

4,0

2009

3,9

2010

3,2

2011

2,2

2012

2,1

2013

1,3

2014

1,3

2015

0,6

2016

0,1

6. Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting

De leden van de fractie van het CDA geven aan moeite te hebben met het openeindekarakter van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor laadpalen en vragen bij welk budgettair beslag ik bereid ben om de regeling te beëindigen. Het klopt dat bij fiscale stimuleringsmaatregelen, zoals deze faciliteit in de energiebelasting voor oplaadinstallaties, in de regel geen absoluut maximum bestaat voor het budgettaire bedrag dat wordt uitgegeven. Dit kan worden gezien als een nadeel van het gebruik van belastingen als stimuleringsinstrument. Het budgettaire beslag van de regeling is geraamd op gemiddeld € 2 miljoen per jaar. Het feit dat de regeling een looptijd van vier jaar kent, verkleint het budgettaire risico.

Deze leden vragen voorts of het alleen toepassen van het verlaagde tarief in de energiebelasting bij laadpalen met een zelfstandige aansluiting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het onderscheid tussen zelfstandige en niet-zelfstandige oplaadinstallaties sluit aan bij de systematiek van de energiebelasting. Volgens die systematiek moeten de energieleveranciers op het moment van levering via de aansluiting objectief kunnen vaststellen hoeveel energiebelasting zij verschuldigd zijn. De energieleveranciers zijn daartoe alleen in staat als de energie via een zelfstandige aansluiting geleverd wordt. Als geen sprake is van een zelfstandige aansluiting, is er geen afzonderlijke meter die onder de verantwoordelijkheid en het controleregime van de energieleverancier valt. Alleen wanneer sprake is van een zelfstandige aansluiting kan daarom worden vastgesteld dat alle elektriciteit geleverd via die aansluiting gaat naar het oplaadstation voor elektrische voertuigen. Op grond van het voorgaande acht ik het toepassen van het verlaagde tarief voor oplaadinstallaties met een zelfstandige aansluiting niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De groep oplaadstations met een zelfstandige aansluiting sluit overigens aan bij de groep openbare laadpalen die de indieners van de motie Van Weyenberg/Grashoff willen bereiken.33

7. Overige vragen

Voorts zijn enkele vragen gesteld die geen betrekking hebben op het pakket Belastingplan 2017 en het wetsvoorstel Wet uitwisseling inlichtingen over rulings. Deze vragen worden hierna beantwoord.

7.1. Vermogensrendementsheffing

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de verdeling van de box 3-opbrengst is volgens de opstelling van tabel 40 in de memorie van antwoord. In de hierna opgenomen tabel 15 is de opbrengst van de box 3-heffing weergegeven die verschuldigd is volgens het systeem dat in 2017 van kracht wordt.

Tabel 15: Box 3-opbrengst naar vermogensklassen

Personen met een vermogen van

Totaal vermogen

Aantal belastingplichtigen

Totaal box 3-heffing

 

(x € 1 mln.)

(x 1.000)

(x € 1 mln.)

Minder dan

 

100.000

113.637

2.375,6

482

Tussen 100.000

en

200.000

76.617

550,2

656

Tussen 200.000

en

300.000

45.043

185,6

486

Tussen 300.000

en

400.000

30.006

87,1

351

Tussen 400.000

en

500.000

21.268

47,8

259

Tussen 500.000

en

600.000

15.836

29,0

197

Tussen 600.000

en

700.000

12.327

19,1

156

Tussen 700.000

en

800.000

10.006

13,4

128

Tussen 800.000

en

900.000

8.394

9,9

109

Tussen 900.000

en

1.000.000

6.884

7,3

90

Tussen 1.000.000

en

5.000.000

61.357

35,0

884

Tussen 5.000.000

en

10.000.000

10.512

1,6

165

Meer dan

 

10.000.000

11.193

0,6

179

7.2. Btw pensioenen

De leden van de fractie van het CDA vragen om een meer uitvoerige reactie op het punt van de door de pensioenfondsen berekende extra btw-lastenverhoging, meer in het bijzonder voor wat betreft de berekening van het pensioenfonds van de metalektro (pensioenfonds PME) en het pensioenfonds schilders.

Ik ben uiteraard bereid een uitgebreidere toelichting te geven. In de brief aan de Tweede Kamer van 18 december 2013 over de toekomst van het pensioenstelsel is aangekondigd dat de toepassing van de btw-koepelvrijstelling voor pensioenuitvoering zou vervallen.34 De afschaffing van de koepelvrijstelling voor pensioenadministratiediensten was onderdeel van het pensioenakkoord. De koepelvrijstelling is vervallen omdat er sprake was van strijdigheid met de Wet OB 1968 en de BTW-richtlijn. Door toepassing van de btw-koepelvrijstelling trad er een (ernstige) verstoring van concurrentieverhoudingen op, omdat bepaalde (commerciële) aanbieders van pensioenadministratiediensten niet konden delen in de btw-koepelvrijstelling. Deze aanbieders konden geen samenwerkingsverband vormen van de opdrachtgevende pensioenfondsen en moesten derhalve wel btw in rekening brengen over de verleende pensioenadministratiediensten. Gevolg voor de opdrachtgevende pensioenfondsen is een kostenverhoging, omdat de btw op de kosten van pensioenadministratie (in belangrijke mate) niet in vooraftrek kan worden gebracht. Dit was ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging ook bekend. Overigens is de kostenverhoging veelal lager dan 21%, doordat de afschaffing van de koepelvrijstelling bij de uitvoerder van de belaste pensioenadministratie leidt tot vooraftrek en daarmee tot een verlaging van zijn uitvoeringskosten. Ik kan hierbij niet nader ingaan op de situatie van individueel belastingplichtigen zoals de leden van de fractie van het CDA vragen. Wel kan ik verwijzen naar de verantwoording die de door de leden van de fractie van het CDA aangehaalde pensioenfondsen daarover hebben afgelegd in het jaarverslag 2015. De extra btw-last is door pensioenfonds PME per deelnemer vastgesteld op € 13 per jaar en voor het pensioenfonds schilders is dit bedrag vastgesteld op € 2,80 per deelnemer per jaar.35 Zoals gezegd maakt de afschaffing van de btw-koepelvrijstelling deel uit van het pensioenakkoord. In dat akkoord zitten plussen en minnen en de afschaffing maakt dan ook deel uit van het totaalpakket. Ik zie dan ook geen ruimte om dit ene element uit dit totaalpakket te lichten en alsnog afzonderlijk te bekijken.

De Staatssecretaris van Financiën,
E.D. Wiebes

Noot 1: Letter G heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 552.

Noot 2: Kamerstukken I 2016/17, 34 552/34 553/34 554/34 555/34 545, E.

Noot 3: Kamerstukken I 2016/17, 34 550, I, blz. 26.

Noot 4: Kamerstukken I 2016/17, 34 552, E, blz. 44.

Noot 5: Kamerstukken I 2016/17, 34 302, G.

Noot 6: Zie bijvoorbeeld https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/37/koopkracht-blijft-in-doorsnee-stijgen en CBS Statline.

Noot 7: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/37/koopkracht-blijft-in-doorsnee-stijgen

Noot 8: Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34 550 XV, nr. 12.

Noot 9: Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34 550 XV, nr. 12.

Noot 10: Zie onder andere: https://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-notitie-21juni2013-inkomenseffecten-wet-uniformering-loonbegrip.pdf.

Noot 11: Kamerstukken II 2016/17, 31 066, nr. 297.

Noot 12: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 45.

Noot 13: HR 22 april 2016, nr. 15/02845, ECLI:NL:HR:2016:705.

Noot 14: Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 12.

Noot 15: HR 15 april 2016, nr. 15/02829, ECLI:NL:HR:2016:633.

Noot 16: HR 22 april 2016, nr. 15/02845, ECLI:NL:HR:2016:705.

Noot 17: Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 15.

Noot 18: Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2014, nr. BLKB 2014/2168M (Stcrt. 2014, 36875).

Noot 19: Onderdeel 2.3 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2014, nr. BLKB2014/1763M (Stcrt. 2014, 36172).

Noot 20: https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/inhoud/consultatie-belastingplan.

Noot 21: Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 5.

Noot 22: Kamerstukken I 2016/17, 34 552, E.

Noot 23: WFR 15–12 2016, R.P. van den Dool en H.F. van der Weerd-van Joolingen, Uitfaseren pensioen in eigen beheer: schenkings- en verdragsaspecten.

Noot 24: Kamerstukken II 2016/17, 34 555, nr. 5, blz. 18.

Noot 25: Kamerstukken II 2009/09, 31 930, nr. 9.

Noot 26: Kamerstukken I 2016/17, 34 552, E, blz. 71.

Noot 27: Voorstel van wet van de leden Swinkels, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, kamerstuk 33 987.

Noot 28: Kamerstukken I 2016/17, 34 552, E.

Noot 29: Kamerstukken I 2015/16, 33 752, AC; Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 122.

Noot 30: De termijnen dienen dan conform artikel 38p, derde lid, van de Wet LB 1964 te worden bepaald.

Noot 31: Kamerstukken II 2016/17 34 552, nr. 70, blz. 93.

Noot 32: Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 94, blz. 10, en Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 75, blz. 6.

Noot 33: Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 96.

Noot 34: Kamerstukken II 2013/14, 32 043, nr. 188.

Noot 35: https://www.metalektropensioen.nl/client/pme/upload/downloads/Downloadspagina/Jaarverslagen/PME_jaarverslag_2015.pdf en https://www.bpfschilders.nl/Documents/jaarverslagen/jaarverslag-bpf-schilders.pdf.