Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

11. Toelichting op de belastingontvangsten

11.1 Inleiding

Deze internetbijlage behorende bij de Miljoenennota 2016 geeft een toelichting op de raming van de belastingontvangsten voor 2015 en 2016 en gaat vervolgens dieper in op de ontwikkeling van enkele grote belastingsoorten op kas- en transactiebasis. Dit zijn achtereenvolgens de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenbelasting en de omzetbelasting. In lijn met de Comptabiliteitswet worden de belastingontvangsten op kasbasis gepresenteerd. De raming komt overeen met paragraaf 3.4.2 en bijlage 2 van de Miljoenennota.

11.2 De belastingramingen voor 2015 en 2016

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 11.2.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2014 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2015. Tabel 11.2.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2015 naar de Ontwerpbegroting 2016. De tabellen zijn op kasbasis. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar autonome mutatie en endogene mutatie. Autonome mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale maatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 11.2.1 Raming belastingontvangsten 2015 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2014

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2015

Indirecte belastingen

73.446

147

1.277

1,7%

74.871

Invoerrechten

2.406

243

247

10,3%

2.896

Omzetbelasting

43.154

162

892

2,1%

44.210

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.111

184

46

4,1%

1.341

Accijnzen

11.303

105

– 78

– 0,7%

11.330

– Accijns van lichte olie

3.968

0

45

1,1%

4.012

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.777

27

– 51

– 1,4%

3.753

– Tabaksaccijns

2.432

72

– 43

– 1,8%

2.462

– Alcoholaccijns

319

2

– 6

– 1,9%

315

– Bieraccijns

444

2

– 21

– 4,7%

425

– Wijnaccijns

363

2

– 2

– 0,5%

363

Belastingen van rechtsverkeer

3.847

– 3

288

7,5%

4.132

– Overdrachtsbelasting

1.485

– 20

276

18,6%

1.741

– Assurantiebelasting

2.362

18

12

0,5%

2.392

Motorrijtuigenbelasting

3.897

35

75

1,9%

4.006

Belastingen op een milieugrondslag

4.700

245

– 200

– 4,3%

4.745

– Afvalstoffenbelasting

15

75

0

1,6%

91

– Energiebelasting

4.283

170

– 259

– 6,1%

4.193

– Waterbelasting

260

0

4

1,6%

264

– Brandstoffenheffingen

142

0

55

38,5%

197

Verbruiksbelasting alcoholvrije dranken e.a.

213

6

4

1,6%

223

Belasting op zware motorrijtuigen

138

0

4

2,9%

142

Verhuurderheffing

1.224

170

0

0,0%

1.394

Bankbelasting (inclusief resolutieheffing 2014)

1.453

– 1.000

0

0,0%

453

      

Directe belastingen

65.537

212

4.875

7,4%

70.623

Loon- en inkomstenbelasting

45.588

578

3.913

8,6%

50.078

Dividendbelasting

3.474

– 645

296

8,5%

3.125

Kansspelbelasting

439

0

12

2,7%

451

Vennootschapsbelasting

14.511

279

563

3,9%

15.353

– Gassector

1.400

0

– 350

– 25,0%

1.050

– Niet-gassector

13.111

279

913

7,0%

14.303

Successierechten

1.525

0

91

6,0%

1.616

      

Overige belastingontvangsten

240

0

2

0,6%

241

Totaal belastingen op kasbasis

139.223

359

6.154

4,4%

145.735

Tabel 11.2.2 Raming belastingontvangsten 2016 op kasbasis (in miljoenen euro's)
 

2015

Autonome mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2016

Indirecte belastingen

74.871

519

2.331

3,1%

77.721

Invoerrechten

2.896

0

265

9,1%

3.161

Omzetbelasting

44.210

229

1.721

3,9%

46.159

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.341

38

10

0,8%

1.389

Accijnzen

11.330

13

– 68

– 0,6%

11.275

– Accijns van lichte olie

4.012

6

25

0,6%

4.043

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.753

– 1

– 32

– 0,9%

3.720

– Tabaksaccijns

2.462

8

– 56

– 2,3%

2.414

– Alcoholaccijns

315

0

– 12

– 3,9%

303

– Bieraccijns

425

0

2

0,4%

427

– Wijnaccijns

363

0

6

1,6%

369

Belastingen van rechtsverkeer

4.132

38

304

7,4%

4.475

– Overdrachtsbelasting

1.741

41

227

13,1%

2.009

– Assurantiebelasting

2.392

– 3

77

3,2%

2.465

Motorrijtuigenbelasting

4.006

– 35

94

2,3%

4.064

Belastingen op een milieugrondslag

4.745

24

– 17

– 0,3%

4.752

– Afvalstoffenbelasting

91

0

2

1,9%

92

– Energiebelasting

4.193

195

– 1

0,0%

4.387

– Waterbelasting

264

0

5

1,9%

269

– Brandstoffenheffingen

197

– 170

– 22

– 11,3%

4

Verbruiksbelasting alcoholvrije dranken e.a.

223

27

4

1,9%

254

Belasting op zware motorrijtuigen

142

0

5

3,6%

147

Verhuurderheffing

1.394

185

13

0,0%

1.592

Bankbelasting

453

0

0

0,0%

453

      

Directe belastingen

70.623

– 704

20

0,0%

69.939

Loon- en inkomstenbelasting

50.078

– 432

– 1.023

– 2,0%

48.623

Dividendbelasting

3.125

– 315

305

9,7%

3.115

Kansspelbelasting

451

0

14

3,2%

465

Vennootschapsbelasting

15.353

43

672

4,4%

16.068

– Gassector

1.050

0

– 250

– 23,8%

800

– Niet-gassector

14.303

43

922

6,4%

15.268

Successierechten

1.616

0

52

3,2%

1.668

      

Overige belastingontvangsten

241

1

0

0,0%

242

Totaal belastingen

145.735

– 185

2.351

1,6%

147.902

11.3 Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2015 komt 6,5 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2014 (zie tabel 11.2.1). Deze stijging is het saldo van de autonome mutatie van 0,4 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 6,2 miljard euro. Voor 2016 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 2,2 miljard euro ten opzichte van 2015. Dit is het saldo van een autonome mutatie van – 0,2 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 2,4 miljard euro (zie tabel 11.2.2). De hierna volgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze autonome en endogene mutaties.

11.3.1 Autonome mutaties

De belastingontvangsten in 2015 nemen met 0,4 miljard euro toe als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 11.3.1 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2015 hebben plaatsgevonden.

Tabel 11.3.1 Effecten autonome maatregelen op belastingontvangsten in 2015 op kasbasis in mln euro’s
 

Kas 2015

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2015 (internetbijlage)

299

Mutatie vanwege nabetalingen

8

Mutatie vanwege beleid

52

Totaal maatregelen

359

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord 2012–2017 en de maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen. Daarnaast hebben er autonome mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 11.3.1 laat zien dat dit in 2015 tot 8 miljoen euro lagere belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid ten opzichte van wat in Miljoenennota 2015 werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en belastingontvangsten, zijn deze verschuivingen niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.

Voor 2016 bedraagt de geraamde autonome mutatie van de belastingontvangsten van per saldo – 0,2 miljard euro (tabel 11.2.2). Deze mutatie betreft voor 0,8 miljard euro aan verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en belastingontvangsten. Deze verschuivingen zijn niet relevant voor het EMU-saldo. Het echte – dat wil zeggen voor het EMU-saldo relevante – beleidsmatige deel van de autonome mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft de mutatie 1,0 miljard euro. Een toelichting op de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten is te vinden in bijlage 2 van de Miljoenennota 2016.

11.3.2 Endogene mutaties

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2016 met 2,4 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 1,6 procent. Bijlage 2 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen vormen.

11.3.2.1 Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas, de olieprijs en de ontwikkeling van de dollarkoers. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische zaken, (Begroting XIII). Deze internetbijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens geven bedrijven in juli of augustus van datzelfde jaar T een eerste voorlopige inschatting van de winstontwikkeling. Op basis van deze voorlopige schatting kan een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 11.3.1 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 11.3.1 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Jaar T

10.531

10.146

9.597

10.220

11.604

12.846

Jaar T-1

1.819

1.097

2.002

2.671

2.815

2.626

Jaar T-2

397

576

323

821

461

392

Jaar T-3

– 426

– 243

– 295

– 154

– 132

– 120

Jaar T-4 en ouder

– 1.472

– 1.372

– 929

– 447

– 446

– 477

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

10.849

10.204

10.697

13.111

14.303

15.268

Per saldo is de verwachte endogene mutatie van 2014 naar 2015 0,9 miljard euro bij de niet gassector. Beleidsmaatregelen zorgen in 2015 voor 0,3 miljard euro hogere ontvangsten. De totale mutatie in 2015 komt uit op 1,2 miljard euro. In 2016 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,9 miljard euro. Beleidsmaatregelen met betrekking tot de vpb zoals die in het Belastingplan 2016, andere fiscale wetgeving en eerdere belastingplannen zijn opgenomen leiden per saldo tot 43 miljoen euro hogere ontvangsten in 2016. Per saldo bedraagt de totale toename in de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2016 afgerond 1,0 miljard euro.

11.3.2.2 Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In de eerste instantie dragen particulieren maandelijks loonbelasting af op basis van hun inkomen uit arbeid. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens voor 1 april van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor zijn per saldo de opbrengsten van de inkomensheffing negatief. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten premies volksverzekeringen welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze internetbijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 11.3.2 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2014

2015

2016

Opbrengst op transactiebasis

93.293

94.884

93.692

    

Mutatie

 

1.591

– 1.192

 

waarvan endogeen

 

2.472

1.987

 

waarvan autonoom

 

– 881

– 3.179

    

Endogene groei (in %)

 

2,6%

2,1%

In tabel 11.3.2 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2015 en 2016 te zien. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2015 2,5 miljard euro. In 2016 wordt een endogene groei van 2,0 miljard euro verwacht. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van enkele gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2016 van het CPB.

Tabel 11.3.3 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing
 

2015

2016

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

0,5%

1,0%

Contractloonstijging

1,5%

1,7%

Incidentele loonstijging

0,5%

0,5%

Tabelcorrectiefactor

0,9%

0,5%

Arbeidsinkomensquote marktsector

77,2

77,5

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2015 neemt de werkgelegenheid toe met 0,5 procent. De contractloonstijging komt uit op van 1,5 procent en ook de incidentele loonontwikkeling zorgt met 0,5 procent voor een plus. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2015 van 2,5 miljard. In 2016 neemt de werkgelegenheid met 1 procent toe. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 1,7 procent en 0,5 procent positief uit. Per saldo leidt dit in 2016 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 2,0 miljard euro.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de autonome maatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 11.3.4 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)
 

2014

2015

2016

Inkomensheffing op transactiebasis

– 3.846

– 2.840

– 2.253

    

Mutatie

 

1.005

587

 

waarvan endogeen

 

739

1.045

 

waarvan autonoom

 

266

– 458

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in zowel 2015 als 2016 positief, met een groei van respectievelijk 0,7 en 1,0 miljard euro. Onderliggend is er sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing tot gevolg. Tegelijkertijd trekken de winsten van zelfstandigen, die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting weer aan in beide jaren.

11.3.2.3 Omzetbelasting

De omzetbelasting is de grootste belastingsoort en verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 11.3.5 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2015 en 2016
 

2015

2016

Particuliere consumptie, waardemutatie

2,7%

3,2%

Investeringen in woningen, waardemutatie

18,0%

7,3%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

– 2,9%

0,5%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een laag btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten.

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten op transactiebasis bedraagt naar verwachting 2,1 miljard in 2015. Ook in 2016 wordt een positieve ontwikkeling van 1,4 miljard verwacht.

Tabel 11.3.6 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro's)bedragen in miljoenen euro's
  

2014

2015

2016

Omzetbelasting op transactiebasis

43.100

44.544

46.647

     

Mutatie

 

2.102

1.444

 

waarvan endogeen

 

1.921

1.199

 

waarvan autonoom

 

181

245

     

Endogene mutatie in procent

 

4,1%

2,8%

De ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2015 positief: 2,7 procent. De investeringen in woningen vallen met een mutatie van 18,0 procent flink positief uit. Daar staat een kleine min tegenover door overheidsinvesteringen die met 2,9 procent afnemen. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (1,9 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2015 verwacht. In 2016 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 3,2 en 7,3 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 0,5 procent in 2016 gematigd positief. Per saldo resteert naar verwachting een positieve endogene ontwikkeling (1,2 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis.