Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

1.3 Economische ontwikkelingen

Het herstel van de Nederlandse economie begint langzaam vorm te krijgen. Het Centraal Planbureau (CPB) raamt een groei van ¾ procent in 2014. De zachte winter beïnvloedt het groeicijfer voor 2014. Deze heeft ertoe geleid dat de gasconsumptie in het eerste kwartaal daalde. Hoewel dit in eerste aanleg negatief is voor het bbp, leidt dit wel tot een meevaller voor consumenten in de vorm van een lagere gasrekening. Deze meevaller kunnen zij vervolgens inzetten om extra te consumeren of schulden af te lossen. De groei trekt in 2015 naar verwachting verder aan tot 1¼ procent. De uitvoer is een belangrijke motor van het herstel. Hiermee profiteert Nederland van de verbeterende wereldeconomie. Volgens cijfers van het CPB neemt de groei van het mondiale bbp licht toe van 3 procent in 2013 tot 3¼ procent in 2014 en verder tot 3¾ procent in 2015. Er blijven echter risico’s verbonden aan de ontwikkeling van de wereldeconomie (zie box 1.3.1).

Box 1.3.1 Internationale risico’s

Geopolitieke spanningen

Geopolitieke spanningen in verschillende regio’s, zoals Oekraïne en Irak, intensiveren de laatste maanden. Naast politieke effecten kunnen deze geopolitieke ontwikkelingen, zoals de situatie in Oekraïne, economische effecten hebben. Negatieve effecten van de situatie in Oekraïne op de economie van de eurozone, via de wereldhandel, energieprijzen en financiële markten, zijn vooralsnog beperkt. Ook de Russische boycot van landbouwproducten uit de Europese Unie heeft naar verwachting een beperkt macro-economisch effect, hoewel de gevolgen op bedrijfsniveau ingrijpend kunnen zijn. Het CPB geeft aan dat bij verdere escalatie van het conflict de Nederlandse bbp-groei in 2015 ¼ procentpunt tot ½ procentpunt lager uit kan vallen.2 De situatie in Oekraïne heeft zich al wel vertaald in forse neerwaartse bijstellingen in de groeiverwachtingen voor Rusland. Werd begin dit jaar voor 2014 nog een groei van 2 procent geraamd, op dit moment is dit nog maar 0,2 procent.3

Groeivertragingen opkomende economieën

Naast deze geopolitieke risico’s lijken de risico’s op groeivertragingen in opkomende economieën toegenomen. De opkomende economieën waren de afgelopen jaren verantwoordelijk voor meer dan twee derde van de verwachte groei van de wereldeconomie en zullen ook de komende jaren sneller groeien dan Europese landen. Twijfels over het groeipotentieel hebben de afgelopen jaren echter geleid tot forse neerwaartse bijstellingen in groeiverwachtingen voor opkomende economieën. Deze landen komen uit een periode van oververhitting, mede als gevolg van ruim monetair beleid in ontwikkelde economieën en/of expansief fiscaal en monetair binnenlands beleid. Het IMF schat dat de Chinese economie in 2014 met 7,4 procent zal groeien, het laagste groeitempo in 25 jaar.4 Door het toenemende gewicht van opkomende economieën in de wereldeconomie zullen dergelijke effecten ook de Nederlandse economie beïnvloeden. Naar schatting resulteert 1 procentpunt minder groei in alle opkomende economieën tezamen in ¼ procentpunt minder groei voor de eurozone via beperktere handelsmogelijkheden.5 Voor een kleine open economie als de Nederlandse kan het effect tweemaal zo groot zijn.6

Afbouw monetair beleid Verenigde Staten

Het afbouwen van steunaankopen door de Federal Reserve (het Amerikaanse stelsel van centrale banken) in de Verenigde Staten (VS) kan er in sommige landen toe leiden dat de groei vertraagt. De economische vraag wordt in de VS, maar ook in Japan en het Verenigd Koninkrijk (VK), sterk gestimuleerd door ruim monetair beleid. Financiële markten verwachten dat de Federal Reserve in het najaar van 2014 stopt met de opkoop van obligaties (de zogenoemde kwantitatieve verruiming). In de loop van 2015 verhoogt de Federal Reserve mogelijk voor het eerst de beleidsrentes, als de conjunctuur volgens verwachting aantrekt. Deze verwachte beleidswijziging kan de wereldeconomie beïnvloeden, vanwege het grote economische gewicht van de VS. De aankondiging van de afbouw in mei 2013 zorgde voor onrust in een aantal opkomende economieën. Met name landen met een hoog lopenderekeningtekort en structurele zwakheden in de economie ondervonden kapitaaluitstroom, een dalende wisselkoers en stijgende rentes. Gedurende de daadwerkelijke afbouw van het opkoopprogramma bleven forse marktreacties uit. Hoewel de kans op een heftige reactie afgenomen lijkt, zijn nieuwe periodes van onrust niet uitgesloten.

Potentiële positieve ontwikkelingen

Naast de neerwaartse risico’s bestaan ook kansen op positieve verrassingen bij het huidige beeld van de wereldeconomie. Zo kan het herstel in ontwikkelde economieën zoals het eurogebied, de VS en het VK sneller gaan dan verwacht.7 Daarnaast kan een adequate Comprehensive Assessment door de Europese Centrale Bank en de Europese Bankenautoriteit bijdragen aan het herstel van vertrouwen in het eurogebied. Dit kan vervolgens een investerings- en bestedingsimpuls geven.
Ook binnenlandse factoren dragen bij aan de economische groei. Het dieptepunt van zowel de particuliere consumptie als de bedrijfsinvesteringen lijkt achter de rug. De conjunctuurindicator van het CPB is de komende tijd positief. Na vier jaar van daling stijgt de koopkracht in 2014 met 1½ procent.8 Bovendien is het consumentenvertrouwen het afgelopen jaar sterk toegenomen. De nullijn voor ambtenaren loopt in 2015 af. Voor het eerst sinds 2010 draagt de binnenlandse consumptie in 2015 bij aan de groei. De koopkracht stijgt dan in doorsnee met ½ procent. Het producentenvertrouwen is eveneens verbeterd, van negatief tot neutraal. De productie in zowel de industrie als de bouw neemt toe. Voor 2014 en 2015 wordt een stijging van de bedrijfsinvesteringen voorzien. In beide jaren dragen deze positief bij aan de groei.
De arbeidsmarkt reageert, zoals gebruikelijk, vertraagd op de aantrekkende economie. Het werkloosheidspercentage blijft hierdoor in 2014 op een hoog niveau van 7 procent van de beroepsbevolking (internationale definitie) en daalt langzaam tot 6¾ procent in 2015. De piek van de werkloosheid lijkt volgens het CPB echter wel bereikt. Het CPB verwacht dat de werkgelegenheid in de marktsector mondjesmaat weer toe gaat nemen. In juli was 6,7 procent van de beroepsbevolking werkloos.9 Zowel voor de werkloze zelf als voor zijn omgeving als voor de maatschappij is werkloosheid pijnlijk. Om werkloosheid te bestrijden en te voorkomen ondersteunt het kabinet mensen bij het vinden van een passende baan. De derde tranche van de sectorplannen10 gaat zich specifiek richten op het bevorderen van van-werk-naar-werk en van-werkloosheid-naar-werk. Om van-werk-naar-werk te bevorderen introduceert het kabinet in 2015 binnen de sectorplannen de brug-WW. Dit vergemakkelijkt baanwisselingen waarbij sprake is van substantiële omscholing in de richting van groeiberoepen en -sectoren. Deze extra ondersteuning vanuit de WW drukt de kosten voor de werkgever.

De ontwikkeling van de koopkracht is voor 2015 is positief. De koopkracht neemt in 2015 in doorsnee met ½ procent toe. Dat wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een gemiddelde reële loonstijging van ¼ procent en lagere pensioenpremies. Daarnaast hebben midden- en hoge inkomens voordeel van de intensivering in de arbeidskorting van 500 miljoen euro, waardoor de afbouw een stuk wordt opgeschoven. Daar staat tegenover dat de zorgpremie volgend jaar naar verwachting met ruim 100 euro stijgt. Deze stijging wordt voor lage inkomens gecompenseerd door een hogere zorgtoeslag. De koopkracht van lagere inkomens blijft daarnaast op peil doordat drie kwart van de tijdelijke verlaging van het belastingtarief in de eerste schijf structureel wordt gemaakt. Mede dankzij deze maatregelen zien zowel lage, midden- als hoge inkomens hun koopkracht in doorsnee toenemen. Voor de meeste gepensioneerden blijft koopkrachtwinst uit. Dat komt doordat de indexatie van veel pensioenen in 2015 achterblijft bij de inflatie.

Hoewel het een kleine groep betreft, springt de inkomensachteruitgang van alleenverdieners met een modaal inkomen in het oog. Het kabinet heeft bijzondere aandacht voor deze groep. Vorig jaar is in de begrotingsafspraken besloten de kinderbijslag voor oudere kinderen niet af te bouwen en de kindbedragen in het kindgebonden budget te verhogen. Dit heeft vooral de koopkrachtontwikkeling van alleenverdieners goed gedaan. Dit jaar wil het kabinet de koopkracht van gezinnen met kinderen, waaronder alleenverdieners, een hart onder de riem steken door onder andere het afbouwpercentage van het kindgebonden budget te verlagen. De maatregelen zijn er zoveel mogelijk op gericht om de achteruitgang bij deze groep te beperken. Ook in de toekomst houdt het kabinet aandacht voor de positie van alleenverdieners met kinderen.

De ontwikkelingen in koopkracht maken werken aantrekkelijker. De maximale arbeidskorting wordt met 100 euro verhoogd. Mede hierdoor wordt de inkomensvooruitgang voor mensen die vanuit een uitkering aan het werk gaan groter. Speciale aandacht gaat uit naar de alleenstaande ouder die werkt tegen het minimumloon. Deze huishoudens gaan er volgend jaar 10 procent in koopkracht op vooruit dankzij de herziening van kindregelingen. Onderdeel van deze hervorming is de harmonisatie van de inkomensondersteuning voor kinderen met lage inkomens. Het wetsvoorstel lost de armoedeval voor de alleenstaande ouder in de bijstand op. Hiermee wordt een belangrijke financiële belemmering voor alleenstaande ouders om te gaan werken weggenomen.

De eurozone is na een zeer turbulente periode sinds vorig jaar in rustiger vaarwater gekomen. Directe risico’s voor de financiële stabiliteit zijn afgenomen, wat onder meer zichtbaar is in de rente die landen betalen op hun schuldpapier. Dit is mede het gevolg van het instellen van de Europese noodfondsen, ondersteund door de Europese Centrale Bank via de aankondiging van het OMT-programma.11 De economie van de eurozone klimt momenteel langzaam uit het dal, met nog forse verschillen tussen landen. De Europese Commissie raamt een groei van 1,2 procent in 2014, oplopend tot 1,7 procent in 2015. Dit suggereert dat Europa de crisis achter zich laat, maar zich nog zwak herstelt. Na de aanscherping van het begrotingsraamwerk is daarom momenteel meer aandacht nodig voor structurele hervormingen om concurrentienadelen weg te nemen en het groeipotentieel te versterken.
Een gezonde eurozone is van bijzonder belang voor de Nederlandse economie. In 2013 ging ruim 56 procent van de Nederlandse export naar de eurolanden.12 Herstel van de vraag vanuit die landen zorgt ervoor dat de Nederlandse economie sneller terugkeert op het potentiële bbp-niveau. Door groei en stabiliteit in de eurolanden die steun hebben ontvangen nemen bovendien de risico’s af die Nederland loopt via leningen en garantstellingen. Deze landen hebben de afgelopen jaren de nodige structurele hervormingen doorgevoerd die eerder werden uitgesteld. Deze hervormingen zijn er bijvoorbeeld op gericht de arbeidsmarkt beter te laten functioneren.

Kwetsbare eurolanden lijken op korte termijn de vruchten van hun hervormingen te kunnen plukken. Voor alle landen die ondersteuning hebben ontvangen, voorspelt de Europese Commissie economische groei in 2015: Ierland groeit naar verwachting met 3,0 procent, Griekenland met 2,9 procent, Spanje met 2,1 procent, Portugal met 1,5 procent en Cyprus met 0,9 procent. De strategie van herstel van overheidsfinanciën in combinatie met structurele hervormingen lijkt dan ook aan te slaan. Om structureel hogere groeicijfers te laten zien, zijn echter verdere hervormingen nodig. De lage rente op staatsschuld moet de eurolanden niet in slaap sussen, maar juist worden benut om versneld de economieën verder op orde te brengen. Daarom wil het kabinet de Europese groeiagenda verder vormgeven door landen betere prikkels te geven om verdere hervormingen door te voeren (zie verder paragraaf 2.2.4).