Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Hoofdstuk 4: Financieel Management

4.1 Inleiding

Het financieel management bij het Rijk is van een hoog niveau en zorgde ook in 2015 voor een goede beheersing van de uitgaven en ontvangsten van het Rijk. De bedrijfsvoering is in 2015 over het algemeen beheerst verlopen. Het niveau van rechtmatigheid van de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van het Rijk was in 2015 wederom hoog. Nederland voldeed op rijksniveau ook in 2015 weer ruimschoots aan de nationale norm van 99 procent voor rechtmatigheid.

Daarnaast zorgt de financiële functie33 van het Rijk voor beheersing en continuïteit in de financiële processen. De financiële functie van het Rijk is decentraal ingericht en tegelijkertijd groeit de samenwerking binnen de bedrijfsvoering van het Rijk.
Ondanks de goede kwaliteit van het financieel management bij het Rijk in 2015 zijn er ook aandachtspunten. Bij twee begrotingshoofdstukken (Defensie en Wonen en Rijksdienst) is de rapporteringsgrens voor fouten op begrotingshoofdstukniveau overschreden34 (zie paragraaf 4.2). De rijksbrede bedrijfsvoering, de hierin onderkende risico’s (zie paragrafen 4.3 en 4.4) en de kwaliteit van de beleidsinformatie (zie paragraaf 4.5) verdienen nog aandacht. Om de kwaliteit van de bedrijfsvoering op een hoog niveau te waarborgen en adequaat te reageren op de (rijksbrede) risico’s is continue verandering en verbetering noodzakelijk (zie paragrafen 4.4 en 4.6). Voor de resultaten in 2015 op het terrein van personeel, informatie- en communicatietechnologie (ICT), organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging wordt verwezen naar de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 201535 van de Minister voor Wonen en Rijksdienst (WenR).

4.2 Rechtmatigheid van de uitgaven

Het niveau van rechtmatigheid36 van de verplichtingen, ontvangsten en uitgaven van het Rijk is onverminderd hoog. Het percentage fouten en onzekerheden voor het gehele Rijk lag, evenals voorgaande jaren, ruim onder de grens van 1 procent van de totale uitgaven in 2015.
Tabel 4.1 Rechtmatigheid en deugdelijke weergave van de rijksuitgaven in de afgelopen jaren volgens de Algemene Rekenkamer (in procenten)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Rechtmatigheid en deugdelijke weergave uitgaven Rijk (%)

99,66

99,76

99,80

99,73

99,53

99,69

Het Rijk hanteert een rapporteringstolerantie van 1 procent voor het begrotingshoofdstukniveau (met uitzondering van kleine begrotingshoofdstukken) en 3 procent voor het begrotingsartikelniveau.

De rapporteringstoleranties bepalen boven welk bedrag een Minister verplicht is om in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementale jaarverslag melding te maken van fouten en onzekerheden ten aanzien van de rechtmatigheid en de getrouwe weergave in het jaarverslag en deze fouten en onzekerheden toe te lichten.

In 2015 is de rechtmatigheid van alle begrotingshoofdstukken afzonderlijk eveneens ruim binnen de geldende rapporteringstoleranties gebleven, met uitzondering van het begrotingshoofdstuk van Defensie en het relatief kleine begrotingshoofdstuk van Wonen en Rijksdienst.37 Daarnaast is bij een aantal begrotingsartikelen de rapporteringstolerantie overschreden. In de bedrijfsvoeringsparagrafen van de departementale jaarverslagen over 2015 zijn deze overschrijdingen van de rapporteringstoleranties nader toegelicht en gekwantificeerd.

De belangrijkste fouten en onzekerheden in 2015 zijn veroorzaakt door:

  • 1.  Onzekerheden omdat de motivering van de objectieve leverancierskeuze niet kon worden aangetoond bij onderhandse aanbestedingen (zie paragraaf 4.4);
  • 2.  Fouten en onzekerheden als gevolg van het niet geheel voldoen aan (Europese) aanbestedingsregels en (contract)voorwaarden;
  • 3.  Het niet tijdig per brief melden aan de Tweede Kamer van beleidsmatige begrotingsmutaties na de Najaarsnota (zie 4.2.5);
  • 4.  Een rechtstreekse uitkering uit het Gemeentefonds aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Volgens de Financiële-Verhoudingswet mogen betalingen uit het Gemeentefonds alleen ten goede komen aan gemeenten en niet aan de VNG;
  • 5.  Fouten in de voorlopige toekenningen huurtoeslagen bij het begrotingshoofdstuk van het Ministerie voor Wonen en Rijksdienst als gevolg van behandelfouten en het niet of niet juist verwerken van de ontvangen huurgegevens van de verhuurder door de Belastingdienst;
  • 6.  Onzekerheden bij het Ministerie van VWS over de rechtmatigheid van de zorguitgaven van Caribisch Nederland.

4.2.1 Rechtmatigheidsfouten bij Shared Service Organisaties (SSO’s)

Ministers zijn verantwoordelijk voor het beleid, het budget en de bedrijfsvoering van hun ministerie. Ministeries besteden in toenemende mate onderdelen van hun bedrijfsvoering uit aan zogenoemde Shared Service Organisaties (SSO’s; zie paragraaf 4.4). Hierdoor is er vaker sprake van «geïmporteerde fouten» van SSO’s bij de budgetverantwoordelijke Ministers. Rechtmatigheidsfouten worden toegerekend aan het begrotingsartikel en dus de begroting waarin het beschikbare budget is opgenomen (dus bij de opdrachtgevende Minister en niet bij de SSO).

4.2.2 Rechtmatigheid sociaal domein

Per 1 januari 2015 is een groot aantal taken op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en maatschappelijke ondersteuning (sociaal domein) gedecentraliseerd naar gemeenten.

De middelen voor deze nieuwe taken ontvangen deze gemeenten via een integratie-uitkering uit het Gemeentefonds. Deze middelen zijn vrij besteedbaar, zodat de gemeenten de vrijheid hebben om binnen de wettelijke kaders hun nieuwe taken zelf vorm te geven. Het Rijk heeft de middelen hiervoor aan de gemeenten in 2015 rechtmatig uitgekeerd.

Veel gemeenten hebben knelpunten ervaren bij het aantonen van de rechtmatigheid van de besteding van deze middelen tijdens de transitiefase in 2015. Het ging dan vooral om de gemeentelijke uitgaven voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet, zoals via het Trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb).

Over deze knelpunten bij de gemeenten en de mogelijke oplossingen is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd in februari 2016.38

4.2.3 Misbruik en oneigenlijk gebruik

Regelingen zijn gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O), indien afhankelijkheid bestaat van gegevens die door belanghebbenden verstrekt worden. Dit is vaak het geval bij subsidies, uitgaven sociale zekerheid en belastingen.

Box 4.1 Misbruik en oneigenlijk gebruik

Onder misbruik wordt verstaan: het bewerkstelligen van geen of te geringe betaling van verplichte bijdragen aan de overheid en van het verkrijgen of genieten van een (te hoge) uitkering door het bewust niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig verstrekken van inlichtingen.

Onder oneigenlijk gebruik wordt verstaan: het volgens de regels van de wet, maar in strijd met de bedoeling van de wettelijke bepalingen, geheel of ten dele ontgaan van een verplichte bijdrage aan de overheid en verkrijgen of genieten van een (te hoge) uitkering.39

Ieder departement hoort inzicht te hebben in de M&O-gevoelige regelingen, de potentiële risico’s op M&O en de gewenste en getroffen maatregelen om M&O te voorkomen en te bestrijden. De omvang van de te nemen maatregelen voor een toereikend M&O-beleid wordt echter wel begrensd door:

  • •  inherente beperkingen in wettelijke bepalingen, zoals privacywetgeving;
  • •  politieke overwegingen;
  • •  beperkingen in de betrouwbaarheid van gegevens van externe partijen;
  • •  een te ongunstige verhouding tussen de kosten die aan de te nemen (extra) maatregelen zijn verbonden in relatie tot het nut van die maatregelen.

Deze beperkingen veroorzaken inherente onzekerheid bij het voorkomen en bestrijden van M&O.

Wanneer het M&O-beleid toereikend is, hebben eventuele inherente onzekerheden geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de uitgaven en het oordeel daarover van de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer.

Over regelingen met ontoereikend M&O-beleid moeten departementen rapporteren in het onderdeel «Rechtmatigheid» van de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementaal jaarverslag. Onzekerheid die het gevolg is van onvoldoende M&O-beleid kan, afhankelijk van de omvang, wel negatieve gevolgen hebben voor het oordeel van de Auditdienst Rijk (ADR) en de Algemene Rekenkamer. De bedrijfsvoeringsparagrafen van de departementale jaarverslagen maken geen melding van M&O-beleid dat (op onderdelen) niet toereikend is. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het M&O-beleid in opzet en werking bij alle departementen toereikend is.

Vanaf 2014 moeten de departementen in de bedrijfsvoeringsparagrafen hun M&O-beleid beschrijven voor de onderkende M&O-risico’s, inclusief de maatregelen die zijn of worden ingezet om deze M&O-risico’s te beheersen. In de bedrijfsvoeringsparagrafen worden eveneens de resterende M&O-risico’s beschreven en gekwantificeerd na uitvoering van het M&O-beleid.

4.2.4 Fraude

In het verantwoordingsdebat over 2012 is aan de Tweede Kamer toegezegd om voortaan in de bedrijfsvoeringsparagrafen van de departementale jaarverslagen expliciet aandacht te besteden aan de onderkende frauderisico’s en de getroffen of in te zetten maatregelen om deze risico’s te beheersen.

Box 4.2 Fraude

Onder fraude wordt verstaan: opzettelijke misleiding om een onrechtmatig of onwettig voordeel te verkrijgen.40

De meeste departementen besteden hier aandacht aan in de bedrijfsvoeringsparagrafen van hun departementale jaarverslagen over 2015.

De Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) heeft namens het kabinet op 21 december 2015 de Tweede Kamer geïnformeerd41 over de voortgang van de rijksbrede aanpak van fraude. Hierin geeft het kabinet aan dat de afgelopen twee jaar goede vorderingen gemaakt zijn bij het verder verstevigen van het beleid tegen fraude met overheidsgeld.

De vier hoofdthema’s in 2015 waren:

  • •  fraudebestendige wet- en regelgeving;
  • •  kaderwet gegevensuitwisseling binnen samenwerkingsverbanden;
  • •  project landelijke aanpak adreskwaliteit;
  • •  mogelijke frauderisico’s met rijkssubsidies.

Het uitgangspunt is dat preventie van fraude voorop staat, bijvoorbeeld door fraudebestendige wet- en regelgeving en goede voorlichting. Ook is een sterke impuls gegeven aan het rijksbreed wegnemen van de gelegenheden om te frauderen, aan verbeterde detectie van fraude en aan de gerichte aanpak van fraudeurs. Zo is het bewustzijn ten aanzien van het toetsen op frauderisico’s bij nieuwe wet- en regelgeving toegenomen. Dit leidt tot fraudebestendiger wet- en regelgeving. Er is fors geïnvesteerd in beter functionerende basisregistraties, met name de Basisregistratie Personen (BRP), onder meer door het project landelijke aanpak adreskwaliteit. Mogelijke risico’s op fraude met rijkssubsidies zijn geïdentificeerd en de komende periode worden concrete maatregelen opgepakt door de departementen. Tevens zijn en worden maatregelen getroffen ter verbetering van de informatiepositie van en informatie-uitwisseling tussen overheidsdiensten, waaronder het opstellen van een kaderwet gegevensuitwisseling binnen samenwerkingsverbanden.

De Ministers informeren de Tweede Kamer via hun departementale jaarverslagen en andere reguliere rapportages over de stand van zaken op de onderscheiden beleidsterreinen.

4.2.5 Beleidsmatige mutaties na de Najaarsnota

De tweede suppletoire wet (die tegelijkertijd met de Najaarsnota verschijnt) is het laatste wetgevingsmoment gedurende het begrotingsjaar om wijzigingen in de begrotingen voor goedkeuring voor te leggen aan de Tweede Kamer. Als daarna nog beleidsmatige begrotingsmutaties nodig zijn, dan moeten deze per brief aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

In bijlage 7 is een overzicht opgenomen met de beleidsmatige begrotingsmutaties die na de Najaarsnota aan de Tweede Kamer zijn gemeld. Net als voorgaande jaren is een ondergrens van 2 miljoen euro gehanteerd.

4.2.6 Nationale verantwoording uitgaven EU-fondsen in gedeeld beheer

In 2016 heeft het kabinet voor de tiende keer de Nationale Verklaring42 afgegeven. Hierin legt het kabinet verantwoording af aan de Tweede Kamer en de Europese Commissie over de uitgaven van EU-fondsen in gedeeld beheer.43 Dit zijn de EU-structuurfondsen44 en het Europees Visserij Fonds (EVF) in 2014, de EU-Landbouwfondsen45 in 2014–2015 en de jaarprogramma-uitgaven voor de Migratiefondsen46 in 2012. De Nationale Verklaring wordt op verantwoordingsdag door de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer aangeboden.

De Nationale Verklaring laat een positief beeld zien van de rechtmatigheid van de uitgaven. Dit geldt ook voor het functioneren van de beheers- en controlesystemen voor het financieel beheer, met uitzondering van het Europees Vluchtelingenfonds (onderdeel Migratiefondsen). Bij dit fonds (EU-bijdrage aan Nederland over 2012: 4,8 miljoen euro) heeft de auditautoriteit een afkeurend systeemoordeel gegeven en een te hoog foutpercentage vastgesteld. Er zijn maatregelen genomen om een dergelijke fout in de toekomst te voorkomen. Het foutpercentage en de genomen verbetermaatregelen zijn toegelicht in de Nationale Verklaring.

In 2014 heeft de Europese Commissie een betaalonderbreking aan het EVF opgelegd als gevolg van de hoge foutpercentages door tekortkomingen in het beheers- en controlesysteem in de jaren daarvoor (2013: 22,04 procent, 2012: 21,9 procent). Naar aanleiding van deze tekortkomingen is door de managementautoriteit een actieplan opgesteld, dat in 2015 is afgerond en door de auditautoriteit als voldoende is beoordeeld. Dit was voor de Europese Commissie aanleiding om de betaalstop op te heffen. In 2015 is bij de declaratie van het EVF een goedkeurende verklaring verstrekt door de auditautoriteit.

4.3 Rijksbrede bedrijfsvoering

In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementale jaarverslag legt elke Minister verantwoording af over de rechtmatigheid van de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen, het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer, de totstandkoming van de beleidsinformatie en over eventuele overige aspecten van de bedrijfsvoering van het desbetreffende ministerie. Op deze manier sluit de verslaglegging aan bij de ministeriële verantwoordelijkheid.

4.3.1 Verantwoordelijkheidsverdeling en verantwoording rijksbrede bedrijfsvoering

De Minister voor Wonen en Rijksdienst (WenR) en de Minister van Financiën hebben kaderstellende of voorwaardenscheppende verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor de rijksbrede bedrijfsvoering. Deze verantwoordelijkheid voor het systeem van de rijksbrede bedrijfsvoering wordt aangeduid als systeemverantwoordelijkheid.47

De Minister van Financiën heeft op grond van de Comptabiliteitswet 2001 een coördinerende taak bij het begrotingsbeheer en de rijksbrede financiële bedrijfsvoering. De Minister van Financiën verantwoordt zich hierover in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR).

De Minister voor WenR heeft een systeemverantwoordelijkheid op het terrein van personeel, ICT, organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging. De Minister voor WenR biedt in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 een samenhangend beeld van de organisatie en de bedrijfsvoering van het Rijk. Tevens bevat de jaarrapportage de ontwikkelingen in de Hervormingsagenda Rijksdienst.48

4.3.2 Rijksbreed beeld 2015 over de bedrijfsvoering

Uit de departementale jaarverslagen en de samenvattende auditrapporten van de Auditdienst Rijk komt het beeld naar voren dat het financieel beheer en materieelbeheer rijksbreed grotendeels op orde is. De afgelopen jaren zijn veel problemen opgelost.

Een beperkt deel van het financieel beheer, materieelbeheer en de overige aspecten van de bedrijfsvoering van de ministeries vertoont echter nog wel tekortkomingen. Het gaat daarbij vooral om:

  • •  het inkoop- en contractbeheer (inclusief de naleving van de aanbestedingsregels);
  • •  de informatiebeveiliging bij de ministeries, in het bijzonder de volledige implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR);
  • •  de administratie en het beheer van voorschotten en verplichtingen.

4.3.3 Risico’s voor de rijksbrede bedrijfsvoering

Zoals in paragraaf 4.1 genoemd, zijn de financiële processen niet vrij van risico’s en blijft de rijksbrede bedrijfsvoering onverminderd aandacht vragen. Uit het rijksbrede beeld over de bedrijfsvoering en uit de signalen van de Auditdienst Rijk zijn de volgende belangrijke risico’s in de rijksbrede bedrijfsvoering onderkend:

  • •  bij de inkoop en met name de naleving van (Europese) aanbestedingsregels zijn er tekortkomingen in het beheer;
  • •  de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) is nog niet volledig geïmplementeerd bij alle ministeries;
  • •  door de toenemende verschuiving van verantwoordelijkheden en (bedrijfsvoerings)taken van ministeries naar SSO’s worden goede afspraken over de kwaliteit van de dienstverlening steeds belangrijker.

In paragraaf 4.4 en in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 is hierover meer informatie te vinden.

4.3.4 Ontwikkelingen in de bedrijfsvoering van de Belastingdienst, Defensie en VenJ

De Algemene Rekenkamer signaleerde in voorgaande jaren onvolkomenheden en grote uitdagingen in de bedrijfsvoering bij de Belastingdienst en de Ministeries van Defensie en Veiligheid en Justitie (VenJ).

In 2014 heeft de Algemene Rekenkamer een ernstige onvolkomenheid gesignaleerd bij de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft veel IT-systemen in gebruik die in een aantal gevallen sterk verouderd zijn en voor problemen zorgen in de uitvoering van de processen van de Belastingdienst.

Om de overgang te realiseren van de huidige IT-systemen naar een toekomstvast IT-landschap is in 2015 het programma Regie Modernisering IV49-landschap ingericht. In dit programma worden drie veranderlijnen onderscheiden: vereenvoudiging/vernieuwing in de lijn van de investeringsagenda, rationalisatie en verbeterde informatie. In elk van deze veranderlijnen zijn al resultaten geboekt. De modernisering van het IV-landschap wordt mede beïnvloed door de nieuwe werkwijzen van de investeringsagenda.
Bij het Ministerie van Defensie is de zorgwekkende staat van het IT-beheer voortvarend aangepakt. Na het onderzoek naar de staat van de IT bij Defensie zijn maatregelen genomen om de IT-continuïteit voor de kortere termijn te borgen. Deze maatregelen zijn deels gerealiseerd. Om de continuïteit op de lange termijn te garanderen is besloten om de IT-infrastructuur volledig te vernieuwen. In overeenstemming met de visie op IT50 staan hierbij continuïteit, beveiliging en innovatie centraal. In december 2015 is aan de Tweede Kamer over de voortgang gerapporteerd.51 Voor de vernieuwing wordt ten minste vijf jaar uitgetrokken.

In 2015 zijn wederom stappen gezet om het financieel beheer te verbeteren. De digitalisering van het verificatieproces heeft voor een belangrijke verbetering in het betaalproces gezorgd. Begin 2016 is een werkgroep «Laat de keten werken» opgericht. Deze werkgroep dient de nodige verbetermaatregelen binnen de lijnorganisatie te initiëren. De aandachtspunten raken meerdere domeinen binnen de bedrijfsvoering. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over de regie op de keten.

In 2015 is binnen het Ministerie van VenJ de visie op de controlfunctie inclusief maatregelen om de controlfunctie te verbeteren opgesteld.52 Dit heeft plaatsgevonden als vervolg op het onderzoek dat in 2014 door het Ministerie van VenJ is uitgevoerd en heeft mede plaatsgevonden naar aanleiding van het advies van de Algemene Rekenkamer.

De departementale leiding heeft in samenspraak met het Ministerie van Financiën eind 2015 het initiatief genomen om te komen tot een verbetering van de financiële beheersing van de begroting met twee organisatorische maatregelen. Deze maatregelen zien toe op de herinrichting van de controlfunctie en een herijking van de eindverantwoordelijkheid van de beheersmatige sturing van de uitvoeringsorganisaties (eigenaarschap van diensten en agentschappen en centralisatie van het toezicht op ZBO’s, RWT’s en sui generis organisaties, zoals de Nationale Politie).

In de bedrijfsvoeringsparagrafen van de departementale jaarverslagen van deze ministeries wordt op deze verbeteringen ingegaan.

4.3.5 Pgb-trekkingsrechten

In 2014 vroeg de Algemene Rekenkamer ook aandacht voor de nog resterende knelpunten bij de trekkingsrechten persoonsgebonden budget (pgb) die met de nodige urgentie om een oplossing vragen.

Bij de invoering van het trekkingsrecht pgb per 1 januari 2015 zijn problemen opgetreden, waardoor pgb-betalingen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) mogelijk niet tijdig en/of niet juist hebben plaatsvonden. De nadruk heeft in 2015 gelegen op het uitbetalen van de zorgverleners, ook om hiermee de continuïteit van zorg zo goed mogelijk te borgen. Hierbij is bewust gekozen voor een aangepast controleregime, met de hieruit voortvloeiende rechtmatigheidskwesties (zie ook paragraaf 4.2).

Er is verder gewerkt aan verbeteringen in de trekkingsrechtketen. In 2015 is het fundament gelegd voor de structurele vereenvoudiging en vernieuwing van het trekkingsrechtsysteem. Ketenpartners zijn nader tot elkaar gekomen en hebben gezamenlijk een visie op het systeem ontwikkeld, die zij hebben uitgewerkt in het verbeterplan trekkingsrecht pgb. Dit plan is inmiddels uitgewerkt in een werkagenda voor 2016 en verder, met een gefaseerde aanpak. Bovendien wordt ook de governance van de keten met ingang van 2016 structureel ingericht en doorontwikkeld, mede met de komst van een nieuwe ketenregisseur.

4.4 Ontwikkelingen in de rijksbrede bedrijfsvoering

4.4.1 Herinrichting governance bedrijfsvoering Rijk

In de Hervormingsagenda Rijksdienst heeft het kabinet de visie op de ontwikkeling van de rijksdienst geformuleerd. Noodzakelijke besparingen zijn gecombineerd met de herinrichting van de governance van de bedrijfsvoering van de rijksdienst. De bedrijfsvoering van het Rijk wordt hiermee steeds meer in rijksbrede SSO’s ondergebracht, grotendeels bij de Minister voor WenR. Een belangrijk element voor het instellen van een SSO is het verlagen van de kosten en/of het verhogen van de kwaliteit van de dienstverlening en daarmee de doelmatigheid binnen het Rijk. De aansturing en de bekostiging van SSO’s is en wordt verder vereenvoudigd. In het programma «Herinrichting governance bedrijfsvoering» is hiervoor een eindbeeld uitgewerkt. Dat programma wordt medio 2016 aan de Minister voor WenR overgedragen. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 wordt verder ingegaan op de Hervormingsagenda Rijksdienst en het programma Herinrichting governance bedrijfsvoering Rijk.

4.4.2 Sturing en opdrachtgeverschap uitvoeringsinstellingen

Het Ministerie van BZK heeft in 2015 het eigenaarschap van haar uitvoeringsorganisaties belegd bij de Secretaris-Generaal en de uitvoeringsorganisaties grotendeels gepositioneerd onder het nieuwe directoraat-generaal Vastgoed en bedrijfsvoering Rijk. Daarmee zijn de rollen van eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer gescheiden. Ook bij het Ministerie van VenJ wordt een vergelijkbare verandering ingezet.

4.4.3 Agentschappen53

In de Regeling agentschappen is opgenomen dat alle agentschappen minimaal een keer per vijf jaar worden doorgelicht. Hiermee wordt een beter beeld gevormd over de sturing, het financieel beheer, de bekostiging en de doelmatigheidsontwikkeling van alle agentschappen.

In 2015 zijn de doorlichtingen afgerond bij de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk (UBR), het Koninklijk Meteorologisch Nederlandse Instituut (KNMI), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (ACBG). Daarnaast zijn in 2015 de doorlichtingen gestart bij Rijkswaterstaat (RWS), Paresto54 en het Nationaal Archief (NA).

Inmiddels is bij meer dan de helft van alle agentschappen een doorlichting uitgevoerd en afgerond. In bijlage 10 is een overzichtstabel opgenomen met de belangrijkste aanbevelingen uit de doorlichtingen die zijn afgerond. Enkele van de belangrijkste aanbevelingen zijn:

  • •  het scheiden van de rollen van eigenaar en opdrachtgever;
  • •  het actiever invullen van de rol van eigenaar in het sturingsmodel;
  • •  het beter vastleggen van afspraken (met name over verantwoordelijkheids- en risicoverdeling) in bijvoorbeeld convenanten;
  • •  het meer expliciet zichtbaar maken van de doelmatigheidsontwikkeling;
  • •  het transparanter maken van het kostprijsmodel.
Het aantal agentschappen bij het Rijk daalt, onder meer door opheffingen, decentralisaties en samenvoegingen. Zo zijn in 2015 de agentschappen Almata en Lindenhorst55, Dienst Roerende Zaken (DRZ), Centrum tot Bevordering van Import uit Ontwikkelingslanden (CBI) en Dienst Landelijk gebied (DLG) opgeheven. Daarnaast is het agentschap Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT (GDI) geïntegreerd in het agentschap SSC-ICT (BZK).
Figuur 4.1 Ontwikkeling totaal aantal agentschappen 1994–2015

Bron: Ministerie van Financiën

In de ministerraad van 4 december 2015 is ingestemd met de fusie van drie agentschappen (Rijksgebouwendienst, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en Dienst Vastgoed Defensie) naar één agentschap Rijksvastgoedbedrijf (RVB) vanaf 1 januari 2016. Het nieuwe agentschap heeft een verwachte omzet van 1,4 miljard euro.

In 2015 is weer een dataset met informatie over balans, resultaat en fte’s van agentschappen in meerjarig verband als open data beschikbaar gesteld. Nieuw is dat ook voor zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) een dataset is ontsloten met gegevens over omzet, herkomst en fte’s. Deze datasets in de vorm van interactieve infographic zijn te raadplegen op http://opendata.rijksbegroting.nl/ en op www.rijksacademie.nl/agentschappen.

4.4.4 Inkoopbeheer en naleving (Europese) aanbestedingsregels

De meeste ministeries besteden in de departementale jaarverslagen aandacht aan het inkoopbeheer. De naleving van de (Europese) aanbestedingsregels vraagt blijvend om aandacht. Bij diverse ministeries zijn maatregelen genomen om het inkoopproces te verbeteren zoals centrale inkoopcoördinatie en verbetering van het contractmanagement en van het contractbeheer. Inmiddels zijn er twintig aangewezen inkoopuitvoeringscentra. Bij nagenoeg al deze centra heeft een eerste meting van de kwaliteit via een gemeenschappelijke meetmethodiek plaatsgevonden. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 is hierover meer informatie te vinden.

De Minister van Economische Zaken (EZ) heeft begin 2015 opdracht gegeven om de Aanbestedingswet 2012 (AW) te evalueren op onder meer de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Uit de evaluatie is gebleken dat veel problemen in het aanbesteden niet voortkomen uit de wet- en regelgeving maar uit de toepassing daarvan. Er worden daarom geen wijzigingen in de wet doorgevoerd. Ingezet zal worden op het verbeteren van de kwaliteit van aanbesteden: het beter aanbesteden. In overleg met aanbestedende diensten en ondernemers wordt onderzocht hoe hieraan invulling kan worden gegeven. De Minister van EZ zal de Tweede Kamer hierover informeren.

De Aanbestedingswet (AW) stelt dat aanbestedende diensten bij meervoudig en enkelvoudig onderhandse aanbestedingen (onder de Europese drempel) de ondernemers die zij uitnodigen op basis van objectieve criteria kiezen. Bovendien moeten zij op verzoek van een ondernemer de motivering van die keuze verstrekken. Voor het verantwoordingsjaar 2015 bestond onduidelijkheid over de vraag of en zo ja welke documentatievereisten werden gesteld aan deze keuze.

De Algemene Rekenkamer heeft voor het jaar 2015 de motivering van de objectieve leverancierskeuze voor alle inkopen tot 33 duizend euro niet in het rechtmatigheidsoordeel betrokken. Bevindingen op dit punt bij inkopen boven deze grens kunnen leiden tot onzekerheden, die in de bedrijfsvoeringsparagraaf bij de departementale jaarverslagen zijn toegelicht.

Voor 2016 en volgende jaren wordt een nader kader opgesteld dat kan rekenen op draagvlak bij alle betrokken partijen (regelgevers, kaderstellers, uitvoerders en controleurs).

4.4.5 Beheersing apparaatsuitgaven

Naast het verbeteren van het inzicht in de apparaatsuitgaven maakt het kabinet ook werk van de betere beheersing van de apparaatsuitgaven. Zo toetst de Minister voor WenR eerder in het besluitvormingsproces op het effect van beleidsvoorstellen op apparaatsuitgaven en sluit daarbij aan bij de wijze waarop de Minister van Financiën omgaat met mutaties in de Rijksbegroting. Afgesproken is dat indien sprake is van een intensivering, de betreffende Minister de gevolgen voor de apparaatsuitgaven in beeld brengt. Dekking dient eerst intern binnen het eigen apparaat te worden gezocht. Wanneer een departement aangeeft de apparaatsuitgaven, samenhangend met een intensivering, niet binnen het eigen apparaatsbudget te kunnen dragen, wordt een onafhankelijke toets door de Minister voor WenR uitgevoerd. Een apparaatskader en een onafhankelijke toets bij apparaatsintensiveringen dwingt tot een scherpere discussie aan de voorkant over (de dekking van) apparaatsintensiveringen. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 is opgenomen hoe de apparaatsuitgaven zich in 2015 rijksbreed hebben ontwikkeld.

4.4.6 Verbetering financieel beheer en verantwoording van subsidies

Sinds 2014 publiceert het Rijk jaarlijks overzichten van alle subsidie(regelingen), de subsidieontvangers en de bijbehorende uitgekeerde bedragen. Deze informatie staat in de vorm van «open data» op de website van de rijksoverheid (http://opendata.rijksbregroting.nl). Op Verantwoordingsdag 2016 worden de overzichten over het afgelopen jaar openbaar gemaakt. Deze informatie is aanvullend op de informatie over subsidies die jaarlijks in de departementale begrotingen (subsidiebijlagen) en jaarverslagen wordt opgenomen.

In opdracht van de ministeriële commissie fraude is een interdepartementaal onderzoek verricht naar frauderisico’s met rijkssubsidies.56 Dit is onderdeel van het vierde hoofdthema van die commissie (zie ook paragraaf 4.2). Uit dit onderzoek volgen vijf aanbevelingen:
  • 1.  bestaande bestuurlijke handhavinginstrumenten beter uitleggen;
  • 2.  meer politieke en ambtelijke toezeggingen uitsluiten zonder financieel, beleidsinhoudelijk en procesmatig voorbehoud;
  • 3.  blijvend aandacht vragen voor het opstellen van risicoanalyses;
  • 4.  de informatie-uitwisseling tussen directies/departementen/derden verbeteren;
  • 5.  bestaande mogelijkheden van check op subsidieaanvragers beter benutten.

De aanbevelingen en vervolgacties worden door de verschillende departementen opgepakt. De Minister van VenJ rapporteert als coördinerend Minister voor de rijksbrede aanpak fraude jaarlijks aan de Tweede Kamer over de vorderingen.

Eind 2015 is de evaluatie van het uniform subsidiekader gestart. De evaluatie wordt uitgevoerd door de Auditdienst Rijk. In de loop van 2016 zal het rapport over de evaluatie naar de Tweede Kamer worden verstuurd.

4.4.7 Beheersing van grote ICT-projecten

Eind januari 2015 werd de reactie van het kabinet op het eindrapport van de tijdelijke commissie ICT-projecten aan de Tweede Kamer aangeboden. De kabinetsreactie57 bevat een groot aantal maatregelen om de beheersing van ICT-projecten en de informatievoorziening aan de Tweede Kamer te verbeteren. De eerste rapportage over de uitvoering daarvan is in juli 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden.58

Een belangrijk onderdeel van de kabinetsreactie betreft de inrichting van het Bureau ICT-toetsing (BIT). Het BIT voert onafhankelijke toetsen uit op ICT-projecten. Het beoordeelt of projecten in hun huidige opzet kans van slagen hebben of anders moeten worden ingericht. Het BIT richt zich op projecten met een ICT-component van meer dan 5 miljoen euro.

In 2015 is een toetskader voor het BIT vastgesteld, is de toetsingsraad BIT ingesteld en heeft het BIT, in een pilotperiode, drie adviezen uitgebracht. Daarnaast is het ICT-dashboard aangepast. Het dashboard bevat nu alle projecten (en indien van toepassing ook de BIT-adviezen) met een ICT-component van meer dan 5 miljoen euro.

Alle departementale chief information officers zijn inmiddels lid van de bestuursraad van hun ministerie. Daarnaast zijn er maatregelen getroffen om de I-functie binnen het Rijk te versterken. I-Interim Rijk wordt uitgebreid en er wordt een ICT-rijkstraineeprogramma opgezet.

Op het gebied van ICT is in 2015 verder gewerkt aan de afronding van de ambities uit de I-strategie Rijk59, zoals gemeld in de bovengenoemde kabinetsreactie.

De Minister voor WenR monitort de invoering en ondersteunt de departementen hierbij. de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 gaat verder in op de ICT-ontwikkelingen, de grote ICT-projecten in 2015 en de ICT-kosten van het Rijk.

De departementale audit committees adviseren het departementale management in toenemende mate over de risico’s en beheersing van grote ICT-projecten.

4.4.8 Informatiebeveiliging

De ministeries hebben in 2015 verder gewerkt aan de implementatie van de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR). Alle Ministers hebben over 2015 een «in control verklaring» (ICV) afgegeven60 over de implementatie van de BIR. In deze ICV’s staan de risico’s voor de kritieke systemen centraal, alsook de wijze van sturing vanuit het departement. Ter ondersteuning van dit proces is samen met de departementen en de Auditdienst Rijk ook een model BIR-dossier opgesteld ter onderbouwing van de ICV’s. De Auditdienst Rijk heeft in 2015 rijksbreed onderzoek uitgevoerd naar de sturing op informatiebeveiliging en de implementatie van de BIR. Uit het onderzoek blijkt dat de sturing op de informatiebeveiliging gestaag vordert, maar dat er nog wel actie nodig blijft. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015 wordt verder ingegaan op de informatiebeveiliging bij het Rijk.

4.4.9 Gebruik open data61

Nederland scoorde niet hoog in de open data monitor van de Organisation for Economic Cooperation and Development (OECD) uit 2014, opgenomen in Government at a Glance 2015. Mede daarom zijn in 2015 belangrijke stappen gezet op het vergroten van het aanbod aan open overheidsdata (open data) en het stimuleren van het hergebruik. Doel daarvan is de versterking van de kenniseconomie. Met de verbetering van het nationale dataportaal is de beschikbaarheid, toegankelijkheid en de kwaliteit van open data in 2015 aanzienlijk toegenomen. Nederland scoorde op de diverse onderdelen, mede daardoor, ook in internationaal perspectief goed in de ranglijsten die betrekking hebben op het aanbod van open data: tussen de vierde en tiende plaats van de dertig onderzochte landen.

In maart 2015 kreeg data.overheid.nl. een update. De gebruiksvriendelijkheid van het dataportaal van de gehele Nederlandse overheid is daarmee aanzienlijk verbeterd. In juni 2015 zijn de resultaten van de eerste rijksbrede inventarisatie van open data opgeleverd. Er zijn op data.overheid.nl tussen januari 2015 en februari 2016 4.900 datasets beschikbaar gekomen voor hergebruik. Hiervan heeft het CBS per april 2015 in 3.600 datasets diverse gegevens van de Nederlandse overheid opengesteld. In totaal worden op dit moment 7.400 datasets ontsloten via data.overheid.nl en zijn nog bijna 300 datasets in onderzoek.

Ook is in juli 2015 de Wet hergebruik van overheidsinformatie van kracht geworden. Daarmee werd het voor burgers ook wettelijk mogelijk gemaakt om openbare overheidsinformatie in machineleesbare en herbruikbare vorm op te vragen. Verzoeken daartoe worden vanaf augustus 2015 gefaciliteerd en gemonitord via data.overheid.nl.

In 2015 heeft de Tweede Kamer via verschillende moties en Kamervragen het kabinet gevraagd om de inzet op verbetering van aanbod, toegankelijkheid en kwaliteit van open data nog verder te versterken. Het kabinet heeft daartoe eind 2015 de Nationale Open Data Agenda (NODA) opgesteld.62 Met deze agenda zet het kabinet het principe: «Open, tenzij» om in het actief openstellen van overheidsdata. De kaders daarvoor zijn geschetst in de brief Actieve beschikbaarstelling van overheidsinformatie.63

De Minister van BZK coördineert deze aanpak, stelt daarvoor de kaders en biedt ondersteuning aan de departementen. Binnen die kaders worden de financiële data met een vijfjaren aanpak onder regie van de Minister van Financiën ontsloten. De departementen zijn elk verantwoordelijk en aanspreekbaar op de uitvoering en planmatige aanpak van het openen van hun data. De inzet van het kabinet op actieve ontsluiting van open data is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Actieplan Open Overheid voor de periode 2016–2017.

4.4.10 Financieel beheer, verantwoording en toezicht semipublieke sector

Het kabinet heeft in 2013 een normenkader voor de semipublieke sector vastgesteld ter versterking van het financieel beheer, de verantwoording en het extern financieel toezicht bij instellingen die een publiek belang dienen.64 De Ministers zijn verantwoordelijk voor de bepaling van de reikwijdte van het normenkader en voor de effectuering en handhaving hiervan in de onder hen vallende sectoren.

In 2015 is een analyse naar de reikwijdte en de verankering van het normenkader uitgevoerd, die in 2016 zal worden afgerond. De verwachting is dat het merendeel van de instellingen, met name de instellingen die dicht bij het Rijk staan (zoals ZBO’s), onder het normenkader financieel beheer zal vallen. Dit normenkader wordt meestal in bestuurlijke afspraken verankerd en het toezicht wordt door de departementen zelf uitgevoerd.

Samen met het normenkader financieel beheer heeft het kabinet ook een kader voor de versterking van het externe financiële toezicht geïntroduceerd.65 Voor de versterking van het externe financiële toezicht is er een verkenning uitgevoerd naar de gewenste uitvoering van dit toezicht. Daaruit blijkt dat de positie van de toezichthouders en de instrumenten waarover zij kunnen beschikken per sector verschillen. Bovendien kan de financiële expertise bij de toezichthouders verbreed en versterkt worden. Het Ministerie van Financiën zal hieraan bijdragen door samen met de toezichthouders opleidingen via de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering te organiseren.

4.5 Beleidsinformatie

4.5.1 Totstandkoming beleidsinformatie

De beleidsinformatie in de departementale jaarverslagen is binnen het Rijk over het algemeen ordelijk en controleerbaar tot stand gekomen. Wel zijn er bij een aantal ministeries verbeteringen mogelijk op het punt van de dossiervorming en de naleving van de eigen richtlijnen en aanwijzingen.

4.5.2 Kwaliteit beleidsinformatie

In 2013 is de begrotingspresentatie Verantwoord Begroten rijksbreed ingevoerd. Eind 2014 kreeg de Tweede Kamer de uitkomsten van de evaluatie van Verantwoord Begroten.66 Uit de evaluatie en de reacties van de Tweede Kamer bleek dat er over het algemeen tevredenheid is over de vooruitgang die is geboekt. Begrotingen en jaarverslagen zijn compacter, leesbaarder en bevatten méér financiële informatie dan voor 2013. Door het opnemen van financiële instrumenten in de artikelen is bovendien de koppeling tussen geld en beleid versterkt.

Verantwoord Begroten maakt gebruik van gerichter en beperkter beleidsinformatie: kengetallen en indicatoren. Bij enkele Kamercommissies zijn vragen gerezen over het kunnen beoordelen van de concrete beleidsambities en de voortgang hiervan aan de hand van de begroting en het jaarverslag. Dit speelde met name bij ministeries met een grotendeels regisserende rol, die dus met andere instrumenten dan begrotingsgeld op resultaat sturen (bijvoorbeeld met wet- en regelgeving of premie-uitgaven). Samen met de departementen en de Kamercommissies wordt onderzocht of de beleidsinformatie kan worden aangescherpt binnen de ruimte die Verantwoord Begroten biedt.

Tijdens het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 14 oktober 2015 bleek er over twee zaken nog ontevredenheid te bestaan. Ten eerste is dat de weergave van budgetflexibiliteit in de ontwerpbegroting. Na een rijksbrede audit door de Auditdienst Rijk en overleg met de departementen is er een voorstel gemaakt voor een betere weergave van de uitgaven die nog niet juridisch zijn verplicht. De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd67 en de Tweede Kamer heeft inmiddels met het voorstel ingestemd.

Ten tweede moet de invulling van het onderdeel «beleidswijziging» in de begroting en het onderdeel «beleidsconclusies» in het jaarverslag verder worden verbeterd. Vaak vullen departementen deze onderdelen nog niet in volgens de geldende voorschriften en missen zij scherpte. Daarom zijn de meeste departementen voor het jaarverslag 2015 met workshops begeleid in het schrijven van beleidsconclusies. Dit onderdeel heeft ook prioriteit gekregen bij de toetsing van de departementale jaarverslagen door het Ministerie van Financiën. Kritische reflectie op het eigen beleid blijkt een succesfactor voor de beleidsconclusie.

4.5.3 Beleidsevaluaties

Beleidsevaluaties laten zien wat de effecten van het beleid zijn en in hoeverre de (beoogde) doelstellingen zijn bereikt. Daarnaast kunnen beleidsevaluaties mogelijke effecten van toekomstig beleid in kaart brengen. Beleidsevaluaties worden als instrument door middel van een syntheseonderzoek samengebracht in een beleidsdoorlichting op het niveau van een begrotingsartikel om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid te beoordelen. Ieder begrotingsartikel moet ten minste elke zeven jaar worden doorgelicht. De Minister van Financiën is stelselverantwoordelijk voor de beleidsdoorlichtingen.

De aandacht voor het instrument beleidsdoorlichtingen groeit. De departementen pakken de beleidsdoorlichtingen meer gestructureerd aan. Het proces is sinds 2015 transparanter geworden door de opzet en de vraagstelling van de beleidsdoorlichtingen vooraf aan de Tweede Kamer te sturen (uitwerking van de motie Harbers68). Dit heeft bij vrijwel alle beleidsdoorlichtingen tot vragen van de Tweede Kamer geleid, waardoor een betere afstemming mogelijk was tussen de verwachtingen van het kabinet en de Tweede Kamer. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd bij een vertraagde oplevering van een beleidsdoorlichting. Om de bruikbaarheid en kwaliteit van beleidsdoorlichtingen verder te verbeteren is interdepartementaal een handreiking ontwikkeld, in samenwerking met de Algemene Rekenkamer en het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven. Deze handreiking is begin 2016 gepubliceerd op www.rijksbegroting.nl. Daarnaast heeft de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering in 2015 een cursus ontwikkeld over beleidscontrol, evaluaties en beleidsdoorlichtingen.

Sinds 1 januari 2015 geldt de nieuwe regeling periodiek evaluatieonderzoek. Er is veel aandacht voor de toevoeging van een 20 procent besparingsvariant aan de beleidsdoorlichting ten behoeve van de discussie over de strategische overwegingen bij het maken van beleid. Dit jaar wordt bekeken hoe het instrument beleidsdoorlichting werkt voor het bredere begrotingsbeleid in de beleidsdoorlichting Begrotingsbeleid (onderdeel van de Studiegroep Begrotingsruimte).

Tabel 4.2 Beleidsdoorlichtingen in 2015
 

Beleidsdoorlichtingen aangekondigd bij begroting 2015 om in 2015 aan te bieden aan de Tweede Kamer

Overige beleids-doorlichtingen, aangeboden in 20151
 

Totaal aantal geplande beleids-doorlichtingen

In 2015 aan de Kamer aangeboden

Vertraagde beleids-doorlichtingen

Buitenlandse Zaken (incl. BHOS)

7

1

62

3

Veiligheid en Justitie

3

0

33
 

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1

1

0

 

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

2

2

0

 

Financiën en Nationale Schuld

3

2

14
 

Defensie

1

0

15

1

Infrastructuur en Milieu

2

1

16
 

Economische Zaken

3

2

17

1

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2

2

0

 

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

3

1

28

1

Wonen en Rijksdienst

1

1

0

 

Totaal

28

13

15

6

Noot 1: Dit betreffen beleidsdoorlichtingen die oorspronkelijk voor 2014 waren gepland.

Noot 2: Aanpassingen in planningen en vertragingen zijn gemeld aan de Tweede Kamer: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 271, nr. 15 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 271, nr. 22 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 124, nr. 1.

Noot 3: Gemeld aan de Tweede Kamer dat de beleidsdoorlichting Rechtspraak in 2016 wordt aangeboden: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 33 199, nr. 13. Opname van de beleidsdoorlichting Nationale Politie in het IBO Politie is gemeld in de Miljoenennota 2015.

Noot 4: Gemeld aan de Tweede Kamer: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 935, nr. 22.

Noot 5: Gemeld aan de Tweede Kamer: Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 31 516, nr. 7 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 516, nr. 13.

Noot 6: Beleidsdoorlichting is 3 februari 2016 naar de Kamer gestuurd: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 32 861, nr. 17.

Noot 7: Gemeld aan de Tweede Kamer: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 30 991, nr. 28.

Noot 8: Beleidsdoorlichting positie cliënt is eind januari aan de Tweede Kamer verzonden: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 32 772, nr. 10. Aan de Tweede Kamer is gemeld dat de beleidsdoorlichting bevordering van de werking van het stelsel in 2016 wordt aangeboden: Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 34 300, nr. 150.

Bijlage 8 geeft een nader overzicht van de voor 2015 aangekondigde beleidsdoorlichtingen en van de beleidsdoorlichtingen uit voorgaande jaren die in 2015 zijn afgerond. Daarnaast is op de website rijksbegroting.nl (zie http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/evaluaties-en-beleidsdoorlichtingen/2015) informatie te vinden over de geprogrammeerde en afgeronde evaluaties per departement. Alle afgeronde beleidsdoorlichtingen en interdepartementale beleidsonderzoeken, inclusief kabinetsreactie, zijn hier eveneens te vinden.

4.5.4 Interdepartementale beleidsonderzoeken

De interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO’s) gaan over grotere, artikeloverstijgende thema’s en geven concrete en doorgerekende beleidsopties. Hiermee onderscheiden de IBO’s zich van de beleidsdoorlichtingen, waarbij de nadruk ligt op het terugkijken naar het reeds gevoerde beleid. IBO’s bestaan al sinds 1981 en er zijn inmiddels ruim 270 onderzoeken afgerond. In 2014 zijn er vijf IBO’s van start gegaan. Vier hiervan zijn inmiddels afgerond (IBO zelfstandigen zonder personeel, IBO wapensystemen, IBO doelmatigheid pensioengelden collectieve sector en IBO effectieve leerroutes). Het IBO politie wordt in 2016 opgeleverd. In tabel 4.3 staan de IBO’s die in 2015 van start zijn gegaan.

Tabel 4.3 Interdepartementale beleidsonderzoeken, ronde 2015–20161Voor de taakopdrachten van de IBO’s, zie www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/beleidsonderzoek/planning-ibos.

Sociale huur

Kostenefficiëntie CO2 reductie maatregelen

Verkeershandhaving

Belastingdienst

Risicobeheer en risicobeheersing schatkistbankieren OCW

Gezonde leefstijl

Opgavegericht werken bij infrastructurele planning

4.6 Ontwikkelingen financieel beleid en financiële functie

4.6.1 Modernisering van de Comptabiliteitswet

In juni 2015 heeft de Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de modernisering van de Comptabiliteitswet. Naar aanleiding hiervan is het wetsvoorstel op onderdelen aangepast en in maart 2016 bij de Tweede Kamer ingediend.69 Het doel van het wetsvoorstel is in de eerste plaats om een moderne structuur te realiseren. Daarnaast komt er meer ruimte voor toekomstige ontwikkelingen. Een ander oogmerk is om de taken en de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer bij de praktijk te laten aansluiten.

4.6.2 Vorming Auditdienst Rijk (ADR)

De Auditdienst Rijk bestaat bijna vier jaar en is de interne auditdienst die over de volle breedte van de rijksdienst werkzaam is. Eind 2015 is de evaluatie van de Auditdienst Rijk gestart en inmiddels zijn de resultaten hiervan bekend. In 2016 wordt bekeken wat de gevolgen hiervan zijn.