Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Hoofdstuk 1: Het economisch beeld

1.1 Inleiding

De omvang van de Nederlandse economie was in 2015 voor het eerst weer even groot als in 2008. Daarmee heeft de economie zijn weg verder omhoog gevonden. Ondanks de gedaalde gasproductie groeide de Nederlandse economie in 2015 met 2,0 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Positief is dat de groei een brede basis heeft. Met een recordaantal van tien miljoen banen en met een toename van ongeveer 100 duizend banen lijkt de situatie in 2015 op de arbeidsmarkt langzaam maar gestaag te verbeteren.

Het herstel van de Europese economie zette in 2015 door. Daarbij hielpen ontwikkelingen zoals de lage olieprijs, de lage rente en de voordelige wisselkoers. Landen die structurele hervormingen doorvoerden lieten opvallend hogere groeicijfers zien. De groei in de VS trok verder aan en de Amerikaanse centrale bank verhoogde de beleidsrente. De Chinese economie koelde daarentegen verder af. De afkoeling van de Chinese economie had ook zijn weerslag op grondstofprijzen en dat raakte weer de opkomende economieën die afhankelijk zijn van de uitvoer van grondstoffen.

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk blikt terug op 2015 en geeft een overzicht van de economische en budgettaire ontwikkelingen en het financieel management. Hoofdstuk 1 schetst het economisch beeld in 2015 voor Nederland (1.2) en internationaal (1.3). Hoofdstuk 2 schetst het budgettaire beeld. Hoofdstuk 3 biedt een overzicht van risico’s waaraan de overheidsfinanciën blootstaan en beschrijft de manier waarop het kabinet die risico’s beheerst. Hoofdstuk 4 gaat in op rechtmatigheid van de rijksuitgaven en beschrijft het financieel management.

1.2 De Nederlandse economie in 2015

In 2015 groeide de economie met 2,0 procent, terwijl de groei in 2014 nog 1,0 procent bedroeg en de economie in 2012 en 2013 kromp. In 2015 bereikte de omvang van de economie weer het niveau van 2008, dus van voor de financiële crisis (figuur 1.2.1).1
Figuur 1.2.1 Ontwikkeling bbp-volume

Bron: CBS

De economische groei werd in 2015 vooral gedragen door de marktsector, terwijl de lagere aardgaswinning een drukkend effect op de economische groei had.2 Linkerfiguur 1.2.2 toont de positieve bijdrage van de marktsector aan de economische groei met een productiegroei van 2,7 procent in 2015 tegen 1,9 procent in 2014. De marktsector is goed voor ongeveer 70 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp). Als de gedaalde aardgasproductie buiten beschouwing wordt gelaten, groeide de economie in 2015 met 2,4 procent ten opzichte van een jaar eerder.

Na jaren van uitvoergroei dragen de binnenlandse bestedingen in toenemende mate bij aan de economische groei en geeft deze groei daarmee een brede basis (figuur 1.2.2, rechts). Na een recessie trekt de uitvoer doorgaans als eerste aan. Later volgen de binnenlandse bestedingen, zoals de investeringen en de particuliere consumptie. Vervolgens neemt ook de werkloosheid af. Deze ontwikkelingen zijn kenmerkend voor een kleine open economie als de Nederlandse.

Figuur 1.2.2 Bijdrage van bedrijfstakken aan groei toegevoegde waarde (links) en bijdrage van bestedingen aan bbp-groei (rechts)

Bron: CPB Centraal Economisch Plan 2016

De uitvoer blijft een positieve bijdrage leveren aan de economische groei. Ook gedurende 2013 toen de economie nog kromp, leverde de uitvoer een positieve bijdrage aan de groei (figuur 1.2.2, rechts). De uitvoer is in 2015 gegroeid met 4,2 procent ten opzichte van 2014. De uitvoer profiteerde in 2015 van een verdere lagere eurokoers, terwijl de groei van de relevante wereldhandel met 3,6 procent iets lager was dan de gemiddelde groei tussen 1991 en 2015 (4,6 procent). Paragraaf 1.3 gaat nader in op de ontwikkeling van de wereldeconomie en het monetaire beleid in 2015. Verder drukte de lagere gasproductie en daarmee de gasuitvoer de uitvoergroei en had tegelijkertijd een opwaarts effect op de invoer van energie.

De consumptie van huishoudens groeide in 2015 met 1,6 procent. In 2014 bleef die nog gelijk ten opzichte van het jaar ervoor en in 2012 en 2013 kromp de particuliere consumptie nog op jaarbasis. De consumptiegroei in 2015 ging samen met een stijging van de reële lonen (figuur 1.2.3, links). De stijging van het reële loon (reëel arbeidsinkomen) komt niet alleen door de lage inflatie in 2015 (0,2 procent; HICP), maar ook door de aantrekkende werkgelegenheid en nominale loonstijgingen. Zo groeiden de contractlonen in de marktsector met 1,2 procent in 2015. Ook het consumentenvertrouwen steeg verder. Rechterfiguur 1.2.3 toont dat de index voor het consumentenvertrouwen in 2015 hoger was dan het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar (– 8).

Figuur 1.2.3 Ontwikkeling consumptie en arbeidsinkomens (links) en (seizoensgecorrigeerde) consumentenvertrouwen (rechts)

Bron: CPB Centraal Economisch Plan 2016 (linkerfiguur) en CBS (rechterfiguur)

De bedrijfsinvesteringen groeiden in 2015 met 8,4 procent tegen 4,4 procent in 2014. Ondernemers breidden de productiecapaciteit verder uit om aan de toegenomen binnenlandse en buitenlandse vraag te kunnen voldoen. De bezettingsgraad in de industrie is toegenomen en het vertrouwen van de producten in de industrie is verder gestegen (figuur 1.2.4). De bezettingsgraad en het producentenvertrouwen zijn groter dan het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar.

Figuur 1.2.4 Ontwikkeling bezettingsgraad (links) en (seizoensgecorrigeerde) producentenvertrouwen (rechts)

Bron: CBS

Niet alleen de bedrijfsinvesteringen, ook de woninginvesteringen groeiden in 2015. In 2015 namen de investeringen in woningen zeer sterk toe, met 26,8 procent, na een groei van 6,9 procent in 2014. Dit hangt samen met het sterk herstel op de woningmarkt.

Het aantal transacties groeide met 16 procent ten opzichte van een jaar eerder en bereikte het aantal van 178 duizend transacties. Daarmee lag het aantal transacties in de buurt van het transactieniveau van voor de crisis, toen het aantal transacties in een jaar rond de 200 duizend was.

Ook de woningprijzen herstelden zich. Na een plus van 0,9 procent in 2014 stegen de prijzen in 2015 met 2,8 procent. Figuur 1.2.5 toont zowel de ontwikkeling van de woningprijs als het aantal transacties.

Figuur 1.2.5 Ontwikkeling woningtransacties en verkoopprijzen

Bron: CBS

Door de stijgende huizenprijzen nemen de problemen met hypotheken die de huiswaarde overstijgen af. Het percentage van deze zogenoemde onderwaterhypotheken daalde van 30,1 procent naar 26,7 procent.3 De financiële kwetsbaarheid van huishoudens is hierdoor afgenomen. Bovendien is deze afname goed voor de dynamiek op de woningmarkt. Uit een onderzoek van het CPB blijkt namelijk dat onderwaterproblematiek wordt geassocieerd met verlaagde verhuismobiliteit.4 Afnemende onderwaterproblematiek (en stijgende huizenprijzen in algemene zin) zorgt bovendien voor positieve vermogenseffecten, wat opwaartse druk geeft op de consumptie van huishoudens.

Het herstel op de woningmarkt is echter niet gelijk verdeeld over het land. Hoewel de woningprijzen in 2015 in alle provincies stegen, waren de verschillen tussen de provincies groot. Vooral in de Randstad stegen de woningprijzen sterk; in Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland met meer dan 3 procent. In andere regio’s was het herstel duidelijk minder sterk. Zo werden huizen in Overijssel en Zeeland nog geen procent meer waard (figuur 1.2.6).

Figuur 1.2.6 Ontwikkeling huizenprijzen naar provincie in de periode 2010–2015

Bron: CBS

Ontwikkelingen arbeidsmarkt

De werkloosheid daalde in 2015 langzaam maar gestaag. In 2014 was nog 7,4 procent van de beroepsbevolking of 660 duizend mensen werkloos. In 2015 is dit percentage gedaald naar 6,9 procent oftewel 614 duizend mensen. Daarmee zet het herstel op de arbeidsmarkt door. De arbeidsmarkt herstelt zich doorgaans als laatste na een recessie. Dat komt doordat de toename in de productie eerst nog wordt opgevangen met het bestaande personeelsbestand. De arbeidsproductiviteit neemt daardoor toe. In 2014 en 2015 groeide de arbeidsproductiviteit in de marktsector (per uur) met respectievelijk 1,4 en 1,3 procent. De arbeidsproductiviteit in de marktsector kromp in 2012 en 2013 nog met respectievelijk 0,1 en 0,2 procent in lijn met de productiekrimp. Door die efficiëntere benutting van de mensen die al aan de slag zijn, duurt het langer voordat de werkloosheid terugloopt.

Onderliggend namen in 2015 zowel de werkgelegenheid als het arbeidsaanbod toe, maar was sprake van minder toetreders tot de arbeidsmarkt in vergelijking met de stijgende werkgelegenheid (figuur 1.2.7, links). Minder mensen waren ontmoedigd en dus traden meer mensen toe tot de arbeidsmarkt. Ook demografische aspecten speelden een rol bij het hogere arbeidsaanbod, omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen en vijftigplussers nu hoger is dan in het verleden (cohorteffect). Op hetzelfde moment nam de werkgelegenheid in lijn met de stijgende productie toe met ongeveer 100 duizend banen ten opzichte van 2014. In het vierde kwartaal van 2015 werd de grens van 10 miljoen banen bereikt (figuur 1.2.7, rechts); meer dan ooit tevoren.

Toch is voor Nederlandse begrippen een werkloosheid van 6,9 procent hoog. Ter vergelijking: in 2008 bedroeg die 3,7 procent van de beroepsbevolking.

Figuur 1.2.7 Ontwikkeling werkloosheid (links) en aantal banen (rechts)

Bron: CPB Centraal Economisch Plan 2016 (links) en CBS (Arbeidsrekeningen, rechts)

1.3 Internationale ontwikkelingen

1.3.1 Ontwikkelingen EU en eurozone

Economie

In 2015 trok de economische groei in de EU verder aan met 1,9 procent (vergeleken met 1,4 procent in 2014). Ook in de eurozone zette de groei met 1,6 procent in 2015 door (vergeleken met 0,9 procent in 2014). Het gemiddelde begrotingstekort van alle lidstaten in de EU daalde van 3 procent bbp naar 2,5 procent bbp. Voor de eurozone liep het gemiddelde begrotingstekort terug van 2,6 procent bbp naar 2,2 procent bbp. Het structureel overheidstekort voor de EU en de eurozone stabiliseerde zich in 2015. Dat is het feitelijke overheidstekort geschoond voor invloeden van de economische conjunctuur en incidentele budgettaire kosten en baten.

Figuur 1.3.1 Ontwikkeling economische groei (links; in procenten) en feitelijk tekort en structureel tekort (rechts; percentage van bbp) in de eurozone

Bron: Winterraming Europese Commissie

Een aantal ontwikkelingen ondersteunden het herstel in de eurozone, zoals de lage olieprijs, de lage rente en de voordelige wisselkoers. Deze factoren stimuleerden de export en de private consumptie. De vraag nam dan ook toe. Ook economische hervormingen wierpen in verschillende lidstaten hun vruchten af. Economieën die sterk hervormden, zoals Spanje (met een groei van 3,2 procent) en Ierland (met een groei van 6,9 procent), deden het aanzienlijk beter dan enkele kernlanden in de eurozone. De werkloosheid liep langzaam terug maar bleef op een hoog niveau. De lage rente en de voordelige wisselkoers waren mede het gevolg van het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB), die vorig jaar begon met «quantitative easing» en een negatieve beleidsrente. Voor duurzaam herstel in de eurozone is monetair beleid alleen echter onvoldoende. Dat vraagt om verdere hervormingen van lidstaten en prudent begrotingsbeleid.

Griekenland

In januari 2015 trad een nieuwe Griekse regering aan en volgde een periode van politieke onzekerheid. De afronding van het tweede leningenprogramma bleef uit, wat ertoe leidde dat Griekenland niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen. Uiteindelijk hebben de Griekse autoriteiten en de instituties (de Europese Commissie en het ECB, en betrokkenheid van het IMF) overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor financiële steun uit het noodfonds ESM. De lidstaten van de eurozone hebben vorig jaar augustus ingestemd met een derde leningenprogramma voor Griekenland van drie jaar met een totale omvang van maximaal 86 miljard euro (zie ook paragraaf 3.4).

Overige ontwikkelingen

Het afgelopen jaar verscheen een rapport over de vervolmaking van de Europese economische en monetaire unie. Dit zogenoemde «Vijfpresidentenrapport» is 22 juni gepubliceerd en op persoonlijke titel geschreven door de voorzitter van de Europese Commissie, in samenwerking met de voorzitters van de Europese Raad, de Eurogroep, de Europese Centrale Bank en het Europees Parlement. Het stuk bevatte voorstellen op economisch, financieel, budgettair en institutioneel terrein voor met name de korte termijn en daarnaast ideeën voor de langere termijn. Op 21 oktober publiceerde de Europese Commissie een uitwerking van enkele voorstellen voor de korte termijn. Het gaat om een mededeling over consistente externe vertegenwoordiging van de eurozone in internationale fora, een voorstel voor een besluit van de raad inzake een gezamenlijke vertegenwoordiging van de eurozone in het IMF, een aanbeveling voor een Raadsaanbeveling voor de opzet van nationale raden voor concurrentievermogen en een Commissiebesluit tot opzet van een adviserende Europese Budgettaire Raad.

Daarnaast werd Jeroen Dijsselbloem in juli 2015 herkozen als voorzitter van de Eurogroep, de vergadering van Ministers van Financiën in de eurozone. Dijsselbloem is gekozen voor een nieuwe termijn van tweeënhalf jaar. Ten slotte trad Litouwen bij de start van 2015 toe tot de eurozone.

1.3.2 Overige internationale ontwikkelingen

VS

De VS kenden in 2015 een economische groei van 2,4 procent en met 5 procent in december de laagste werkloosheid sinds april 2008. Vanwege deze gunstige economische indicatoren voor de korte termijn heeft de Federal Reserve Bank (FED) in december de rente met 0,25 procent verhoogd en gezinspeeld op verdere renteverhogingen. De inflatie in de VS was in 2015 0,7 procent en bleef daarmee onder de doelstelling van 2 procent. De kerninflatie (inflatie gecorrigeerd voor energie en voedselprijzen) bedroeg echter 2,1 procent. De FED houdt bij het vaststellen van de rente met name rekening met de werkloosheid en de inflatie.

Door de verhoging van de rente steeg de waarde van de dollar. Dit vormt mogelijk een rem op verdere economische groei in de VS. Een sterkere dollar ten opzichte van munten van opkomende markten kan een risico vormen in landen waar de afgelopen jaren veel investeringen zijn gefinancierd in dollars, waardoor de waarde van de schulden in de lokale munt dus toeneemt.

China

China is bezig om te schakelen naar een duurzamer groeimodel, dat meer wordt gedreven door consumptie en minder steunt op export-, krediet- en investeringsgroei. De sterke ontwikkeling in de consumptiegedreven dienstensector laat zien dat China hier redelijk in slaagt. Deze omschakeling gaat gepaard met een lager maar nog steeds aanzienlijk groeitempo van 6,9 procent. Tegelijkertijd blijven de aanhoudend hoge kredietgroei en de stijgende schuldenlasten van de Chinese overheid (vooral via lagere overheden en staatsbanken en -bedrijven) een aandachtspunt. Dit zorgde in het verleden voor veel niet-rendabele investeringen, met overcapaciteit als een direct gevolg en heeft ervoor gezorgd dat de bbp-groei te weinig samen gaat met efficiencywinsten.

Daarnaast zit China in een proces van opening van de kapitaalrekening en flexibilisering van de wisselkoers. Onduidelijkheid over dit proces zorgde (met name afgelopen zomer) voor onrust en volatiliteit op financiële markten en via kapitaaluitstroom voor neerwaartse druk op de renminbi (zie figuur 1.3.2).

Figuur 1.3.2 Renminbi onshore en offshore rate

Bron: Thomson Reuters Datastream / Fathom Consulting

Deze druk is echter ook goed te verklaren door eenmalige uitstroom van kapitaal als gevolg van extra beleggingsmogelijkheden buiten China door liberalisering van financiële markten en uiteenlopend Amerikaans en Chinees monetair beleid. China is daarbij ook in staat om kapitaaluitstroom op te vangen dankzij een grote voorraad internationale reserves als gevolg van jarenlange overschotten op de lopende rekening. Wel kunnen twijfels over de groeicijfers en de geloofwaardigheid van de transitie naar een ander groeimodel tot extra kapitaaluitstroom leiden.

Figuur 1.3.3 Olieprijs (Brent, dollar per vat) verder gedaald in 2015

Bron: Thomson Reuters Datastream

Andere landen

De aanpassingen in China leidden tot een verminderde vraag naar grondstoffen, waardoor de prijzen onder druk kwamen. Daarnaast zorgde het grote aanbod van olie (onder meer door de schalieolie uit de VS en het vooruitzicht op opheffing van de sancties tegen Iran) voor een daling van de olieprijs (zie figuur 1.3.3).

Landen die veel grondstoffen exporteren hadden last van deze ontwikkelingen. De meeste westerse landen maar ook India en Japan, die grondstoffen importeren, profiteerden juist van lagere grondstofprijzen. India was met 7,3 procent in 2015 de snelst groeiende grote economie en liet daarmee een sterk economisch potentieel zien. De Russische economie is het afgelopen jaar met 3,8 procent jaar sterk gekrompen. De lage grondstofprijzen (met name die van olie en gas) hebben een sterk effect en ook westerse sancties drukten de groei. Daarbij voelde Rusland de gevolgen van zijn te eenzijdige economie. Ook Brazilië heeft veel last van de lage grondstofprijzen en de Braziliaanse economie is afgelopen jaar met 3,8 procent gekrompen. Daarnaast is het de Braziliaanse overheid nog niet gelukt om de nodige structurele hervormingen door te voeren. In Japan bleef de groei beperkt tot 0,5 procent en sorteerde de stevige monetaire en fiscale stimulering niet het gewenst effect. Ondanks goede voornemens van de Japanse overheid werden structurele hervormingen maar beperkt doorgevoerd.

Monetaire en budgettaire stimulering is in grote delen van de wereld al op ruime schaal ingezet. De effecten hiervan op economische groei en financiële markten zijn echter niet eenduidig. Landen die echter hun economieën structureel hebben hervormd plukken er de vruchten van. De internationale ontwikkelingen maken dan ook duidelijk dat er nog steeds genoeg redenen zijn voor structurele hervormingen.