Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2010
  • Download PDF

Artikel 47 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

47.1 Algemene beleidsdoelstelling

De erfenis van WO II is afgewikkeld en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2010

Op het terrein van de Tweede Wereldoorlog is continuïteit en toekomstbestendigheid belangrijk. Het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog is essentieel. 2010 is een heel speciaal jaar: 65 jaar herdenking. Dit zal leiden tot veel extra aandacht. Naar verwachting zullen de activiteiten in het najaar van 2009 een aanvang nemen.


Voor 2010 ligt de nadruk op de volgende beleidsimpulsen:


• Afronding van het programma Erfgoed van de oorlog (operationele doelstelling 47.3.2)

Dit programma, dat loopt van 2007 t/m 2009, is gericht op het behoud, de toegankelijkheid en de publieksgerichte toepassing van bijzonder of kwetsbaar erfgoedmateriaal dat betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog. In 2010 ligt het accent van de werkzaamheden voor het programma op de inhoudelijke en financiële eindverantwoording van de projecten en op het presenteren van de resultaten. Tevens zal gekeken worden op welke wijze de eenmalige investering duurzaam kan worden geborgd.


• Voorbereiding overheveling naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei per 2011 van een aantal departementale taken gericht op het mogelijk maken dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan de herinnering aan de gebeurtenissen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog (operationele doelstelling 47.3.2).

In de brief van 22 oktober 2008 ( kamerstuk 20 454, nr. 93) is de Tweede Kamer geïnformeerd over dit voornemen en op hoofdlijnen geschetst wat het kabinet daarbij voor ogen staat. Door het herinneringsterrein dichter te koppelen aan de nationale herdenking zullen beide terreinen elkaar versterken.


• Voorbereiding overheveling per 2011 van het cliëntbeheer van de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR) naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (operationele doelstelling 47.3.1)

Bij brief van 17 juni 2008 ( kamerstuk 20 454, nr. 90) hebben we de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijzigingen in het uitvoeringsbestel met ingang van 2011.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Ministeriële verantwoordelijkheid

De bewindspersonen van VWS zijn ministerieel verantwoordelijk voor:

• Het actueel houden van de wet- en regelgeving voor oorlogsgetroffenen. Wijzigingen zijn nodig in verband met de vereenvoudiging van de uitvoering van de wetten en in verband met wijziging van wetgeving op andere terreinen;

• Het toezicht op drie zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s): de PUR, de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR);

• De (financiering van de) infrastructuur die het mogelijk maakt de herinnering van WO II in stand te houden.

Externe factoren

Externe factoren

Om de erfenis van WO II af te wikkelen, dat wil zeggen, de materiële en immateriële hulpverlening bij een dalend aantal oorlogsgetroffenen goed te laten verlopen, is het nodig dat uitvoeringsorganen in de laatste fase doelmatig en effectief blijven functioneren. Voor de PUR is dit geborgd door overheveling van het cliëntbeheer naar de SVB in 2011.


Bewustwording van de betekenis van het woord «vrijheid» wordt ondersteund door WO II als referentiepunt te nemen. Daarvoor is het belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden door:

• Instandhouden van herinneringscentra;

• Conserveren, het ontsluiten en het stimuleren van gebruik van waardevol erfgoedmateriaal;

• Vertalen van gebeurtenissen tijdens WO II naar deze tijd (voorlichting) en het borgen van de toekomstbestendigheid hiervan met daarbij bijzondere aandacht voor specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld de jeugd.


Werken aan bewustwording van (met name) de jeugd over de betekenis van vrijheid in relatie tot WO II is een complexe aangelegenheid. Het resultaat is onder meer afhankelijk van actuele maatschappelijke ontwikkelingen en kan niet direct door ons beïnvloed worden.

Prestatie-indicatoren

Prestatie-indicatoren

Bij de algemene doelstelling is geen prestatie-indicator opgenomen, omdat de doelstelling meerdere, uiteenlopende elementen bevat die zich moeilijk in één of enkele indicatoren laten weergeven.

47.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsbedragen (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen402 843404 919368 480348 933332 671316 941301 451
        
Uitgaven399 789397 799369 245349 362333 050316 941301 451
        
Programma-uitgaven398 475396 418368 336348 615332 303316 194300 704
        
1. Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw383 420379 324359 001339 786323 474307 365291 875
2. De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – vooral jeugdigen – zijn zich van bewust van de betekenis van WO II15 05517 0949 3358 8298 8298 8298 829
        
Apparaatsuitgaven1 3141 381909747747747747
        
Ontvangsten785000000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit begrotingsuitgaven:

Begrotingsbedragen x € 1 000
 20102011201220132014
1. Wetten, regelingen en rechtsherstel WO II359 001339 786323 474307 365291 875
– Juridisch verplicht357 516329 919311 598295 489279 999
– Bestuurlijk gebonden9379 31911 10511 10511 105
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden548548771771771
      
2. Herinnering en bewustzijn WO II9 3358 8298 8298 8298 829
– Juridisch verplicht8 3290000
– Bestuurlijk gebonden1 0068 8298 8298 8298 829
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden00000

47.3 Operationele doelstellingen

Er zijn twee operationele doelstellingen voor dit beleidsterrein:

1. Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw;

2. De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II.

47.3.1 Een kwalitatief goed en doelmatig stelsel van materiële en immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen WO II in een situatie van afbouw

Motivering

Motivering

Het aantal oorlogsgetroffenen neemt om demografische redenen geleidelijk af. De kerncijfers van de Pensioen- en Uitkeringsraad ( http://www.pur.nl) laten zien dat het aantal uitkeringen ingevolge de oorlogswetten daalt van 34 006 in 2008 naar 27 127 in 2013. Gezien deze ontwikkeling zullen ook de organisaties die de materiële en immateriële hulpverlening verzorgen, geleidelijk moeten afbouwen. Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat de ondersteuning kwantitatief en kwalitatief op peil blijft. Het kabinet begeleidt en faciliteert deze afbouw. Dat gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking te stimuleren tussen de instellingen waar het draagvlak van de afzonderlijke instellingen te smal dreigt te worden. In dit kader zal het cliëntbeheer van de PUR (het berekenen en betalen van de pensioenen en uitkeringen en de verstrekking van bijzondere voorzieningen aan bestaandecliënten) per 1 januari 2011 worden overgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

In het algemeen overleg met de Tweede Kamer op 12 november 2008 is uitvoerig gesproken over dit voornemen. Na dit debat is eind november 2008 een projectorganisatie gestart met deelname van het ministerie van VWS, het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid (SZW), PUR en SVB, die in enkele maanden een gemeenschappelijk plan van aanpak heeft ontwikkeld. Inmiddels is de uitvoering van het plan van aanpak voortvarend ter hand genomen en zijn in hoofdlijnen de volgende punten als stand van zaken te noemen:

• Het wetsontwerp voor de wijziging van het uitvoeringsbestel van de wetten voor oorlogsgetroffenen is – na nauwe samenwerking met SZW – dezer dagen voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het wetgevingstraject zal inclusief de parlementaire behandeling naar verwachting medio 2010 kunnen worden afgerond;

• De SVB heeft voorstellen voor de inrichting van de SVB-afdeling voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen ontwikkeld en deze voorstellen zijn aan de ondernemingsraad van de SVB voorgelegd;

• De PUR heeft – gezamenlijk met de SVB – voorstellen gedaan voor de afbouw en overdracht van het personeelsbestand van de PUR en het Sociaal Plan voor het betrokken personeel. Hierover wordt overleg gevoerd met de vakbonden en wordt de ondernemingsraad van de PUR geraadpleegd.

Met al deze stappen komt het moment in zicht waarbij een fase van kwartiermaken begint bij de SVB en bij de PUR-nieuwe stijl. Belangrijkste taak van de PUR-nieuwe stijl is de «raadskamerfunctie», dat wil zeggen besluiten over de toelating tot de oorlogswetten van nieuwe aanvragers.


Onderstaande prestatie-indicatoren hebben betrekking op de doelmatigheid (indicator 1) en de kwaliteit van dienstverlening (indicatoren 2 en 3) van de PUR.

Indicator 1 laat de apparaatskosten van de PUR zien in verhouding tot de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Dit verhoudingspercentage geeft een globale indicatie van de doelmatigheid van de PUR. Directe sturing op dit percentage is niet goed mogelijk, mede door de afbouwfase waarin de PUR zich bevindt. Het streven is erop gericht een (sterke) stijging van dit percentage zoveel mogelijk te voorkomen.

De indicatoren 2 en 3 tonen de percentages eerste aanvragen en vervolgaanvragen (om een uitkering of voorziening) die binnen de wettelijke termijn zijn afgehandeld. Dit is een belangrijke indicator voor de kwaliteit van dienstverlening van de PUR. Het percentage schommelde in 2007 rond de 92 procent. Gestreefd wordt in 2010 dit percentage te handhaven.

Prestatie-indicatoren
 200620072008Streefwaarde 2010 e.v.
1. Percentage apparaatskosten PUR in verhouding tot de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen5,0%4,8%4,8%4,8%
2. Percentage eerste aanvragen die door de PURbinnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld89%91%91%92%
3. Percentage vervolgaanvragen die door de PURbinnen de (verlengde) wettelijke termijn zijn afgehandeld88%93%92%92%

Bron: jaarverslag PUR 2008


Toelichting:

Prestatie-indicatoren 2 en 3: de basiswaarden en de streefwaarden voor de afhandeling van eerste aanvragen en vervolgaanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV), de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) en de Wetten buitengewoon pensioen (WBP). Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarverslag van de PUR.

Instrumenten

• Wetten en regelingen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal uitkeringen/pensioenen en de daarmee gemoeide totale uitgaven van de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen over de periode 2006–2008. De wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen worden bijgesteld, als wijzigingen in aanpalende wetten dat noodzakelijk maken.

Kengetal: kerngegevens wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen
 200620072008
Wuv   
Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (incl. uitkeringen art. 21b)18 35817 48616 624
Uitgaven Wuv totaal (bedragen x € 1 miljoen)187,2187,3182,5
Wubo   
Gemiddeld aantal betaalbare uitkeringen (incl. toeslag art. 19)13 29813 26513 338
Uitgaven Wubo totaal (bedragen x € 1 miljoen)63,867,069,0
Wbp   
Gemiddeld aantal betaalbare pensioenen4 7354 3894 044
Uitgaven Wbp totaal (bedragen x € 1 miljoen)92,491,385,2
AOR   
Gemiddeld aantal uitkeringen1 3901 6671 979
Uitgaven AOR totaal (bedragen x € 1 miljoen)5,55,86,1

Bron: PUR, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, januari 2009


Toelichting:

AOR staat voor Algemene Ongevallenregeling.

Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv en Wbp daalt geleidelijk. Bij de Wubo en de AOR-regeling is er nog sprake van een stijging, direct of indirect als gevolg van het project Gerichte Benadering.


• Bijdragen verlenen aan ZBO’s

Om materiële hulp te kunnen verlenen aan oorlogsgetroffenen, stelt het kabinet in 2010 bijdragen ter beschikking aan de volgende ZBO’s: PUR, Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR) en Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (SRSR). In totaal gaat het om € 27,4 miljoen. Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma heeft in 2010 uitsluitend nog een subsidierelatie met het Landelijk Steunpunt Sinti en Roma. Doel van dat steunpunt is om te voorzien in de behoefte van Rijk, gemeenten, maatschappelijke organisaties en Sinti en Roma om kennis te delen en hulp te bieden bij het blijvend verbeteren van de maatschappelijke positie van Sinti en Roma in Nederland. Naar verwachting zal het Landelijk Steunpunt Sinti en Roma minimaal 3 jaar nodig hebben om volledig tot ontwikkeling te komen. Gedurende die tijd zal de SRSR het toezicht uitoefenen.


• Subsidies immateriële dienstverlening

Om immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen mogelijk te maken worden subsidies verleend aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de begeleidende instellingen Stichting Pelita, Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en Stichting 1940–1945 (€ 6,5 miljoen).


• Toezicht houden op de ZBO’s

Het doel van dit toezicht op de ZBO’s is de verantwoordelijkheid voor een rechtmatige, doelmatige en kwalitatief goede uitvoering van het wettelijk stelsel voor oorlogsgetroffenen en het naoorlogs rechtsherstel te kunnen waarmaken. In de brief van 22 oktober 2008 ( kamerstuk 20 454, nr. 93) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rond het toezicht op de ZBO’s.

Geraamde begrotingsuitgaven:

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 20102011201220132014
Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen319 836302 026285 714269 605254 115
Waarvan onder andere:     
Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940–1945 (Wuv)168 925159 134150 166141 391133 217
Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 40–45 (Wubo)71 84470 57768 67966 28763 685
Wetten buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)69 80962 35656 36850 91745 994
      
Bijdragen aan ZBO’s (totaal)27 39725 88425 88425 88425 884
Waarvan onder andere:     
Pensioen- en uitkeringsraad24 83823 42523 42523 42523 425
      
Instellingssubsidies/Structurele subsidies9 7349 9659 8539 7679 767
Waarvan onder andere:     
Subsidies immateriële dienstverlening6 5036 3856 2906 2046 204
      
Opdrachten321321321321321
      
Projectsubsidies1 7131 5901 7021 7881 788
Waarvan onder andere:     
Projecten immateriële hulpverlening504570537537537
      
Totaal359 001339 786323 474307 365291 875

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

47.3.2 De herinnering aan WO II blijft levend en veel mensen – waaronder specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen – zijn zich bewust van de betekenis van WO II

Motivering

Motivering

Het is belangrijk de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat er blijvend betekenis wordt gegeven aan deze herinnering. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor de mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar ook voor diegenen die na de oorlog deel zijn gaan uitmaken van de Nederlandse samenleving. Ook Nederlanders die geen persoonlijke relatie hebben met WO II moeten goed geïnformeerd zijn over het oorlogsverleden en de gevolgen daarvan. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II ligt vooral in de relatie tot actuele vraagstukken rond vrijheid, discriminatie, burgerschap en vrede.

Momenteel wordt de overdracht aan het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) voorbereid van een aantal departementale taken op het terrein van herdenken en vieren en voorlichtingsbeleid. Bedoeling is dat het NC zich zal ontwikkelen tot het kenniscentrum op het gebied van de herinnering aan WO II. In 2009 zijn al eerste stappen gezet door onder andere de lancering van de website WOII online. In 2010 zullen de voorbereidingen voor de overdracht worden gecontinueerd.


Onderstaande prestatie-indicatoren meten het belang dat de Nederlandse bevolking hecht aan 4 en 5 mei. De percentages zijn vrij stabiel met een lichte stijging in de afgelopen jaren waar het gaat om het belang dat wordt gehecht aan 4 mei. De meeste Nederlanders vinden herdenken belangrijker dan vieren, voor jongeren ligt dat in 2009 net andersom. Overigens is de mening van de Nederlandse bevolking over 4 en 5 mei maar beperkt beleidsmatig te sturen.

Prestatie-indicatoren
 2006200720082009Streefwaarde 2010 e.v.
1. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 4 mei hecht. 80%82%85%86%86%
2. Percentage van de bevolking dat (veel) belang aan 5 mei hecht. 77%72%79%77%77%

Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei. Deze prestatie-indicatoren worden jaarlijks gemeten.


In de inleiding bij dit beleidsartikel is al opgemerkt dat continuïteit op dit terrein en het borgen van toekomstbestendigheid essentieel is. In het kader van deze operationele doelstelling betekent het dat de in het verleden geformuleerde prioriteiten zullen worden gehandhaafd. Dat betreft met name:

• Het voorlichtingsbeleid en wel op zodanige wijze dat er toegewerkt wordt naar de nieuwe invulling en voorgenomen overheveling naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei;

• Het behoud en de toegankelijkheid van waardevol erfgoedmateriaal WO II (het programma Erfgoed van de Oorlog).

Instrumenten

• Subsidies Voorlichtingsbeleid

Het voorlichtingsbeleid is gericht op het aanvullen van de kennis en het inzicht van de Nederlandse bevolking met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en daarmee samenhangende thema’s. Het beleid wordt al in 2010 – het overgangsjaar naar de nieuwe situatie waarin overheveling plaatsvindt naar het Nationaal Comité 4 en 5 mei – gericht op de Nederlandse burgers in het algemeen met daarin aandacht voor specifieke subgroepen zoals bijvoorbeeld jeugdigen. Belangrijk is dat ze bekend zijn met de Tweede Wereldoorlog en zich daardoor meer bewust worden van de betekenis van het woord «vrijheid». In mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 oktober 2008 is de stand van zaken met betrekking tot het voorlichtingsbeleid WO II geschetst en is ingegaan op de voorgenomen overheveling. Er wordt jaarlijks € 1,2 miljoen ter beschikking gesteld voor projecten voorlichting.


• Subsidies herinnering WO II

Doel van deze subsidies is de herinnering aan WO II levend te houden en de betekenis ervan te vertalen naar deze tijd. VWS verleent onder andere subsidies voor het houden van nationale manifestaties (4 en 5 mei; 15 augustus). Verder worden vier nationale herinneringscentra in stand gehouden (€ 4,2 miljoen).


• Internationaal beleid

Nederland heeft zich in een «Memorandum of Understanding» samen met Israël en Slowakije verbonden om Polen te ondersteunen bij het inrichten van een waardige herinneringsplaats in het voormalige vernietigingskamp Sobibor. Hier zijn in de Tweede Wereldoorlog 43 000 uit Nederland afkomstige joden om het leven gebracht. In 2010 zullen hiervoor kosten gemaakt worden. Vooralsnog is hiervoor € 1,0 miljoen gereserveerd. Nederland adviseert mee over de inrichting van deze herinneringsplek, waarbij er vooral gestreefd wordt naar het voor mensen die het verhaal niet kennen, inzichtelijk maken van wat er hier gebeurd is. VWS wordt hierbij ondersteund door Herinneringscentrum Kamp Westerbork, NIOD en het Nationaal Comité 4 en 5 mei.


• Nationaal Comité 4 en 5 mei en Nationaal Vrijheidsonderzoek

Doel van het Nationaal Vrijheidsonderzoek is inzicht te verkrijgen in de gedachtevorming en bewustwording rond 4 en 5 mei en de achterliggende actuele thema’s (grondrechten, democratie, oorlog, vrijheid en verantwoordelijkheid). Het onderzoek wordt verricht in opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en bekostigd uit de instellingssubsidie die dit Comité van VWS ontvangt. Het draagvlakonderzoek 2009 is te vinden op www.herdenkenenvieren.nl.


• Programma Erfgoed van de Oorlog

Het programma Erfgoed van de Oorlog loopt van 2007 tot en met 2009. Het is een eenmalige, krachtige impuls om ervoor zorg te dragen dat het meest waardevolle erfgoedmateriaal van WO II beschikbaar blijft en toegankelijk is (of wordt gemaakt) voor huidige en toekomstige generaties. Het kabinet heeft in de brief van 22 oktober 2008 ( kamerstuk 20 454, nr. 92) de stand van zaken inzake Erfgoed WO II beschreven. Het programma Erfgoed van de Oorlog wordt in 2010 afgesloten. Dan is een maximale inspanning gepleegd om via subsidieverstrekking erfgoedbeherende instellingen in staat te stellen erfgoedmateriaal dat betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog, te behouden, te ontsluiten en voor een breed publiek toegankelijk te maken. Verreweg de meeste projecten worden eind 2009/begin 2010 afgerond en kennen een concreet resultaat. In de eerste helft van 2010 ligt het accent van de werkzaamheden dan ook op de inhoudelijk en financiële eindverantwoording van de projecten en op het presenteren van al die resultaten. In dat kader wordt in september 2010 een slotconferentie georganiseerd, bedoeld voor alle organisaties die zich op een of andere manier bezig houden met het overdragen van dit stuk geschiedenis, in woord, beeld en via moderne mediale toepassingen. In totaal is voor het programma Erfgoed van de oorlog in 2010 € 1,0 miljoen beschikbaar.

Geraamde begrotingsuitgaven

Geraamde begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 20102011201220132014
Instellingssubsidies/Structurele subsidies4 2574 2574 2574 2574 257
Onder andere:     
Nationaal Comité 4 en 5 mei2 7932 7932 7932 7932 793
      
Projectsubsidies4 6594 5724 5724 5724 572
Onder andere:     
Projecten jeugdvoorlichting1 1471 1781 1781 1781 178
Projecten Erfgoed WO II5870000
      
Opdrachten4190000
Erfgoedvan de oorlog4190000
      
Totaal9 3358 8298 8298 8298 829

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

47.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Overzicht beleidsonderzoeken
 Onderzoek onderwerpNummer AD of ODA Start B Afgerond
Beleidsdoorlichting  
    
Effectonderzoek ex post  
    
Overig evaluatieonderzoekErfgoed van de oorlog47.3.2A 2010 B 2010