Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2010
  • Download PDF

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

1. Begrotingsstructuur

2. Prestatie-indicatoren

3. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

4. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

1. Begrotingsstructuur

Gewijzigde opzet artikel 2

Afgelopen jaar is discussie gevoerd met de Eerste en Tweede Kamer over presentatie van de EZ-begroting. De Minister van Economische Zaken heeft daarbij toegezegd om bij Begroting 2010 de eerste verbeteringen te laten zien. Hiertoe is kritisch naar de beleidsartikelen gekeken. In overleg met het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer is besloten tot een grondige aanpak en is besloten artikel 2 hiervoor als pilot te gebruiken. Door flinke wijzigingen in de presentatie van dit artikel is de eerste stap gezet op weg naar een meer overzichtelijke begroting. Door te werken met een pilot kan de reactie van de Eerste en Tweede Kamer hierop worden meegenomen in de aanpassing van de overige beleidsartikelen ten behoeve van de Begroting 2011. De wijzigingen betreffen onder andere:

• In de inleiding van het artikel wordt de beleidstheorie achter het stimuleren van innovatie duidelijk uiteen gezet: waarom is er een rol voor de overheid weggelegd, hoe wordt innovatie gestimuleerd et cetera;

• De gebruikelijke budgettaire tabel is opgeknipt in overzichtelijke delen die direct onder de tabellen worden toegelicht (in tegenstelling tot de «oude» stijl waarbij in het begin van het artikel een lange tabel is opgenomen die in de rest van het artikel wordt toegelicht). Hierdoor ontstaat meer samenhang tussen cijfers en tekst en kan meer worden gefocussed;

• Er zijn boxen opgenomen met verdiepende achtergrondinformatie en/of zaken die de EZ-doelstellingen raken (bijvoorbeeld de maatschappelijke innovatieprogramma’s). Dit vergroot de leesbaarheid.

Pijlers EZ-beleid

Het EZ-beleid berust op drie pijlers:

Markt en spelregels: het bijdragen aan een stabiele macro-economische omgeving, goed werkende (internationale) markten, heldere wet- en regelgeving en een aantrekkelijk fiscaal klimaat.

Eén basispakket voor alle ondernemers: het basispakket is voor alle ondernemers toegankelijk. Het omvat instrumenten voor de diverse fasen van het ondernemerschap, van het starten van een onderneming tot de overdracht of de beëindiging. Ook worden de eerste stappen naar innoveren en internationaal ondernemen gestimuleerd. Naast voorlichting en advies zijn er financiële instrumenten als vouchers, kredieten en (samenwerkings-)subsidies. Het basispakket omvat 3 modules: 1) starten, groeien en overdragen, 2) innoveren en 3) internationaal ondernemen.

Programmatisch pakket voor topprestaties: het programmatisch pakket omvat 4 modules: 1) sterktes in innovatie, 2) sterktes in de regio, 3) Energietransitie en 4) Internationaal excelleren en samenwerken. In het programmatisch pakket is het stimuleren van internationale R&D-samenwerking een belangrijk onderdeel. Kenmerkend voor alle programma’s zijn de begrippen excellentie, selectiviteit, maatwerk en vraagsturing. Er nemen specifieke clusters van ondernemers aan deel.


In de EZ-begroting 2010 komen deze drie pijlers duidelijk herkenbaar in de beleidsartikelen terug. Elk artikel bevat, voor zover van toepassing, de onderverdeling markt en spelregels, basispakket voor alle ondernemers en programmatisch pakket voor topprestaties. Met deze indeling is snel duidelijk wat EZ doet om de randvoorwaarden voor ondernemers op orde te krijgen (bijvoorbeeld via het aanpassen van wetgeving), wat EZ doet om ondernemers een geschikt basispakket aan ondersteuning te leveren (bijvoorbeeld door middel van de BBMKB of WBSO) en wat EZ doet om op bepaalde gebieden te kunnen excelleren (programmatisch pakket).

2. Prestatie-indicatoren: comply or explain

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het scheppen van de juiste voorwaarden voor het realiseren van duurzame economische groei. Het zijn vervolgens de ondernemers die de economische groei moeten maken. Voor een goede werking van de economie is het nodig dat private partijen zowel binnen als op basis van bepaalde randvoorwaarden hun gang kunnen gaan. EZ tracht deze randvoorwaarden te creëren en/of te borgen door bijvoorbeeld het opheffen van tegenstrijdige regelgeving, door te bemiddelen tussen bedrijven en publieke kennisinstellingen en door meer ruimte te creëren voor ondernemerschap. Op het gebied van marktwerking, kennis- en innovatiebeleid, ondernemingsklimaat, ICT en telecom en het economische buitenlandbeleid is EZ echter één van de relevante partijen. Tal van externe factoren, zoals bijvoorbeeld de conjunctuurontwikkeling, hebben ook invloed op deze gebieden. De eigen sturing op de mate van doelbereik wordt hierdoor beperkt. Gelet op het voorwaardenscheppende karakter van het beleid, is dan ook sprake van een systeemverantwoordelijkheid in plaats van een resultaatverantwoordelijkheid voor de Minister van Economische Zaken.


Dit maakt het in een aantal gevallen dan ook lastig om prestatie-indicatoren te vinden die iets zeggen over de realisatie van de doelstellingen en tegelijkertijd een indruk geven van de bijdrage van het beleid van EZ hieraan. Waar mogelijk worden de resultaten van beleid inzichtelijk gemaakt met concrete prestatie-indicatoren (bijvoorbeeld «aantal bedrijven dat op basis van het instrument PSB internationaal is gaan ondernemen»). Zoals tijdens het wetgevingsoverleg over het Jaarverslag 2006 met de Tweede Kamer is besproken, wordt waar het niet of niet goed mogelijk is om met een prestatie-indicator de effecten van het beleid weer te geven, wel zo veel mogelijk inzicht geboden in de relevante ontwikkelingen van het beleidsveld door kengetallen op te nemen. Een kengetal geeft relevante informatie zonder dat een directe relatie is te leggen met het gevoerde beleid (bijvoorbeeld «R&D-uitgaven van de private sector als percentage van het BBP»). Deze kengetallen hebben informatieve waarde omdat ze aangeven hoe Nederland ervoor staat op verschillende terreinen. Daarmee komen sterktes en zwaktes in beeld waarop het beleid kan aangrijpen. Daarnaast geven kengetallen een beeld in hoeverre de ambities van het kabinet gerealiseerd worden.


Er is een aantal redenen aan te dragen waarom de effecten van beleid niet of niet goed inzichtelijk is te maken met behulp van prestatie-indicatoren:

1. Er zijn vele externe variabelen van invloed op de realisatie van de beleidsdoelstellingen van EZ.

2. Op sommige terreinen zijn geen statistieken of gegevens beschikbaar.

3. Als statistieken wel beschikbaar zijn dan is dat, met name op het terrein van innovatie, regelmatig met een vertraging van één tot enkele jaren.


Voor één operationele doelstelling binnen beleidsartikel 1 (Goed functionerende economie en markten in Nederland en Europa) en één operationele doelstelling binnen beleidsartikel 5 (Internationale economische betrekkingen) kunnen noch prestatie-indicatoren noch kengetallen worden geformuleerd. Het betreft de operationele doelstellingen:

1. Bevorderen van een stabiele macro-economische omgeving en versterken van de Interne Markt.

2. Een vrijer internationaal handels- en investeringsverkeer en een versterkte duurzame internationale economische rechtsorde.

3. Het gericht ondersteunen van het bedrijfsleven in kansrijke sectoren op zowel binnen- als buitenlandse markten.


Ad 1.

EZ is medeverantwoordelijk voor het maken en het uitvoeren van beleid dat een stabiele macro-economische omgeving en goed werkende markten bevordert. Dit beleidsterrein wordt gekenmerkt door een breed speelveld met veel actoren en tal van (economische) onzekerheden. De voortgang en realisatie van prioriteiten en doelstellingen hangt daarbij in belangrijke mate af van externe factoren binnen Nederland en Europa en op mondiaal niveau. Voor het economische beleid zijn ontwikkelingen in de EU bovendien sterk bepalend, zoals bijvoorbeeld de werkwijze, slagkracht en efficiency van de Europese Commissie. Dit brede speelveld is niet in cijfers te vervatten.


Ad 2.

EZ is verantwoordelijk voor het beleid dat het vrijmaken van het internationale handels- en investeringsverkeer beoogt en de internationale economische rechtsorde bevordert. Door middel van contacten met overheidspartijen in binnen- en buitenland en het bedrijfsleven schept EZ de basis voor gunstige en concurrerende voorwaarden voor internationaal ondernemen en lost EZ daar waar nodig knelpunten voor het bedrijfsleven op. De uiteindelijke realisatie van deze operationele doelstelling is van een veelheid van factoren afhankelijk (geopolitieke factoren, WTO-onderhandelingen, et cetera) en derhalve niet kwantificeerbaar.


Ad. 3.

Onder dit operationele doel was de prestatie-indicator voor het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) opgenomen. Met het stopzetten van dit programma in 2008 als gevolg van de uitspraak van de rechter in de «Hanseland zaak» verviel ook de prestatie-indicator. Door die uitspraak moest het instrumentarium worden aangepast in 2009. Omdat pas na aanpassing van het instrumentarium nieuwe prestatie-indicatoren kunnen worden geformuleerd, kunnen deze pas in de Begroting 2011 worden opgenomen.


Evaluaties en beleidsdoorlichtingen geven meer detailinformatie over het bereiken van de gestelde doelen dan prestatie-indicatoren en kengetallen. Binnen VBTB zijn dit dan ook belangrijke instrumenten om het inzicht in de beleidsprestaties te completeren. Met verschillende soorten evaluatie-instrumenten wordt zo goed mogelijk inzicht gegeven in de effectiviteit en efficiency van beleid. De Kamer wordt op de hoogte gebracht van de uitkomsten en beleidsmatige conclusies van deze doorlichtingen. In elk beleidsartikel worden de belangrijkste evaluatieonderzoeken weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar beleidsdoorlichtingen, effectenonderzoek en overig evaluatieonderzoek.

3. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

De personele uitgaven van het kernministerie EZ die direct verband houden met beleidsuitgaven worden verbijzonderd naar de betreffende artikelen. De personele uitgaven voor de Directoraten-Generaal die onder het kernministerie vallen, zijn geraamd bij de beleidsartikelen 1 tot en met 5, alsmede beleidsartikel 10. De in dit opzicht als indirect te beschouwen personele uitgaven van het kernministerie (algemene leiding, stafdirecties) worden geraamd op artikel 21 Algemeen. De materiële uitgaven van het kernministerie en de overige apparaatsuitgaven worden eveneens geraamd op artikel 21 Algemeen. Er vindt geen toerekening van deze uitgaven aan de beleidsartikelen plaats.

Voor de diensten van EZ (de NMa, de Consumentenautoriteit, SodM en het CPB) geldt dat de integrale apparaatsuitgaven geraamd zijn op de betreffende beleidsartikelen (respectievelijk de artikelen 1, 1, 4 en 8). De bijdragen aan de (EZ-) ZBO’s CBS en OPTA zijn geraamd op respectievelijk artikel 9 en artikel 10.

Per 1 januari 2010 zullen SenterNovem, EVD en Octrooicentrum Nederland samengevoegd worden tot één agentschap, met als werktitel Agentschap Uitvoering. De paragrafen over de diensten die een baten-lasten stelsel voeren (SenterNovem, EVD, Octrooicentrum Nederland en Agentschap Telecom) zijn daarom gedeeltelijk samengevoegd tot één paragraaf. De paragrafen geven inzicht in de begroting van baten en lasten en de kasstroom van deze diensten. De opdrachtbudgetten worden geraamd op de beleidsmatig daarvoor in aanmerking komende artikelen. Daar waar dit voor de helderheid noodzakelijk was, is in de beleidsartikelen wel nog een onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderdelen.

4. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

In afwijking van de voorschriften specificeert EZ bij de beleidsartikelen de verplichtingenramingen in plaats van de uitgavenramingen, omdat de verplichtingenramingen het meeste inzicht geven in het actuele beleid. Beleidsbeslissingen, zoals het introduceren of het beëindigen van subsidieregelingen, zijn in de verplichtingenramingen immers direct traceerbaar. Vanwege de doorlooptijden en betalingsschema’s van subsidies, bieden de uitgavenramingen in dat opzicht minder informatie. Overigens bevat de verdiepingsbijlage wel een specificatie van de uitgavenramingen naar operationeel doel. Daarnaast zijn de bedragen in de budgettaire paragraaf van de beleidsartikelen uit oogpunt van presentatie uitgedrukt in miljoenen, in plaats van in duizenden.

Zoals hierboven aangegeven is Artikel 2 als pilot gebruikt. In overleg met het Ministerie van Financiën is daarbij besloten om de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» niet als één geheel vooraan in het artikel te presenteren. In plaats daarvan worden verschillende budgettaire tabellen per operationele doelstelling gegeven. Hoewel hiermee wordt afgeweken van model 160 van de Rijksbegrotingsvoorschriften, wordt de samenhang tussen de cijfers en de omschrijving van het beleid vergroot.