Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2010
  • Download PDF

46 Inkomensbescherming met activering

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen financiële risico’s bij inkomensverlies

Motivering

Om personen te beschermen tegen de financiële risico’s als gevolg van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt hen een inspanningsverplichting opgelegd om betaalde arbeid te verkrijgen, danwel maatschappelijk te participeren en worden aan werkgevers, andere private partijen of gemeenten prikkels gegeven die aan preventie en activering bijdragen.

SZW creëert de voorwaarden voor het verlenen van de uitkeringen en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van uitkeringen door UWV, gemeenten of private partijen. SZW verstrekt hiertoe de financiële middelen of richt het regelgevend kader in zodat private arrangementen mogelijk en rechtszeker zijn.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

De economie heeft in 2010 herstel getoond. De flexibele arbeidsmarkt en de getroffen crisismaatregelen, zoals de deeltijd-WW, hebben hieraan een bijdrage geleverd. Hierbij zijn in de loop van het jaar de crisismaatregelen steeds meer gericht op mobiliteit en inzetbaarheid, in plaats van het voorkomen van werkloosheid (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten).

Het gebruik van de in 2010 verlengde deeltijd-WW is verder gedaald.

Vanaf maart 2010 is – na een eerdere sterke stijging als gevolg van de crisis – het aantal WW-uitkeringen weer gaan dalen. In de laatste maanden van 2010 is er echter weer sprake van een stijging van het aantal uitkeringen.

De WWB reageert met vertraging en minder sterk op de economische crisis, aangezien werknemers eerst in de WW terechtkomen en een deel van de werknemers vanuit de WW weer een baan vindt.

Externe factoren

De economische conjunctuur is een belangrijke factor in de volumeontwikkeling en daarmee het budgettaire beslag van een aantal wetten binnen deze algemene doelstelling. Daar waar dat van toepassing is wordt daar bij de operationele doelstelling op ingegaan.

Het behalen van de algemene doelstelling is mogelijk gemaakt door:

  • –  Een effectieve uitvoering van de wetten door UWV, gemeenten en private partijen;
  • –  Een over het geheel genomen gelijk gebleven niveau van naleven van de verplichtingen van de wet- en regelgeving door de uitkeringsgerechtigden, werkgevers en betrokken private partijen;
  • –  De inspanning gericht op het verkrijgen van betaald werk van de uitkeringsgerechtigden, die onder meer heeft geleid tot meer werkhervatting van WW-gerichtigen, mede door het meer richten van de inzet op mobiliteit en inzetbaarheid.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de realisatiecijfers voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46.1 Begrotingsuitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2006

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Begroting 2010

Verschil 2010

Verplichtingen

6 255 236

5 947 764

6 442 443

7 510 742

7 139 531

7 291 620

– 152 089

Uitgaven

6 437 928

6 270 136

6 436 837

6 767 571

7 066 636

7 291 598

– 224 962

               

Programma uitgaven

6 427 894

6 260 279

6 427 209

6 759 259

7 057 515

7 282 841

– 225 326

               

Operationele Doelstelling 1

             

IOW uitkeringslasten

0

0

0

0

1 741

7 159

– 5 418

IOW uitvoeringskosten

0

0

0

0

1 566

0

1 566

Operationele Doelstelling 3

             

Wajong Uitkeringslasten

1 756 247

1 928 009

2 153 830

2 425 710

2 642 160

2 567 379

74 781

Wajong Uitvoeringskosten

57 298

56 377

83 979

102 527

125 194

95 033

30 161

Operationele Doelstelling 4

             

BIA Uitkeringslasten

4 875

5 007

4 179

3 887

3 597

3 623

– 26

BIA Uitvoeringskosten

229

271

281

220

287

135

152

Tri uitkeringslasten

17 961

31 719

20 464

7 444

693

504

189

Tri Uitvoeringskosten

3 170

6 266

4 054

500

212

212

0

Operationele Doelstelling 5

             

WWB

4 190 093

3 943 592

3 855 307

3 863 053

4 056 157

3 993 937

62 220

Bijstand Buitenland

1 941

2 198

2 760

2 787

2 500

2 600

– 100

Bijstand Zelfstandigen

88 896

87 305

117 364

120 905

118 077

98 734

19 343

IOAW

173 306

112 199

103 733

133 013

4 845

270 918

– 266 073

IOAZ

39 487

31 625

34 164

30 683

2 730

38 130

– 35 400

WWIK Uitkeringslasten

40 823

26 148

22 698

20 582

3 590

23 576

– 19 986

WWIK Uitvoeringskosten

5 507

5 309

4 734

4 964

2 678

5 031

– 2 353

Vazalo

0

0

39

142

70

2 650

– 2 580

Wet Investeren in Jongeren

0

0

0

0

0

99 763

– 99 763

Handhaving

17 515

7 695

7 827

7 892

7 334

7 790

– 456

Overig

30 546

16 559

11 796

34 950

84 084

65 667

18 417

               

Apparaatsuitgaven

10 034

9 857

9 628

8 312

9 121

8 757

364

Personeel en materieel

10 034

9 857

9 628

8 312

9 121

8 757

364

               

Ontvangsten

101 012

98 317

59 864

57 268

48 236

150

48 086

Toelichting

IOW

De IOW is een inkomensvoorziening voor oudere werklozen. Werknemers van 60 jaar of ouder die tussen 1 oktober 2006 en 1 juli 2011 werkloos worden en die langer dan 3 maanden recht hebben op een WW-uitkering, komen na afloop van de WW-uitkering in aanmerking voor een IOW-uitkering. De uitkeringslasten bedroegen in 2010 slechts een kwart van wat was begroot voor 2010, als gevolg van een fors lagere deelname aan de IOW dan verwacht.

Bij het opstellen van de begroting voor 2010 waren de uitvoeringskosten IOW nog niet apart inzichtelijk gemaakt. De hoge uitvoeringskosten die in 2010 gemaakt zijn betreffen voornamelijk eenmalige implementatiekosten.

Wajong

De Wajong vormt de inkomensvoorziening voor jonggehandicapten. De uitkeringslasten Wajong stijgen jaarlijks. Een belangrijke oorzaak hiervoor is dat de voorloper van de Wajong is opgestart in 1976. Hierdoor is het bestand Wajonggerechtigden nog relatief jong en ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau. De instroom in de regeling is hierdoor hoger dan de uitstroom.

Per 1 januari 2010 is de nieuwe wet Wajong in werking getreden waarin meer nadruk ligt op het vinden en behouden van arbeid. In 2010 bestond de instroom echter nog voor bijna de helft uit mensen die onder de «oude» regeling vallen. Dit zijn meestal mensen die in 2009 al de aanvraag hebben gedaan, maar pas in 2010 de 18-jarige leeftijd bereikten of geïndiceerd werden. In de raming voor 2010 was rekening gehouden met een lagere instroom in de Wajong in verband met de gewijzigde wetgeving. Doordat een aanzienlijk gedeelte van de instroom nog onder de «oude» regeling valt, is de instroom hoger uitgevallen dan geraamd. Het effect hiervan op de totale uitkeringslasten is echter zeer beperkt. Daarnaast is de gewijzigde regeling nog te kort van kracht om al invloed te zien in de uitstroombevorderende werking ervan.

De uitkeringslasten Wajong zijn bijna € 75 mln hoger dan begroot. Dit komt mede door een eenmalige kasschuif van 2011 naar 2010 (€ 43 mln) en voor het overige gedeelte door de gebruikelijke indexering van de uitkering. De uitvoeringskosten zijn hoger dan begroot door de toename van het Wajongbestand en door extra activiteiten in het kader van de nieuwe Wajong, waarbij met name het recht op arbeidsondersteuning centraal staat. Om deze redenen heeft UWV de toerekeningsregels voor het totaalbudget aangepast, waarbij meer geld is toegerekend aan de Wajong en minder aan andere regelingen, zoals WAO en WAZ.

BIA (Beperking Inkomensgevolgen Arbeidsongeschiktheidscriteria)

Deze tijdelijke wet voorziet sinds 1996 in een uitkering om inkomensgevolgen als gevolg van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken. Omdat er in principe geen nieuwe instroom meer plaatsvindt, zullen het volume en de uitkeringslasten blijven dalen.

Tri (Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten)

De Tri vervalt met ingang van 1 januari 2011. Met ingang van 2011 is de financiële afwikkeling van de Tri overgeheveld naar artikel 97 (Aflopende regelingen).

WWB (Wet werk en bijstand)

Het Inkomensdeel WWB is voor de periode 2008–2011 gebaseerd op de afspraken in het Bestuurlijk Akkoord tussen Rijk en gemeenten. Belangrijk element in deze afspraken is dat het macrobudget in beginsel is vastgezet op de middellange termijnraming van het CPB. Aanpassingen voor conjunctuur vinden slechts plaats indien de afgesproken bandbreedte van 12 500 uitkeringen wordt overschreden. Het macrobudget wordt jaarlijks aangepast voor loon-/prijsbijstellingen en voor effecten van rijksbeleid. Er vindt op basis van de afspraken geen correctie plaats voor gemeentelijke realisaties.

Per 1 januari 2010 zijn de kleine inkomensregelingen gebundeld met het inkomensdeel van de WWB. In de begroting 2010 waren de afzonderlijke budgetten opgenomen. In het jaarverslag zijn de uit het gebundelde budget gerealiseerde uitgaven onder de WWB zichtbaar gemaakt. Vanwege deze bundeling zijn aan het WWB-budget de middelen voor de uitkeringslasten WIJ, IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz (alleen de middelen voor levensonderhoud ten behoeve van startende ondernemers) toegevoegd (€ 456 mln). De overige middelen Bbz betreffen levensonderhoud voor gevestigde ondernemers en kapitaalverstrekkingen en deze worden als specifieke uitkering aan de gemeenten verstrekt. Het budget is tevens opgehoogd als gevolg van een met CPB afgestemde technische correctie op de ingeboekte effecten van rijksbeleid (€ 103 mln), de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 54 mln) en de verlate inwerkingtreding van de wet partneralimentatie (€ 2 mln).

Een neerwaartse bijstelling van de werkloosheidsraming van het CPB heeft geleid tot een neerwaartse aanpassing van het macrobudget WWB/WIJ (-/- € 428 mln). Ook de kleine bijstandsregelingen zijn aangepast vanwege de minder ongunstige ontwikkeling van de werkloosheid dan eerder verwacht (-/- € 98 mln). De middelen die aan gemeenten zijn uitgekeerd in het kader van de incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU en MAU) zijn conform afspraak in mindering gebracht op het inkomensdeel WWB (-/- € 27 mln). Per saldo zijn de uitgaven WWB € 62 mln hoger dan begroot.

Uit voorlopige opgaven van gemeenten (zoals weergegeven in hun «Beelden van uitvoering 2010») blijkt dat het saldo van baten en lasten over 2010 landelijk € 4,4 mld bedraagt. Daarmee hebben gemeenten gezamenlijk een tekort van € 350 mln over 2010. Dit is vooral het gevolg van de hierboven genoemde afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord tussen Rijk en gemeenten.

Bijstand Buitenland

Ten behoeve van bijstandsverlening aan Nederlanders in het buitenland was er de regeling Bijstand buitenland. Deze regeling verviel in 1996 met de invoering van de Algemene bijstandswet, waardoor er sinds 1996 geen nieuwe gevallen tot deze regeling zijn toegelaten. Voor de nog bestaande gevallen geldt de – sinds 2009 door de SVB uitgevoerde – regeling nog steeds. De uitgaven in 2010 zijn nagenoeg gelijk aan wat was begroot.

Bijstand zelfstandigen (Bbz)

Ondernemers kunnen onder bepaalde voorwaarden voor financiële bijstand een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Gemeenten kunnen aan startende en gevestigde zelfstandigen bijstand verlenen ten behoeve van het levensonderhoud, en/of kredietten behoeve van bedrijfskapitaal. De uitgaven Bbz zijn € 19 mln hoger uitgevallen dan begroot. Vanwege de bundeling van de kleine inkomensregelingen is een deel van het budget gebundeld met het inkomensdeel van de WWB en een deel overgeboekt naar het participatiebudget (-/- € 35 mln). De overige middelen Bbz betreffen levensonderhoud voor gevestigde ondernemers en bedrijfskapitaal. Deze middelen worden als specifieke uitkering aan de gemeenten verstrekt. Daarnaast is er aan de bevordering van het ondernemerschap minder geld uitgegeven dan beschikbaar was (-/- € 2 mln), en werden er ten behoeve van microkredieten middelen overgeheveld naar het Ministerie van EZ (-/- € 3 mln).

Daar tegenover staan budgetverhogingen vanwege overlopende verplichtingen in het kader van de borgstellingsregeling (€ 2 mln), de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 1 mln) en de verwerking van uit gemeentelijke jaarrekeningen afkomstige uitvoeringsgegevens (€ 47 mln). Uit deze gegevens bleek een hogere gerealiseerde prijs dan waarmee is geraamd. Bij laatstgenoemde verwerking is er bij de hieruit resulterende betalingen over 2009 van uitgegaan dat deze gedeeltelijk in 2010 en gedeeltelijk in 2011 zouden worden uitgekeerd. De gerealiseerde nabetalingen zijn voor een groter deel in 2010 uitgekeerd dan was aangenomen (€ 9 mln).

Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

De IOAW en IOAZ zijn inkomensregelingen die zowel oudere langdurige werklozen als oudere zelfstandigen die wegens omstandigheden hun beroep of bedrijf moeten beëindigen, een inkomensgarantie op het niveau van het sociaal minimum bieden.

De uitgaven IOAW en IOAZ zijn in 2010 respectievelijk € 266 mln en € 35 mln lager dan begroot. Dat komt doordat de budgetten voor de IOAW (-/- € 271 mln) en IOAZ (-/- € 38 mln) met ingang van 1 januari 2010 zijn gebundeld met het inkomensdeel WWB. Daarmee zijn de budgetten voor de uitkeringslasten 100% gebudgetteerd. Tot en met 2009 konden gemeenten deze uitgaven voor 75% declareren. Verrekening met eerder aan gemeenten verstrekte voorschotten voor het declaratiedeel 2009 leidde bij een aantal gemeenten tot nabetalingen voor de IOAW (€ 5 mln) en IOAZ (€ 2 mln) in 2010.

WWIK (Wet werk en inkomen kunstenaars)

De WWIK geeft kunstenaars recht op een aanvulling van hun inkomen als zij met hun werk te weinig verdienen om in hun (totale) levensonderhoud te voorzien. De begrote uitgaven betreffen de uitkeringslasten en uitvoeringskosten van de WWIK die door 20 uitvoerende centrumgemeenten en de stichting Cultuur en Ondernemen wordt uitgevoerd.

De gerealiseerde uitkeringslasten WWIK zijn € 20 mln lager dan begroot. Dat komt doordat het budget voor de uitkeringslasten sinds 2010 is gebundeld met het inkomensdeel WWB (-/- € 24 mln). Daarmee is vanaf dat moment het budget voor de uitkeringslasten 100% gebudgetteerd. Tot en met 2009 konden gemeenten deze uitgaven voor 100% declareren. Verrekening met eerder aan gemeenten verstrekte voorschotten leidde bij een aantal gemeenten tot nabetalingen over 2009 (€ 4 mln).

De uitvoeringskosten WWIK zijn eveneens lager dan begroot, namelijk € 2 mln. De middelen voor de gemeenten worden sinds de bundeling van de kleine inkomensregelingen via een decentralisatieuitkering aan gemeenten verstrekt. Hiertoe zijn middelen overgeheveld naar het Gemeentefonds (-/- € 3 mln). Op basis van de definitieve gemeentelijke uitvoeringsgegevens is het budget opgehoogd (€ 1 mln).

Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB (Vazalo)

Het experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB is op 1 januari 2009 van start gegaan en loopt tot en met 2011. Er namen in 2010 16 gemeenten aan deel. De kosten in 2010 bedroegen € 2,6 mln. Dit geld is als tegemoetkoming in de kosten als gevolg van deelname aan het experiment beschikbaar gesteld en overgeheveld naar het gemeentefonds. Het bedrag op de begroting van SZW is daarom overgeboekt naar het overeenkomstige budget van het ministerie van BZK. Daarom zijn deze uitgaven niet terug te zien in de budgettaire tabel.

Werkleerrecht WIJ (Wet investeren in jongeren)

Op grond van de WIJ kunnen jongeren van 16 tot 27 jaar die niet werken of leren de gemeente om een werkleeraanbod vragen. De gemeente is verplicht de jongere die hierom vraagt een werkleeraanbod te doen. Als een jongere van 18 tot 27 (bijvoorbeeld vanwege een lichamelijke of psychische beperking) niet in staat is een werkleeraanbod uit te voeren, of uitvoering ervan te weinig inkomen genereert, dan komt een jongere in aanmerking voor een inkomensvoorziening WIJ.

De uitgaven voor de inkomensvoorziening WIJ zijn niet afzonderlijk zichtbaar, omdat door de bundeling van de WIJ met het inkomensdeel WWB de middelen voor de inkomensvoorziening WIJ zijn overgeheveld naar het inkomensdeel WWB (-/- € 94 mln). Dat bedrag is minder dan het in de begroting 2010 genoemde budget (€ 100 mln). Dat komt doordat voorafgaand aan de eerder genoemde bundeling het budget neerwaarts is bijgesteld voor de door het CPB neerwaarts bijgestelde werkloosheidsraming (-/- € 5 mln).

Bijstand overig

De overige bijstandsuitgaven hebben hoofdzakelijk betrekking op de uitgaven van de Toetsingscommissie WWB, de uitgaven aan het onderhoud en de doorontwikkeling van de WWB en de middelen ten behoeve van de gemeentelijke schuldhulpverlening. In 2010 is € 18 mln meer uitgegeven dan begroot. Dat komt doordat het budget is opgehoogd ten behoeve van de incidentele en meerjarige uitkeringen (IAU en MAU) aan gemeenten (€ 27 mln). Daarnaast is aan het onderhoud en de doorontwikkeling van de WWB minder uitgegeven dan begroot (-/- € 3 mln). Bovendien is het budget voor de gemeentelijke schuldhulpverlening neerwaarts bijgesteld (-/- € 5 mln).

Tabel 46.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2006

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

begroting 2010

verschil 2010

Uitgaven

15 379 900

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

17 838 356

– 817 080

               

Programma uitgaven

15 379 900

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

17 838 356

– 817 080

Operationele Doelstelling 1

             

WW uitkeringslasten

3 769 000

2 832 000

2 470 965

4 374 000

4 996 618

5 818 146

– 821 528

WW uitvoeringskosten

521 342

468 880

377 870

515 790

400 665

593 562

– 192 897

Operationele Doelstelling 2

             

WAO uitkeringslasten

8 180 000

8 037 261

8 042 000

7 883 187

7 465 814

7 252 804

213 010

WAO uitvoeringskosten

477 550

441 380

375 770

272 450

202 225

254 118

– 51 893

IVA uitkeringslasten

29 000

128 000

208 000

330 000

474 202

438 921

35 281

IVA uitvoeringskosten

63 000

46 000

44 995

41 392

49 596

55 751

– 6 155

WGA uitkeringslasten

122 000

316 129

562 194

807 444

1 124 932

1 078 939

45 993

WGA uitvoeringskosten

200 000

163 520

206 985

147 177

173 789

141 023

32 766

ZW uitkeringslasten

1 252 000

1 181 800

1 061 995

1 222 000

1 511 604

1 238 399

273 205

ZW uitvoeringskosten

297 008

353 120

300 380

302 590

285 825

262 622

23 203

WAZ uitkeringslasten

444 000

393 000

378 000

358 000

323 006

326 284

– 3 278

WAZ uitvoeringskosten

25 000

30 000

33 000

15 000

13 000

25 344

– 12 344

               

Nominaal

0

0

0

0

0

352 443

– 352 443

               

Ontvangsten

519 000

164 530

144 000

170 253

203 000

198 224

4 776

Bron: SZW-berekeningen op basis van jaarverslag UWV

WW (Werkloosheidswet)

Werknemers die geheel of gedeeltelijk werkloos worden, kunnen het verlies aan inkomen voor een bepaalde periode opvangen met een WW-uitkering. Als gevolg van de economische crisis zijn de uitkeringslasten van 2009 op 2010 toegenomen.

Net als de werkloosheid is echter ook het WW-volume minder sterk opgelopen dan waar bij het opstellen van de begroting voor 2010 van uit werd gegaan. Daarom zijn er meevallers opgetreden bij zowel de WW-uitkeringslasten als de uitvoeringskosten. Bij de uitvoeringskosten leidde dit er toe dat deze zelfs lager zijn uitgekomen dan in 2009.

In maart 2010 heeft het kabinet Balkenende IV besloten de mogelijkheid tot instroom in de deeltijd-WW beperkt te verlengen voor bedrijven die niet eerder gebruik hebben gemaakt van bijzondere werktijdverkorting of deeltijd-WW. De regeling eindigt – ongeacht het moment van instroom – uiterlijk op 1 juli 2011. In 2010 is het aantal werknemers dat gebruik maakte van de regeling geleidelijk afgenomen van bijna 40 duizend in januari naar minder dan 10 duizend in december (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). Het gebruik van de regeling lag daarmee lager dan verwacht, zodat ook de deeltijd-WW voor een meevaller in de WW-lasten zorgde van netto circa € 85 mln.

Daar tegenover staat dat de strenge winterperiode begin 2010 zorgde voor circa € 100 mln extra uitgaven aan WW-uitkeringen uit hoofde van «onwerkbaar weer».

WAO

WAO-gerechtigden zijn personen die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. Door de invoering van de Wet WIA dalen de uitkeringslasten WAO, omdat geen nieuwe WAO-uitkeringen meer worden verstrekt, uitgezonderd herlevingen op basis van oud recht. De WAO kent zodoende vrijwel alleen nog uitstroom.

De uitkeringslasten WAO en de uitvoeringskosten WAO laten daarom een daling zien. De daling van de uitkeringslasten is in 2010 minder snel verlopen dan geraamd. Dit komt vooral doordat het aantal WAO’ers dat als gevolg van herstel zijn uitkering verliest, lager ligt dan geraamd. De daling van de uitvoeringskosten verloopt juist sneller dan gedacht, omdat de dure aanvragen niet meer onder de WAO maar onder de WIA vallen. UWV heeft daarom minder aan de WAO en meer aan de WIA toegerekend.

WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

In de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) staat werk voorop, ligt het accent op wat mensen kunnen en is er tegelijkertijd inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes: de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

De jaarlijkse instroom in de WIA is substantieel lager dan de jaarlijkse instroom in de vroegere WAO. Bij de invoering van de WIA werd daarmee al rekening gehouden. De raming toentertijd was dat de jaarlijkse instroom in de WIA beperkt zou blijven tot ongeveer 42 000 personen. De feitelijke instroom in de WIA was in de afgelopen jaren zelfs nog lager. Wel is er sprake van een stijgende instroom. Deze is gestegen van ongeveer 20 000 mensen in 2006 naar ongeveer 35 000 personen in 2010. Deze stijging wordt deels verklaard door de toenemende omvang van de verzekerdenpopulatie en de veranderde samenstelling daarvan (te weten relatief meer ouderen, meer vrouwen en sectorale verschuivingen). In 2009 en 2010 is de stijging echter groter dan op grond van deze factoren mag worden verwacht. Er is inmiddels een diepgaand onderzoek gestart naar mogelijke oorzaken.

IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten

De IVA verzorgt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De uitkeringslasten IVA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. De lasten komen hoger uit dan voor 2010 was begroot. Dit is vooral het gevolg van een grotere doorstroom vanuit de WGA.

WGA (Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten)

De WGA verzorgt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, of een minimumuitkering als zij niet werken of minder werken dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten WGA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. De lasten komen hoger uit dan voor 2010 was begroot. Het instroomniveau laat in de afgelopen jaren een stabiele stijging zien. Zoals reeds aangegeven wordt naar de mogelijke oorzaken een onderzoek verricht.

ZW (Ziektewet)

De ziektewet (ZW) verzekert het ziekterisico voor bepaalde groepen werknemers. Het gaat daarbij om werknemers, die geen werkgever meer hebben of waarvan de werkgever niet verplicht is tot loondoorbetaling. Mede als gevolg van de economische crisis zijn de uitkeringslasten en uitvoeringskosten hoger uitgevallen dan begroot. Vooral de vangnetgroep einde-dienstverbanders is meer toegenomen dan in de begroting 2010 geraamd. Hiernaast is sprake van een hoger dan verwachte gemiddelde uitkering, door een groter aandeel van de relatief dure groep zieke werklozen.

WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

De toegang voor zelfstandige ondernemers tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. De uitkeringslasten en de uitvoeringskosten van de WAZ laten zodoende een dalende trend zien.

Operationele doelstelling

1 Zorgdragen dat werknemers bij werkloosheid een tijdelijk loonvervangend inkomen ontvangen én tot werkhervatting worden gestimuleerd

Motivering

Om de tijdelijke inkomensbescherming van werknemers bij werkloosheid te waarborgen en hen te activeren tot werkhervatting.

Doelbereiking

Het jaar 2010 kenmerkt zich door voorzichtig herstel op de arbeidsmarkt en dalende werkloosheid (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). Vanaf maart 2010 is het aantal WW-uitkeringen gaan dalen. Vanaf november 2010 is er echter weer sprake van een lichte stijging van het aantal WW-uitkeringen. Per saldo, mede doordat het herstel op de arbeidsmarkt zich pas in de loop van 2010 heeft voorgedaan, is het volume van de ontslagwerkloosheid in 2010 ten opzichte van 2009 toegenomen.

Het herstel op de arbeidsmarkt uit zich ook in het steeds dalende gebruik van de deeltijd-WW in de loop van 2010. Omdat sommige sectoren te maken hebben met langlopende opdrachten (zoals de bouw en scheepsbouw) en die pas later zijn geraakt door de economische crisis, is de aangepaste deeltijd-WW verlengd tot 1 juli 2011. Alleen de bedrijven die de regeling nog niet hadden gebruikt kwamen in aanmerking.

Instrumenten en activiteiten

  • –  Werkloosheidswet (WW)
  • –  Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Doelgroepen

  • –  Verzekerden (werknemers)
  • –  WW-gerechtigden
  • –  IOW-gerechtigden
  • –  Premiebetalers (werkgevers)

Realisatie meetbare gegevens

Instroomkans WW 55+

Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van ouderen verhogen, onder meer door het gebruik van de WW door deze groep terug te dringen. De eerste indicator geeft de verhouding weer van de instroom van mensen van 55 jaar en ouder in de WW ten opzichte van de gemiddelde instroom voor de totale populatie.

Als gevolg van de crisis is de algehele instroomkans in de WW voor alle groepen toegenomen. Doordat de instroomkans van ouderen echter relatief conjunctuuronafhankelijk is, is deze minder gestegen dan die van andere groepen. Hierdoor is de relatieve instroomkans van mensen van 55 jaar en ouder zowel in 2009 als in 2010 kleiner dan 1.

Werkhervatting binnen 12 maanden

Deze indicator geeft weer hoeveel WW-gerechtigden binnen een jaar na aanvang van hun uitkering, vanwege werkhervatting zijn uitgestroomd. Dit gegeven wordt apart vermeld voor de WW-gerechtigden die bij instroom in de WW 55 jaar of ouder waren.

De indicatoren bieden een aanwijzing voor de activerende werking van de WW. Gegevens hierover komen met een jaar vertraging beschikbaar. Voor 2010 zijn dus nog geen gegevens bekend. De realisaties voor 2009 laten zien dat de werkhervatting binnen 12 maanden is gestegen ten opzichte van 2008. De verklaring van de stijging – ondanks de economische crisis – is het selectie-effect aan de instroomkant van de WW: werknemers met een relatief kleine afstand tot de arbeidsmarkt stroomden in en stroomden zoals verwacht relatief snel weer uit.

Tabel 46.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 55 en ouder t.o.v. de gemiddelde instroomkans

1,03

0,85

0,86

1

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden (%)

40

45

n.b.

46

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden die bij instroom 55 jaar of ouder waren (%)

27

31

n.b.

30

Bron: UWV, Jaarverslag

Volume ontslagwerkloosheid

In 2010 is het WW-bestand afgenomen als gevolg van het economisch herstel. Doordat het herstel zich pas in de loop van 2010 heeft voorgedaan, is het gemiddelde volume van de ontslagwerkloosheid in 2010 ten opzichte van 2009 wel toegenomen tot 234 000 uitkeringsjaren. Het aantal nieuwe uitkeringen in 2010 bedroeg 415 000. De uitstroom lag iets hoger dan de instroom en bedroeg 421 000.

Grafiek volume WW naar leeftijd

Bron: CBS, Statline

De ontwikkeling van het WW-bestand verschilt per leeftijdsgroep. Uit de bovenstaande figuur blijkt dat de leeftijdsgroep 25–45 jaar het sterkst reageert op de conjunctuur. Het volume van deze groep nam ten tijde van de economische crisis het meest toe, maar laat ook de grootste daling zien naar aanleiding van het economisch herstel.

Gemiddelde WW-duur

De gemiddelde WW-duur bij uitstroom was de afgelopen jaren tamelijk constant en lag op een periode van iets minder dan een jaar. Door de conjuncturele neergang is de gemiddelde WW-duur bij uitstroom afgenomen, omdat de instroom in de WW als gevolg van de economische crisis uit mensen met relatief goede arbeidsmarktkansen en relatief veel jongeren bestond. Dit gold ook voor 2010, waarin de gemiddelde WW-duur 34 weken bedroeg.

IOW

De eerste werklozen zijn per 1 december 2009 ingestroomd in de IOW. De laatste IOW-uitkeringen eindigen in 2016. Omdat instroom in de IOW in 2010 pas voor het eerst het gehele jaar mogelijk is, is het volume door de geleidelijke opbouw van het bestand toegenomen. In 2010 liep het bestand op tot ca. 400 IOW-gerechtigden.

Handhaving

Het aantal geconstateerde overtredingen is in 2010 wederom fors toegenomen. Het gaat hier voornamelijk om witte fraude. Deze stijging hangt samen met een snellere signalering bij het UWV, wat tot een betere en vooral ook snellere opsporing van witte fraude heeft geleid.

Tabel 46.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume ontslagwerkloosheid (x 1 000 uitkeringsjaren)1

148

197

234

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1000)1

240

428

415

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1000)1

262

328

421

Gemiddelde WW duur bij uitstroom (weken)1

49

37

34

Aantal lopende uitkeringen (volume) IOW (x 1000)1

   

0,4

Handhaving

     

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid (%)2

91

90

90

Kennis van de verplichtingen1

91

92

3

Aantal overtredingen WW (x1000)1

14

18

22

Totaal fraudebedrag (x € mln)1

18,4

26,1

29,7

% afdoening1

99

99

100

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag

2 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie

3 Komt niet beschikbaar dit jaar

Operationele doelstelling

2 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor arbeidsongeschikte en zieke werknemers

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

De doelstelling dat 50% van WGA’ers met resterende verdiencapaciteit werkt, is in 2010 precies bereikt.

Eind van het eerste kwartaal 2011 is de evaluatie van de WIA aangeboden aan het parlement. Bij de WIA-evaluatie is ook een beleidsdoorlichting opgenomen met betrekking tot OD 2 van artikel 46.

Instrumenten en activiteiten

  • –  Loondoorbetaling bij ziekte;
  • –  Ziektewet (ZW);
  • –  Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regeling;
  • –  Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO): deze wet kent geen nieuwe instroom meer;
  • –  Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ): ook deze wet kent geen nieuwe instroom meer;
  • –  Financiële prikkels voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers om aan het werk te blijven, dan wel het werk te hervatten;
  • –  Financiële prikkels voor werkgevers om zieke of arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden of nemen.

Doelgroepen

  • –  Werknemers;
  • –  Zelfstandigen die voor 1 augustus 2005 arbeidsongeschikt zijn geworden;
  • –  Werkgevers.

Realisatie meetbare gegevens

De evaluatie WGA geeft aan dat niet is aangetoond dat het publieke dan wel het private domein beter presteert wat betreft beperking van langdurig verzuim en WGA-risico en wat betreft bevordering van werkhervatting. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting bij doelbereik.

Grafiek saldo in- en uitstroom arbeidsongeschiktheidsregelingen

Bron: UWV, jaarverslag

In de bovenstaande grafiek is de dynamiek in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te zien. De staven geven het saldo van de in- en uitstroom in het desbetreffende jaar weer. Het WIA-bestand neemt in de loop van de jaren toe. Zowel het aantal IVA’ers als WGA’ers is de afgelopen jaren gestegen. Maar doordat het WAO-bestand daalt, neemt de hoeveelheid mensen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen per saldo af. Afgelopen jaar was geen uitzondering: in 2010 zetten deze trends zich voort.

Uit tabel 46.5 blijkt dat de doelstelling dat 50% van de WGA’ers met resterende verdiencapaciteit werkt, in 2010 precies bereikt is.

Tabel 46.5 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Aandeel werkende WGA’ers met resterende verdiencapaciteit

51%

51%

50%

≥ 50%

Bron: UWV, Jaarverslag

Kengetallen WAO/WIA

De totale omvang van het bestand WAO en WIA is in 2010 verder gedaald. De daling is echter minder groot dan in eerdere jaren. Dit is het gevolg van een iets lagere WAO-uitstroom en een verder stijgende WIA-instroom.

Omdat de WAO een aflopende regeling is daalt het aantal uitkeringen. De laatste WAO’er zal echter pas na 2030 zijn uitgestroomd. Het toekennen van nieuwe WAO-uitkeringen is beperkt tot de herlevingen op basis van oud recht. Daar staat een veel groter aantal uitstromende WAO’ers tegenover, met name als gevolg van pensionering. De omvang van de uitstroom is in 2010 iets lager dan werd geraamd.

De WIA-instroom is in 2010 verder gestegen naar een niveau van ongeveer 36 000 personen. Deels kan deze stijging verklaard worden uit een toenemend aantal hernieuwde aanvragen (35-minners) en de ontwikkeling van het verzekerdenbestand (meer ouderen, meer vrouwen). Andere factoren die van invloed kunnen zijn op deze stijging zijn bijvoorbeeld het effect van de economische crisis, de striktheid van de keuringen en de naleving van de Wet verbetering Poortwachter. Er is een diepgaand onderzoek gestart.

Kengetallen WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

Bij de WAZ blijft er enige instroom bestaan doordat er sprake is van herleving van uitkeringen, bijvoorbeeld wanneer een persoon na een periode van herstel wederom met dezelfde klachten uitvalt. Het bereiken van de 65-jarige leeftijd is de voornaamste reden waarom de WAZ uitkeringen aflopen. De ontwikkeling van het aantal uitkeringsgerechtigden verloopt volgens verwachting.

Kengetallen ZW

Het economisch herstel is nog niet terug te zien in het ZW-bestand, omdat het bestand met een vertraging reageert op de economische situatie. Het ZW-volume is in 2010 opgelopen tot 98,4 duizend uitkeringsjaren. Deze toename komt vooral door een stijging van het aantal einde-dienstverbanders en WW-gerechtigden als gevolg van de economische crisis.

Handhaving

De cijfers met betrekking tot fraude en naleving zijn de afgelopen drie jaar betrekkelijk stabiel geweest. Alleen het aantal geconstateerde overtredingen en het geconstateerde fraudebedrag vertonen een lichte daling.

Tabel 46.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
   

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

WAO + IVA + WGA

Bestand in uitkeringen (ultimo, x1 000)

617,6

604,1

596,4

waarvan WAO

558,1

521,2

486,3

waarvan IVA

13,9

20,1

28,2

waarvan WGA

45,6

62,8

81,9

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,5

8,4

8,3

Instroom in uitkeringen (x1 000)

33,5

35,3

39,9

waarvan WAO

8,2

6,0

4,3

waarvan IVA

5,1

5,6

7,3

waarvan WGA

20,2

23,8

28,4

Instroomkans

0,46

0,52

0,55

Uitstroom in uitkeringen (x1 000)

50,3

48,9

48,2

waarvan WAO

46,1

42,9

39,7

waarvan IVA

1,2

1,6

2,1

waarvan WGA

3,0

4,4

6,4

Doorstroom van WGA naar IVA

1,5

2,3

3

Uitstroomkans WAO + WIA

7,9

7,8

8,0

Uitstroomkans WGA naar werk UWV

51

47

48

Uitstroomkans WGA naar werk eigenrisicodragers

57

57

60

Aandeel werkende WAO/IVA/WGA’ers

22

20

21

Aandeel instroom WIA uit ZW

44

46

50

         

Handhaving

     

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid1

96

97

96

Kennis van verplichtingen WAO (%)

85

87

2

Kennis van verplichtingen WGA (%)

85

81

2

Aantal overtredingen WAO/WIA (x 1000)

5

5

3

Totaal schadebedrag (x € 1 mln)

7,7

9,2

6,4

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht (%)

93,4

99,2

99,4

   

WAZ

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

38,7

34,2

30,4

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

0,6

0,3

0,2

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,9

4,7

4,0

   

ZW

Bestand in uitkeringen (gemiddeld, x 1 000)

80,8

85,7

98,4

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

327

293

281

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

445

378

370

 

Handhaving

Aantal overtredingen (x 1000)

8

4

2,8

Totaal schadebedrag (x € 1 mln)

2 ,1

1,9

1,7

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht

95,7

99,2

99,8

Bron: UWV, Jaarverslag, behalve:

1 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie

2 Komen niet beschikbaar dit jaar

Operationele doelstelling

3 Zorgdragen voor arbeidsondersteuning en inkomensvoorziening voor jonggehandicapten

Motivering

Om de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te bevorderen alsmede jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

In 2010 is de nieuwe wet Wajong in werking getreden, die verschilt van de Wajong van voor 2010 (zie ook de paragraaf beleidsprioriteiten). De aangepaste wet Wajong is, veel sterker dan voorheen, primair bedoeld om jongeren met een arbeidshandicap die perspectief hebben op het verrichten van arbeid, maximaal te ondersteunen bij het vinden en behouden van arbeid. In plaats van diens arbeidsongeschiktheid staat het perspectief op arbeid dat de jongere heeft centraal. Hiertoe strekt de in de Wajong vervatte werkregeling jonggehandicapten. Voor elke jonggehandicapte met arbeidsperspectief wordt met de jonggehandicapte (en eventueel diens ouders) een individueel participatieplan opgesteld, waarin onder andere staat wat de beste manier is om een baan te vinden, welke ondersteuning daarbij beschikbaar is en welke rechten en plichten de jongere heeft. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kan hij of zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. Voor de jonggehandicapte die als gevolg van zijn ziekte volledig en duurzaam niet (meer) in staat is om te werken, staat inkomensbescherming voorop.

Doelbereiking

  • –  Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 nog in de oude Wajong-regeling is ingestroomd bedraagt 8 000. Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 in de sinds 1 januari 2010 gewijzigde wet Wajong is ingestroomd bedraagt 9 800. In totaal is het aantal nieuwe Wajong-gerechtigden van 17 600 in 2009 licht toegenomen tot 17 800 in 2010.
  • –  Van de groep Wajong-gerechtigden die is ingestroomd in de nieuwe Wajong, is het aantal dat is uitgestroomd naar werk in 2010, zoals in de begroting 2010 in het vooruitzicht is gesteld, beperkt.
  • –  Het is te vroeg om cijfers over de beoogde uitstroombevorderende werking van de wet te duiden, vanwege de kleine absolute aantallen die hierbij aan de orde zijn.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • –  Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong);
  • –  De tegemoetkoming voor Wajonggerechtigden volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
  • –  Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

SZW-activiteiten:

  • –  In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende wettelijke voorziening voor jonggehandicapten (Wet Wijziging van de Wajong) (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 780);
  • –  Toezien op een doelmatige en rechtmatige wetsuitvoering;
  • –  Voorlichting;
  • –  Bijdrage aan de uitvoeringskosten van het UWV;
  • –  Actieve en vraaggerichte werkgeversbenadering;
  • –  Programma cultuuromslag Wajong.

UWV-activiteiten:

  • –  Claimbeoordeling;
  • –  Opstellen en bewaken van een participatieplan voor jonggehandicapten die perspectief hebben op de arbeidsmarkt;
  • –  Inrichting Werkpleinen;
  • –  Actieve en vraaggerichte werkgeversbenadering;
  • –  Verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien, en jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt worden.

Realisatie meetbare gegevens

Indicatoren

  • •  Het «gerealiseerde percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig – binnen 14 weken – een participatieplan is opgesteld» – de Wajong prestatie-indicator – komt in 2010 uit op 66%.
  • • 

    Een belangrijk nieuw element in de nieuwe Wajong is het participatieplan, dat het UWV samen met de cliënt opstelt. De streefwaarde van 100% tijdigheid is in 2010 niet gehaald. Dit hangt samen met het feit dat het UWV in het laatste kwartaal van 2009 veel extra aanvragen voor Wajong-ondersteuning heeft ontvangen, vermoedelijk in anticipatie op de wetswijziging van 1 januari 2010. Hierdoor, en ook vanwege aanloopproblemen die in de regel met de invoering van een nieuwe wet gepaard gaan, lag vooral begin 2010 de realisatie onder de streefwaarde. In de loop van het jaar zijn de aanloopproblemen overwonnen en is dit percentage toegenomen.

    Wat betreft de aanloopproblemen en maatregelen kan het volgende worden opgemerkt. UWV is aanvankelijk geconfronteerd met veel aanvragen aan het eind van 2009 en grote werkvoorraden. Daarnaast vergt de implementatie van nieuwe wetgeving enige tijd. Voorts is in de loop van 2010 de re-integratietaak binnen UWV overgegaan naar het werkbedrijf. Dit samenstel van factoren heeft aanvankelijk voor aanloopproblemen gezorgd. In verband hiermee zijn door UWV ook passende maatregelen getroffen. Deze waren primair gericht op reductie van de werkvoorraden en vervolgens op het voldoen aan de beslistermijnen. Inmiddels zijn de werkvoorraden teruggedrongen en stijgt het percentage dat binnen de beslistermijnen is afgewikkeld stapsgewijs. De verwachting is dat de tijdigheid in 2011 verder zal stijgen. De minister zal UWV verzoeken in tussentijdse verantwoordingsrapportages aandacht te besteden aan de tijdigheid.

Kengetallen

  • •  Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 nog in de oude Wajong-regeling (van voor 2010) is ingestroomd, bedraagt 8 000.
  • •  Het aantal Wajong-gerechtigden dat in 2010 in de sinds 1 januari 2010 gewijzigde wet Wajong is ingestroomd, bedraagt 9 800.
  • •  Het totaal aantal nieuwe Wajong-gerechtigden is van 17 600 in 2009 dus licht toegenomen tot 17 800 in 2010.
  • •  Omdat het bestand Wajong-gerechtigden nog relatief jong is, ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau.
  • •  Het percentage nieuwe Wajong-gerechtigden dat duurzaam volledig arbeidsongeschikt is (13% van de instroom), is lager dan in de begroting voor 2010 was verwacht (40%).
  • •  Het is vanwege de kleine aantallen nog te vroeg om de cijfers over de beoogde uitstroombevorderende werking van de wet te duiden.
  • •  Het kabinet wil verdergaande stappen zetten, en zal de ambities die in het regeerakkoord op dit punt zijn geformuleerd, uitwerken in een nieuwe regeling die de WWB, Wajong en Wsw hervormt met het doel meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen.
Tabel 46.7 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streven 2010

Het percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig een participatieplan is opgesteld

66%

100%

Bron: UWV, jaarverslag

Tabel 46.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Oude Wajong (tot 2010)

Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000)

178,6

192,0

195,4

waarvan volledig arbeidsongeschikt (%)

98,1

98,1

98,1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

1,7

1,8

1,9

Instroom in uitkeringen (x1 000)

16,1

17,6

8,0

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,3

4,3

4,5

Aandeel werkende Wajong’ers (%)

26,0

25

25

       

Nieuwe Wajong (vanaf 2010)

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

   

9,7

waarvan Werkregeling (%)1

   

58

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

   

35

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

   

3

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

   

24

waarvan Studieregeling (%)

   

29

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

   

13

Instroom in uitkeringen (x 1 000)2

   

9,8

waarvan Werkregeling (%)1

   

61

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

   

32

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

   

3

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

   

23

waarvan Studieregeling (%)

   

26

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

   

13

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

   

0,1

waarvan uitstroom wegens werk (%)

   

3

Aandeel werkende Wajong’ers binnen werkregeling (%)

   

214

waarvan werkzaam bij reguliere werkgever (%)

   

93

 

waarvan met inkomensondersteuning (%)

   

76

 

waarvan zonder inkomensondersteuning (%)

   

24

waarvan werkzaam bij beschut werk (%)

   

7

Bron: UWV, Jaarverslag

1  De onderstaande drie participatieoordelen tellen niet op tot 100%, omdat er ook nog een categorie «overig of nog niet bekend» is.

2 Deze instroomcijfers verschillen van de bestandscijfers hierboven doordat de uitstroom is meegenomen in de bestandscijfers.

3 Er zijn nog geen bruikbare gegevens over dit kengetal, omdat de gewijzigde wet nog te kort van kracht is.

4 Stand september 2010.

Operationele doelstelling

4 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor bepaalde herkeurde arbeidsongeschikten

Motivering

Om oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren, een inkomen op minimumniveau te bieden en hen te motiveren te gaan werken.

Om herbeoordeelde arbeidsongeschikten die een lagere uitkering of geen uitkering meer ontvangen, meer gelegenheid te geven om nieuw werk te zoeken.

Doelbereiking

Ultimo 2016 zal het uitkeringsrecht op grond van de Wet BIA vervallen. De doelgroep BIA loopt terug tot 0 in 2016.

De TRI-regeling heeft een korte looptijd. De TRI is met ingang van 1 januari 2011 vervallen.

Instrumenten

  • –  De tijdelijke Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA);
  • –  De tijdelijke Regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI);
  • –  Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • –  Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;
  • –  Onderhouden van de wet- en regelgeving;
  • –  Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling.

Activiteiten UWV:

  • –  Beoordelen van recht op een uitkering;
  • –  Verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

  • –  Personen die op 1 augustus 1993 al recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren (na afloop van WW-periode) (BIA);
  • –  Personen die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen (na afloop van WW-periode) (BIA);
  • –  Herbeoordeelde arbeidsongeschikten, die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage hebben gekregen, die niet meer zijn gaan verdienen en die geen recht op WW hebben (TRI).

Realisatie meetbare gegevens

De BIA en de TRI zijn overgangsregelingen voor een steeds kleiner wordende groep uitkeringsgerechtigden. Gezien het geringe aantal gerechtigden, het geringe uitkeringsbedrag en de korte looptijd van de TRI-regeling zijn geen indicatoren geformuleerd.

Kengetallen BIA

Het bestand BIA is nagenoeg op hetzelfde niveau gebleven.

Kengetallen TRI

In 2010 zijn er nagenoeg geen nieuwe uitkeringen toegekend. De TRI-uitkering heeft een looptijd van maximaal 12 maanden. Vanaf medio 2011 zullen er geen TRI-uitkeringen meer zijn.

Tabel 46.9 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Aantal uitkeringsjaren BIA (x 1 000)

0,5

0,4

0,4

Aantal uitkeringsjaren TRI (x 1 000)

2,9

0,9

0,1

Aantal nieuwe TRI-uitkeringen (x 1 000)

1,2

0,6

<0,1

Aantal beëindigde TRI-uitkeringen (x 1 000)

7,4

1,2

0,6

Gemiddelde duur TRI-uitkering in maanden

9,6

12,0

12,3

Bron: UWV, jaarverslag

Operationele doelstelling

5 Zorgdragen dat toereikende middelen worden verstrekt aan gemeenten voor inkomensaanvulling tot minimumniveau aan mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud

Motivering

Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociaal minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien.

Om het gemeenten mogelijk te maken burgers financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Doelbereiking

De voortgaande daling van het aantal WWB-uitkeringen is vanaf 2009 – als gevolg van de economische crisis – tot stilstand gekomen. Sindsdien stijgt het aantal bijstandsuitkeringen.

Onderstaande beleidsmaatregelen hebben in 2010 hun beslag gekregen.

  • –  Per 1 januari 2010 is de uitvoering van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (bijstand voor 65-plussers) naar de SVB overgeheveld (zie verder begrotingsartikel 49).
  • –  Voorts zijn volwassen pleeg- en stiefkinderen binnen de WWB voor het begrip gezamenlijke huishouding gelijk gesteld aan volwassen eigen kinderen. Hierdoor kan een alleenstaande (ouder) die samenwoont met een volwassen pleeg- en/of stiefkind niet langer gezien worden als onderdeel van een gezamenlijke huishouding voor de WWB.
  • –  Per 1 januari 2010 is wettelijk geregeld dat alleenstaande ouders met een inwonend niet ten laste komend kind vanaf 18 jaar met alleen een inkomen ter hoogte van de studiefinanciering, recht hebben op een maximale gemeentelijke toeslag ad 20 % WML, respectievelijk dat in een dergelijk geval dient te worden afgezien van een verlaging van de gehuwdennorm.
  • –  Bij de wet van 29 april 2010 (Stb 2010, nr. 228) is de WIJ aangepast. Dit had tot doel een aantal bepalingen te verduidelijken en te verbeteren.
  • –  Per 1 januari 2010 zijn de WWIK, IOAW, IOAZ en een deel van het Bbz 2004 voor wat betreft de kosten voor levensonderhoud aan startende ondernemers, financieel gedecentraliseerd. Dit betekent dat bij deze uitkeringen een bundeling met de WWB en WIJ (100% budgettering) heeft plaatsgevonden voor wat betreft de financiering en verantwoording van gemeenten, waarbij ten aanzien van de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden de afzonderlijke materiewetten zijn blijven bestaan.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

  • –  De Wet werk en bijstand (WWB);
  • –  De Wet investeren in jongeren (WIJ);
  • –  Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);
  • –  Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
  • –  Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);
  • –  Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK);
  • –  Inlichtingenbureau gemeenten;
  • –  Financiële middelen, onder meer ter voorkoming en bestrijding van problematische schulden;
  • –  Tijdelijke financiële middelen voor extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis;
  • –  Middelen voor bijzondere bijstand via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Activiteiten SZW:

  • –  Onderhouden van de wet- en regelgeving;
  • –  Ramen macrobudgetten en onderhouden verdelingssystematiek;
  • –  Toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;
  • –  De evaluatie van de WWIK is op 18 februari 2010 aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 327, nr. 1);
  • –  Experiment werken in deeltijd voor alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger dan 12 jaar;
  • –  Het bepalen van het wettelijk kader voor bijzondere bijstandsverlening;
  • –  Uitvoeren van de maatregelen van het Handhavingsprogramma 2007–2010.

Verder optimaliseren van het systeem en de werking van de WWB door:

  • –  IWI-onderzoek naar de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag zoals die per 1 januari 2009 is ingevoerd;
  • –  Gevolgen van EU-beleid en ervaringen voor nationaal beleid en uitvoering te verwerken.

Activiteiten gemeenten:

  • –  Het desgevraagd doen van een werkleeraanbod;
  • –  Beoordelen van recht op een uitkering;
  • –  Verstrekken van uitkeringen;
  • –  Uitvoeren van de bijzondere bijstand; in het Bestuurlijk Akkoord met VNG is afgesproken dat de gemeenten terughoudend zijn met de verstrekking van leenbijstand en dat zij deze zoveel mogelijk zullen terugdringen;
  • –  Uitvoeren van de maatregelen van het Handhavingsprogramma 2007–2010.

Activiteiten SZW met betrekking tot schuldhulpverlening

  • –  De maatregelen die genoemd zijn in de kabinetsbrief van 15 september 2008, o.a. naar aanleiding van het onderzoek naar de effectiviteit van schuldhulpverlening («Schulden? De gemeente helpt!») zijn nader uitgewerkt en geïmplementeerd. De uitvoering wordt ondersteund bij de implementatie van de in de brief genoemde maatregelen.
  • –  Het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 291) is op 21 januari 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden.
  • –  In de loop van 2010 is een aantal brieven over schuldhulpverlening aan de Tweede Kamer gestuurd. Het betreft de volgende brieven; Kamerstukken II 2009/2010, 24 515, nr. 185, 189, 190, 192 en 195).

Armoedebeleid: Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting

2010 was het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben hier een eigen invulling aan gegeven. In Nederland is met name ingezet op het stimuleren van een goede samenwerking tussen gemeenten en maatschappelijke organisaties.

Hiertoe zijn meerdere acties ondernomen die alle in het verlengde liggen van het Nederlandse armoedebeleid. Het betrof onder meer de volgende evenementen en producten:

  • 1.  De uitvoering van de Tijdelijke subsidieregeling Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, om maatschappelijke organisaties met behulp van de doelgroep van het armoedebeleid activiteiten in het kader van het Europees Jaar uit te laten voeren.
  • 2.  Het organiseren van een start- en slotconferentie van het Europees Jaar. De startconferentie was tevens de start van de stedenestafette.
  • 3.  De organisatie van een themaweek «Kinderen doen mee», gericht op de bevordering van participatie van kinderen uit arme gezinnen.
  • 4.  Aanbieding aan de Tweede Kamer van het SCP onderzoek «Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden».
  • 5.  Het doen van een voorstel aan de Tweede Kamer om de motie Spekman/Blanksma c.s. (Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 181) uit te voeren door een verordeningsplicht voor gemeenten in te stellen met betrekking tot het verlenen van categoriale bijzondere bijstand voor de kosten in verband met de maatschappelijke participatie van schoolgaande kinderen in arme gezinnen.
  • 6.  Het mede financieren van de Social Inclusion Games.
  • 7.  Evaluatie van de samenwerking tussen gemeenten en lokale voedselbanken en de evaluatie van de website Bereken uw Recht. De Tweede Kamer is op 20 september 2010 over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.
  • 8.  Organisatie van een themaweek waarvoor is aangesloten bij de Week van het geld.

Doelgroepen

  • –  Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of een opleiding volgen;
  • –  Mensen van 27 tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 49);
  • –  Mensen met een langdurig minimuminkomen en/of grote afstand tot de arbeidsmarkt;
  • –  Mensen in/met een risico op armoede;
  • –  Mensen met problematische schulden;
  • –  Alleenstaande ouders en hun kinderen;
  • –  Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;
  • –  Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Realisatie meetbare gegevens

Volumereductie WWB

In het Bestuurlijk Akkoord «Participatie» hebben SZW en VNG afgesproken zich sterk te maken voor het realiseren van een vermindering van het aantal mensen dat een beroep doet op de WWB. In de begroting van 2010 is een concreet streefcijfer opgenomen dat in 2010 het aantal WWB-uitkeringen 30 000 uitkeringen/huishoudens lager is dan op grond van conjuncturele ontwikkeling verwacht mag worden. Voor 2010 is geen streefcijfer opgenomen.

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ

Uitgangspunt is dat het macrobudget toereikend wordt vastgesteld, met inachtneming van de afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord voor de periode 2008–2011.

Aantal huishoudens met problematische schulden

De doelstelling om het aantal huishoudens met problematische schulden in 2011 met de helft terug te dringen is, gegeven de gevolgen van de economische crisis, naar het oordeel van het kabinet niet haalbaar.

Over 2010 zijn geen gegevens beschikbaar. De vervolgmeting zal in 2012 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Het kabinet heeft voor de periode 2009–2011 € 130 mln beschikbaar gesteld voor schuldhulpverlening in verband met de gevolgen van de economische crisis. Verder ligt het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening in de Tweede Kamer. Vooruitlopend op de implementatie van deze wet is er een ondersteuningsprogramma voor gemeenten gestart gericht op de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening.

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert

Over 2010 zijn geen gegevens beschikbaar. De vervolgmeting die door het SCP wordt uitgevoerd, komt in september 2011 uit.

Bijzondere bijstand

De bevoegdheden op het terrein van de bijzondere bijstand zijn integraal bij gemeenten belegd. Er zijn daarom geen indicatoren over bijzondere bijstand opgenomen.

Tabel 46.10 Indicatoren operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Streefwaarde 2010

Volumereductie WWB1

9 000

5 000

– 4 000

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ2

toereikend

toereikend

toereikend

toereikend

Aantal huishoudens met problematische schulden3

693 000

Vervolgmeting komt in 2012

Vervolgmeting komt in 2012

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert4

66 000

Vervolgmeting komt in 2011

Vervolgmeting komt in 2011

Bronnen:

1  SZW, Financiële administratie

2  CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

3  EIM, Onderzoek huishoudens in de rode cijfers

4  SCP, Onderzoek kinderen, armoede en sociale uitsluiting

Volume ontwikkelingen WWB

Grafiek volume WWB naar leeftijd

Bron: CBS, Statline

De bovenstaande grafiek toont het volume WWB’ers, opgesplitst naar leeftijdscategorie. In 2010 steeg het aantal WWB-uitkeringen. De stijging is beperkt bij de groepen die het grootste gedeelte van de WWB-populatie bevolken – mensen tussen de 35 en 65 jaar. De dynamiek is groter bij de mensen tussen de 15 en 35 jaar.

Volume ontwikkelingen AIO

Het volume AIO is in 2010 toegenomen met 2 duizend uitkeringen.

Volume ontwikkelingen WIJ

Als kengetallen voor het werkleerrecht worden de aantallen inkomensvoorzieningen opgenomen. Het jaargemiddelde laat zien dat er ca 22 duizend inkomensvoorzieningen in het kader van de WIJ verstrekt zijn. Dit is hoger dan geraamd. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de verwachte aantallen inkomensvoorzieningen WIJ zijn gebaseerd op de verhouding tussen het aantal personen in de bijstand onder en boven de 27 jaar, zoals deze was voor de invoering van de WIJ. Als gevolg van de economische teruggang is deze verhouding mogelijk tijdelijk veranderd, omdat werkloosheid onder jongeren zich dan anders ontwikkelt dan onder ouderen. Gezien de recente start van de WIJ is het echter te vroeg om op dit moment de hogere realisatie volledig te duiden.

Volume ontwikkelingen IOAW, IOAZ, BBZ, WWIK

In 2010 is een groter beroep gedaan op de IOAW: het gebruik steeg met 2 duizend uitkeringen. Het aantal IOAZ-uitkeringen bleef stabiel. De Bbz-regeling is in 2010 vaker gebruikt: gemiddeld werden er 4 duizend uitkeringen verstrekt. Het aantal uitkeringen WWIK is met circa 500 gestegen.

Bijzondere bijstand

De uitgaven aan bijzondere bijstand zijn in 2010 met € 60 mln afgenomen tot € 240 mln.

Tabel 46.11 Kengetallen operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Volume ontwikkelingen

     

Volume WWB thuiswonenden (excl. WIJ), periodiek < 65 jaar (x 1 000)1

267

269

275

Volume AIO thuiswonenden, periodiek = 65 jaar (x 1 000)1

32

35

37

Inkomensvoorzieningen WIJ(x 1 000)1

 

1

22

Aantal jongeren met een ink. voorz. WIJ dat geen werkleertraject volgt

   

n.n.b.

Volume IOAW (x 1 000)1

6

7

9

Volume IOAZ (x 1 000)1

2

1

1

Volume bijstand buitenland (x 1 000)2

< 0,5

< 0,5

< 0,5

Volume Bbz (x 1 000)1

3

3

4

Volume WWIK (x 1 000)1

2

2

3

Bijzondere bijstand (x 1 mln)1

230

300

240

       

Armoede en schuldhulpverlening

     

Bedrag leenbijstand t.o.v. totale bijzondere bijstand (%)1

12

13

n.n.b.

Aantal huishoudens met bijzondere bijstand t.o.v. aantal huishoudens met een laag inkomen (%)1

41

40

n.n.b.

Beperken wachtlijsten schuldhulpverlening3

   

Gemiddelde wachttijd 32 dagen

Handhaving

     

Nalevingsniveau van de opgaven van inkomsten (%)4

93

94

93

Nalevingsniveau melden samenwonen (%)4

99

99

99

Aantal geconstateerde fraudegevallen5, 7

10 690

10 140

10 700

Totaal fraudebedrag (€ mln)5, 7

66

55

50

Incassoratio %6

12

11

11

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringsstatistiek

2 SVB, Jaarverslag

3 Panteia, Wachttijden voor schuldhulpverlening bij gemeenten

4SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie

5CBS, Bijstandsfraudestatistiek

6 CBS, Bijstandsdebiteurenstatistiek

7 De fraudebedragen en aantallen fraudegevallen zijn op dezelfde manier samengesteld als in de Integrale Rapportage Handhaving 2009. Deze reeksen wijken daardoor af van de eerdere wijze van presenteren in de begroting en het jaarverslag. Deze cijfers voor 2010 zijn nog voorlopig.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 46.12 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

       

Beleidsdoorlichting

Zie Effecten onderzoek ex post

     

Effecten onderzoek ex post

Evaluatie IOW

OD 1

A. 2010

B. 2011

 
 

Evaluatie deeltijd WW / WTV

OD 1

A. 2010

B. 2011

 
 

Onderzoek premiegroepen WW

OD 2

A. 2010

B. 2010

Kamerstukken II, 2010/2011, 30 370, nr. 35

 

Evaluatie WIA (tevens beleidsdoorlichting)

OD 2

A. 2010

B. 2011

 
 

Tijdelijke ondersteuning kunstenaars (wettelijke evaluatie WWIK)

OD 5

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 32 327, nr. 1

 

Evaluatie Wij

OD 5

A. 2010

B. 2011

 

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie WGA

OD 2

A. 2009

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 26 448, nr. 433

 

Effecten Bestuurlijk Akkoord met gemeenten

OD 5

A. 2010

B. 2011

 
 

Kinderen, armoede en sociale uitsluiting:

     
 

– Achtergronden

OD 5

A. 2008

B. 2010

Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr.186

 

– Langetermijneffect

OD 5

A. 2009

B. 2011

 
 

– Nameting aantal kinderen

OD 5

A. 2010

B. 2011

 
 

Duur wachttijden schuldhulpverlening

OD 5

A. 2010

B. 2011

Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 185

Kamerstukken II, 2010/2011, 24 515, nr. 192

 

Brede toegankelijkheid schuldhulpverlening

OD 5

A. 2010

B. 2011

Kamerstukken II, 2010/2011, 24 515, nr. 192

Toelichting

  • –  Evaluatie WIA: het kabinetsstandpunt is na overleg met sociale partners in maart 2011 samen met de evaluatie aangeboden aan de Tweede Kamer.
  • –  Effecten bestuurlijk akkoord met gemeenten: de evaluatie wordt afgerond in 2011.
  • –  Kinderen, armoede en sociale uitsluiting: het onderzoek naar het langetermijneffect loopt door tot in 2011.
  • –  Schuldhulpverlening: over wachttijden is tussentijds gerapporteerd in april 2010 en – gecombineerd met brede toegankelijkheid – in december 2010 (Monitor tijdelijke middelen schuldhulpverlening – tussenrapportage 2010).
  • –  De gecombineerde eindrapportage over wachttijden en brede toegankelijkheid volgt in 2011.

Artikel