Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2010
  • Download PDF

B2. BELEIDSARTIKELEN

Beleidsartikel 21: Nationaal crisis- en veiligheidsbeleid

21 Algemene doelstelling

Het voorkomen van en prepareren op dreigingen tegen de nationale veiligheid en zorgen dat burger, bedrijfsleven en overheidsorganisaties goed voorbereid zijn op mogelijke crises.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Met de derde voortgangsbrief Nationale Veiligheid (Kamerstukken II, 2001–2010, 30 821 VII, nr. 10) en de bijbehorende bijlagen is het belang en de effectiviteit onderstreept van de samenhangende werkwijze die sinds een aantal jaren wordt gehanteerd om de nationale veiligheid te waarborgen. Deze werkwijze is samengebracht binnen de strategie Nationale Veiligheid (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 821 VII, nr. 3). Binnen deze strategie werken overheden, bedrijfsleven (waaronder vitale sectoren), kennisinstituten, inlichtingendiensten en burgers steeds intensiever samen. In de brief wordt specifiek aandacht gegeven aan:

  • •  de bescherming van de vitale infrastructuur;
  • •  de voorbereiding op een mogelijke grieppandemie;
  • •  de stand van zaken met betrekking tot de versterking van de zelfredzaamheid;
  • •  de ontwikkelingen rondom de nationale crisisorganisatie.

De voor medio 2010 voorziene derde Nationale Risicobeoordeling is wel ambtelijk voorbereid maar vanwege de kabinetswisseling niet in 2010 aan het kabinet aangeboden.

In relatie tot de onder artikel 23 (Veiligheidsregio’s en Politie) vermelde derde hoofdlijn (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123, nr. 2) ter bevordering van het presterend vermogen van brandweer en GHOR kan worden vermeld dat door inwerkingtreding van de Wet Veiligheidsregio’s op 1 oktober 2010 de organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie is gebracht. Tijdens een ramp of crisis is zo een gecoördineerde aanpak en multidisciplinaire samenwerking mogelijk en worden burgers beter beschermd tegen de risico’s van brand, rampen en crises. Door de Wet Veiligheidsregio’s zijn regio’s verplicht om een risicoprofiel, een beleidsplan en een crisisplan vast te stellen, bedoeld om goed voorbereid te zijn ten tijde van een ramp of crisis. De planvorming is geconcentreerd op regionaal niveau en dient om de organisaties van de hulpdiensten in te richten en strategische keuzes te laten maken. Door krachten te bundelen, goede voorbereidingen te treffen en één wettelijke basis te creëren voor rampenbestrijding en crisisbeheersing zijn Veiligheidsregio’s beter voorbereid op incidenten. Daarnaast zijn landelijke modelconvenanten ontwikkeld (drinkwater, gas, elektriciteit, ICT), waardoor regio’s afspraken met vitale partners kunnen maken om schaarste van deze producten te kunnen opvangen in het geval van een ramp of crisis. Met het project Versterking Crisisstructuur op Rijksniveau (COR) zijn in 2010 stappen gezet om het Nationaal Crisiscentrum om te bouwen naar een professionele crisisorganisatie voor het gehele rijk met als voorlopig resultaat een intensievere samenwerking tussen de diverse departementale crisiscentra op het gebied van informatievoorziening, opleiden, trainen en oefenen, kennisdeling en -analyse en crisis&risicocommunicatie. Ook zijn in 2010 alle voorwaarden geschapen om op operationeel terrein vanaf 1 maart 2011 gebruik te kunnen maken van de Landelijk Operationele Staf. De ministerraad heeft op 9 april 2010 het instellingsbesluit van de Landelijke Operationele Staf (LOS) goedgekeurd.

Budgettaire gevolgen van beleid

21.1 Nationaal crisis- en veiligheidsbeleid

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

   

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

71 812

35 663

36 149

               

Uitgaven

55 048

52 282

38 401

44 892

56 559

37 027

19 532

21.25 Apparaat

       

8 518

7 867

651

21.1 Nationale Veiligheid

       

19 409

10 076

9 333

21.2 Nationaal Crisisteam

       

19 217

8 348

10 869

21.3 Onderzoeksraad voor de Veiligheid

       

9 415

10 736

– 1 321

               

Ontvangsten

       

134

0

134

Financiële toelichting

Op het artikel Nationaal crisis- en veiligheidsbeleid is meer uitgegeven dan begroot. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

21.1 Er zijn extra uitgaven gedaan voor Netcentrisch werken (NEC) en voor de Onderzoekraad voor veiligheid.

21.2 Er is meer uitgegeven ten behoeve van Cell Broadcast.

Het betreft hier investeringskosten in het kader van Cell Broadcast. Deze kosten worden gemaakt ten behoeve van specifieke burgeralarmering waardoor de burgers bij rampen of crises zeer snel op lokaal/regionaal of landelijk niveau gealarmeerd kunnen worden via hun mobiele telefoon.

21.3 Er is minder uitgegeven dan begroot. Aangezien het eigen vermogen van de Onderzoekraad voor veiligheid in 2010 het totaal van de in 2010 toegestane reserves overstijgt is een bedrag in mindering gebracht op de in 2010 uit te keren rijksbijdrage.

Externe factoren

In de strategie Nationale Veiligheid is opgenomen dat samenwerking met de zeer diverse partners voorwaardelijk is voor het uit kunnen voeren van de strategie Nationale Veiligheid. Er bestaat dan ook een continu proces om deze externe partners te binden en te verbinden.

Voorbeelden om deze partners te verbinden zijn te vinden in de Wet Veiligheidsregio’s. Deze Wet is op 1 oktober 2010 inwerking getreden.

Daarnaast is er gewerkt aan de continuïteit van vitale producten en diensten door het opstellen van convenanten tussen regio’s en vitale partners.

Voor het succes van het Crisisstructuur op rijksniveau (COR) traject is intensieve samenwerking tussen de ministeries van groot belang. Er zijn onderdelen die eenvoudig om te zetten zijn naar een «shared service» gedachte. Een aanvraag bij het voormalige project Vernieuwing Rijksdienst is positief gehonoreerd voor de onderdelen «ICT informatieknooppunt» en «opleiden, trainen en oefenen (OTO)».

Realisatie meetbare gegevens

Door het grote aantal activiteiten en instrumenten in dit beleidsartikel en de afhankelijkheid van derden bij de realisatie van de doelstellingen is het lastig om (overkoepelende) meetbare gegevens op te nemen.

21 Operationele doelstelling 1

Het systematisch identificeren en beoordelen van mogelijke dreigingen op de nationale veiligheid en het in kaart brengen en waar nodig versterken van de strategische capaciteiten die nodig zijn om de dreigingen op de nationale veiligheid te voorkomen dan wel om er mee om te gaan.

Doelbereiking

In 2010 is naast de werkzaamheden ter voorbereiding voor de Nationale Risicobeoordeling, die overigens door de kabinetswisseling niet in 2010 aan het kabinet is aangeboden, ook gewerkt aan het versterken van de strategische capaciteiten die nodig zijn om de dreigingen op de nationale veiligheid te voorkomen dan wel er mee om te gaan. (onder andere verhogen van de weerstand tegen ICT verstoring, Project zelfredzaamheid, instellen Landelijke Operationele Staf en opstellen convenant tussen aantal vitale sectoren en de Veiligheidsregio’s).

Dit is op het niveau van de Veiligheidsregio’s gedaan door de risicoprofielen en crisisplannen voor de regio’s verplicht te stellen. Hierdoor wordt inzichtelijk welke risico’s er per regio zijn. Zo kunnen regio’s hierop beter inspelen, bijvoorbeeld door middel van opleidingen, trainingen en oefeningen.

In 2010 is de oefening Cyberstorm uitgevoerd. Op basis van een ICT uitval scenario zijn de structuur en de processen van de crisisbeheersing getest. De evaluatie van de oefening heeft leerpunten opgeleverd.

Instrumenten

Systematisch in kaart brengen beoordeling mogelijke dreigingen en scenario ontwikkeling. De Nationale Risicobeoordeling (NRB) is voor de derde keer uitgevoerd. Hierbij zijn zes extra scenario’s toegevoegd: een spoorwegongeval, een maritiem ongeval, uitval van één internet exchange, een cyberconflict, voedselschaarste en geopolitiek veroorzaakte mineraalschaarste. Op basis hiervan is een capaciteitenanalyse uitgevoerd. In het licht van de kabinetswisseling en toevoeging van een cyberconflict scenario is de toezending van de NRB 2010 aan de Tweede Kamer vertraagd. In het AO van 9 december 2010 is door de minister aan de Kamer toegezegd om de NRB begin voorjaar 2011 toe te zenden.

Afspraken met vitale sectoren. De continuïteit van de levering van vitale producten en diensten krijgt van alle verantwoordelijke ministeries structurele aandacht. Elk ministerie heeft dit geregeld met de eigen sector. Waar nodig zijn door de verantwoordelijke ministeries waakvlamovereenkomsten, convenanten afgesloten of andere afspraken gemaakt. In december 2010 heeft de minister de sectoren openbare orde en veiligheid en openbaar bestuur gewezen op het belang van hun continuïteit ten tijde van een crisis en de noodzaak van continuïteitsplannen.

Er zijn landelijke modelconvenanten ontwikkeld (drinkwater, gas, elektriciteit, ICT), waardoor regio’s afspraken met vitale partners kunnen maken om schaarste van deze producten te kunnen opvangen in het geval van een ramp of crisis.

Versterking zelfredzaamheid burger. De pilots zijn afgerond en Denk Vooruit campagne (Goed voorbereid zijn, heb je zelf in de hand) is met goed resultaat afgesloten. De resultaten zijn neergelegd in een bevindingenrapportage die de start vormt voor verdere implementatie.

Ontwikkelen van landelijke strategieën voor de verdeling van schaarste. Er zijn twee scenario’s voor schaarste ontwikkeld (voedselschaarste en mineralenschaarste). Besloten is dat het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het ministerie van Buitenlandse Zaken de beleidsopvolging ter hand nemen.

Strategische samenwerking tussen de Veiligheidsregio’s, de vitale sectoren en de rijksoverheid. Het Strategisch Overleg Vitale Infrastructuren (SOVI) heeft ook in 2010 gefungeerd als platform op hoog strategisch niveau waar de vitale sectoren onderling afspraken maken. Het Veiligheidsberaad heeft zich als agendalid aangesloten bij het Strategisch Overleg Vitale Infrastructuren. Ook heeft het Veiligheidsberaad convenanten opgesteld voor de sectoren drinkwater en gas ten behoeve van de Veiligheidsregio’s. Veiligheidsregio’s kunnen deze convenanten afsluiten en daarmee specifieke crisisbeheersingsafspraken maken met deze vitale sectoren.

Europees programma voor de bescherming van vitale infrastructuur (EPCIP).

Op 24 december 2010 heeft Nederland de EPCIP richtlijn (2008/114 EU) formeel geïmplementeerd. Dit betekent dat Nederland in haar beleidsprocessen heeft verankerd dat ze structureel kijkt naar mogelijke Europese vitale infrastructuur in eigen land en naar vitale infrastructuur waar Nederland van afhankelijk is die gelegen zijn in andere lidstaten van de Europese Unie. In dit kader is er ook intensief overleg geweest met collega-lidstaten. Daarnaast heeft Nederland actief geparticipeerd aan de onderhandelingen binnen het bredere Europese programma voor de bescherming van vitale infrastructuur.

Uitvoering conclusies Raad van de Europese ministers van JBZ-raad.

In 2010 zijn de lidstaten van de Europese Unie (EU) gestart met de uitvoering van het EU Actieplan. Dit is een proces dat meerdere jaren zal duren. Nederland heeft deelgenomen aan de vergaderingen van de verschillende werkgroepen op EU-niveau. Binnen Nederland is afgestemd met betrokken ministeries, kennisinstituten en met hulpverleningsdiensten. Op deze wijze wordt een all hazard inbreng gewaarborgd die bovendien aansluit bij beleid en praktijk in Nederland. Geconstateerd is dat Nederland één van de koplopers is op het gebied van chemisch, biologische, radioactief en nucleaire (CBRN) veiligheid. Eén van de belangrijkste acties uit het actieplan – het vaststellen van een lijst met hoog risico CBRN materiaal – zal naar verwachting begin 2011 zijn afgerond.

Bijdragen EU-brede risicoanalyse. In 2010 is een actieve bijdrage geleverd aan de onderhandelingen voor de totstandkoming van Europese richtlijnen voor risicobeoordeling. Dit is gebeurd door deelname aan een netwerk van 6 landen (de kopgroep – Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Slovenië, Portugal, Nederland) waar op expertniveau en het niveau van directoraat-generaal, gemeenschappelijke standpunten zijn geformuleerd. Als resultaat hiervan is een gemeenschappelijke non-paper aan de overige EU-lidstaten en de Commissie gestuurd waarin de door de kopgroeplanden gedeelde standpunten ten aanzien van methoden voor risicobeoordeling zijn vervat. Daarnaast is in oktober 2010 een bijeenkomst georganiseerd voor de Europese Commissie om input te kunnen verzamelen over de conceptrichtlijnen.

Versterken landelijke aanpak. Met de brief van 22 februari 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 821 VII, nr. 10) is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer de stand van zaken meegedeeld met betrekking tot de voorbereiding van de vitale infrastructuur – inclusief de Veiligheidsregio’s – ten aanzien van de continuïteit tijdens een grieppandemie.

Ontwikkelen van een trendrapportage in het kader van ICT en Veiligheid. Het Trendrapport Cybercrime en Digitale veiligheid 2010 is aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2010–2011, 28 684, nr. 292) door de Minister van Veiligheid en Justitie (mede namens de Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Defensie). Het Trendrapport is opgesteld door GOVCERT.NL in nauwe samenwerking met KLPD, AIVD, NCTb, MIVD en OPTA. Daarnaast hebben ook experts uit het bedrijfsleven en academici een bijdrage geleverd.

Het Trendrapport bundelt de beschikbare strategische inzichten in de belangrijkste trends op het gebied van cybercrime en digitale veiligheid en brengt deze met elkaar in verband. Dit rapport heeft als doel om een gezamenlijk en strategisch perspectief te bieden van trends ten behoeve van beleidsmakers en besluitvormers bij overheden en bedrijven. Beleidsmakers binnen de Rijksoverheid gebruiken het Trendrapport als voeding voor de ontwikkeling van de Nationale Cyber Security Strategie en het bijbehorende actieplan.

Implementatietraject programma Intensivering civiel militaire samenwerking (ICMS).

De uitrol van ICMS verloopt volgens schema. Enkele aanpassingen op de bestuursafspraken civiel militaire samenwerking zijn al doorgevoerd. In het overleg «civiel militaire samenwerking», met vertegenwoordigers van het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Defensie, is de uitrol bewaakt. Diverse ICMS defensiecapaciteiten zijn dit jaar als militaire bijstand ingezet en hebben hun meerwaarde aangetoond.

Uitwerken van de «nafase» van de Taskforce Management Overstromingen (TMO).

In samenwerking met de andere ministeries is medio 2010 in een interdepartementaal project gestart om een Rijksbrede visie op de nafase te ontwikkelen. Het afgelopen jaar zijn er verschillende activiteiten uitgevoerd om input te verzamelen voor het visiedocument. In 2010 is daarvoor een onderzoek gestart met als doel de taken en verantwoordelijkheden van partijen op rijksniveau in kaart te brengen, waaraan door de departementen actief is deelgenomen. Eind 2010 is het regionale modelplan nafase opgeleverd.

Voorbereiden grootschalige nucleaire oefening. In 2010 zijn voorbereidingen voor de opvolgers van de oefeningen Bonfire en Voyager gestart. Onder de naam Indian Summer is samen met het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de regio Zeeland gewerkt aan een oefening met een scenario op basis van een nucleaire ramp met een kerncentrale. Deze oefening is een combinatie van de tweejaarlijkse grote oefening om de crisisstructuur te beoefenen en de vijfjaarlijkse verplichting om het nationaal plan kernongevallen te beoefenen.

21 Operationele doelstelling 2

Een effectieve nationale crisis responsorganisatie voor de aansturing van crisisbeheersing

Doelbereiking

Met de inwerkingtreding van de Wet Veiligheidsregio’s en de instelling van de Landelijk Operationele Staf (LOS) is er een stap gemaakt op weg naar een betere crisis responsorganisatie. Dit wordt gedaan door een eenduidige lijn wanneer het op het sturen van de operationele diensten aankomt (door middel van de LOS) en een regionale aansturing voor alle hulpverleningsorganisaties door de Wet Veiligheidsregio’s.

Op nationaal niveau is nadere uitwerking gegeven aan het implementeren van de Crisisstructuur op rijksniveau (COR) met het Nationaal CrisisCentrum (NCC) als centraal punt. Implementatie heeft plaatsgevonden van intensievere samenwerkingsverbanden op zowel de informatievoorziening, planvorming, risicosignalering als communicatie in de vorm van de doorontwikkeling van het Nationaal Voorlichtingscentrum (NVC).

Instrumenten

Verdere doorontwikkeling van de crisisstructuur op rijksniveau.

Er is in het kader van het COR traject een nieuwe werkwijze voor het adviseren met betrekking tot crisisbesluitvorming aan Interdepartementale commissie crisisbeheersing (ICCB) en Ministeriële commissie crisisbeheersing (MCCB) ontwikkeld. Ter ondersteuning van deze werkwijze is een handleiding voor Crisis beleidsadviseurs ontwikkeld en vastgesteld in het Interdepartementaal overleg crisisbeheersing. Daarnaast is een opleidingsprogramma ontwikkeld voor deelnemers aan de Crisisstructuur op rijksniveau die sinds medio 2010 wordt uitgerold.

Het NCC werkt als informatieloket voor de crisisbeheersing op rijksniveau.

Het Nationaal Voorlichtingscentrum (NVC) heeft een doorstart gemaakt. Vanuit alle departementen zijn geschikte medewerkers geselecteerd om aan het NVC deel te nemen. Een opleidingspakket voor het NVC is ontwikkeld en wordt vanaf eind 2010 uitgevoerd.

Nationaal crisisplan, de landelijk operationele staf en het nationaal handboek crisisbesluitvorming. Het concept Nationaal Crisisplan is verder doorontwikkeld, maar nog niet gereed.

Een nieuwe versie van het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming, aangepast op basis van de Wet Veiligheidsregio’s en de verantwoordelijks- en rolverdeling in het nieuwe kabinet is in concept gereed.

De ministerraad heeft op 9 april 2010 het instellingsbesluit van de Landelijke Operationele Staf (LOS) goedgekeurd. De voorzitter van de LOS is door de Minister van Veiligheid en Justitie op 1 december 2010 benoemd.

Inzet ICT-voorzieningen. De stuurgroep Nationale Veiligheid heeft besloten tot de inrichting van een ICT «informatieknooppunt» waar bestaande ICT systemen van departementen en Veiligheidsregio’s met elkaar in verbinding worden gebracht (koppelvlak tussen systemen). Het aanbestedingstraject voor de ontwikkeling en aanschaf van dit «koppelvlak» is gestart.

Continuering van risicosignalering en alertering

Het instrument risicosignalering is uitontwikkeld en ingebed in de interdepartementale werkwijze voor crisisbeheersing. De beoordeling van de dreigingen uit de NRB op de korte tot middellange termijn vindt binnen deze werkwijze continue plaats.

21 Operationele doelstelling 3

Wegnemen van structurele veiligheidstekorten binnen het Koninkrijk door de uitvoering van onafhankelijk onderzoek naar ernstige ongevallen, rampen of dreiging daartoe.

Doelbereiking

De Onderzoeksraad voor veiligheid (OVV) fungeert als onafhankelijk onderzoeksorgaan, dat op eigen gezag kan besluiten tot het doen van onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. De aanbevelingen van de OVV zijn gericht aan overheden en bedrijfsleven om een bijdrage te leveren aan het vergroten van de structurele veiligheid binnen het Koninkrijk.

Externe factoren

Zoals gezegd besluit de Onderzoeksraad voor veiligheid (OVV) op eigen gezag en in volledige onafhankelijkheid tot het doen van onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. Externe factoren hiervoor zijn voorvallen binnen het Koninkrijk. Een uitzondering hierop zijn de bij wet of internationaal voorgeschreven onderzoeken die door de OVV worden verricht (waar onder luchtvaart en scheepvaart). Indien bijzondere omstandigheden (zoals de Vuurwerkramp Enschede) dit noodzakelijk maken, kunnen aan de OVV additionele middelen ter beschikking worden gesteld.

Realisatie meetbare gegevens

De Onderzoeksraad voor veiligheid is een zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid en is gelet op de onafhankelijke positie op afstand geplaatst van de Minister van Veiligheid en Justitie. De werkzaamheden van de raad zijn gekoppeld aan het zich voordoen van een voorval of een reeks van voorvallen.

De Minister van Veiligheid en Justitie draagt geen verantwoordelijkheid voor individuele onderzoeken en aanbevelingen die de onderzoeken mogelijk vergezellen. De Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid bevat op dit punt ook geen bevoegdheden. De minister heeft wel een toezichthoudende rol als het gaat om de bij algemene maatregel van rijksbestuur of algemene maatregel van bestuur aangewezen voorvallen verplicht te onderzoeken. De Minister van Veiligheid en Justitie vult de ministeriële verantwoordelijkheid in door het afleggen van verantwoording aan de Staten-Generaal. In de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid is een aantal bevoegdheden opgenomen die het mogelijk maken invulling te geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor de raad. De wet bevat met het oog op het toezicht op de raad nagenoeg gelijke bepalingen als het ingediende voorstel voor de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Succesfactoren

De aanbevelingen, als gevolg van een concreet voorval, moeten suggesties in zich hebben tot het aanbrengen van verbeteringen met het oog op het voorkomen van een dergelijk voorval in de toekomst of de beperking van de omvang van de gevolgen.

De openbare orde en veiligheid brengen de leerpunten uit het onderzoek naar voorvallen in kaart, doet aanbevelingen voor verbetering van de veiligheid aan verantwoordelijke partijen zoals overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties en houdt de opvolging van aanbevelingen bij. In de praktijk is de OVV actief binnen de sectoren: luchtvaart, scheepvaart, railverkeer, wegverkeer, defensie, gezondheid van mens en dier, industrie, buisleidingen en netwerken, bouw en dienstverlening, water en crisisbeheersing & hulpverlening. De onderzoeken die zijn gedaan in 2010 zijn te vinden op www.onderzoeksraad.nl.

21.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 21.2

Onderzoek onderwerp

AD of OD

Start/Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Beleidsplan crisisbeheersing

AD 21

Start: 2008

Kamerstukken II, 2007–2008, 29 668, nr. 23

Kamerstukken II 2009–2010 30 985, nr. 4

Afgerond: 2009

Effectenonderzoek ex post

voorlichtingscampagnes Nationaal Crisis- en Veiligheidsbeleid

AD 21

Start: 2010

 

Afgerond: 2010

Het effectonderzoek naar de campagne «Goed voorbereid zijn, heb je zelf in de hand», bestaat uit een voor- een tussen- en een eindmeting. Dit onderzoek is, net als de effectonderzoeken van Postbus 51 campagnes in opdracht van de Rijksvoorlichtingsdienst van het ministerie van Algemene Zaken uitgevoerd door een extern bureau. Daarmee is de onafhankelijkheid gewaarborgd.

Het ministerie van Algemene Zaken zal dit onderzoek opnemen in een overkoepelend rapport voor de Tweede Kamer in de «Jaarevaluatie Postbus 51 campagnes 2010».

Beleidsartikel 23: Veiligheidsregio’s en Politie

23 Algemene doelstelling

Een veilige samenleving met behulp van goed functionerende politie-, brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Jaarlijks wordt met de politiekorpsen gesproken over de behaalde resultaten op het gebied van de landelijke prioriteiten 2008–2011. Medio 2010 hebben de gesprekken met de korpsen plaatsgevonden om de resultaten over 2009 te bespreken. De prestatieafspraken hebben betrekking op het aantal verdachten dat bij het OM wordt aangeleverd, de doorlooptijden bij jeugdige verdachten, het oplossingspercentage van geweldszaken en het aanleveren van informatie aan gemeenten ten behoeve van integraal veiligheidsbeleid. De aanlevering van verdachten aan het OM had in 2009 fors te lijden onder de invoering van het nieuwe registratiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH). Het landelijk afgesproken aantal verdachten bij het OM is 250 909. Er zijn 6 korpsen die de regionale streefnorm hebben gehaald. De overige 19 korpsen kunnen een beroep doen op een hardheidsclausule waardoor zij alsnog een deel van de prestatiebekostiging kunnen ontvangen. De prestatieafspraak op het gebied van doorlooptijden Jeugd (Kalsbeeknorm OM) is landelijk gehaald (15 korpsen hebben de norm gehaald). De Kalsbeeknorm houdt in dat 80% van de jeugdzaken binnen 30 dagen bij het OM moeten zijn ingediend. Uit de gesprekken met de korpsen bleek overigens ook dat korpsen voldoende aandacht hebben besteed aan het in kaart brengen van jeugdgroepen en de registratie van 12-minners. Verder blijkt uit de regionale jaarverslagen dat alle korpsen voldoende aandacht hebben besteed aan het aanleveren van gegevens op wijkniveau bij gemeenten als input voor integraal veiligheidsbeleid. In de periode maart 2011 tot en met juni 2011 wordt met de politiekorpsen gesproken over de resultaten op de landelijke prioriteiten over 2010.

Het kabinet Balkenende IV besloot in 2008 (Kamerstukken II, 2008–2009, 29 628, nr. 110) op basis van de door de korpsen met de samenwerkingsafspraken bereikte resultaten dat het regionale bestel zou worden doorontwikkeld. Zo is het vergroten van de eenheid en het gemeenschappelijk functioneren van de politie verbeterd. Het daarvoor gemaakte wetsvoorstel voorzag onder meer in de instelling van een landelijke shared-services organisatie (Politiedienstencentrum) voor de politie belast met de bedrijfsvoering, versterking van de bovenregionale samenwerking en schaalvergroting van de politieregio’s. Het wetsvoorstel is voor advies aan de Raad van State voorgelegd, die op 2 maart 2010 een reactie heeft gegeven. Het wetsvoorstel is bij de val van het vorige kabinet controversieel verklaard. Het kabinet Rutte-Verhagen heeft afgezien van verdere behandeling van dit wetsvoorstel.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad besloten in maart 2010 gezamenlijk wel door te gaan met het traject voor de voorbereidingen van het Politiedienstencentrum, op een bestelonafhankelijke manier en zonder onomkeerbare stappen te zetten. Om die reden is het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad verder gegaan met onder andere het traject van de businesscases (afgerond: ICT, Inkoop en ERP software, afrondende fase: Financiën en Personeel), het vaststellen van de houtskoolschets voor de nieuwe organisatie en het maken van profielschetsen voor de kwartiermaker Politiedienstencentrum.

De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie en het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad hebben in maart 2010 tevens besloten door te gaan met de uitwerking van de verplichte bovenregionale samenwerking van de politiekorpsen. Politie en OM zijn in 2010 gestart met de uitwerking van de samenwerking op zeven opsporingsonderwerpen.

In het kader van schaalvergroting is daarnaast op 1 oktober jl. een wijziging van de Politiewet 1993 bij de Tweede Kamer ingediend om de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland mogelijk te maken.

Het kabinet Rutte-Verhagen heeft in het regeerakkoord en het gedoogakkoord opgenomen dat het wil komen tot de invoering van Nationale Politie, door aanpassing van het wetsvoorstel van een nieuwe politiewet dat bij de Tweede Kamer lag (Kamerstukken II, 2006–2007; 30 880). Op 14 december heeft de Minister van Veiligheid en Justitie in een brief aan de Tweede Kamer zijn plannen voor de inrichting van de politieorganisatie op hoofdlijnen bekend gemaakt.

Per 1 oktober 2010 is de Wet Veiligheidsregio’s in werking getreden. Hierdoor is de organisatie van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing onder één regionale bestuurlijke regie gebracht. Tijdens een ramp of crisis is zo een gecoördineerde aanpak en multidisciplinaire samenwerking mogelijk en worden burgers beter beschermd tegen de risico’s van brand, rampen en crises.

Door de Wet op de Veiligheidsregio’s zijn regio’s verplicht om een risicoprofiel, een beleidsplan en een crisisplan vast te stellen, bedoeld om goed voorbereid te zijn ten tijde van ramp of crisis. De planvorming is geconcentreerd op regionaal niveau en dient om de organisaties van de hulpdiensten in te richten en strategische keuzes te laten maken. Door krachten te bundelen, goede voorbereidingen te treffen en één wettelijke basis te creëren voor rampenbestrijding en crisisbeheersing zijn Veiligheidsregio’s beter voorbereid op incidenten.

Daarnaast zijn landelijke modelconvenanten ontwikkeld (drinkwater, gas, elektriciteit, ICT), waardoor regio’s afspraken met vitale partners kunnen maken om schaarste van deze producten te kunnen opvangen in het geval van een ramp of crisis. Bovendien is de Landelijk Operationele Staf ingesteld. De LOS levert bij nationale crisis een gezamenlijk operationeel advies ten behoeve van de nationale crisisstructuur.

Budgettaire gevolgen van beleid

23.1 Veiligheidsregio’s en Politie

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

5 447 566

5 494 823

– 47 257

Waarvan garantieverplichtingen

       

263 400

   
               

Uitgaven

4 505 361

4 631 559

4 992 395

5 123 847

5 223 324

5 178 470

44 854

23.25 Apparaat

       

14 466

17 949

– 3 483

23.1 Bekostiging Politie regionaal/bovenregionaal

       

4 025 629

4 036 196

– 10 567

23.2 Bekostiging Politie landelijk

       

663 894

620 025

43 869

Bijdrage baten-lastendienst KLPD

       

556 009

518 197

37 812

23.3 KwaliteitPolitie en Veiligheidsregio’s

       

400 232

372 533

27 699

Bijdrage baten-lastendienst LFR

       

14 979

20 000

– 5 021

23.4 Bekostiging Veiligheidsregio’s

       

119 103

131 767

– 12 664

               

Ontvangsten

       

4 767

750

4 017

Financiële toelichting

Op het artikel Veiligheidsregio’s en Politie is meer uitgegeven dan begroot. Op het artikel zijn bovendien meer ontvangsten binnen gekomen. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

23.25. Er zijn minder uitgaven gedaan omdat bij de wijziging van de begrotingsstructuur vanaf de begroting 2010 een deel van de apparaatuitgaven voor Veiligheid en Bestuur (artikel 25) is toegewezen aan de apparaatuitgaven voor Politie en Veiligheidsregio’s (artikel 23). Dit is in 2010 overgeheveld naar artikel 25 Veiligheid en Bestuur.

23.1. Er zijn minder uitgaven gedaan doordat:

  • •  bij de wijziging van de begrotingsstructuur een deel van de voorziene bijdragen aan het KLPD en de Politieacademie ten onrechte was toegewezen aan het op termijn handhaven van de operationele sterkte van de politie. Dit is bij Voorjaarsnota gecorrigeerd;
  • •  investeringskosten in het kader van Cell Broadcast zijn overgeheveld naar artikel 25. Deze kosten worden gemaakt ten behoeve van specifieke burgeralarmering waardoor de burgers bij rampen of crises zeer snel op lokaal/regionaal of landelijk niveau gealarmeerd kunnen worden via hun mobiele telefoon.

23.2. Er zijn meer uitgaven op dit artikelonderdeel gedaan omdat bij de wijziging van de begrotingsstructuur een deel van de voorziene bijdragen aan het KLPD en de Politieacademie ten onrechte zijn toegewezen aan artikelonderdeel 23.1. Het budget is bij Voorjaarsnota overgeheveld. Om de politiekorpsen in de gelegenheid te stellen aan de thans in de CAO vastgelegde verplichtingen te voldoen, is daarnaast de raming in 2010 verhoogd ten laste van het budget van latere jaren;

23.3. Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit wordt verklaard doordat bij Voorjaarsnota 2010 de raming aanvankelijk is opgehoogd ten behoeve van de volgende posten:

  • •  bij het programma Cybercrime (PAC) is vertraging ontstaan doordat de intentie bestond om in 2009 het Team High Tech Crime (THTC) van de KLPD onder te brengen bij het PAC. Door de financiële situatie van het THTC en de vertraging van de evaluatie was het in 2009 niet haalbaar dit te bewerkstelligen. De kosten komen hierdoor tot uitbetaling in 2010;
  • •  voor de brandweer op de BES-eilanden komen door vertraging in 2009 van het aanbestedingstraject crashtender (een speciaal type brandweervoertuig, vooral gebruikt op luchthavens) en bouw kazerne Bonaire de kosten tot uitbetaling in 2010;
  • •  de verdere landelijke uitrol van Burgernet vond in vijftig gemeenten plaats in 2010;
  • •  bij de wijziging van de begrotingsstructuur is de stijging van de bijdrage van de Politie voor de exploitatie van C2000 ten onrechte toegewezen aan artikel 25;
  • •  de bijdrage 2010 van het ministerie van Defensie (KMar), Financiën (Douane) en VWS (ambulancediensten) voor het gebruik van het C2000 netwerk;
  • •  aan de Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding (LFR) is een bijdrage verstrekt voor aanschaf en beheer van het materieel van de politie, brandweer en GHOR.

23.4. Er is minder uitgegeven dan begroot. Dit verschil wordt hoofdzakelijk verklaard doordat bij Najaarsnota 2010 de raming is verlaagd ten behoeve van de Bommenregeling. In 2010 is de bestaande explosievenregeling beëindigd en het beschikbare budget overgedragen aan het Gemeentefonds.

Externe factoren

De keuze voor regionale samenwerking met een bepaalde veiligheidsregio en op bepaalde dossiers lijkt willekeurig te worden gemaakt. Ook zijn weinig van de interregionale samenwerkingsafspraken tussen regio’s formeel vastgelegd.

De taakverdeling tussen regio en gemeenten heeft geleid tot een verharding en afstandelijkheid in de relatie. Het kost het bestuur van Veiligheidsregio’s veel moeite om een beslissing of maatregel door alle gemeenteraden goedgekeurd te krijgen. De veiligheidsregio is afhankelijk van de relatie tussen de voorzitter van de veiligheidsregio met de andere burgemeesters binnen de regio. De bezuinigingen binnen de gemeenten gaan hun weerslag hebben op de budgetten van de Veiligheidsregio’s.

Realisatie meetbare gegevens

23.2 Indicatoren

Basiswaarde 2002

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Jeugdcriminaliteit

n.v.t.

77,7%

1

80%

2

2. Aantal verdachten van Politie naar OM

218 463

250 130

250 909

3. Normering verdachtenratio geweld

n.v.t.

n.v.t.

60%

Noot 1: Door invoering van een nieuw registratiesysteem zijn geen betrouwbare cijfers beschikbaar.

Noot 2: Cijfer niet bekend bij publicatie jaarverslag.

Bron: kerngegevens Nederlandse Politie 2008 en Landelijke prioriteiten 2008–2011.

Ad 1. Jeugdcriminaliteit (Kalsbeeknorm): Het percentage processen-verbaal veelplegers en harde-kernjongeren dat binnen 30 dagen na het eerste verhoor wordt aangeboden bij het Openbaar Ministerie.

Ad 2. Verdachten OM: Het aantal aan het Openbaar Ministerie aangeboden verdachten.

Ad 3. Normering verdachtenratio geweld: De definitie geweld in de verdachtenratio heeft betrekking op de geweldscategorieën openlijke geweldpleging, bedreiging en mishandeling. Deze verdachtenratio geeft een maat voor de pakkans.

23.3 Kengetallen

Waarde 2006

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Meldingen brand

49 700

47 300

45 300

47 100

Meldingen hulpverlening

40 000

49 400

43 900

41 800

Doden bij brand

80

68

97

57

Gewonden bij brand

1 073

843

874

1 018

Reddingen bij brand

586

576

880

609

Vrijwillig operationeel personeel

21 644

21 429

21 417

21 587

Waarvan vrouwen

1 188

1 300

1 300

1 300

Beroeps operationeel personeel

5 440

5 424

5 468

5 522

Waarvan vrouwen

313

307

300

300

Niet operationeel personeel 1

3 396

3 271

3 582

3 921

Noot 1: Niet operationeel personeel is personeel met een functie op het terrein van pro-actie en/of preventie en personeel in een ondersteunende functie.

Bron: CBS Brandweerstatistiek

23 Operationale doelstelling 1

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg door de regionale politiekorpsen op regionaal en bovenregionaal niveau.

Doelbereiking

De Minister van Veiligheid en Justitie stelt per regionaal korps een algemene bijdrage en een aantal bijzondere bijdragen beschikbaar. Voor de verdeling van de algemene bijdrage wordt gebruik gemaakt van een budgetverdeelsysteem (BVS), dat op basis van objectieve omgevingskenmerken en verdeelformules de werklast voor een politiekorps voorspelt. De omvang van het totaal te verdelen budget geldt daarbij als een gegeven. Het BVS doet geen uitspraak over het totaal benodigde politiebudget.

Naast het reguliere proces van budgetverdeling en verstrekking kan de minister in bijzondere gevallen aanleiding zien om een bijdrage op grond van artikel 3 van het Besluit financiën regionale politiekorpsen (Bfrp) te verstrekken. Op basis van artikel 3 Bfrp zijn in 2010 onder vier noemers bijzondere bijdragen verstrekt aan de regiokorpsen:

  • •  Ten eerste hebben de regiokorpsen artikel 3 bijdragen ontvangen op grond van het in 2009 gesloten Onderhandelingsakkoord met het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad. Dit ter dekking van onder meer de financiële arbeidsvoorwaardenproblematiek bij de Nederlandse politie. In totaal is hiervoor € 77 mln. uitgekeerd in 2010;
  • •  Ten tweede is in het Onderhandelingsakkoord ook afgesproken dat in de periode 2010–2012 gemiddeld 1 600 aspiranten naar de opleiding worden gestuurd. In 2010 zijn hiervoor middelen vrijgemaakt om een extra impuls te geven aan de instroom van aspiranten in 2010. Hiervoor is in totaal € 21,9 mln. in 2010 beschikbaar gesteld;
  • •  Ten derde is in het kader van preventief toezicht gesproken met een aantal korpsen over de begroting en meerjarenraming. Mede vanwege de zwakke vermogenspositie van de korpsen Flevoland, Fryslân en Gelderland-Zuid zijn artikel 3 bijdragen beschikbaar gesteld voor in totaal € 18,7 mln;
  • •  Tot slot zijn vanwege de uitgestelde invoering van het herijkte budgetverdeelsysteem voor de politie een aantal korpsen eenmalig gecompenseerd, die er als gevolg van de nieuwe verdeling op vooruit zouden gaan met ingang van 2011. Zij zijn voor in totaal € 32,7 mln. gecompenseerd vanuit het budget voor de prestatiebekostiging.

In 2009 was reeds besloten tot een inhouding bij de overige politiekorpsen ten behoeve van een artikel 4 bijdrage voor het korps Drenthe. Deze inhouding en toekenning hebben betrekking op de jaren 2009 en 2010. In 2010 is om die reden een aanvullende bijdrage verstrekt aan het korps Drenthe ter grootte van € 3,3 mln.

Instrumenten

Preventief toezicht

Preventief toezicht moet worden ingesteld wanneer de begroting van een regionaal politiekorps een tekort vertoont en het evenwicht in de drie daarop volgende jaren niet tot stand komt óf als de begroting op het oog sluitend is, maar na nadere bestudering blijkt dat er toch geen sprake van evenwicht is.

Preventief toezicht kan worden ingesteld als er sprake is van een tekort in de jaarrekening of als er sprake is van een termijnoverschrijding bij de inlevering van begroting en jaarrekening. Preventief toezicht kan leiden tot een aantal bezuinigingen bij het regionale politiekorps, maar ook tot de gedeeltelijke besteding van het eigen vermogen binnen de gestelde grenzen.

Op basis van de in november 2010 ingediende begrotingen zijn negen korpsen onder preventief toezicht gesteld. Dit zijn de volgende korpsen: Friesland, Drenthe, Gelderland Zuid, Kennemerland, Hollands Midden, Zuid Holland Zuid, Brabant Noord, Limburg Noord en Limburg Zuid. Deze korpsen hebben zodanige tekorten in de begroting dat zonder aanvullende middelen het begrotingsherstel niet mogelijk is. Overigens hebben ook andere korpsen tekorten maar deze mogen gebruik maken van het beschikbare eigen vermogen om deze tekorten te dekken. Maar ook hier moet begrotingsherstel op een iets langere termijn, dan bij de korpsen die nu onder preventief toezicht zijn geplaatst, zichtbaar worden.

Besloten is om voorlopig aan de korpsen die onder preventief toezicht staan nog geen aanvullende maatregelen te vragen. In het nieuwe regeerakkoord zijn namelijk middelen opgenomen die kunnen bijdragen aan het oplossen van financiële problematiek. Deze aanvullende middelen staan nu nog gereserveerd op de begroting en na beschikbaar te zijn gesteld zullen deze worden opgenomen in een voorjaarcirculaire.

De cyclus rondom landelijke prioriteiten

Zoals beschreven onder de algemene beleiddoelstelling hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie de gezamenlijke landelijke prioriteiten 2008–2011 vastgesteld, te weten de aanpak van jeugdcriminaliteit en van geweld, veilige wijken, opsporing en de aanpak van criminaliteit (zowel kwantitatief als kwalitatief). De voortgang van de landelijke prioriteiten wordt jaarlijks gemonitord; ook op regionaal niveau.

Toekenning bijdragen

Voor het kunnen toekennen van de diverse bijdragen ontwikkelt en houdt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adequate bekostigingsstelsels in stand. Daarnaast zorgt de minister voor het ontwikkelen en in stand houden van een systeem van monitoring, dat adequate sturingsinformatie oplevert.

Realisatie meetbare gegevens

23.4 Kengetallen (x € 1 miljoen)

2008

2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Algemene bijdrage aan regionale politiekorpsen

3 605

3 687

3 634 1

3 637

Bijzondere bijdragen aan regionale politiekorpsen

101

359

343

355

Noot 1: Bron: junicirculaire 2010

Bron: decembercirculaire 2010

23 Operationele doelstelling 2

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate politiezorg op landelijk niveau.

Instrumenten

Politieacademie

In 2010 is de Politieacademie budgettair in staat gesteld om aspiranten op te leiden.

De resultaten van aantallen aspiranten zijn opgenomen in het Jaarverslag Nederlandse Politie 2010. Naar verwachting verschijnt het concept Jaarverslag Nederlandse Politie 2010 in maart 2011. In het jaar 2010 zijn daarnaast 1 559 mensen aan een initiële opleiding begonnen en zijn 3 699 aan een postinitiële opleiding (incl. losse modules, trainingen, functiegerichte applicaties, etc.) begonnen.

Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD)

Met de bekostiging van het KLPD stelt de minister dit onderdeel in staat de politietaken op een adequaat niveau uit te voeren. Voor specifieke informatie over het KLPD wordt verwezen naar de paragraaf van de baten- lastendiensten van dit jaarverslag.

23 Operationele doelstelling 3

Verhogen van het prestatievermogen en de professionaliteit van de politie-, brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie.

Instrumenten

Sturen op prestaties van politie via landelijke prioriteiten

Jeugdcriminaliteit

Eind 2010 was het tweede landelijke beeld van de problematische jeugdgroepen in Nederland gereed. Er is sprake van een daling van het aantal problematische jeugdgroepen ten opzichte van 2009 van 13 procent.

Een tweede intensivering op het jeugddossier richt zich op de verbetering van de registratie van 12-minners door de politie en de vroegsignalering van deze jeugdigen. In 2008 is een traject gestart dat tot doel heeft beter inzicht te verkrijgen in de omvang van de groep 12-min «verdachten», sneller en gerichter begeleiding te realiseren en het opbouwen van een dossier per jongere met het oog op de vervolging bij mogelijk crimineel gedrag na het bereiken van de leeftijd van 12 jaar. In 2009 en 2010 hebben nulmetingen plaatsgevonden. Op basis hiervan is een advies voor een verbetertraject gevolgd, dat op dit moment in vier pilots wordt uitgevoerd.

Geweld

Opsporing van geweldplegers is onder meer versterkt door een verdere verbetering van de auditieve en audiovisuele registratie van verhoren en een kwaliteitsverhoging van de forensisch-technische opsporing. Ook is recherchepersoneel extra opgeleid en heeft werving, selectie en opleiding van medewerkers van buiten de politie met een hbo of academische opleiding (zij-instromers) voor de opsporing plaatsgevonden. Een bijdrage aan het voorkomen van geweldsmisdrijven is door de politie o.a. geleverd door het verbeteren van de voorlichting, het maken van afspraken met ondernemers in gebieden waar veel uitgaansgeweld voorkomt en meer aandacht voor de aanpak van overvallen en huiselijk geweld.

Veilige wijken

Om de veiligheid in de wijk te vergroten draagt de politie zorg voor een versterkte inzet van gebiedsgebonden politiewerk. De doelstelling is een uitbreiding naar in totaal 500 wijkagenten per eind 2011. De doelstelling per eind 2010 is vastgesteld op 375 wijkagenten. Gegevens over realisatie volgen half maart.

Opsporing

Ook in 2010 is geïnvesteerd in het kwalitatief en kwantitatief versterken van de opsporing. In het kader van de versterkingsprogramma’s, FINEC, Cybercrime en Intelligence is geïnvesteerd in opleidingen, knowhow, innovatie en fte’s. Binnen het programma Intelligence is de focus ook in 2010 gericht geweest op het opleiden van analisten welke volgens het «intelligence gestuurd werken» werkzaam worden in de regio’s. De financiële situatie bij de rijksoverheid heeft wel als gevolg gehad dat de geplande aanwas van fte’s bij dit programma stil is komen te staan. Aan het eind van 2010 bleek dat het programma Intelligence niet kan rekenen op de verwachte reservegelden. Hierdoor worden de gestelde doelen van het programma niet volledig gehaald.

Verhogen van het prestatievermogen van de politieorganisatie

Doorontwikkeling Politieorganisatie

Het kabinet Balkenende IV besloot in 2008 (Kamerstukken II, 2008–2009, 29 628, nr. 110) op basis van de door de korpsen met de samenwerkingsafspraken bereikte resultaten dat het regionale bestel zou worden doorontwikkeld omdat zo tot voldoende verbetering kon worden gekomen wat betreft het vergroten van de eenheid en het gemeenschappelijk functioneren van de politie. Het wetsvoorstel is voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel is bij de val van het vorige kabinet controversieel verklaard, waarna het kabinet Rutte-Verhagen heeft afgezien van verdere behandeling van het wetsvoorstel.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad besloten in maart 2010 gezamenlijk wel door te gaan met het traject voor de voorbereidingen van het Politiedienstencentrum, op een bestelonafhankelijke manier en zonder onomkeerbare stappen te zetten. De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie en het dagelijks bestuur van het Korpsbeheerdersberaad hebben tevens besloten door te gaan met de uitwerking van de verplichte bovenregionale samenwerking van de politiekorpsen. In het kader van schaalvergroting is op 1 oktober jl. een wijziging van de Politiewet 1993 bij de Tweede Kamer ingediend om de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland mogelijk te maken.

Het kabinet Rutte-Verhagen heeft in het regeerakkoord en het gedoogakkoord opgenomen dat het wil komen tot de invoering van Nationale Politie door aanpassing van het wetsvoorstel van een nieuwe politiewet dat bij de Tweede Kamer lag (Kamerstukken II, 2006–2007; 30 880). Op 14 december heeft de Minister van Veiligheid en Justitie in een brief (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 628, nr 231) aan de Tweede Kamer zijn plannen voor de inrichting van de politieorganisatie op hoofdlijnen bekend gemaakt.

Politietop divers

De politietop is aantoonbaar meer divers geworden door zowel diverse doorstroom als zij-instroom naar en in de top. Daarnaast zijn bovenformatieve plaatsen ingevuld in korpsleidingen en is aandacht besteed aan carrièreperspectief voor de zittende top.

Havank

Het nieuwe Havank systeem is in juni 2010 officieel in gebruik genomen. Tevens is de organisatie van invoer en verwerking van gegevens aangepast en vereenvoudigd.

Burgernet

De doelstelling ten aanzien van de landelijke uitrol van Burgernet is behaald. Thans zijn 50 gemeenten en nagenoeg alle politiekorpsen op Burgernet aangesloten.

Versterking criminaliteitsaanpak/prestatiebekostiging

De landelijke prioriteiten zijn voor elk korps nader uitgewerkt in – door de ministers vastgestelde – landelijke doelstellingen op regionaal niveau. Korpsen die de doelstellingen realiseren komen in aanmerking voor prestatiebekostiging. De resultaten die zijn behaald met de landelijke doelstellingen zijn opgenomen in het Jaarverslag Nederlandse Politie 2010. Naar verwachting verschijnt het concept Jaarverslag Nederlandse Politie 2010 in maart 2011.

Veiligheid BES-eilanden

In het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen op de Nederlandse Antillen is een substantiële inspanning gepleegd om een verbetering in de organisatie van de veiligheidsvoorzieningen op de BES-eilanden te faciliteren (politie, brandweer en rampenbestrijding). Sinds 10 oktober 2010 is de Minister van Veiligheid en Justitie beheerder van zowel het korps politie BES als het brandweerkorps BES.

Bewapening en uitrusting politie

Verdergaande ontwikkeling «less lethal» wapens en vervanging bestaande wapens. In 2010 is de pilot met het stroomstootwapen «Taser» bij de aanhoudings- en ondersteuningseenheden met een jaar verlengd tot 1 mei 2011. Tevens is de evaluatie van start gegaan. Het evaluatierapport zal begin 2011 gereed zijn en met een advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie worden voorgelegd. De ervaringen tot op heden zijn erg positief. De keuze voor het nieuwe dienstpistool is vertraagd in verband met een tweetal onderzoeken van de Rijksrecherche en de Rijksauditdienst (RAD). De voorlopige gunning zal naar verwachting begin 2011 plaatsvinden.

Diversiteit

De evaluatie van de Taskforce diversiteit loopt. De samenwerkingsafspraken en daarmee de taskforce liepen tot eind december 2010. Uit rapportages van de Taskforce blijkt dat alle afspraken gehaald zijn, met uitzondering van het beoogde percentage allochtone medewerkers in de politiekorpsen.

Personele capaciteit van de politie

In 2010 is in overleg met politie en in overeenstemming met de Tweede Kamer een nieuwe definitie en telling geïntroduceerd, de operationele sterkte. Vanaf nu worden de afspraken en rapportages in aantallen operationele sterkte weergegeven. De afspraak voor de operationele sterkte is 49 500 fte. De realisatie per 30 juni 2010 is 49 436 fte. De «oude» afspraak van 52 200 fte’s is ruim gehaald. Gegevens over de stand per 31 december 2010 volgen in april.

CAO Politie

In 2010 is een nieuw concept functiewaarderingssysteem ontwikkeld en opgeleverd. Door het Landelijk Programmabureau HRM is een landelijk functiegebouw in concept opgeleverd. De vereenvoudiging van het loongebouw voor de Nederlandse Politie is gerealiseerd en ingevoerd. Het Landelijk Functiegebouw zal in 2011, inclusief de functiewaardering met het vernieuwde waarderingssysteem in samenspraak met het landelijk georganiseerd overleg, na een strakke besluitvormingsplanning worden geïmplementeerd bij de korpsen.

Integriteit

Het Landelijk Programma HRM heeft het project Integer gedrag afgerond. Er is een nieuw beleidskader integriteit voor de Nederlandse politie. Voor zover beschikbaar en mogelijk, zijn de basisnormen uit de Modelaanpak basisnormen integriteit openbaar ingevoerd in de korpsen. Ook is een ontwikkelplan voor uitvoering van integriteit als professionele verantwoordelijkheid opgesteld. Met ingang van 1 januari 2010 is het besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie in werking getreden. Met ondersteuning van het ministerie van BZK is door het Landelijk Programma HRM een implementatietraject bij de korpsen in gang gezet

Verhogen van het prestatievermogen van de brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie

Veiligheidsregio’s

De Wet Veiligheidsregio’s en alle samenhangende besluiten zijn op 1 oktober 2010 inwerking getreden.

Oprichting Ondersteuningsorganisatie Fysieke Veiligheid

De wetwijziging om de ondersteuningsorganisatie wettelijk te verankeren is op dit moment in consultatie. De planning is erop gericht om het wetsvoorstel halverwege 2011 aan te bieden aan Tweede Kamer, waarmee de OFV per 1 januari 2012 formeel kan worden opgericht.

Nationaal brandweermonument

De Stichting die in het leven is geroepen voor de totstandkoming van een Nationaal monument voor de brandweer heeft in september een convenant gesloten met het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIFV) ter realisatie van het monument op het terrein van het NIFV. De realisatie van het monument wordt verwacht in de zomer van 2011.

Chemische biologisch radioactief en nucleair (CBRN)

Op het gebied van Chemische, Biologische, Radioactieve en Nucleaire (CBRN) respons wordt de ontwikkeling van een multidisciplinaire aanpak en de samenwerking tussen de multidisciplinaire partners gefaciliteerd. Hierbij is in 2010 gestage voortgang geboekt. Er is een startarchitectuur voor de multidisciplinaire aanpak tot stand gekomen. Ook zijn er belangrijke vorderingen geboekt op het gebied van multidisciplinair opleiden, trainen en oefenen.

Geneeskundige Hulpverleningorganisatie (GHOR)

Ten einde een betere verbinding tussen veiligheid en reguliere zorg te bereiken is het Wetsontwerp publieke gezondheid tweede tranche ingediend en door de Tweede Kamer aanvaard. Met dit wetsvoorstel wordt de positie van de voorzitter van de veiligheidsregio bij de infectieziektebestrijding versterkt en wordt door de combinatie van de functies van directeur GHOR en directeur GGD de adviesfunctie gebundeld.

Verbeteren prestatievermogenpolitie, brandweer en GHOR via ICT

Beleid infrastructuur en meldkamerdomein

Er zijn afspraken gemaakt om het aantal meldkamers te beperken en het meldkamerdomein efficiënter in te richten. Er zijn geen afspraken gemaakt over de voorbereiding of aanpassing van het huidige GMS. Vanuit het reguliere beheer vindt nog steeds ondersteuning van GMS plaats.

C2000

Binnen het deelproject Dimetra is een nieuwe softwareversie, inclusief de daarvoor noodzakelijke hardware, geïmplementeerd. In 2011 zal Renatus worden afgerond. Hiervoor zal voor het meldkamerdomein nieuwe soft- en hardware worden geïmplementeerd.

Data-interceptie en dataretentie

In 2010 is de overeenkomst (looptijd 2008–2010) tussen de Staat en vijf providers van telecommunicatiediensten uitgevoerd en geëvalueerd. De conclusie van de evaluatie was dat de overeenkomst een positieve toegevoegde waarde heeft gehad. Eind 2010 is dan ook het onderzoek gestart of een nieuwe overeenkomst voor de komende jaren afgesloten kan worden met de grote providers. Het is niet doelmatig om vergelijkbare afspraken te maken met kleine providers.

Realisatie meetbare gegevens

23.5 Indicatoren

2007

2008

2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Gerealiseerde sterkte korpsen

52 003

52 322

53 348

52 200 1

53 692

2. Aantal extra wijkagenten in fte (cumulatief)

n.v.t.

118

201

375

478

3. Aantal extra forensisch assistenten in fte (cumulatief)

n.v.t.

140

233

375

355

4. Percentage vrouwen en/of allochtonen in vacatures in Kroonbenoemingen korpsleiding

23,1%

42,9%

55%

50%

63 2

5. Percentage vrouwen en/of allochtonen in vacatures in Kroonbenoemingen in schalen 15 en 16, niet zijnde korpsleiding

18,8%

0,0%

25,0%

30%

45%

6. Percentage allochtonen in personeelsbestand bij korpsen en politieondersteunende organisaties

6,5%

6,7%

6,8%

8,50%

7,0%

7. Tijdige afhandeling incidenten binnen C2000infrastructuur

95,0%

96,0%

97,7%

95–98%

97,4%

8. Beschikbaarheid systeem C2000

99,8%

≥99,9%

99,8%

98%

99,9%

9. Radiodekking C2000

97,4%

≥97,4%

97,4%

95%

97,4%

Noot 1: Voor 2010 is het niveau van de politiesterkte vastgesteld op 52 200 fte’s, inclusief de afspraak over de wijkagenten. (Kamerstukken 2008–2009, 29 628, nr. 137). Inmiddels is met de Tweede Kamer een nieuwe afspraak en een nieuwe sterktedefinitie afgesproken: handhaving van de operationele sterkte op een niveau van 49 500 fte.

Noot 2: Dit zijn de zuivere benoemingscijfers. De benoemingen die voortvloeien uit reorganisaties (in de regel functievolgers) zijn niet meegenomen. De realisatiecijfers inclusief reorganisatiebenoemingen zijn respectievelijk 56% en 31%.

Bron indicatoren 1, 2 en 3: Jaarverslag Nederlandse Politie 2010

Bron indicatoren 4, 5 en 6: Kerngegevens Nederlandse Politie 2010/Jaarverslag en eigen administratie kroonbenoemingen

Bron indicatoren 7, 8 en 9: Voorziening tot samenwerking Politie Nederland (VtsPN).

23 Operationele doelstelling 4

Voorzien in middelen die nodig zijn voor adequate brandweerzorg en geneeskundige hulpverlening.

Doelbereiking

In de Wet Veiligheidsregio’s en de onderliggende besluiten worden eisen gesteld aan de Veiligheidsregio’s. Ten behoeve van rampenbestrijding en Veiligheidsregio’s is de rijksbijdrage aan de regio’s (BDUR) substantieel verhoogd (Bestuursakkoord vereniging van Nederlandse Gemeente en Rijk). Uit onderzoek is gebleken dat deze ophoging toereikend is om de financiële gevolgen van de Wet en de besluiten op te vangen.

Instrumenten

Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR)

De doelen zijn behaald. Met de inwerkingtreding van de Wet Veiligheidsregio’s per 1 oktober 2010 is ook het Besluit Veiligheidsregio’s in werking getreden. Dit besluit vormt vanaf die datum de grondslag voor de rijksbijdrage aan de regio’s.

Realisatie meetbare gegevens

23.6 Indicatoren

Streefwaarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Het aantal regio’s dat aan de wettelijke verplichting voldoet conform de Ontwerpwet Veiligheidsregio’s om uiterlijk, na één jaar beschikt over a) een risicoprofiel, b) beleidsplan en c) een crisisplan.

50%

100%

nvt

Bron: Jaarverslagen Veiligheidsregio’s

Na inwerkingtreding van de wet Veiligheidsregio’s op 1 oktober 2010 krijgen de regio’s een jaar om te voldoen aan de vereisten uit de wet. Deze termijn is nog niet verstreken. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid zal in 2012 een evaluatie van de implementatie van de Wet uitvoeren. Door de inspectie is eerder geconstateerd dat door de regio’s veel geïnvesteerd en gerealiseerd is aan verbeteringen van de organisatie en werkwijze van de crisisbeheersing en rampenbestrijding.

23.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 23.7

Onderzoek onderwerp

AD of OD

A. Start

B Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Een veiliger samenleving met behulp van een goed functionerende politie-, brandweer- en geneeskundige hulpverleningsorganisatie.

AD 23

A: 2012

 

B: 2012

Beleidsartikel 25: Veiligheid en Bestuur

25 Algemene doelstelling

Een veiligere samenleving door de bestuurlijke kracht van de decentrale overheden en hun partners in veiligheid te versterken.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2010 is de uitvoering van het Actieplan Overlast en Verloedering voortgezet. De uitvoering is volgens schema verlopen. De eindrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen en de Veiligheidsmonitor 2009 zijn aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009–2010, 28 684, nr. 276). Uit de eindrapportage blijkt dat Nederland de afgelopen drie jaren veiliger is geworden, er op tal van terreinen verbeteringen zijn gerealiseerd, maar ook dat de daling van de perceptie van overlast en verloedering ver achterblijft bij de doelstelling. De Wet maatregelen voetbalvandalisme bestrijding ernstige overlast is op 1 september 2010 in werking getreden (Stb. 2010, 325). Het bestuurlijke instrumentarium om dergelijke problemen aan te pakken is daardoor uitgebreid.

Voor de bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit geldt dat het merendeel van de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIECs) is gestart met de uitvoering van de beoogde taken. De nadruk ligt hierbij vooral op het bewust maken van gemeenten op verwevenheid tussen onder- en bovenwereld en het ondersteunen van gemeenten bij de toepassing van de Wet BIBOB. De inspanningen op Europees terrein hebben ertoe geleid dat een inventarisatie is toegestuurd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010, 23 490, nr. 599) over de bestuurlijke aanpak van criminaliteit en andere bestuursrechtelijke maatregelen in Europese lidstaten. Hieruit blijkt dat lidstaten investeren in de ontwikkeling van een bestuurlijke, preventieve en fiscale aanpak van (georganiseerde) criminaliteit en verschillende aangrijpingspunten zien voor Europese samenwerking op het terrein van de bestuurlijke aanpak. Mede op basis van een EU-expertmeeting is een informeel netwerk bestuurlijke aanpak met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie geborgd in raadsconclusies.

In samenwerking met verschillende departementen, het lokale bestuur, maatschappelijke instellingen en andere intermediaire is het derde Operationeel Actieplan Polarisatie en Radicalisering uitgevoerd (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 754, nr. 175). Met de aanpak zijn de in dat Operationeel actieplan benoemde doelstellingen behaald. In 2011 wordt ingezet op het behalen van de resterende doelen uit het Actieplan Polarisatie en Radicalisering 2007–2011en worden de activiteiten geborgd opdat de faciliteiten en deskundigheid zo nodig ook na 2011 beschikbaar zijn.

Veel inspanningen zijn verricht om de bestuurlijke kracht van de decentrale overheden, burgers en betrokken partners in veiligheid te vergroten en onderling te versterken. Op het gebied van fysieke veiligheid en brandveiligheid heeft dit geresulteerd in de totstandkoming van diverse instrumenten waaronder het handboek Veilig Wonen van brandweer Amersfoort en de werkwijzer bedrijfsbrandweer evenals verschillende samenwerkingsverbanden zoals het CCV platform Brandveilige Wijk en Brandonderzoek.

Budgettaire gevolgen van beleid

25.1 Veligheid en bestuur

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

54 414

58 358

– 3 944

               

Uitgaven

69 666

102 190

106 062

105 916

40 625

58 358

– 17 733

25.25 Apparaat

       

8 467

4 598

3 869

25.1 Veiligheid en Bestuur

       

14 729

19 251

– 4 522

25.2 Veiligheid, informatie en technologie

       

17 429

34 509

– 17 080

               

Ontvangsten

       

1 773

445

1 328

Financiële toelichting

Op het artikel Veiligheid en bestuur is minder verplicht en uitgegeven dan begroot. Op het artikel zijn bovendien meer ontvangsten binnen gekomen. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

25.1 Er is minder uitgegeven dan begroot. Dit wordt onder andere verklaard doordat bij Voorjaarsnota en bij Najaarsnota de raming is bijgesteld ten behoeve drugpilots, decentralisatie-uitkering, bijdrage aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), toezicht Drank- en horecawet en de taskforce gehandicapten. Het Rijk heeft gemeenten een decentralisatie-uitkering verstrekt om polarisatie en radicalisering in kaart te brengen, te voorkomen en aan te pakken. De drugpilots zijn gericht op het verminderen van overlast en criminaliteit.

25.2 Er is minder uitgegeven dan begroot. Het verschil wordt verklaard doordat bij Voorjaarsnota 2010 de raming is bijgesteld met – € 17 mln. ten behoeve van onder andere C2000, NEC, I-bridge, digitale veiligheid en FES-gelden. Bij de nieuwe begrotingsindeling zijn de exploitatiekosten C2000 verantwoord op artikelonderdeel 23.2.

Verplichtingen

Het verschil in de verplichtingen wordt veroorzaakt door het meerjarig vastleggen van ICT-verplichtingen voor onder andere het Schengen Informatie Systeem II, algemene nummerplaatherkenning en het project Icarus.

Ontvangsten

Er is meer ontvangen dan begroot. De ontvangsten hebben betrekking op medegebruik C2000.

Externe factoren

Het vergroten van veiligheid vergt een overheidsbrede aanpak. De gemeentelijke diensten leveren via de bestuurlijke aanpak een belangrijke bijdrage aan het realiseren hiervan, denk bijvoorbeeld aan het screenen van vergunningen via de Wet BIBOB, het vormgeven van evenementenbeleid, de positionering van coffeeshops in een stad, het verzorgen van handhaving van de leefbaarheid en het tegengaan van schooluitval ter bestrijding van jeugdcriminaliteit. Het integraal veiligheidsbeleid vormt de kern van de lokale aanpak. De gemeente bepaalt hierin, samen met OM, de prioriteiten in de (lokale) veiligheidsaanpak, brengt partners samen en regisseert.

Het derde Operationeel Actieplan Polarisatie en Radicalisering is uitgevoerd in samenwerking met verschillende departementen, het lokale bestuur en Maatschappelijke instellingen. Kennis- en adviescentrum Nuansa heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het bereiken van de gestelde doelen. Gemeenten en maatschappelijke instellingen zijn mede door middel van een decentralisatie-uitkering respectievelijk subsidie gestimuleerd aanpakken uit te werken en toe te passen die polarisatie en/of radicalisering tegengaan. De Gemeenteprijs polarisatie en radicalisering is in 2010 gewonnen door de gemeente Weert voor hun brede aanpak van polarisatie en radicalisering.

Op het gebied van brandveiligheid heeft het project (brand)veilig leven op landelijk en decentraal niveau bijgedragen aan het nemen van verantwoordelijkheid voor veiligheid door de overheid, burgers en bedrijven gezamenlijk. Door sterker in te zetten op preventie (het voorkomen van brand) en het verstrekken van voorlichting per specifieke doelgroep is de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven verder gestimuleerd. Daarbij staat preventie ook centraal in de nieuwe koers van de brandweerorganisatie.

Realisatie meetbare gegevens

25.2 Indicatoren

Overall doelstelling 2010 t.o.v. 2002

Herijkte doelstelling 2010 t.o.v. 2006

Resultaat monitor 2010

Nog te realiseren 1

Geweld

25%

20%

12%

8%

Vermogen

25%

6%

27%

Overlast

25%

17,50%

0%

17,5%

Verloedering

25%

18,50%

7%

11,5%

Fietsdiefstal

100 000 tov 2006

100 000

215 000

Noot 1: Nog te realiseren= herijkte doelstelling 2010 t.o.v. 2006 verminderd met resultaatmonitor 2010 (t.o.v. 2006)

Bron: Veiligheidsmonitor 2010

25 Operationele doelstelling 1

De veiligheidspartners in staat stellen om hun werk efficiënt en effectief uit te kunnen oefenen.

Doelbereiking

De 40 gemeenten die samen met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Wonen Wijken en Integratie het Manifest bestrijding overlast en verloedering hebben ondertekend zetten in 2010 en 2011 ieder ten minste vijf eigen maatregelen in tegen overlast en verloedering. Gemeenten hebben in 2010 deelgenomen aan de Week van Nederland Schoon. Voorts zijn vanuit Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder meer bijeenkomsten georganiseerd voor gemeenten waarbij kennisdeling over de aanpak van overlast centraal staat. In 2010 is de website jeugd en veiligheid met voorbeelden gelanceerd en zijn brochures, toolkits en handreikingen gemaakt om gemeenten en andere organisaties in kennis te stellen van goede voorbeelden en andere relevante informatie. Ook op andere manieren is de samenwerking tussen Rijk en gemeenten op het terrein van integrale veiligheid geïntensiveerd. Praktijkteams zijn ingezet om regionale gemeentelijke samenwerking te bevorderen, bijvoorbeeld op het terrein van de aanpak van alcohol en jeugd. In deze teams werken lokale en landelijke experts succesvol samen om de stap van algemeen beleid naar concrete uitvoering te maken. Naar de mogelijkheden om de perceptie van veiligheid te beïnvloeden is onderzoek gedaan. Uit het rapport Omgaan met de perceptie van overlast en verloedering is een aantal vervolgacties ontstaan. Op basis hiervan wordt met de gemeenten bezien welke concrete maatregelen kunnen worden genomen om ook de beleving van veiligheid te vergroten. Aan 10 gemeenten is een decentralisatie-uitkering toegekend voor diverse pilotprojecten op het gebied van overlast veroorzaakt door coffeeshops. De projecten zijn gericht op diverse overlastaspecten in een brede groep gemeenten.

Het bestuur heeft een belangrijke rol te spelen bij de bestuurlijke aanpak van criminaliteit. Het bestuurlijk instrumentarium (zoals de Wet BIBOB en de APV) is effectief bij het bestrijden en tegengaan van de vermenging van boven- en onderwereld. De verdere uitbouw van de RIECs, die gemeenten ondersteunen bij de toepassing van de bestuurlijke aanpak van georganiseerde misdaad, is daarom in 2010 voortgezet. Het jaarverslag van de RIECs is aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010 29 911, nr. 42.). Eind 2010 is de kwartiermaker voor de opbouw van het Landelijk informatie en expertisecentrum (LIEC) gestart.

De acties binnen het actieplan veilig ondernemen zijn uitgevoerd. Zo is het Keurmerk Veilig Ondernemen geborgd en is het Convenant Aanpak Winkelcriminaliteit (deel 3) afgesloten. Justitie, politie en winkeliers intensiveren met dit convenant hun samenwerking om winkelcriminaliteit terug te dringen. Onder meer is ingezet op het tegengaan van vernieling en afhandeling van schade door vernieling.

Op het gebied van polarisatie en radicalisering zijn in totaal ca. 30% van de gemeenten gestimuleerd tot acties. Gemeenten zijn vrij om hieraan mee te doen. Ter ondersteuning van gemeenten zijn op diverse thema’s netwerkbijeenkomsten georganiseerd. Benodigde competenties en tools voor professionals bij politie, onderwijs en jongerenwerk zijn uitgewerkt en verspreid, onder andere door middel van handreikingen en/of trainingen. In 2010 is een trainingsprogramma gestart voor eerstelijnsmedewerkers. Diverse projecten hebben plaatsgevonden met het oog op het vergroten van weerbaarheid tegen radicalisering. Het project Kernwaarden democratische rechtstaat is in 10 gemeenten uitgevoerd. Op het gebied van dierenrechtenextremisme zijn voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor betrokken gemeenten, politiekorpsen en potentiële slachtoffers. Mede in het licht van een internationale conferentie in Amsterdam is onder andere internationaal vergelijkend onderzoek verricht. Het branche- en het overheidsoverleg over deze problematiek is gecontinueerd. Internationaal krijgt de Nederlandse «broad approach» veel aandacht en ook navolging.

Het Rijk heeft in 2010 aan 83 gemeenten een decentralisatie-uitkering verstrekt om polarisatie en radicalisering in kaart te brengen, te voorkomen en aan te pakken. Daarmee loopt het totaal aantal gemeenten dat polarisatie en radicalisering aanpakt met medefinanciering van het Rijk op tot 148. Aan maatschappelijke organisaties zijn subsidies verstrekt voor 19 bovenlokale projecten. De projecten richten zich met name op polarisatie onder jongeren, islamitische radicalisering bij jongeren en rechtsradicalisering bij jongeren.

In 2010 zijn de resultaten beschikbaar gekomen van de evaluatie van deze projecten. Hieruit bleek onder andere dat de ingezette instrumenten doeltreffend zijn en dat de kennis bij professionals en gemeenten over de aanpak van polarisatie en radicalisering en de herkenning ervan, is toegenomen. De belangrijkste lessen zijn dat de aanpak van polarisatie en radicalisering het beste werkt indien, dit is vormgegeven op lokaal niveau, het gaat om maatwerktrajecten en dit niet alleen gebeurt vanuit het veiligheidsperspectief, maar ook vanuit het zorgperspectief. Deze lessen zijn breed bekend gemaakt, onder andere via de website van kennis- en adviescentrum Nuansa.

De brandveiligheidsvisie is nader uitgewerkt waarbij een begin is gemaakt met doelkwantificering voor brandveiligheid. Essentieel daarbij is een systeem waarbij branden en de oorzaken van brand op een eenduidige wijze worden verzameld en geregistreerd. Om dit te realiseren is samen met betrokken partijen een traject in gang gezet. Tevens is in 2010 het ontwerpen van de AMvB brandveilig gebruik niet-bouwwerken voortgezet waarbij het bedrijfsleven en de brandweer zijn betrokken.

Een basis is gelegd om verdere invulling te kunnen geven aan het risicobeleid op het terrein van fysieke veiligheid met het oog op maatschappelijke ontwikkelingen. Onder meer zijn door middel van onderzoek ervaringen opgedaan hoe effectief het instrument van Maatschappelijke Kosten-Baten Analyses (MKBA) bij brandveiligheid kan zijn. Ook is het ontwerp van de nieuwe AMvB Basishulpverlening (BHV) in 2010 het stadium van consultatie ingegaan.

Door het faciliteren in financiële en waar nodig beleidsmatige zin van het Landelijk Expertise Centrum (LEC), Brandweer Brzo (een samenwerkingsverband van de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en het Nederlands Instituut Fysiek Veiligheid (NIFV) en het Platform Transport Veiligheid dat zich richt op regio-overstijgende infrastructurele projecten op het gebied van weg-, water, spoor en buisleidingen worden de Veiligheidsregio’s ondersteund met betrekking tot bovenregionale aspecten van externe-/fysieke veiligheid.

Instrumenten

Het wetsvoorstel regierol gemeenten ligt voor behandeling bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 459, nr. 4). Het wetsvoorstel verplicht gemeenteraden tot het periodiek vaststellen van een integraal veiligheidsplan op basis van een veiligheidsanalyse. Het college van Burgemeester en Wethouders is verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan, waarbij partners worden betrokken. Het wetsvoorstel voorziet in een zorgplicht voor de burgemeester, deze dient toe te zien op het lokale veiligheidsbeleid. Het kabinet heeft op basis van een nader advies van de Raad van State het wetsvoorstel in heroverweging genomen. Een aangepast wetsvoorstel is medio 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. In oktober 2010 is het verslag van de Tweede Kamer ontvangen (Kamerstukken II, 2009–2010. 32 459, nr. 5). De nota naar aanleiding van het verslag is inmiddels aangeboden (deze is begin 2011 verzonden).

De wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche is in 2009 ingediend bij de Kamer. Het wetsvoorstel voorziet in een brede regulering van diverse vormen van seksuele dienstverlening en bevat hiertoe een verplicht vergunningenstelsel voor de exploitatie van seksbedrijven, een registratieplicht voor prostituees en een strafbaarstelling van klanten die van niet vergund of niet geregistreerd aanbod van prostitutie gebruik maken. Het voorstel bevat voorts de mogelijkheid voor gemeenten om voor een nuloptie (geen prostitutiebedrijven) te kiezen, daarnaast zijn enkele maatregelen opgenomen die toezicht en handhaving zullen vergemakkelijken en is de minimumleeftijd voor prostituees verhoogd naar 21 jaar. Met de in het wetsvoorstel voorziene instrumenten wordt voorts beoogd, ernstige misstanden zoals mensenhandel te bestrijden. In april 2010 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 211, nr. 8) is de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gezonden. De plenaire behandeling van het wetsvoorstel is in 2010 tweemaal door de Kamer uitgesteld en is nu voorzien in 2011.

25 Operationele doelstelling 2

De veiligheidspartners in staat stellen efficiënt en effectief gebruik te maken van informatie en technologie.

Doelbereiking

Het project Veilig door Innovatie heeft de volgende producten opgeleverd:

  • •  «optimalisatie in proces arrestantenafhandeling (ARAF)». ARAF is een werkmethodiek die wordt benut bij grootschalige evenementen en voetbalwedstrijden. Daarbij is het uitgangspunt dat de surveillerende toezichthoudende agenten op het evenemententerrein/ het stadion bij het constateren van strafbare feiten waar tegen opgetreden moet worden, de verdachte aanhoudt. Hierbij worden de bevindingen in de vorm van het aanhoudingsverbaal, waarvoor men normaliter naar het bureau gaat om het daar in het bedrijfsprocessensysteem op te maken, nu op een zogenaamde arrestantenkaart wordt geschreven. Voordeel van deze methode is dat de toezichthoudende agent op zijn post kan blijven;
  • •  «Webcrawler» een volledig zelfstandig functionerende instrument dat in staat is automatisch en zonder voortdurende aandacht van de gebruiker Internetsites te observeren naar de aanwezigheid van kinderporno, de inhoud daarvan op te slaan en off-line de website in kopievorm aan de rechercheur beschikbaar te stellen. Hierdoor kan de rechercheur zeer effectief (de gebruiker hoeft niet zelf uren op het Internet actief te zijn) informatie en veranderingen op websites in de gaten te houden;
  • •  modus operandi-onderzoek als kennisbasis voor innovatie van de nu in gebruik zijnde diensten en producten ter voorkoming van woninginbraak. Deze kennisbasis kan worden gebruikt voor de aanpassing van standaards en keurmerken zoals het politie keurmerk Veilig Wonen;
  • •  cobra blussysteem. Bij het gebruik van het blussysteem minder binnenaanvallen nodig zijn, zeker als er geen mensenlevens in het geding zijn waardoor er minder slachtoffers zullen vallen onder het brandweer personeel. Met het Cobra Blussysteem is het mogelijk de gevaren te beperken door van buitenaf een blusaanval in te zetten waardoor de brand wel op een veilige manier is te benaderen.

De Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) heeft het landelijk informatiebeleidsplan opgeleverd en deze is vastgesteld door het Veiligheidsberaad. De brandweer heeft activiteiten uitgevoerd die staan beschreven in de BrandweerInformatievoorziening Leidraad.

De stand van zaken van de uitvoering van de Samenwerkingsafsprakenpolitie uit 2008 is onderzocht van de implementatie van de Basisvoorzieningen Handhaving, Opsporing en Capaciteitsmanagement. Een werkgroep onder leiding van een korpschef heeft de problemen betreffende de basisvoorzieningen geïnventariseerd. Verder heeft Het Expertise Centrum de uitval van de systemen van de acht korpsen in Noord-Oost-Nederland onderzocht. Tenslotte heeft een onafhankelijk adviesbureau de mogelijkheden voor een verdere centralisatie van ICT-taken en het verbeterpotentieel van de ICT-strategie onderzocht. De bovenstaande rapporten en de Informatiestrategie waren voor het Korpsbeheerdersberaad aanleiding om de ICT-strategie te herzien. Deze herziening is nog gaande.

Het intergouvernementele verdrag van Prüm is vervangen door een Raadbesluit. Nederland heeft de verplichting op het gebied van de onderlinge raadpleging van DNA-gegevens en voertuiggegevens geïmplementeerd. De implementatie van de verplichting betreffende vingerafdrukken is gestart op basis een doordacht plan van aanpak. De verplichtingen van het Zweeds Kaderbesluit op het gebied van informatie-uitwisseling zijn nationaal geïmplementeerd.

Verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd, zoals in het kader van Chemisch, Biologisch, Radioactief Nucleair het Ontwikkelen van functioneringseis en meetmiddelen chemische incidenten (Validatie ontsmettingsprocedures en innovatie bestrijdingstechnieken chemische incidenten). En in het kader van terrorismebestrijding het herkennen van afwijkend gedrag met behulp van camerabeelden.

Instrumenten

Project heeft een doorlooptijd tot en met ultimo 2011. Einddatum van het project was aanvankelijk 3e kwartaal 2011, maar in verband met het later starten van het aanbestedingstraject door vertraging in de bestuurlijke besluitvorming over opdrachtgeverschap loopt het project vertraging op tot ultimo 2011.

Samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt gewerkt aan het optimaliseren van locatie-informatie middels aanpassing van de Telecomwet. Hierin zullen nadere eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid en de nauwkeurigheid van de locatie-informatie. Naar verwachting zal de nieuwe Telecomwet medio 2011 van kracht worden.

Het misbruikpercentage 1-1-2 bedroeg in 2009 circa 60%, de streefwaarde voor 2010 en 2011 is 50%.

Daadwerkelijk gerealiseerd is een misbruikpercentage van 70,9% Het feit dat er geen afname maar juist een toename van het misbruik van 1-1-2 heeft plaatsgevonden heeft de volgende oorzaken:

  • •  het voornemen om SIMkaartloze bellers uit te sluiten voor 1-1-2 is nog niet doorgevoerd. Hiervoor is een wettelijke basis of een convenant met de telecomaanbieders nodig. Op dit moment is in 63,8% van alle gesprekken sprake van «misbruik»;
  • •  door een aanpassing in het netwerk van één van de telecomaanbieders heeft zich vanaf medio 2010 een toename van ongeveer 10% in het aanbod van gesprekken voorgedaan;
  • •  verwachte geautomatiseerde bestrijding van misbruik 1-1-2 bleek om technische redenen niet mogelijk in 2010. Deze maatregelen zullen in het eerste kwartaal van 2011alsnog worden doorgevoerd.

Wel is het gelukt om door middel van registratie een beter inzicht te krijgen in de verschillende vormen van misbruik 1-1-2.

Realisatie meetbare gegevens

25.3 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Waarde 2010

Beschikbaarheid 112-centrale netwerk

99,90%

≥ 99,9%

≥ 99,9%

≥ 99,9%

≥ 99,9%

Misbruik 112 terugbrengen

70%

65%

60%

50%

70,9%

Bron: Korps Landelijke Politiediensten (KLPD)

25.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 25.4

Onderzoek onderwerp

AD of OD

A. Start

B Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Partners in veiligheid

OD 25.1

A: 2009

B: 2009

Kamerstukken II, 2009–2010, 30 985, nr. 5.

Beleidsdoorlichting

De veiligheidspartners in staat stellen om hun werk efficiënt en effectief uit te kunnen oefenen.

OD 25.1

A: 2011

B: 2011

 

Beleidsdoorlichting

De veiligheidspartners in staat stellen efficiënt en effectief gebruik te maken van informatie en technologie

OD 25.2

A: 2012

B: 2012

 

Toelichting

Voor enkele grote programma’s in dit artikel («Overlast en Verloedering» en «Polarisatie en Radicalisering») is in 2011 een goed moment aangebroken in de beleidscyclus om de ervaringen van de afgelopen jaren in het geheel te overzien en als input te gebruiken voor verdere beleidsontwikkeling.

Beleidsartikel 27: Algemene inlichtingen en Veiligheidsdienst

27 Algemene doelstelling

Tijdige onderkenning van niet direct waarneembare dreigingen en risico’s voor de (inter-)nationale veiligheidsbelangen van de Nederlandse staat en samenleving en daarop gebaseerde informatieverstrekking aan de partners van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), die daardoor worden aangezet om passende maatregelen te nemen.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De AIVD voert haar wettelijke taken (Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002) uit in het belang van de nationale veiligheid. Dat wil zeggen «de bescherming van de democratische rechtsorde, dan wel de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.» Het resultaat van de inspanningen van de AIVD wordt aangewend om bestuurders, beleidsmakers, en andere belanghebbenden op lokaal, nationaal en internationaal niveau te informeren, te adviseren en aan te zetten tot handelen.

In 2010 is de AIVD in toenemende mate geconfronteerd met een verdere internationalisering en globalisering van de dreiging en het toenemende gebruik van geavanceerde technologie in de bedreigingen en risico’s.

In 2010 is fors ingezet op het tijdig onderkennen van de jihadistisch-terroristische dreiging. Gedurende één van de onderzoeken, kreeg de AIVD concrete aanwijzingen dat Al Shabaab mogelijk op korte termijn een aanslag wilde plegen in Nederland. Omdat de aanslagdreiging dermate ernstig was en het doelwit onbekend, heeft de AIVD de veiligheidspartners geïnformeerd en een ambtsbericht uitgebracht.

De AIVD acht het van belang beleid met betrekking tot de aanpak van jihadisten te richten op zowel deradicalisering als «disengagement». De AIVD heeft in dit kader advies uitgebracht aan zijn partners (Nationaal Coördinator terrorismebestrijding (NCTb) en ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ten behoeve van het operationeel actieplan Polarisatie en Radicalisering.

De AIVD heeft in 2010 onderzoek gedaan naar de digitale dreiging en heeft vastgesteld dat digitale aanvallen op elektronische netwerken toeneemt. Het gaat hierbij om digitale spionage (het stelen van vertrouwelijke informatie) en om digitale ontwrichting (ontwrichten van de digitale infrastructuur). Deze cyberaanvallen hebben criminele of statelijke doeleinden. De AIVD blijft actief op het gebied van beleidsvorming en het verhogen van de weerstand tegen cyberaanvallen.

De informatie die komt uit onderzoeken van de AIVD in het kader van de «inlichtingentaak buitenland», is van belang bij de totstandkoming van het buitenlandse politieke beleid van de regering. Daartoe heeft de AIVD in 2010 circa 400 inlichtingenrapporten opgesteld en gedeeld met belanghebbende afnemers. Met producten op maat – schriftelijke rapportages, presentaties en briefings, speelt de AIVD in op de buitenlandpolitieke inlichtingenbehoefte van de Nederlandse regering.

Verschillende buitenlandse mogendheden sturen inlichtingenofficieren naar Nederland om onder andere politieke, militaire, economische en wetenschappelijk en technische informatie te verzamelen. De AIVD tracht deze vormen van spionage vast te stellen en te verstoren. Zo heeft de AIVD meermaals geadviseerd tot het weigeren van een visum aan bij de AIVD bekende inlichtingenofficieren.

De AIVD heeft in 2010 ook onderzoek gedaan naar activiteiten van groeperingen met een separatistisch oogmerk, waaronder de Koerdische Arbeiderspartij PKK. De informatie uit het onderzoek naar de financierings- en ondersteuningsactiviteiten van de PKK in Nederland, is gedeeld met zeven lokale besturen en de samenwerkingspartners, zoals de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Douane.

Vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken

Vanuit de Wet Veiligheidsonderzoeken (WVo) verricht de AIVDveiligheidsonderzoeken naar personen die door werkgevers bij de AIVD zijn aangemeld voor de vervulling van een vertrouwensfunctie. Een vertrouwensfunctie is een functie waarin het mogelijk is misbruik te maken van kennis of bevoegdheden waardoor de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat ernstig bedreigd worden. Het aantal vertrouwensfuncties in 2010 bedroeg 76 129 functies Voor het aantal vertrouwensfuncties binnen de sectoren, wordt verwezen naar het AIVD Jaarverslag 2010

Het aantal veiligheidsonderzoeken dat voor de sector Burgerluchtvaart wordt uitgevoerd fluctueert met de schommelingen van de economische conjunctuur. In het jaarverslag 2009 rapporteerde de AIVD een daling van het aantal uitgevoerde veiligheidsonderzoeken (BL-onderzoeken) ten opzichte 2008. In 2010 herstelde de luchtvaartsector zich langzaam.

Deze BL-onderzoeken worden onder mandaat van de AIVD uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee (KMar). In 2010 heeft de Kmar bijna 10% van de onderzoeken doorgestuurd naar de AIVD voor verdere afhandeling. Dit hield onder andere verband met geconstateerde justitiële gegevens of het inwinnen van informatie in een land waar betrokkene verblijf heeft gehouden.

In het voorjaar 2010 is gestart met het dynamiseren van de veiligheidsonderzoeken binnen de sector Burgerluchtvaart. Dit betekent dat de AIVD alle 45 447 vertrouwensfunctionarissen binnen de sector heeft nageslagen op justitiële gegevens. De naslag kende de volgende resultaten: 4 650 personen beschikten over nieuwe justitiële gegevens. De naslag kende de volgende resultaten: 4 650 personen beschikten over nieuwe justitiële gegevens. In 29 gevallen betrof het personen op een vertrouwensfunctie, die aan een herhaalonderzoek werden onderworpen.

Binnen de luchtvaartsector is de AIVD in 2010 gestart met het project «BL2010», dat zich richt op het aanscherpen en verbeteren van het uitvoeringsbeleid van veiligheidsonderzoeken in de burgerluchtvaart.

In november 2010 heeft de AIVD een themadag voor de Nederlandse Politie georganiseerd die in het teken stond van de weggewerkte nalatenschap van onderzoeken naar zittende politiefunctionarissen. In november zijn de laatste veiligheidsonderzoeken naar deze functionarissen afgerond.

In het kader van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het flexibiliseren van arbeid, heeft in 2010 een pilot functieclustering van vertrouwensfuncties binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties plaatsgevonden. Bij functieclustering behoeven medewerkers die van vertrouwensfunctie wisselen, niet per definitie aan een nieuw veiligheidsonderzoek te worden onderworpen. Na evaluatie van de pilot zijn voorbereidingen getroffen voor het implementeren van functieclustering binnen het ministerie.

Op 10 oktober 2010 is de Wet Veiligheidsonderzoeken ook van kracht geworden op de BES-eilanden en is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor het aanwijzen van vertrouwensfuncties en de uitvoering van de veiligheidsonderzoeken. In 2010 zijn voorbereidingen getroffen voor een gefaseerde uitvoering in 2011.

Budgettaire gevolgen van beleid

27.1 Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

   

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

185 307

176 429

8 878

               

Uitgaven

133 580

174 617

175 172

189 714

190 979

176 429

14 550

27.1 Apparaat

       

182 711

169 661

13 050

27.2 Geheime uitgaven

       

8 268

6 768

1 500

               

Ontvangsten

       

3 207

974

2 233

Financiële toelichting

Op het artikel Algemene inlichtingen en Veiligheidsdienst is meer uitgegeven dan begroot. Op het artikel zijn bovendien meer ontvangsten binnen gekomen. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

27.1 Het verschil wordt verklaard doordat bij Voorjaarsnota 2010 middelen zijn toegevoegd ten behoeve voor onder andere de FLO-regeling, arbeidsvoorwaarden en het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging (NBV).

  • •  FLO-regeling: compensatie voor kosten van de FLO-regeling conform eerder gemaakte afspraken;
  • •  Arbeidsvoorwaarden: de loonbijstelling tranche 2010 is niet uitgekeerd. Om de AIVD in staat te stellen zich aan de thans in de CAO vastgelegde verplichtingen te voldoen, is de raming in 2010 verhoogd ten laste van het budget van latere jaren;
  • •  Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging: het betreft de bijdrage van verschillende departementen aan het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging. Deze bijdrage is ingezet om de basisdienstverlening informatiebeveiliging voor de deelnemende departementen verder vorm te geven en te continueren.

27.2 Het verschil wordt verklaard doordat de bij Voorjaarsnota 2010 budget is toegevoegd. Door de groei van de dienst naar aanleiding van besluitvorming Havermans/van Gogh is het beroep op de geheime begroting toegenomen.

Ontvangsten

In 2010 is meer ontvangen dan begroot omdat de dienst het afgelopen jaar pro-actiever is gaan sturen op de daadwerkelijke realisatie van de ontvangsten. Dit heeft geresulteerd in een toename van ontvangsten vanuit diverse uitkeringsinstanties (onder andere het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen). Daarnaast is er sprake geweest van meerontvangsten in relatie tot diverse projecten die het afgelopen zijn gestart en afgerond.

Externe factoren

De externe factoren die van grote invloed zijn op de werkzaamheden van de AIVD, zijn de toenemende internationalisering/globalisering en de technologische ontwikkelingen.

Meer en meer wordt de internationale gemeenschap bedreigd door gebeurtenissen in het buitenland, die mogelijk gevolgen hebben op economische en politieke internationale arena. Door de globalisering van het terrorisme is het van essentieel belang om internationaal met gerespecteerde collega-diensten samen te werken en informatie met elkaar te delen; de diensten zijn van elkaar afhankelijk. De komende jaren blijft de samenwerking speerpunt van beleid; de AIVD is een veiligheidspartner die ertoe doet.

De technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat de AIVD constant verwikkeld is in een innovatiewedloop. Daarom is de AIVD in 2010 gestart met het versterken van de technische kennis en het structureren van de innovatieactiviteiten. Hiermee tracht de AIVD te anticiperen op de ontwikkelingen ondermeer op het gebied van biometrie en digitale technologie. De AIVD zal ook de komende jaren moeten blijven investeren in technologie.

De toenemende vraag naar de verschillende producten van de AIVD, onder andere analyses, veiligheidsonderzoeken en producten op het gebied van de informatie- en verbindingsbeveiliging, leggen een groot beslag op de beschikbare capaciteit. De AIVD heeft gezocht naar passende maatregelen zoals het werven van (tijdelijk) personeel en efficiency- en effectiviteitverbeteringen.

Realisatie meetbare gegevens

27.2 Indicatoren

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Opvolging van AIVD-producten 1

100

100%

100%

Implementatie IT systemen (dossiervorming mede ten behoeve van targetregistratie, Bravo ten behoeve van de veiligheidsonderzoeken en Victis ten behoeve van de CT Infobox) 2

n.v.t.

100%

2 van de 3 systemen geïmplementeerd

Percentage door AIVD uitgevoerde veiligheidsonderzoeken binnen wettelijke termijn van 8 weken 3

91,5%

90%

94%

Noot 1: Opvolging van AIVD-producten: In 2010 leiden alle door de AIVD uitgebrachte ambtsberichten en producten ten behoeve van het stelsel Bewaken & Beveiligen tot gekende besluitvorming door de afnemers van die producten.

Noot 2: Versterking informatiehuishouding; Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 30 977, nr. 10.

Noot 3: Terugdringen doorlooptijden A veiligheidsonderzoeken, Kamerstukken II, vergaderjaar 2008–2009, 30 805, nr. 13

Bron: AIVD

Met betrekking tot de inspanningen op de ICT vernieuwingsprojecten over de periode 2008–2010, heeft de AIVD er twee afgerond. Deze zijn het BRAVO systeem ter ondersteuning van het werkproces en de dossiervorming voor de veiligheidsonderzoeken, en het Victis systeem ter verbetering van het werkproces en dossiervorming van de CT Infobox. Het derde project, de ontwikkeling van het dienstbrede dossiervorming- en workflowmanagement systeem, is vertraagd (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 977, nr. 35). De oorzaken zijn gelegen in de diversiteit, omvang en complexiteit van het te bouwen systeem. Daarom heeft de AIVD besloten tot meer aandacht voor de testfase, waardoor de implementatie moet worden uitgesteld.

27.3 Kengetallen

Waarde 2009

Waarde 2010

Aantal openbare publicaties

9

7

Aantal ambtsberichten

55

64

Aantal ambtsberichten aan EZ 1

74

98

Aantal dreigingsinformatie-producten t.b.v. stelsel bewaken en beveiligen (art 6.2.e WiV 2002)

189

140

Aantal dreigingsinformatie-producten t.b.v. beveiligings-bevorderende taak (art 6.2.c Wiv 2002)

24

17

Aantal aangewezen vertrouwensfuncties

73 425

76 129

Aantal door AIVD in behandeling genomen veiligheidsonderzoeken

9 796

8 999

Aantal geweigerde VGB’s

645

449 2

Noot 1: Dit zijn berichten aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, in het kader van exportcontrole op strategische goederen (o.a. dual use).

Noot 2: Hiervan hebben 419 weigeringen betrekking op B-vertrouwensfuncties in de burgerluchtvaart.

Bron: AIVD

27 Operationele doelstellingen 1

Algemene inlichtingen- en veiligheid.

Doelbereiking

In 2010 heeft de AIVD zijn inspanningen gefocust op de onderstaande onderzoeksprioriteiten, als nadere operationalisering van de algemene beleidsdoelstelling. Hieronder worden de onderzoeksprioriteiten van 2010 kort uiteengezet:

  • •  Aandacht voor internationale terroristische dreiging en de terroristische dreiging vanuit het buitenland;»
  • •  Op het terrein van extremistisch activisme ligt in 2010 het zwaartepunt op het dierenrechtenactivisme; het operationeel diepteonderzoek hiernaar is geïntensiveerd;
  • •  In 2010 verschuift de aandacht op het gebied van islamitisch radicalisme enigszins van de concrete dreiging vanuit de salafitische centra naar het onderkennen en duiden van de meer sluipende en heimelijke dreigingen vanuit het niet-gewelddadige moslimradicalisme;
  • •  De AIVD richt zijn onderzoeken vooral op het onderkennen van spionage op economisch en technisch-wetenschappelijk terrein en op de aantasting van vitale overheidssectoren en ICT-infrastructuren. Tevens heeft de AIVD aandacht voor beïnvloeding van migrantengemeenschappen en aantasting van politieke en ambtelijke integriteit;
  • •  Voortzetting onderzoek naar de intenties van andere landen om de regering in staat te stellen de Nederlandse belangen te behartigen;
  • •  Voortzetting van onderzoeken op het gebied van de verwerving van kennis en middelen voor massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen;
  • •  Tijdige levering van relevante, op maat gesneden producten en diensten aan afnemers. De vorming van een interdepartementale basisvoorziening.

In het licht van het specifieke karakter van de activiteiten van de AIVD, is de AIVD terughoudend in het openbaar maken van de behaalde resultaten, vanwege de geheimhoudingsnoodzaak. Voor meer informatie wordt verwezen naar het AIVD Jaarverslag 2010.

Instrumenten

Doelen zijn behaald.

27.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is eindverantwoordelijk voor de adequate taakuitvoering van de AIVD, waaronder de doeltreffendheid en de doelmatigheid daarvan. De AIVD rapporteert periodiek over deze aspecten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze legt hierover verantwoording af aan de Tweede Kamer, zo veel mogelijk in het openbaar, en waar dat niet kan vanwege geheimhoudingsnoodzaak, via de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) van de Tweede Kamer. Gegeven de geheimhouding wordt in deze begroting geen overzicht van onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid opgenomen.

De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de taakuitvoering van de AIVD.

Beleidsartikel 29: Inspectie Openbare Orde en Veiligheid

29 Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een veilige samenleving en het vertrouwen van de burger in de overheid vergroten door onafhankelijk toezicht en onafhankelijk onderzoek en het doen van aanbevelingen die verantwoordelijken in staat stellen de veiligheid te verbeteren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie OOV) heeft, op basis van haar werkplan 2010, onderzoek verricht naar (aspecten van) de kwaliteit waarmee brandweer-, Geneeskundige Hulverlening bij Ongevallen en Rampen- (GHOR), politie-, rampenbestrijdings- en crisisbeheersingstaken worden uitgevoerd. De rapportages bevatten conclusies en aanbevelingen die verantwoordelijken in staat hebben gesteld de kwaliteit van de uitvoering van hun veiligheidstaken te verbeteren. Daarnaast heeft de Inspectie OOV op verzoek van besturen onderzoek uitgevoerd naar aanleiding de brand in de Kerkstraat in Veendam en naar aanleiding van de inzet van het USAR.nl team in Haïti. In 2010 is de Inspectie OOV eveneens op verzoek van het bestuur gestart met onderzoek rondom de Stabrechtse Heidebrand.

Budgettaire gevolgen van beleid

29.1 Inspectie IOOV

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

5 538

5 231

307

               

Uitgaven

4 316

5 224

5 719

5 674

5 540

5 231

309

29.25 Apparaat

       

4 726

4 279

447

29.1 Toezicht, onderzoek en aanbevelingen

       

814

952

– 138

               

Ontvangsten

       

0

0

0

Externe factoren

Door middel van een jaarlijkse risicoanalyse kijkt de Inspectie OOV waar zij optimaal toegevoegde waarde kan realiseren en op welke wijze de beoogde effecten van wet- en regelgeving en gevoerd beleid vergroot kan worden. Hierbij gaat de Inspectie OOV uit van vigerende wet- en regelgeving en gevoerd beleid. Daarnaast worden stakeholders geconsulteerd over hun perceptie van knelpunten. Na analyse van de geschatte veiligheidsrisico’s enerzijds en de toegevoegde waarde van toezicht anderzijds worden prioriteiten gesteld en stelt de Inspectie OOV haar werkplan op. Dit werkplan is mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer aangeboden.

De rapportages van de Inspectie OOV zijn, voorzien van een beleidsmatige reactie van de Minister(s) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (en van Veiligheid en Justitie), aangeboden aan de Tweede Kamer en de verantwoordelijke besturen op provinciaal, regionaal en lokaal niveau. De rapportages zijn eveneens aangeboden aan de bijbehorende democratische controleorganen (bv. College van B&W, gemeenteraden, Provinciale Staten (PS) en Gedeputeerde Staten (GS). De Inspectie OOV heeft daarmee beoogd het politiek-bestuurlijke debat over de kwaliteit van de taakuitvoering te voeden.

Willen de door de Inspectie OOV voorgestelde verbeteringen effect hebben, dan moeten de verantwoordelijke besturen en organisaties op het terrein van de openbare orde en veiligheid ook daadwerkelijk aandacht en bestuurlijke kracht opvatten om met deze verbeteringen aan de slag te gaan.

Realisatie meetbare gegevens

Meetgegevens ten aanzien van de resultaten van het toezicht door de Inspectie OOV zijn vooraf moeilijk te formuleren. Het daadwerkelijke effect van toezicht is niet gelegen in het aantal rapporten, maar in kwaliteitsverbetering van de taakuitvoering in de praktijk. De Inspectie OOV investeert daar waar mogelijk in effectmeting van haar toezichtactiviteiten door middel van follow-up onderzoek (naar de opvolging van aanbevelingen) en evaluaties van toezichtmethoden. Over de uitkomsten van deze onderzoeken wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

29 Operationele doelstelling 1

Het vergroten van de kwaliteit van de taakuitvoering en de organisatie van politie, brandweer, Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR) en rampenbestrijdings- en crisisbeheersingsorganisaties door toezicht en onderzoek.

Doelbereiking

Het bevorderen van veiligheid is een verantwoordelijkheid van de overheid. Een van de doelstellingen van het kabinet is daarom het verder verbeteren van de organisatie van politie, brandweer, Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR), rampenbestrijding en crisisbeheersing (Veiligheidsregio’s). De activiteiten in het Werkplan 2010 van de Inspectie OOV zijn afgeleid van deze beleidsdoelstelling van het kabinet.

Een belangrijk aandachtspunt bij het toezicht van de Inspectie OOV is selectief en slagvaardig toezicht, intensief waar nodig en op afstand waar mogelijk. De Inspectie OOV houdt toezicht door systematische en thematische onderzoeken. Tevens kan de Inspectie OOV besluiten onderzoek te doen naar aanleiding van een incident, ongeval of ramp.

Systematisch onderzoek

Begin 2010 heeft de Inspectie OOV gerapporteerd over de stand van zaken in de Veiligheidsregio’s op de onderwerpen uit de Wet Veiligheidsregio’s en de kwaliteits-AMvB (basisvereisten). Als gevolg van dit onderzoek heeft de Inspectie OOV in samenspraak met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie zich gecommitteerd aan het monitoren van de veiligheids- en politieregio’s. Gevolg hiervan is dat de Inspectie OOV door middel van systematisch onderzoek zal rapporteren over de staat van de rampenbestrijding, de staat van de politie en de staat van het politieonderwijs.

In het kader van systematisch onderzoek hebben de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie in 2010 de volgende rapportages aan de Tweede Kamer aangeboden:

  • •  rampenbestrijding op orde Eindrapportage maart 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 517, nr. 40);
  • •  samenwerkingsafspraken 2008, stand van zaken 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 628, nr. 217).

Thematisch onderzoek

In 2010 heeft de Inspectie OOV een aantal onderzoeken uitgevoerd die inzicht verschaffen in de kwaliteit van (deelaspecten van) de brandweerzorg, GHOR, politiezorg en -onderwijs. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2010 de volgende rapportages aan de Tweede Kamer aangeboden:

  • •  politieonderwijs, kwaliteit afgestudeerden geborgd? (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 628, nr. 220);
  • •  Kwaliteitsonderzoek school voor handhaving, leergang politiële verkeersspecialist, leergang politiële milieuspecialist (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 628, nr. 189);
  • •  Kwaliteitsonderzoek School voor Politiekunde Locatie Apeldoorn (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 628, nr. 165);
  • •  Civiel-militaire samenwerking Tussenmeting 2009 (Kamerstukken II, 2009–2010, 26 956, nr. 72);
  • •  Doorschakelen! (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 628, nr. 186).

Incidenteel onderzoek en advisering

De Inspectie OOV heeft in 2010 onderzoek gedaan naar:

  • •  Calamiteit in de Schiphol spoortunnel (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 893, nr. 101).

Daarnaast heeft de Inspectie OOV rechtstreeks naar betrokkenen gerapporteerd over:

  • •  Brand in de Kerkstraat in Veendam;
  • •  USAR.nl in Haïti;
  • •  Politie en Veilige Publieke Taak (Inspectiebericht);
  • •  Afhandeling in beslaggenomen drugs;
  • •  Continuïteitsplannen Grieppandemie;
  • •  Toezichtkader zelfredzaamheid;
  • •  Hoogwater en overstromingen.

Een aantal onderzoeken is in 2010 gestart. Deze worden in 2011 afgerond. Het gaat om de onderzoeken:

  • •  Politie en veilige publieke taak;
  • •  Stabrechtse Heidebrand;
  • •  Natuurbranden;
  • •  Brandveiligheid Justitiële instellingen;
  • •  Evaluatie wet BIBOB;
  • •  Veiligheid Spoortunnels;
  • •  Kwaliteit vergunningverlening publieksevenementen;
  • •  Operationele InformatievoorzieningBrandweer;
  • •  Inbeslagname verdovende middelen;
  • •  Valideringsonderzoek leergang operationeel leidinggevende;
  • •  Kwaliteitsonderzoek locatie Rotterdam.

Verder is een aantal onderzoeken in 2010 uitgesteld of vervallen. Het gaat om de volgende onderzoeken:

  • •  Kwaliteit van de opsporing. In goed overleg met het programma Verbetering opsporing en vervolging is dit onderzoek uitgesteld tot 2011;
  • •  Operationeel presterend vermogen van de GHOR. Dit onderzoek wordt mogelijk uitgevoerd in 2011;
  • •  Risico en crisiscommunicatie. Dit onderzoek wordt mogelijk uitgevoerd in 2011;
  • •  Grensoverschrijdend multidisciplinair opleiden en oefenen. Op basis van een oriënterend onderzoek heeft de Inspectie OOV besloten dat nader onderzoek op dit moment geen aanvullende waarde heeft;
  • •  C2000. Dit onderzoek wordt mogelijk uitgevoerd in 2011.

Artikel 31: Bestuur en democratie

31 Algemene doelstelling

Een betere overheid door een goed functioneren openbaar bestuur en democratie.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2010 hebben de eerder gesloten bestuursakkoorden met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) respectievelijk het Inter Provinciaal Overleg (IPO) als basis gefungeerd voor constructief partnerschap. Vanuit die context zijn er gezamenlijke inspanningen geformuleerd om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de economische crisis. Daarnaast is voortgegaan met het versterken van de bestuurskracht van decentrale overheden, vergroting van de decentrale beleidsvrijheid en vermindering van de decentrale verantwoordingslasten ten opzichte van het Rijk.

Budgettaire gevolgen van beleid

31. Bestuur en democratie

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

122 482

86 507

35 975

Waarvan garantieverplichtingen

       

0

   
               

Uitgaven

81 770

62 545

75 009

97 083

85 847

91 014

– 5 167

31.25 Apparaat

       

14 718

10 475

4 243

31.1 Inrichting, werking en financiering openbaar bestuur

       

7 044

5 488

1 556

31.2 Democratie en burgerschapsvorming

       

24 481

22 810

1 671

31.3 Reisdocumenten en basisadministratie personen

       

36 203

49 094

– 12 891

Bijdrage baten- en lastendienst BPR

       

27 232

16 782

10 450

31.4 Constitutionele zaken (CZW)

       

742

430

312

31.5 Kiesraad

       

2 659

2 717

– 58

               

Ontvangsten

       

217 869

202 865

15 004

Financiële toelichting

Op het artikel bestuur en democratie is minder uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn hoger dan begroot. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

31.25 Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit is het gevolg van uitvoeringsproblematiek bij de organisatie Openbaar Bestuur en Democratie. Hiervoor zijn de budgetten bij Voorjaarsnota en Najaarsnota opgehoogd.

31.1 Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit wordt verklaard wordt verklaard door de inzet voor het Actieprogramma Lokaal Bestuur waarvoor bij Najaarsnota extra budget is toegevoegd.

31.2 Er is meer uitgegeven dan begroot. In juni 2010 zijn de vervroegde landelijke verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Hierdoor is ook de vervroegde publiekscampagne gehouden waarvoor bij Najaarsnota budget is toegevoegd.

31.3 Er is minder uitgegeven dan begroot. Dit wordt onder andere verklaard door het programma modernisering Gemeentelijke Basisadministratie (mGBA) en het programma Online Raadpleegbare Reisdocumenten Administratie (ORRA). De start van het programma was uitgesteld vanwege een langere opstartfase. Dit is veroorzaakt door de personele invulling van het project en een extra onderzoek naar de positionering van het Burger Zaken Systeem Kern. Het programma ORRA maakt deel uit van het Programma Reisdocumenten en is vertraagd. Het vorige kabinet heeft besloten de ORRA aan een nieuw kabinet over te laten en nog geen onomkeerbare stappen te zetten. Door de vertraging van mGBA en ORRA was het financieringsarrangement niet meer actueel en is het aangepast aan de nieuwe financieringsbehoefte.

Ontvangsten

Er is meer ontvangen. Dit valt onder meer te verklaren uit het feit dat bij de overdracht van de financiële administratie van de Reisdocumenten- en Verkiezingsprogramma's van Basisregistratie Persoonsadministratie en Reisdocumenten (BPR) naar Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, BPR het nog niet gebruikte deel van de bevoorschotting aan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft terugbetaald. Tevens had BPR een schuld aan de opdrachtgever op de balans staan die aan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (opdrachtgever) moest worden terugbetaald.

Externe factoren

In 2010 zijn, zoals blijkt uit de navolgende teksten, belangrijke stappen gezet bij het verwezenlijken van de genoemde algemene beleidsdoelstelling. Relevante externe factoren zijn het aan intensiteit toenemende debat over het functioneren van ons democratische stelsel en het feit dat extra inspanningen nodig zijn om de interbestuurlijke verhoudingen op het hoge peil van de afgelopen jaren te laten blijven. Hierbij moet worden aangetekend dat als gevolg van de val van het kabinet, de kamerverkiezingen en de langdurige kabinetsformatie het proces van verdere beleidsontwikkeling vertraagd is.

Realisatie meetbare gegevens

31.2 Indicatoren

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Overheidsdienstverlening

6,7

6,6

7

6,7

Bron: onderzoek naar de kwaliteit van overheidsdienstverlening.

31 Operationele doelstelling 1

Bestuurskrachtige gemeenten en provincies, die op basis van goede interbestuurlijke, financiële en informatieverhoudingen, hun taken zo goed mogelijk kunnen uitvoeren.

Doelbereiking

Langs de weg van de uitvoering van de bestuursakkoorden is gewerkt aan de verbetering van de verhoudingen tussen de bestuurslagen. Daarmee is belangrijke voortgang geboekt, getuige ook het feit dat onder moeilijke financiële omstandigheden het Rijk en de medeoverheden elkaar hebben kunnen vinden in aanvullende bestuurlijke afspraken.

Instrumenten

Implementatie kabinetsstandpunt provinciale financiën naar aanleiding van het Rfv-rapport

In 2010 is de Tweede Kamer geïnformeerd (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 C nr. 5) hoe het kabinet omgaat met het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv): «Naar een herijking van de financiële verhouding tussen Rijk en provincies». Het overleg van fondsbeheerders en provincies over de toekomstige financiële verhouding, heeft in 2010 geleid tot een (tijdelijke) aanpassing van de verdeling in het Provinciefonds voor 2011. Het is nu aan de fondsbeheerders om te komen tot een definitieve verdeling van het provinciefonds voor 2012 en verder. Omdat het kabinet heeft afgezien van de invoering van een kilometerheffing is de noodzaak van een nieuw provinciaal belastinggebied vervallen.

Evaluatie over het financiële toezicht van provincies op gemeenten

In de provincies Noord-Brabant en Limburg zijn de afgelopen jaren in twee pilots ervaringen opgedaan met verschillende vormen van financieel toezicht op gemeenten. Ook de overige tien provincies hebben hun toezicht de afgelopen jaren meer risico georiënteerd ingericht. Op basis van deze ervaringen zijn eind 2009 en medio 2010 twee werkconferenties georganiseerd om de wenselijke aanpassingen van het financieel toezicht te bespreken. De te treffen maatregelen zullen gericht zijn op een verdere versterking van het horizontale verantwoordingsproces en daarmee op een vermindering van de toezichtlast. In 2011 wordt gewerkt aan de voorbereiding op de te treffen maatregelen, en wordt een besluit genomen over het aanpassen dan wel intrekken van het wetsvoorstel Duurzaam financieel evenwicht provincies en gemeenten.

Herziening interbestuurlijk toezicht

In mei 2010 heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het wetsvoorstel revitalisering generiek toezicht bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel herziet onder meer de generieke toezichtinstrumenten in de plaatsstelling en vernietiging. In september 2010 heeft de Tweede Kamer verslag uitgebracht over het wetsvoorstel. In 2010 is daarnaast gewerkt aan het herzien en opstellen van beleidskaders behorende bij de generieke toezichtinstrumenten en zijn voorbereidingen getroffen voor een reeks aan voorstellen tot wetswijziging ten behoeve van het afschaffen van specifiek toezicht (bij nota van wijziging). In 2010 is daarnaast een start gemaakt met de voorbereiding van de toezichthouders bij het Rijk en bij de provincies op de veranderingen in het toezichtstelsel. Beoogde inwerkingtreding van het herziene toezichtstelsel is 1 januari 2012.

Aanpassing Mededingingswet gedragsregels overheid (Markt en Overheid)

Dit wetsvoorstel van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) ligt bij de Eerste Kamer.

Op basis uitkomsten EIPA onderzoek (impact EU-regels op decentrale overheden) een kopgroep van landen vormen

De komende twee jaar wordt een dialoog met de EU commissie gevoerd om de aandacht binnen de EU commissie voor de gevolgen van het EU beleid voor decentrale overheden verder te versterken.

Actieprogramma Grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking (GROS)

De samenwerking met buurlanden heeft concrete oplossingen en samenwerkingsafspraken opgeleverd. Het actieprogramma is nog niet afgerond; oplossing van een aantal knelpunten heeft een langere doorlooptijd nodig. De Raad van Openbaar Bestuur (ROB) is gevraagd een evaluatie van de aanpak uit te voeren.

Realisatie meetbare gegevens

31.3 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Aantal specifieke uitkeringen

134

101

82 1

59

59 2

2. Vermindering interbestuurlijke lasten

0%

   

n.v.t

n.v.t

Noot 1: Exclusief 27 tijdelijke specifieke uitkeringen, bekostigd met geld uit het Fonds economische structuurversterking

Noot 2: Exclusief 29 tijdelijke specifieke uitkeringen, bekostigd met geld uit het Fonds economische structuurversterking

Bron 1: Onderhoudsrapportage specifieke uitkeringen 2010

Bron 2: Nulmeting interbestuurlijke lasten

31.4 Kengetal

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Aantal gemeenten onder preventief financieel toezicht

19

14

10

14

Bron: Toezichtverslag 2010 van provincies op gemeenten

31 Operationele doelstelling 2

Het stimuleren van de politieke participatie en de betrokkenheid van de burger bij het democratisch proces.

Doelbereiking

De betrokkenheid bij en deelname van burgers aan de politiek en de samenleving zijn van groot belang. Als meer burgers participeren in de politiek draagt dit bij aan de legitimiteit van het openbaar bestuur. De bevordering van sociale samenhang en van verantwoordelijk gedrag van burgers tegenover elkaar en tegenover de overheid is van essentieel belang in een goed werkend openbaar bestuur.

Instrumenten

Subsidiëring van politieke partijen

Politieke partijen die bij de laatste verkiezingen zetels in de Eerste en/of Tweede Kamer hebben behaald kunnen aanspraak maken op een jaarlijkse subsidie. Toekenning gebeurt op grond van de voorschriften in de Wet subsidiering politieke partijen. Voornemen is een nieuwe Wet Financiering Politieke Partijen (WFPP) te realiseren, waarin naast subsidievoorschriften ook regels voor giften en partijsponsoring zijn opgenomen. Het ontwerpwetsvoorstel dat daartoe is opgesteld, is aangepast aan het advies van de Raad van State, het advies van de Kiesraad en de aanbevelingen Group of States against Corruption (GRECO) die de Raad van Europa in juni 2008 heeft gedaan (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200, nr. 77). Nadien is het gewijzigde ontwerpwetsvoorstel met de politieke partijen en de Kiesraad besproken.

Oprichting van het Huis voor Democratie en Rechtsstaat

In 2010 is de stichting Huis voor Democratie en Rechtsstaat opgericht. Op 30 september 2010 vond de formele oprichting plaats tijdens een bijeenkomst met de Minister en Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer. Het Huis heeft tot doel om de kennis over en de deelname aan de democratie te vergroten. In het Huis zijn twee bestaande instellingen, het Instituut voor Publiek en Politiek en de Stichting Bezoekerscentrum Binnenhof, opgegaan. Het programma de Haagse Tribune, dat tot doel heeft om leerlingen uit het voortgezet onderwijs op en rond het Binnenhof ervaring op te laten doen met politiek, democratie en rechtsstaat, is in 2010 voortgezet. In het schooljaar 2009–2010 hebben 25 000 scholieren aan het programma deelgenomen.

Rekruteringstool volksvertegenwoordigers

De rekruteringstool is eind 2010 voltooid en zal in 2011 aangeboden worden aan de politieke partijen.

Het verspreiden van het Handvest Verantwoordelijk Burgerschap

Het discussie- en onderzoekstraject over verantwoordelijk burgerschap heeft reeds in december 2009 geresulteerd in het rapport «Bouwstenen van burgerschap» van Veldkamp en de weekkalender 2010 over burgerschap (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 614, nr. 20). Daarbij is een aantal belangrijke waarden en gedragsregels geïdentificeerd die volgens de representatieve enquête in het rapport Veldkamp veel steun genieten onder de bevolking. Het verdere traject met betrekking tot het handvest is bij de val van het kabinet in februari 2010 controversieel verklaard en daarom is er geen handvest uitgebracht.

Het via de VNG oprichten van een helpdesk en expertisenetwerk burgerparticipatie

Het afgelopen jaar zijn de nodige activiteiten ondernomen om de expertise over burgerparticipatie te verspreiden over een breed netwerk. Er is een werkboek over hoe om te gaan met burgerinitiatieven ontwikkeld en er is een publicatiereeks over burgerparticipatie voor verschillende doelgroepen uitgegeven.

Circa 40 voorhoedegemeenten wisselen regelmatig leerervaringen uit over omgaan met burgerinitiatieven.

Er is een leerkring van negen gemeenten opgericht, die allemaal werken aan een eigen voorbeeldproject. De deelnemende gemeenten zijn Almere, Amersfoort, Amsterdam-Stadsdeel Nieuw West, Amsterdam-Stadsdeel Oost, Berkelland, Enschede, Hellendoorn, Tilburg en Zwolle. Zij werken vooral aan de processen en afspraken binnen hun eigen gemeente. De rol van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is het leerproces te ondersteunen mede met oog op het uitdragen van de ervaringen naar andere gemeenten.

Realisatie meetbare gegevens

31.5 Indicatoren

Streefwaarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Aantal gemeenten dat gebruik maakt van lessen uit de proeftuinen en experimenten (IAMB1)

100

150

1

2. Percentage gemeenten en departementen dat beschikt over methodische aanpak van burgerinitiatieven

15%

20%

Noot 1: De eerste indicator stamt uit 2008/2009. Toen was er een concreet project «In Actie Met Burgers!» (IAMB) met proeftuinen en experimenten. Dat is echter afgerond in 2009, en geëvalueerd. De indicator is per abuis in de begoting blijven staan. De tweede indicator betreft het beoogde streven om overheden systematisch en responsief te laten reageren op burgerinitiatieven. Hier ontbreekt een monitorinstrument. Zoals aangegeven in de begoting 2011 zal een nieuwe monitorinformatie worden ontwikkeld.

31.6 Kengetal

Verleende subsidie 2009

Verleende subsidie 2010

Partij

   

CDA

3 689 447

3 725 439

PvdA

3 123 645

3 087 566

SP

2 394 179

2 510 432

VVD

2 204 470

2 182 701

GL

967 414

966 425

CU

986 719

968 209

D66

684 230

723 450

PvdD

540 977

544 789

SGP

816 707

780 598

OSF

375 589

394 407

Bron: Financiële administratie ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

31 Operationele doelstelling 3

Het in stand houden en optimaliseren van de reisdocumentenketen en het stelsel van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA).

Doelbereiking

De betrouwbare GBA wordt bereikt door het verbeteren van de kwaliteit van de GBA. Het actieplan kwaliteitGBA heeft als doel de betrouwbaarheid van de GBA op een beter niveau te brengen in samenwerking met VNG en gemeenten (motie Heijnen en Bilder, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200, nr. 34).

Met de inwerkingtreding per 10-10-10 van de aangepaste regelgeving voor de openbare lichamen is de bevoegdheid voor de bevolkingsadministraties en de identiteitskaarten («sédula») van de drie eilanden BES overgegaan naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Voorts zijn de openbare lichamen in de Paspoortwet zoveel mogelijk op één lijn gebracht met Nederlandse gemeenten.

Conform de afspraken in het bestuurlijk akkoord BZK-VNG van 5 maart 2009 heeft het programma modernisering GBA in 2010 uitvoering gegeven aan het vastgestelde programmaplan, dat een looptijd heeft tot 2015.

Instrumenten

Het verbeteren van de kwaliteit van de GBA

In 2010 is opnieuw een momentopname uitgevoerd naar de kwaliteit van de GBA. Uit het onderzoek is gebleken dat de kwaliteit met 0,8% is gestegen ten opzichte van 2009. Het percentage correcte registraties in 2010 bedroeg 94,4%, Hierover is de Tweede Kamer reeds geïnformeerd (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 444, nr. 7). In 2011 wordt het actieplan geëvalueerd en worden de opbrengsten gedefinieerd.

Het programma modernisering GBA

De eerste ICT-voorzieningen voor de modernisering GBA zijn opgeleverd, de gegevensset (onderdeel van het nieuw Logisch Ontwerp) is vastgesteld en onderdelen van het nieuwe gemeentelijke burgerzakensysteem zijn ontworpen. In april 2010 heeft een Gatewayreview plaatsgevonden, waarin de verwachting is uitgesproken dat het programma succesvol kan worden afgerond. Eind 2010 is aan de Tweede Kamer een voortgangsrapportage gezonden (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 859, nr. 39).

Overgang bevoegdheid voor bijhouding bevolkingsadministraties op Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de eilandsbesturen naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De bij de regelgeving horende uitvoeringstrajecten op de BES-eilanden waren tijdig afgerond. De verstrekking van persoonsgegevens uit de drie bevolkingsadministraties aan Nederlandse overheidsinstellingen is op 10-10-10 van start gegaan evenals de uitgifte van een nieuw, op de drie eilanden afgestemd model identiteitskaarten. Het traject kwaliteitsverbetering bevolkingsadministraties heeft de gegevens in de bevolkingsadministraties substantieel verbeterd. Om de gegevens in de bevolkingsadministraties op het in Nederland gestelde kwaliteitsniveau te brengen en te houden is echter meer nodig, vooral op het punt van training en opleiding van medewerkers. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties spant zich dan ook in de eilanden hier nog enige tijd bij te ondersteunen. Wat betreft de toezegging aan de Tweede Kamer dat de identiteitskaarten van de openbare lichamen zo spoedig mogelijk zullen worden vervangen door de NIK, zal in 2011 een inventariserend onderzoek de gevolgen van het wegnemen van de sédula uit de Nederlands Antilliaanse systematiek in kaart en de besluitvorming voorbereiden.

Invoering van een verbeterd paspoortuitgifte systeem

Voor zover deze doelstelling betrekking heeft op de ontwikkeling van de online raadpleegbare reisdocumentenadministratie (ORRA) wordt verwezen naar hetgeen de voormalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gezegd tijdens het Algemene Overleg van 7 oktober 2010 en daarna bevestigt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken en in antwoord op verschillende schriftelijke vragen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties oriënteert zich in de komende maanden op dit dossier om tot een oordeel te kunnen komen over de wijze waarop de ORRA vorm zou kunnen krijgen. De uitkomst van de oriëntatie zal, conform de toezegging daarover, aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Landelijke uitrol van de resultaten van regionale proeven inzake andere procedures bij aangifte van vermissing en vermoeden van fraude met reisdocumenten

De regionale proeven inzake andere procedures bij aangifte van vermissing en vermoedens van fraude met reisdocumenten zijn uitgebreid na een evaluatie en aanbevelingen van de eerste fase van de proef. Naast doorstart met de regio Amsterdam-Amstelland, is ook een proef gestart in de politieregio Zuid-Holland Zuid en zal een proef worden gestart in Gelderland-Midden. Na evaluatie van de proeven zullen beleid en regelgeving worden aangepast.

Realisatie meetbare gegevens

In de paragraaf van het Agentschap Basisregistratie, Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) zijn diverse meetbare gegevens opgenomen.

31 Operationele doelstelling 4

Het waarborgen van de grondrechten en zorgen voor een goed functionerend constitutioneel bestel.

Doelbereiking

CZW heeft zich ten aanzien van bovenstaande doelstelling als volgt ingespannen:

  • •  wetsvoorstel College voor de Rechten van de Mens (Kamerstukken II, 2010, 32 467, nr. 2) is in september 2010 ingediend. Dit wetsvoorstel strekt ertoe een nationaal mensenrechteninstituut op te richten: het College voor de rechten van de mens. Het College zal tot doel hebben de mensenrechten in Nederland te beschermen en de naleving daarvan te bevorderen. Het College zal een cruciale schakel zijn tussen het maatschappelijk middenveld, nationale en internationale organisaties. Zo zal het op belangrijke wijze bijdragen aan het vertalen van het beginsel menselijke waardigheid naar handreikingen om aan dat beginsel in de praktijk vorm te geven. Het College wordt hiermee hoeder van de menselijke waardigheid;
  • •  de staatscommissie Grondwet heeft advies uitgebracht aan de regering in november 2010;
  • •  Wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2010, 32 522, nr. 2) is ingediend bij de Tweede Kamer in september 2010. Dit voorstel is gebaseerd op de overweging, dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een bepaling over de Nederlandse taal en het doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt. Met dit wetsvoorstel wordt de status van de Nederlandse en de Friese taal in de Grondwet verankerd. Daarmee wordt beoogd de positie van deze nationale talen te beschermen en te versterken in een almaar globaliserende wereld. Als gevolg van de internationalisering en de pluriforme samenstelling van de Nederlandse bevolking worden er steeds meer talen gesproken in Nederland. Onder meer het arbeidsverkeer tussen EU-landen, immigratie, uitwisseling van studenten, toerisme en internet dragen daaraan bij. In het bijzonder het Engels wint door het proces van internationalisering in toenemende mate terrein in Nederland. De internationale ontwikkeling is niet tegen te houden. De Nederlandse taal ontwikkelt zich eveneens onder invloed van nieuwe communicatiemiddelen. Met die ontwikkelingen is niets mis, zolang het gebruik van de Nederlandse taal niet in de verdrukking komt. Dit wetsvoorstel moet waarborgen dat men in Nederland te allen tijde met de Nederlandse taal terecht kan.

Instrumenten

De voorgenomen instrumenten voor het waarborgen van de grondrechten en zorgen voor een goed functionerend constitutioneel bestel zijn ingezet.

Verder ontwikkelen antidiscriminatiebeleid

  • •  In 2010 heeft de werkgroep Gezamenlijke Aanpak Discriminatie waarin vertegenwoordigers zitten van verschillende ministeries, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en discriminatie registrerende organisaties zoals politie, OM, antidiscriminatievoorzieningen en de Commissie gelijke behandeling twee expertmeetings gehouden over de stroomlijning van registratie en gegevensuitwisseling van discriminatiegegevens.
  • •  Om de bewustwording van discriminatie en de meldingsbereidheid van discriminatie onder het publiek te vergroten heeft in 2010 van 23 augustus tot en met 26 september een herhaling van een landelijke voorlichtingscampagne plaatsgevonden.
  • •  Op 13 september 2010 is een brief naar de Tweede Kamer gezonden met daarin het actieprogramma bestrijding van discriminatie waarin een aanpak van discriminatie wordt uiteengezet die zich richt op de lokale aanpak, meldingen en aangiften, registratie, opsporing en vervolging en voorlichting van discriminatie.
  • •  Er is in opdracht van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoering van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Bij brief van 17 december is het onderzoeksrapport naar de Tweede Kamer gezonden inzake de gemeentelijke antidisciminatievoorzieningen in Nederland.

31 Operationele doelstelling 5

Een zodanige toerusting van de Kiesraad dat een goede organisatie en begeleiding van het verkiezingsproces en een kwalitatief hoogwaardige advisering over het kiesrecht en de verkiezingen zijn gewaarborgd.

Doelbereiking

De Kiesraad is het centraal stembureau voor de verkiezingen van de leden Tweede Kamer, de Eerste Kamer en het Europees Parlement. De Raad is tevens adviescollege voor regering en parlement over kiesrecht en organisatie en uitvoering van verkiezingen.

Op 3 maart 2010 vonden in 394 gemeenten gemeenteraadsverkiezingen plaats. Hoewel de Kiesraad bij gemeenteraadsverkiezingen niet optreedt als centraal stembureau, brengen deze verkiezingen werkzaamheden voor (het secretariaat van) de Kiesraad met zich mee. Burgers, gemeenten, politieke partijen en andere instanties doen in verkiezingstijd een beroep op de Kiesraad als informatiecentrum. Om de vragen die aan de Kiesraad gesteld worden te beantwoorden, is tijdens de gemeenteraadsverkiezingen een Informatiepunt Verkiezingen ingesteld. Het Informatiepunt is een samenwerkingsverband tussen de Kiesraad en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en valt onder de verantwoordelijkheid van de Kiesraad.

Aanvankelijk zouden de verkiezingen voor de leden van de Tweede Kamer in mei 2011 plaatsvinden, maar door de val van het kabinet werden er vervroegde verkiezingen gehouden op 9 juni 2010. De Kiesraad treedt bij de Tweede Kamerverkiezing op als centraal stembureau. Dit houdt onder andere in dat de Kiesraad een register van aanduidingen ten behoeve van de verkiezing voor de leden van de Tweede Kamer bijhoudt. In 2010 zijn 19 nieuwe aanduidingen geregistreerd door de Kiesraad.

Ook voor de Tweede Kamerverkiezing is, in samenwerking met Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een Informatiepunt Verkiezingen ingesteld. De Kiesraad heeft op 15 juni 2010 de officiële uitslag van de Tweede Kamerverkiezing vastgesteld en bekend gemaakt.

In 2010 waren er 19 verkiezingen vanwege gemeentelijke herindelingen. In 10 gemeenten is de herindeling door het toenmalige demissionaire kabinet aangehouden (controversieel verklaard). In deze gemeenten hebben op 24 november reguliere en herindelingsverkiezingen plaatsgevonden.

Bij de verkiezingen van de gemeenteraden, Tweede Kamer en bij de herindelingsverkiezingen in 2010 is de door de Kiesraad ontwikkelde Ondersteunende Software Verkiezingen (OSV) gebruikt door politieke partijen, (hoofd)stembureaus en het centraal stembureau ter ondersteuning van de kandidaatstelling en de berekening en vaststelling van de uitslag.

De voorzitter van de Kiesraad heeft tot taak om bij het openvallen van een plaats in de Tweede Kamer, de Eerste Kamer of het Europees Parlement een kandidaat te benoemen als lid van het betreffende vertegenwoordigende orgaan. In 2010 zijn in 24 vacatures opvolgers benoemd.

De Kiesraad is in 2010 bij verschillende rechtszaken betrokken. Het betrof zowel zaken waarin de Kiesraad partij was bij het geding, als zaken waarin de Kiesraad als deskundige is opgetreden. In die gevallen waarin de Kiesraad als deskundige optrad, werd door de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om inlichtingen verzocht op grond van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht.

Rondom de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010 zijn 33 beroepschriften ingediend waar de Kiesraad door de Afdeling is gevraagd om inlichtingen. Bij 2 zaken was de Kiesraad als partij betrokken bij het geding.

De Kiesraad bracht in 2010 zes adviezen uit.

Instrumenten

Uitvoeren adviestaak door gevraagd en mogelijk ook ongevraagd adviezen uit te brengen is gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens

De Raad valt onder de Kaderwet adviescolleges en stelt in de uitvoering daarvan jaarlijks een jaarverslag op.

Adviezen van de Kiesraad aan het parlement worden ter kennis gebracht van de Tweede Kamer. Indien de Kamer dit wenselijk acht, wordt een advies nader toegelicht in een overleg met de Vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. Alle adviezen van de Raad worden gepubliceerd op de website van de Raad (www.Kiesraad.nl).

Sommige besluiten die de Raad in zijn hoedanigheid van centraal stembureau neemt, zijn in rechte toetsbaar. Over de rechtmatigheid van de verkiezingen oordeelt de Tweede Kamer (Tweede Kamerverkiezing en verkiezing Europees Parlement) dan wel de Eerste Kamer (Eerste Kamerverkiezing).

31.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 31.7

Onderzoek onderwerp

AD of OD

Start/Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Dualiseringen overhedenoverleg

OD 31.1

Start: 2007

Kamerstukken II, 2007–2008, 30 958, nr. 2

Afgerond: 2007

Effectenonderzoek ex post

     

Overig evaluatieonderzoek

Evaluatie Rekenkamerfunctie op lokaal niveau

OD 31.1

Start: 2010

 

Afgerond: april 2011

 

Integrale evaluatie financiële functie

OD 31.1

Start: 2010

Kamerstukken II, 2009–2010, 30 902, nr. 18

Afgerond: 2010

 

De AWB en Burgers: ervaringen met bezwaarschriftprocedures in de praktijk

OD 31.4

Start: 2008

 

Afgerond: 2011

Artikel 33: Dienstverlenende en innovatieve overheid

33 Algemene doelstelling

Een betere overheid door goede dienstverlening en minder regeldruk.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De doelstelling vermindering van administratieve lasten voor burgers met 25% is nagenoeg gerealiseerd, zowel in kosten (24%) als in bestede tijd (29%). De administratieve lasten van gemeenten voor burgers namen af met 30%. De belangrijkste maatregelen waren onder andere de vereenvoudiging belasting op erven en schenken (– 50 000 uur en – € 0,85 mln.), het vervallen van de rechterlijke toets bij wijziging huwelijksvoorwaarden (– € 2 mln.) en de invoering van de omgevingsvergunning en de verruiming van het bouwvergunningvrij bouwen (– € 26,5 mln.). De groepen die het meest hebben gemerkt van deze, en andere maatregelen, in 2010 waren gezinnen en uitkeringsgerechtigden.

Het kabinet Balkenende IV heeft de ambitie «minimaal een 7 voor overheidsdienstverlening» geformuleerd. Uit de in 2010 gehouden meting blijkt dat de tevredenheid over de dienstverlening in de ketens met een 6,7 iets achter blijft bij het ambitieniveau; de meting geeft ook aan dat de klanttevredenheid op ketenniveau verder kan verbeteren door onder andere een bredere uitrol van ontwikkelde instrumenten. De campagne 5 beloften.nl, waarbij gemeenten een overzicht kregen van de implementatie op hun organisatieniveau, is daar het antwoord op geweest in 2010.

5 Beloften aan de burger

In februari 2010 is de campagne 5 beloften van start gegaan, waarin het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG een «Checklist Dienstverlening» van 40 instrumenten hebben opgesteld die allen voortvloeiden uit de kabinetsaanpak regeldruk en de verbetering van de (e-) dienstverlening. Bij de start in februari 2010 hadden gemeenten, gemiddeld genomen, 30% van de instrumenten ingevoerd. Eind 2010 lag dat gemiddelde op 54,4%.

Veel gemeenten hebben werk gemaakt van de checklist. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties honoreerde in 2010 gemiddeld 250 wijzigingsverzoeken per maand. Dat betekent dat eind 2010 97% van de Nederlandse bevolking gebruik kon maken van DigiD voor gemeenteproducten. 95% hoefde minder documenten bij ondertrouw op te geven, 91% hoefde geen kopie kentekenbewijs te tonen bij een aanvraag parkeervergunning en 90% kon bij de eigen gemeente een GBA uittreksel online aanvragen.

De instrumenten waarvan de invoering door gemeenten het sterkst is toegenomen in 2010:

  • •  invoeren van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Hiermee bereikten de aangesloten gemeenten een bereik van 14 155 000 extra inwoners. (van 8% van gemeenten in maart 2010 naar 66% in december 2010);
  • •  aansluiten bij www.regelhulp.nl, zodat burgers in één oogopslag zien welke zorg en sociale voorzieningen er zijn. Ultimo 2010 deden 354 gemeenten mee met de webvoorziening Regelhulp. Hiermee hebben bijna 4 mln. extra inwoners toegang gekregen tot Regelhulp (van 49% naar meer dan 80%);
  • •  mediationvaardigheden toepassen. Hiermee worden 2,8 mln. extra inwoners bereikt. Deze inwoners kunnen rekenen op de inzet van mediationvaardigheden van de eigen gemeente in de primaire fase en/of in de bezwaarfase van een bezwaartraject (van 13% naar 38%);
  • •  de mogelijkheid om online de waarden voor Onroerende Zaak Belasting (OZB) in te zien. Ruim 2 mln. extra inwoners kunnen sinds eind 2010 gebruik maken van dit instrument (van 68% naar 88%).

Budgettaire gevolgen van beleid

33. Dienstverlenende en innovatie overheid

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

138 544

90 302

48 242

               

Uitgaven

76 585

119 465

139 896

107 125

102 420

90 302

12 118

33.25 Apparaat

       

6 485

4 290

2 195

33.1 Administratieve lasten

       

8 071

8 390

– 319

33.2 Innovatieve dienstverlening en ontwikkeling

       

35 510

25 087

10 423

33.3 Beheer e-overheidsvoorzieningen

       

52 354

52 535

– 181

Bijdrage baten- en lastendienst BPR

       

3 002

3 900

– 898

Bijdrage baten- en lastendienst Logius

       

44 209

46 775

– 2 566

               

Ontvangsten

       

10 557

0

10 557

Financiële toelichting

Op het artikel dienstverlenende en innovatieve overheid is meer uitgegeven dan begroot. De ontvangsten zijn tevens hoger dan begroot. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

33.25 Er is meer uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Bij Najaarsnota heeft een correctie op het apparaatbudget plaatsgevonden.

33.2 Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit wordt verklaard doordat bij Voorjaarsnota een bijdrage van het Gemeentefonds is ontvangen ten behoeve van de uitvoering en het beheer van Antwoord.nl en bij Najaarsnota het budget is opgehoogd met PRIMA gelden (Programma Implementatie Agenda ICT beleid). Voor de ontwikkeling van een aantal e-overheidprojecten ontvangt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een budget van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Ontvangsten

Voor de ontwikkeling van een aantal e-overheidprojecten ontvangt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een budget van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in het kader van het Programma Implementatie Agenda ICT beleid (PRIMA).

Externe factoren

Of de in 2010 ingezette activiteiten leiden tot een verdere verbetering van de waardering van de overheidsdienstverlening moet duidelijk worden in 2011. Een van de ontwikkelingen is, naast een bredere invoering van de ontwikkelde instrumenten, dat burgers in hun verwachtingspatroon lijken mee te groeien.

Realisatie meetbare gegevens

33.2 Indicatoren

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Overheidsdienstverlening

6,7

6,6

7

6,7

Bron: Onderzoek naar de kwaliteit van de overheidsdienstverlening 2010

33 Operationele doelstelling 1

Het verminderen van de regeldruk voor burgers, professionals en medeoverheden

Doelbereiking

De administratieve lasten van burgers zijn conform de kabinetsdoelstelling van Balkenende IV teruggedrongen met 25% en de lasten voor de professionals zijn in kaart gebracht en daarop zijn er maatregelen genomen. Professionals geven aan dat de genomen en voorgenomen maatregelen naar hun verwachting zullen bijdragen aan de administratieve lastenverlichting. In het begin van de kabinetsperiode Balkenende IV hebben burgers en professionals zelf aangegeven welke knelpunten zij ervaren in hun contacten met de overheid. In de aanpak van deze knelpunten zijn merkbare resultaten behaald. Zo zijn de administratieve lasten voor burgers bij de bijstand met 35% verminderd. Formulieren en het taalgebruik van overheidsorganisaties is duidelijker geworden. Dit scheelt burgers 14% aan invultijd. Om het aantal van 2,6 mln. bezwaarschriften te verminderen zijn mediationvaardigheden ingezet. Bij de organisaties die deze aanpak toepassen, is ruim 60% van de bezwaarschriften ingetrokken. De kosten namen af met 20% en de klanttevredenheid nam toe met 40%.

Instrumenten

Aanpak administratieve lasten burgers

De gelden uit de versnellingsagenda en de campagne 5 beloften aan de burger hebben bijgedragen aan het realiseren van de kabinetsdoelstelling. De aanpak top 10 knelpunten en de versnellingsagenda zijn hiermee eind 2010 afgesloten. Inmiddels zijn 265 gemeenten aangesloten op geautomatiseerde kwijtschelding, is meer dan 80% van de gemeenten aangesloten op regelhulp en is 90% van de gemeente aangesloten op de gemeentelijke basisadministratie (GBA) als basisregistratie.

Aanpak administratieve lasten professionals

Met de administratieve lasten van de professionals in de domeinen veiligheid, sociale zekerheid, (jeugd)zorg en onderwijs is een start gemaakt na de inventarisatie van de grootste knelpunten. Uit onderzoek is in 2010 gebleken dat 80% van genomen en voorgenomen maatregelen volgens de professionals zullen bijdragen aan die merkbare lastenvermindering. Onderwerpen zijn begrijpelijke formulieren, in- en externe communicatie van instellingen, het verstevigen van de beroepstrots, ontwikkelen van een meetinstrument voor lastendruk bij instellingen en overheidsorganisaties en verbetering mediationvaardigheden bij de inspecties.

Met een financiële impuls van € 2 mln. hebben bijna alle politiekorpsen best practices geïmplementeerd met als doel de regeldruk en onnodige bureaucratie te verminderen. Deze best practices kwamen voort uit meldingen en inventarisaties bij de korpsen zelf.

Een van de best practices die breed wordt ingevoerd is het systeem van Frontoffice Backoffice (administratieve afhandeling van het primaire proces vindt plaats door een administratieve backoffice in plaats van door de agent op straat). Bij de korpsen die dit hebben ingevoerd lijkt een administratieve lastenverlichting van 20% over het gehele korps (executieve en niet executieve) haalbaar. 19 korpsen volgden een Masterclass van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om dit systeem in te kunnen voeren. Een andere maatregel is de boetevolgservice die wordt ingevoerd door 15 korpsen: een internetapplicatie die burgers in staat stelt hun boete online te volgen. Deze maatregel kan tot ruim 55% administratieve winst opleveren per jaar

In het project «verbetering klachtafhandeling binnen de politie», is gewerkt aan een nieuw model klachtenreglement, een uniform registratiesysteem en een uniforme (hoofd)rubricering. Binnen dit project hebben klachtenbehandelaars en klachtencoördinatoren ter verbetering van de informele klachtenafhandeling trainingen mediationvaardigheden aangeboden gekregen. Deze trainingen zijn door de deelnemers als zeer goed beoordeeld (een score variërend van 8,4 tot 10). De eerste analyses laten onder andere een vermindering van de tijd zien die aan klachtafhandeling wordt besteed (van 11 naar 8,1 uur).

De ontwikkeling van het proces verbaal Minderjarigen (PVM) ten behoeve van de afdoening van jeugdstrafrechtzaken is zo goed als afgerond en zal naar verwachting in 2011 worden geïmplementeerd. Door dit PVM zullen de ketenpartners in het jeugdstrafrecht minder capaciteit nodig hebben en een kortere doorlooptijd ervaren.

Het project «Stroomlijning informatievoorziening jeugdstrafrechtketen», waarin de informatie aan jeugdige verdachten en hun ouders is verbeterd heeft niet alleen geleid tot een lagere tijdsbesteding voor de politieprofessional, maar ook tot een kostenbesparing voor de ketenpartners. In de nieuwe situatie zijn de verschillende mededelingen, brieven en folders die verdachten en hun ouders vanuit de verschillende systemen uit de jeugdstrafrechtketen ontvingen vervangen door een generieke folder en een website.

Realisatie meetbare gegevens

33.3 Indicatoren

Basiswaarde 2002

Realisatie 2002–2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Vermindering administratieve lasten van de burger in tijd (t.o.v. 2002)

0%

17%

22%

28%

23%

29%

Vermindering administratieve lasten van de burger in kosten (t.o.v. 2002)

0%

21%

22%

21%

23%

24%

Vermindering administratieve lasten voor burgers bij gemeenten

0%

0%

   

25%

30%

Bron: Voortgangsrapportage Regeldruk

33 Operationele doelstelling 2

Een betere dienstverlening door goed informatiebeleid, innovatie en de ontwikkeling van e-overheidsvoorzieningen.

  • •  De website www.overheid.nl is vernieuwd naar analogie van Antwoord voor bedrijven. Hierin zijn verschillende meldpunten voor burgers en de persoonlijke internetpagina voor burgers (MijnOverheid) samengevoegd.
  • •  De wettelijke verplichting voor gemeenten, provincies en waterschappen om decentrale regelgeving geconsolideerd te publiceren op internet is op 1 januari 2011 in werking getreden (Staatsblad 2010, nr. 743).
  • •  Op basis van het handboek voor (keten)samenwerking in dienstverlening wordt een overheidsbrede webvoorziening gemaakt waarmee overheden op hun eigen website geprofileerde informatie kunnen bieden op basis van levensgebeurtenissen.
  • •  De brief over hergebruik van overheidsinformatie met daarin een aankondiging van een verkenning naar de mogelijkheden om het hoofdstuk Hergebruik van de wet Openbaarheid Bestuur aan te passen is niet aan de Tweede Kamer gestuurd. De aanpassingen van het hoofdstuk hergebruik van de Wob hadden betrekking op invoering van marginale verstrekkingskosten en het wegnemen van belemmeringen in gebruiksvoorwaarden. De noodzaak van deze aanpassingen in de Wob wordt nu heroverwogen.
  • •  Een aantal overheden stelt gepersonaliseerde informatie via MijnOverheid beschikbaar: de persoonsgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie, de voertuiggegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer, de eigendomsgegevens van het Kadaster, het Digitaal Klantdossier werk en inkomen.

Instrumenten

Persoonsinformatiebeleid

Het Centraal Meld- en informatiepunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI) is per 1 maart 2010 gestart. Sindsdien zijn in 2010 168 meldingen in behandeling genomen.

Met de komst van het kabinet Rutte-Verhagen is de verantwoordelijkheid voor de bescherming van persoonsgegeven geheel belegd bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Informatie-infrastructuur

  • •  In 2010 is DigiD-Machtigen, de nieuwe machtigingsvoorziening waarbij burgers anderen kunnen machtigen om namens hen zaken te doen met de overheid, verder vormgegeven en beproefd. De voorziening zal nu ingezet worden bij de vooringevulde aangifte inkomstenbelasting over 2010. Tevens is de aanbesteding voor de nieuwe versie van DigiD afgerond en is begonnen met het ontwikkelen van deze nieuwe versie.
  • •  In de aanbesteding van de nieuwe generatie reisdocumenten is de optie opgenomen, om de elektronische functionaliteit op de Nederlandse Identiteitskaart (e-NIK) te plaatsen. In 2010 zijn de voorbereidingen gestart voor de besluitvorming om al dan niet de e-NIK in te voeren. De e-NIK geeft de hoogst mogelijke betrouwbaarheid bij online identificatie en authenticatie en met de e-NIK kunnen voorts transacties met een elektronische handtekening worden afgerond
  • •  Eind 2010 is de sturing en regie op het stelsel van basisregistraties versterkt.
  • •  Registratie Niet Ingezetenen (RNI). De vastlegging van gegevens over niet-ingezetenen als onderdeel van de nieuwe basisregistratie Personen (BRP) is in 2010 voortgezet. Het concept wetsvoorstel BRP is in maart afgerond en ter consultatie aan betrokken organisaties aangeboden. Na afronding van deze werkzaamheden wordt het wetsvoorstel rond de zomer van 2011 naar de Kamer gestuurd.

Beleidscoördinatie en monitoring

Eind 2010 eindigde de looptijd van het Nationaal Uitvoeringsprogramma dienstverlening en e-overheid (NUP). De voortgang in 2010:

  • •  De toenmalige Staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onder andere via het voorzitterschap van de bestuurlijke regiegroep dienstverlening en e-overheid de coördinerende rol voor betere dienstverlening aan de burger en e-overheid ingevuld. De governance is naar aanleiding van de aanbevelingen van de Gateway op het NUP aangepast.
  • •  Veel overheden hebben een beleid uitgewerkt voor open standaarden en opensource.
  • •  Het aantal gemeenten dat voldoet aan de webrichtlijnen is gering. Wel is in het afgelopen jaar bij gemeenten een beweging op gang gekomen om de eigen website beter toegankelijk te maken. Zo hebben 200 gemeenten meegedaan aan het ondersteuningstraject webrichtlijnen in het kader van de versnellingsagenda van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast werken steeds meer content management systeem leveranciers met de webrichtlijnen en passen hun systemen erop aan. De werkzaamheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op dit terrein zijn afgerond en de standaard Webrichtlijnen wordt ondergebracht bij Logius.
  • •  Het stelsel van Basisregistraties: niet alle gemeenschappelijke voorzieningen die noodzakelijk zijn om het stelsel van Basisregistraties goed te laten functioneren zijn gereed; de implementatie van Digikoppeling en standaarden (voorheen: Overheidsservicebus) door overheden is gaande, Digimelding en Digilevering zijn nog niet afgerond. Van de 13 beoogde basisregistraties is ongeveer de helft gerealiseerd.
  • •  De gepersonaliseerde gegevens van de GBA, de Rijksdienst voor het Wegverkeer, Digitaal Klantdossier werk en inkomen en Kadaster zijn beschikbaar via www.overheid.nl.
  • •  Over de voortgang van het NUP is in de jaarlijkse rapportage aan de Tweede Kamer gerapporteerd (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 362, nr. 166).
  • •  Het project I-teams is eind maart 2010 afgerond en heeft geleid tot 387 realisatieplannen van gemeenten. Belangrijkste conclusies uit het evaluatie-onderzoek uit 2010 zijn dat i-teams het overzicht en inzicht hebben gebracht in alle e-overheidsvoorzieningen die er zijn. Het bestuurlijk laten accorderen van het realisatieplan dat als belangrijkste product van i-teams wordt gezien heeft geleid tot topambtelijk draagvlak en capaciteit en middelen zijn beschikbaar gesteld door de betreffende gemeenteraden. De overall waardering voor i-teams door de overheden komt uit op een 7,4.
  • •  Het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) zet zich in om standaardisatie en intergemeentelijke samenwerking mogelijk te maken en heeft in 2010 een plan voor implementatieondersteuning bij gemeenten opgeleverd.

Realisatie meetbare gegevens

33.4 Kengetallen

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Aantal burgers met DigiD-inlogcode

6,1 mln.

6,8 mln.

7,54 mln.

8,1 mln.

Aantal burgers aangesloten op mijn overheid.nl

n.v.t.

10 000

27 760

80 000 1

Aantal berichten uitgewisseld via de overheidstransactiepoort per jaar

13,5 mln.

15 mln.

21 mln.

38,6 mln.

Noot 1: Mijnoverheid maakt onderdeel uit van overheid.nl.

Bron: Logius

33 Operationele doelstelling 3

Betere dienstverlening door het beschikbaar stellen, optimaliseren en stimuleren van het gebruik van overheidsbrede infrastructurele ICT-voorzieningen.

Een aantal generieke voorzieningen, die door alle bestuursorganen kunnen worden gebruikt voor (de verbetering van hun) dienstverlening, zijn beschikbaar, beschikbaar gekomen of verder ontwikkeld op weg naar gebruik:

  • •  Gegevensuitwisseling: in 2010 is gestart met de implementatie van Digikoppeling (set standaarden voor elektronisch berichtenverkeer tussen overheidsorganisaties) bij verschillende overheidspartijen.
  • •  Toegang: op het terrein van authenticatie en identificatie en beveiligde interacties is DigiD voor de burgers beschikbaar. Het gebruik in 2010 is verder toegenomen (ongeveer 35 mln. keer) en ook het aantal burgers dat over DigiD beschikt is toegenomen (eind 2010 8,1 mln.). De nieuwbouw van DigiD is gestart; daarin zullen enkele nieuwe functionaliteiten worden opgenomen. DigiD-Machtigen is gerealiseerd en wordt in 2011 in bedrijf genomen, te beginnen bij het proces van de Vooringevulde Aangifte 2010 bij de Belastingdienst.
  • •  Informatiebeveiliging: het stelsel van PKI-overheid, dat garant staat voor beveiligde verbindingen op het hoogste niveau, werkt goed en wordt veel toegepast.
  • •  Standaardisatie: In 2010 heeft het Bureau Forum Standaardisatie het secretariaat gevoerd voor het College Standaardisatie en is het gebruik van open standaarden voor de gegevensuitwisseling bevorderd. Er zijn enkele nieuwe standaarden vastgesteld voor pas-toe-of-leg-uit lijst. Een aantal standaarden wordt breed toegepast, bij andere standaarden is de implementatie bij de overheid beperkt.
  • •  Het beheer van de elektronische wettenbank, de officiële elektronische publicaties en de samenwerkende productencatalogi is in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgevoerd door het programma e-Overheid voor burgers van de stichting ICTU.
  • •  Het gebruik van het BSN (Burger Service Nummer) is in 2010 zonder problemen verlopen.

Instrumenten

De voorgenomen instrumenten voor het optimaliseren en stimuleren van het gebruik van overheidsbrede infrastructurele ICT-voorzieningen zijn ingezet.

Realisatie meetbare gegevens

33.5 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Klanttevredenheid GOVCERT.NL

7

7,7

7,6 1

7

7,9

2. Klanttevredenheid Overheid.nl

7,8

7,4

7,8

7

7,4

3. Klanttevredenheid DigiD

n.v.t

n.v.t.

7,8

7

7,2 2

4. TPM DigiD voor Burgers

n.v.t.

Ja

Ja

Ja

3

5. TPM PKIoverheid

n.v.t.

Ja

Ja

Ja

6. TPM Overheidstransactiepoort

n.v.t.

Ja

Ja

Ja

Noot 1: cijfers naar aanleiding van brondocumenten gecorrigeerd ten opzichte van begroting 2010

Noot 2: betreft voorlopige cijfers

Noot 3: Cijfer niet beschikbaar bij publicatie jaarverslag.

Bron 1: Govcert.nl

Bron 2: Overheid.nl: Prestatiemeting 2010

Bron 3, 4, 5 en 6: Logius

33.6 Kengetal

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Totaal aantal overheidsorganisaties aangesloten op DigiD

333

414

487

535

Bron: Logius

33.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 33.7

Onderzoek onderwerp

AD of OD

A. Start

B Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Het verminderen van de regeldruk voor burgers, professionals en medeoverheden.

OD 33.1 1

A: 2010

 

B: 2011

Beleidsdoorlichting

Een betere dienstverlening door goed informatiebeleid, innovatie en de ontwikkeling van e-overheidsvoorzieningen.

OD 33.2

A: 2010

 

B: 2011

Beleidsdoorlichting

Betere dienstverlening door het beschikbaar stellen, optimaliseren en stimuleren van het gebruik van overheidsbrede infrastructurele ICT-voorzieningen.

OD 33.3

A: 2014

 

B: 2014

Noot 1: Vanwege de raakvlakken van beide beleidsdoorlichtingen zijn deze samen opgepakt.

Artikel 35: Arbeidszaken overheid

35 Algemene doelstelling

Een beter presterende overheid door voldoende inzet van en de zorg voor een competent, divers samengesteld en integer personeelsbestand en een bestand van politieke ambtsdragers.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Voldoende goed geschoold overheidspersoneel is van doorslaggevende betekenis voor een doeltreffend en doelmatig presterende overheid. Dat vergt aandacht voor en beleid ten aanzien van arbeidsvoorwaardenvorming en een krapper wordende arbeidsmarkt.

De aantrekkelijkheid van de overheid wordt bevorderd door een gericht arbeids-voorwaarden- en arbeidsmarktbeleid. Daaronder vallen ook de activiteiten die gericht zijn op het veilig kunnen uitoefenen van een publieke taak (Programma Veilige Publieke Taak) en het verminderen van de interne bureaucratie.

Verder zijn activiteiten ontwikkeld om «slimmer werken» te bevorderen. Daarmee kan het beroep van de overheid op de arbeidsmarkt worden verkleind. In het licht van het arbeidsmarktbeleid moeten ook de arbeidsparticipatie bevorderende maatregelen worden gezien, die tot doel hebben het potentieel aan mogelijke overheidswerknemers te vergroten.

Naast een doelmatig en doeltreffend functionerende overheid, wordt het vertrouwen van de burgers in de overheid ook bevorderd door overheidsorganisaties, die zich integer gedragen, over een divers samengesteld personeelsbestand beschikken en die zich transparant opstellen. Op deze aspecten is beleid ontwikkeld en geïmplementeerd. Daarbij kan gedacht worden aan het programma diversiteit, de rapportage over topinkomens in de publieke en semi-publieke sector, het initiëren van benchmarks, een aangepaste regeling ter bescherming van klokkenluiders en het voortzetten van het anoniem kunnen melden van integriteitsschendingen bij Stichting M (Meld Misdaad anoniem).

Budgettaire gevolgen van beleid

35. Arbeidszaken overheid

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

56 931

60 838

– 3 907

               

Uitgaven

63 853

124 395

99 650

88 393

57 256

60 838

– 3 582

35.25 Apparaat

       

7 597

5 668

1 929

35.1 Overheid als werkgever

       

15 731

13 604

2 127

35.2 Politieke ambtsdragers

       

7 998

10 094

– 2 096

35.3 Uitkeringsregelingen voormalige gebiedsdelen

       

25 930

31 472

– 5 542

               

Ontvangsten

       

1 224

820

404

Financiële toelichting

Op het artikel arbeidszaken overheid is minder uitgegeven dan begroot. Onderstaand volgt een toelichting per artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

35.25 Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit is het gevolg van uitvoeringsproblematiek bij de organisatie Arbeidszaken overheid. Het budget is bij tweede suppletoire begroting opgehoogd om de uitgaven van externen te dekken. Deze waren oorspronkelijk begroot op de programmabudgetten.

35.1 Er is meer uitgegeven dan begroot. Dit wordt onder andere verklaard door de inspanningen (campagnes, pilots) voor het programma Veilige Publieke Taak. Hiervoor zijn middelen toegevoegd bij Voorjaarsnota.

35.2 Er is minder uitgegeven dan begroot. Dit wordt verklaard doordat minder politieke ambtsdragers recht hadden op een uitkering.

35.3 Er is minder uitgegeven. Dit wordt verklaard door lagere uitgaven en verplichtingen als gevolg van het dalend aantal personen met recht op een uitkering.

Externe factoren

De relevante externe factoren zijn niet van invloed geweest op het beleid.

Realisatie meetbare gegevens

Op het niveau van de operationele doelstellingen worden meerdere meetbare gegevens geformuleerd, die goed weergeven wat de uitkomsten van de inspanningen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn.

35 Operationele doelstelling 1

Mede zorgen voor een voldoende aanbod van goed geschoold overheidspersoneel en voor een betrouwbare, herkenbare overheid door het bevorderen van integriteit, diversiteit, transparantie en kostenbewustzijn van overheidsorganisaties.

Instrumenten

Voldoende aanbod van goed geschoold overheidspersoneel.

De aandacht heeft zich het afgelopen jaar gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van de overheid. Enerzijds door beleid dat gericht is op het verbeteren van de aantrekkelijkheid van de overheid als werkgever. In dat kader spelen niet alleen de primaire- en secundaire arbeidsvoorwaarden een grote rol, maar ook het bevorderen van het veilig kunnen uitoefenen van een publieke taak en het verminderen van de interne bureaucratie in combinatie met het geven van voldoende ruimte aan de bij de overheid werkende professionals.

Anderzijds door maatregelen om het arbeidsaanbod te vergroten door het stimuleren van de arbeidsparticipatie en door activiteiten gericht op het verminderen van de vraag naar arbeid door het stimuleren van het verhogen van de arbeidsproductiviteit.

Door het kabinet is besloten om de financiële arbeidsvoorwaardenruimte voor 2010 op nihil vast te stellen. Daarmee hebben de overheidswerkgevers geen ruimte gekregen om in de in 2010 af te sluiten cao’s een loonstijging af te spreken.

In 2010 zijn er geen nieuwe bestuurlijke afspraken gemaakt met de Zelfstandige Publieke Werkgevers (ZPW). De voortgang van de in 2008 gemaakte bestuurlijke afspraken over onder andere diversiteit, integriteit en veilige publieke taak zijn gemonitord en zijn besproken met de overheidswerkgevers. De resultaten zijn toegelicht in de Trendnota Arbeidszaken Overheid 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 501, nr. 2). Door de voorstellen om het begrotingstekort sterk terug te dringen, dreigen op korte termijn personeelsoverschotten in bepaalde delen van de publieke sector. Tegelijkertijd zullen er in de periode 2010–2020 veel medewerkers uitstromen om met pensioen te gaan. In een verkrappende arbeidsmarkt wordt het voor de overheids- en onderwijssectoren heel moeilijk goed gekwalificeerde mensen te vinden en te behouden. Om tot mogelijke oplossingen te komen voor deze uitdagingen zijn in 2010 twee arbeidsmarktanalyses uitgevoerd. Ten eerste is een traject uitgevoerd met vertegenwoordigers van overheidswerkgevers en overheidswerknemers in de vorm van rondetafelgesprekken. In april 2010 is dit traject succesvol afgerond. Dit heeft geresulteerd in een gezamenlijk gedragen toekomstverkenning «De grote uittocht». Hierin zijn negen oplossingsrichtingen benoemd om met het dreigend tekort aan gekwalificeerd personeel in de publieke sector om te gaan in de periode tot 2020. Dit rapport heeft geleid tot een spoeddebat op 22 april (Kamerstukken II, 2009–2010, 321 24, nr. 10).

Ten tweede is de Arbeidsmarktanalyse Openbaar Bestuur 2010 uitgebracht. Deze analyse gaat in op de korte termijn problematiek voor de sector openbaar bestuur. De analyse signaleert een toenemende mismatch van vraag en aanbod van personeel en draagt oplossingen aan om mobiliteit in het openbaar bestuur te vergoten. In dit kader is een netwerkbijeenkomst georganiseerd met beleidsmakers en HR-professionals in het veld. De arbeidsmarktanalyse heeft voor de sector openbaar bestuur veel relevante kennis en informatie opgeleverd (Kamerstukken II, 2009–2010, 321 24, nr. 21).

Om invulling te geven aan het kabinetsbesluit om de vacaturemarkt in de publieke sector transparanter te maken is in 2010 samen met Expertisecentrum Arbeidsmarktcommunicatie Rijk en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een pilot begonnen.

Verder is samen met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport advies gevraagd aan de SER over «Werk maken van baan-baanmobiliteit». Dit advies in nog in voorbereiding.

Periodiek is overleg gevoerd met de overheidswerkgevers over specifieke arbeidsmarktknelpunten, over de inhoud van het arbeidsvoorwaardenpakket en over de mogelijkheden om dat aantrekkelijk en passend te houden in relatie tot de eisen die de arbeidsmarkt aan de overheid stelt en rekeninghoudend met de financiële randvoorwaarden die het kabinet daaraan stelt.

Ook in 2010 is bijgedragen is aan de instandhouding van een adequaat overlegstelsel door subsidies te verlenen aan de Stichting Verdeling Overheidsbijdragen, de Stichting Verbond Werkgevers Overheid en de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel.

Een divers samengesteld personeelsbestand.

Een herkenbare overheid is één van de aspecten die bijdraagt aan de legitimiteit van de overheid. Om de herkenbaarheid van de overheid te vergroten wordt gewerkt aan het realiseren van een divers samengesteld personeelsbestand. De afgelopen jaren zijn er afspraken gemaakt met de sectoren gemeenten, provincies, waterschappen, de sector HBO en de Vereniging van Gemeentesecretarissen (VGS) om diversiteit in het personeelsbestand te vergroten.

De plannen van de Vereniging van Gemeentesecretarissen en de A&O-fondsen van gemeenten, provincies en waterschappen zijn volop in uitvoering. De businesscases voor gemeenten, provincies en waterschappen zijn gereed en worden verder doorvertaald binnen deze sectoren. De HBO-sector is in 2010 gestart met een op de sector afgestemd actieprogramma diversiteit. De Vereniging van Gemeentesecretarissen (VGS) wil het aandeel vrouwen, personen met een multiculturele achtergrond in de gemeentelijke top vergroten. Om deze groep te interesseren voor het vak van gemeentesecretaris en invloed uit te oefenen op het werving- en selectieproces van gemeentesecretarissen is de VGS in 2010 gestart met het project Diversiteit van de Vereniging van Gemeentesecretarissen. In 2010 zijn er 32 kandidaten geselecteerd om ze voor te bereiden op de functie van gemeentesecretaris/ algemeen directeur.

De resultaten worden toegelicht in de Trendnota Arbeidszaken Overheid. (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 501, nr. 2). Verder wordt informatie over diversiteit jaarlijks verkregen via het Flitspanelonderzoek. Daaruit blijkt onder meer dat werknemers in de publieke sector hun team vooral op basis van leeftijd beoordelen als enigszins divers samengesteld. Iets meer dan de helft van de overheidsmedewerkers is (zeer) tevreden over de samenstelling van het personeel. De diversiteit onder leidinggevenden kan echter wel verbeterd worden (www.flitspanel.nl/onderzoeken).

De overheidswerkgevers zijn in 2010 ondersteund door het aanbieden en ontwikkelen van instrumenten (onder andere de diversiteitsindex), het doen van onderzoek (onder andere «Diversiteitsbeleid in internationaal perspectief» en «Succesvolle diversiteitsinterventies»), het verspreiden van kennis en het actief stimuleren van kennisdeling, zodat zij zelf aan de slag kunnen. Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat diversiteitsbeleid maatwerk is.

Bovendien heeft het landelijke netwerk Diversiteitsmanagement (DIV) de afgelopen jaren verschillende overheidssectoren op hun verzoek praktisch ondersteund bij het vormgeven van diversiteitsbeleid. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft daarvoor samen met het ministerie van Sociale Zaken Werkgelegenheid en het voormalig ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu de financiering verstrekt. DIV is vanaf 1 januari 2011 opgeheven.

De diversiteitsindex ondersteunt de overheidswerkgevers door inzicht te bieden in de personeelssamenstelling van andere overheidsorganisaties. Sinds juni 2010 zijn gegevens over diversiteit van alle overheidsorganisaties voor iedereen toegankelijk en is het aantal vergelijkings- en rapportagemogelijkheden uitgebreid. Ook zijn de website www.denkdivers.nl, een nieuwskrant en een elektronische nieuwsbrief ontwikkeld om de beschikbare informatie over diversiteit te verzamelen en voor alle sectoren beschikbaar te stellen. Om kennisdeling te stimuleren heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daarnaast, in samenwerking met de verschillende overheidssectoren, op 18 november 2010 een Denk Divers Dag georganiseerd met als thema «succesvolle interventies in diversiteitsbeleid».

Op het terrein van diversiteit bestaan veel instrumenten. Gebleken is dat er niet zozeer een behoefte bestond aan allerlei nieuwe instrumenten, maar wel aan het bij elkaar brengen van de meest succesvolle interventies. Het onderzoek daar naar heeft geresulteerd in een handboek voor alle sectoren, dat op de Denk Divers Dag van 18 november is gepresenteerd en verspreid. Het is ook digitaal te raadplegen.

In 2010 is er een internationaal vergelijkende studie uitgevoerd naar het diversiteitsbeleid in de publieke sector in elf landen ter vergelijking met de publieke sector in Nederland. De resultaten hiervan laten zien dat diversiteit bijna overal wordt gestimuleerd en gefaciliteerd, dat het diversiteitsbeleid in Nederland wat los staat van bijvoorbeeld het beleid met betrekking tot integratie, antidiscriminatie, arbeidsmark en emancipatie. Het Nederlandse beleid richtte zich vooral op vrouwen, allochtonen en ouderen, in tegenstelling tot de andere landen waarin diversiteit breder wordt gezien. Tot slot had Nederland in relatie tot andere landen relatief harde doelstellingen geformuleerd, in de vorm van streefcijfers.

In de artikelen 23 en 37 wordt ingegaan op het diversiteitsbeleid bij de Politie respectievelijk bij het Rijk.

Integriteit

De betrouwbaarheid van het overheidspersoneel is een ander aspect dat bijdraagt aan de legitimiteit van de overheid. Verbetering wordt onder meer nagestreefd door aandacht voor het bevorderen van integriteit.

Op 1 januari 2010 is een nieuwe klokkenluidersregeling voor Rijk en Politie ingevoerd met belangrijke nieuwe maatregelen ter bescherming van melders van misstanden. Andere sectoren zijn gevolgd met vergelijkbare verbeteringen. Met SZW is overeenstemming over het instellen van een landelijke Commissie advies- en verwijspunt klokkenluiden publieke en private sector. Gestart is met het opstellen van de AMvB tot instelling van de commissie.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties was in 2010 betrokken bij diverse (sectorale) onderzoeken naar de integriteit in het openbaar bestuur.

Voor het versterken van het integriteitsbesef en het bevorderen van een evenwichtig en samenhangend integriteitsbeleid bij publieke organisaties wordt subsidie verstrekt aan Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS). Deze subsidie stelt BIOS in staat te zorgen voor kennisdeling en uitwisseling, zowel nationaal als internationaal. Daartoe worden integriteitsbijeenkomsten georganiseerd, van presentaties verzorgd, instrumenten en leidraden ontwikkeld en worden diverse opleidingen en workshops op het gebied van integriteit gefaciliteerd. In 2010 is, naast verschillende netwerk- en themabijeenkomsten, wederom de Dag van de Integriteit georganiseerd en verscheen ook het Jaarboek Integriteit 2011 (www.integriteitoverheid.nl/kenniscentrum).

Transparantie/afleggen rekenschap

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ook in 2010 bovensectoraal benchmarks gefaciliteerd, als ondersteuning voor de vele overheidsorganisaties die hun bedrijfsvoering efficiënter proberen in te richten. Op die manier kunnen goede praktijken uit de ene sector snel navolging krijgen in een andere sector. De benchark shared services is hiervan een voorbeeld. In 2010 is gestart met de ontwikkeling van een gestandaardiseerd ICT hulpmiddel waarmee overheidsorganisaties zich op alle bedrijfsvoeringsterreinen (onder andere personeel. ICT, huisvesting) direct kunnen spiegelen aan de prestaties van andere publieke organisaties. Het bestaande ICT instrument omvat de mogelijkheid van een intern klantonderzoek, medewerkerstevredenheidsonderzoek en diverse vragen over te onderscheiden bedrijfsvoeringsaspecten. Het is deze combinatie die naar verwachting veel richting geeft aan de transparantie.

Door de kabinetswisseling is de concept Wet Normering Topinkomens (WNT) met enige vertraging aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 600, nr. 1).

Bevordering van arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit, mede in relatie tot kostenbeheersing/-beperking

Overheid en onderwijs zijn succesvol met het vergroten van de arbeidsparticipatie door het verder terugdringen van inactiviteit. Het kengetal dat de ontwikkeling van het aantal inactieven ten opzichte van het aantal actieven weergeeft, laat dit zien. De werkloosheid bij overheid en onderwijs loopt niet op als gevolg van de financiële en economische crisis. Het beleid is gericht op het begeleiden van werk naar werk.

In een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 124, nr. 20) wordt nader ingegaan op onder meer de arbeidsparticipatie ouderen.

Uit door het CBS gepubliceerde cijfers blijkt een dalend ziekteverzuim bij het onderwijs en het openbaar bestuur (www.statline.nl).

In het voorjaar van 2010 is door de pensioencommissies geadviseerd over de hervorming van de pensioenregeling voor overheid en onderwijs. Op basis van de kabinetsreactie hierop en op de evaluatie van het Financieel Toetsingskader heeft het kabinet het mandaat vastgesteld voor onderhandelingen in de Pensioenkamer van de Raad voor Overheidspersoneel. Binnen dit mandaat is door de gezamenlijke overheidswerkgevers een inzet voor hervorming gedaan. Het in het najaar van 2010 hierover gestarte overleg met de bonden heeft nog niet tot een onderhandelingsakkoord geleid.

Instrumenten om arbeidsproductiviteit in de sectoren te bevorderen zijn nog in ontwikkeling. In het kader van het project Slimmer Werken in de Publieke Sector is ingezet op kennisdeling, meetbaarheid en het in kaart brengen van sturingsmogelijkheden rondom arbeidsproductiviteit. Het congres «Slimmer Werken loont» (mei 2010) heeft de thema’s goed op de kaart gezet. Het netwerk van professionals op het gebied van slimmer werken is flink in omvang gestegen, wat leidt tot bredere kennisdeling.

In samenwerking met de universiteit Delft (IPSE, Instituut voor Publieke Sector Efficiency) is begin 2010 een onderzoeksprogramma gestart waarin sturing, innovaties en productiviteit centraal staan. Onder andere gaat het om het verder onderzoeken van prikkels ter bevordering van arbeidsproductiviteit. Daarnaast is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de aanjagende rol van cao-afspraken op arbeidsproductiviteit («Arbeidsproductiviteit en cao’s», Astri juni 2010, www.astri.nl). Deze inzichten bieden een eerste stap voor het ontwikkelen van eventuele instrumenten of benchmarks.

Verder is het netwerk in het sociaal medium Linked In «Slimmer werken in de publieke sector» tijdelijk financieel ondersteund. Het gaat hier om een netwerk van innovatoren binnen de publieke sector die via zelforganisatie werken aan intersectorale projecten die slimmer werken in overheidssectoren kunnen bevorderen.

Tegengaan en bestrijden agressie en geweld tegen de publieke taak

De activiteiten die een veilige publieke taakuitvoering moeten bevorderen, dragen bij aan de aantrekkelijkheid van de overheid als werkgever. De aanpak vanuit het programma Veilige Publieke Taak kent drie sporen: grenzen stellen, het aanpakken van daders en het ondersteunen van werkgevers, zoals uitgewerkt in de acht maatregelen die als aanbeveling zijn opgenomen in de Arbocatalogus en de eenduidige landelijke afspraken met politie en het Openbaar Ministerie.

Uit de in 2010 opnieuw gehouden effect-meting blijkt dat over alle sectoren bezien sprake is van een stabilisatie van het aantal slachtoffers van agressie en geweld onder werknemers met een publieke taak in vergelijking met een meting uit 2008 (49–50%). Wel tekent zich in bepaalde sectoren (rijk, gemeenten en politie) een daling af. Het betreft hier werkgevers die al langere tijd investeren in de aanpak van agressie en geweld. (Bijlage bij brief aan de Tweede Kamer over Voortgangsrapportage programma Veilige Publieke Taak, 26-11-2010).

Stellen van grenzen

De in 2009 gestarte campagne over wat burgers zelf kunnen doen liep door in 2010. Daarnaast heeft er een grote campagne plaatsgevonden met betrekking tot de jaarwisseling. Uit evaluatie blijkt dat hiermee positieve effecten zijn gerealiseerd, zoals een vergroot probleembesef bij het algemene publiek.

Aanpakken van daders van geweld tegen de publieke taak

Vijf politieregio’s zijn aangemerkt als ketenintensiveringsregio; Groningen, Noord en Oost Gelderland, Amsterdam Amstelland, Midden en West Brabant en Zeeland. Doel is het bevorderen van de samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie en werkgevers. Het gaat om het gezamenlijk stellen van normen en de aanpak van daders van agressie en geweld tegen de publieke taak.

Ook zijn de Eenduidige Landelijke Afspraken voor politie en Openbaar Ministerie in werking getreden. Het doel van deze afspraken is een eenduidige, effectieve en snelle afhandeling van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak door politie en Openbaar Ministerie.

In 2010 hebben 8 regionale bijeenkomsten plaatsgevonden. Doel was het delen van kennis en ervaring en het stimuleren van de samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie en werkgevers. De kracht van deze bijeenkomsten lag in de nadrukkelijke rol die de regionale partners hadden bij de invulling van de bijeenkomsten. Uit de evaluaties blijkt dat deze aanpak voorziet in een grote behoefte. Inmiddels hebben meer dan 800 personen deelgenomen.

In 86% van de gevallen van geweld tegen functionarissen met een publieke taak is op basis van de zogenaamde Polaris-richtlijn een verhoogde straf geëist door het Openbaar Ministerie. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft – zoals ook in het regeerakkoord is aangekondigd – het Openbaar Ministerie verzocht de strafeisen in dit soort zaken verder te verhogen tot 200% (nu 150%).

Uit de eindevaluatie «Pilot cameraregistratie op ambulances» (DSP-groep Amsterdam 2010), is gebleken dat de helft van de medewerkers zich veiliger voelt door de camera’s. Helaas is ook duidelijk geworden dat veel incidenten niet worden gemeld bij de werkgever en daardoor niet leiden tot opsporing en vervolging. Deze pilot wordt daarom vooralsnog niet voortgezet. Eerst dient de meldingsbereidheid van werknemers verhoogd te worden, wil de inzet van camera’s een bijdrage leveren aan de opsporing en vervolging van daders.

De pilots, waarbij de politie zichtbaar gebruik maakt van technische hulpmiddelen als mobiel cameratoezicht, geven in algemene zin de indruk dat men zich rustiger gedraagt richting de politie. Om het feitelijke effect vast te stellen is deze pilot voortgezet in een afgebakend gebied, waarin sprake is van mobiel cameratoezicht op alle voertuigen en alle politiemensen.

Om de aangiftebereidheid te vergroten is een proef gestart met internetaangifte en heeft er voorlichting plaatsgevonden bij Openbaar Ministerie en politie om de huidige wettelijke mogelijkheden tot afscherming van de identiteit van het slachtoffer beter te benutten.

Ondersteunen van werkgevers

In 2010 zijn vijf grote werkgevers met een publieke taak (het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen, de Belastingdienst, Jeugdzorg, Ambulancezorg en de Dienst Justitiële Inrichtingen) ondersteund bij de intensivering van hun aanpak van agressie en geweld. Het ging daarbij vooral om verbetering ten aanzien van de dadergerichte maatregelen, zoals het registreren van incidenten, het reageren naar de dader, het verhalen van de schade en het doen van aangifte.

Op 4 februari 2010 is de landelijke uitvoeringsregeling «protocol Geweld Tegen Politie Ambtenaren» van kracht geworden. Deze uitvoeringsregeling is gericht op de werkgeversrol van de politie bij de aanpak geweld tegen politiemedewerkers en sluit aan op eerdere afspraken in het CAO-overleg politie.

In 2010 is voor het eerst een breed onderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van agressie en geweld tegen politieke ambtsdragers («Bedreigd Bestuur 2010. Agressie en geweld tegen politieke ambtsdragers bij gemeenten, provincies en waterschappen» – Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties). Eén van de conclusies is dat te vaak geen melding wordt gemaakt en dat slechts in een derde van de gevallen een reactie naar de dader wordt gegeven.

In 2010 is begonnen met het uitvoeren van de aanbevelingen in het rapport «Veiliger Openbaar Vervoer». Het gaat om een stevig pakket aan structurele maatregelen waar iedere deelnemer zich aan heeft gecommitteerd, zowel procedureel (aanpassen werkwijzen, structuren) als in financieel opzicht. Een aantal daarvan is afgerond, zoals het verbeteren van het verhalen van schade, het vereenvoudigen van het aangifteproces en het versterken van de positie van bijzondere opsporings-ambtenaren. Met de andere ingezette maatregelen wordt voortgang geboekt. Daarbij gaat het onder meer om het verankeren van de sociale veiligheid in de te verlenen concessies, het strafbaar stellen van overtredingen van reis- en verblijfsverboden en een efficiëntere/ slimmere inzet van toezichthoudend personeel.

Vanaf januari 2010 kunnen werkgevers al terecht bij de Helpdesk Veilige Publieke Taak voor advies en ondersteuning bij het verhalen van schade als gevolg van agressie en geweld. Deze helpdesk wordt onderdeel van het in het najaar van 2010 verder ontwikkelde Expertisecentrum, Veilige Publieke Taak. Dit expertisecentrum gaat werkgevers adviseren en ondersteunen bij een effectieve aanpak van agressie en geweld.

In het kader van de stimuleringsregeling is voor € 1,3 mln. bijgedragen aan 45 aanvragen. Verder vond op 7 oktober 2010 de derde VPT-beurs plaats en is de VPT-AWARD voor de tweede keer uitgereikt.

Realisatie meetbare gegevens

35.2 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde

2010

Realisatie 2010

1. Agressie en geweld tegen werknemers met publieke taak

66%

65%

eind 2011 bekend

2. 50% van de nieuwe instroom bij de overheid is vrouw

58%

58%

55%

50%

1
3. 30% van de nieuwe instroom in topfuncties bij de overheid is vrouw 2

31%

41%

42%

31%

4. 50% meer niet-westerse allochtonen bij de overheid t.o.v. 2007

5,60%

5,90%

6,10%

7,70%

5. 2%-punt minder uitstroom van 50-plussers bij de overheid t.o.v. 2006 3

3,80%

3,60%

3%

6%

6. Het percentage organisaties in de openbare sector dat cf. de WOPT melding maakt over topinkomens

90

97

97

94

97

Noot 1: Cijfer niet beschikbaar bij publicatie jaarverslag.

Noot 2: De cijfers instroom van vrouwen en instroom van vrouwen in topfuncties kunnen niet met elkaar worden vergeleken. Bij de instroom van vrouwen gaat het om instroom van buiten de sector, terwijl het bij de instroom in topfuncties ook gaat om de instroom vanuit andere functielagen.

Noot 3: Voor 2006 en 2007 is sprake van een neerwaartse vertekening, doordat in 2004 en 2005 extra vroegtijdige uitstroom heeft plaatsgevonden door de taakstellingen va het vorige kabinet en vooruitlopend op de versobering van de pensioenregeling per 1 januari 2006. Dit effect loopt in een reeks van jaren langzaam weg.

Bron 1: effectmetingen 2007, 2009 en 2011

Bron 2, 3, 4 en 5: trendnota arbeidszaken 2010 (ABP en UWV)

Bron 6: jaarlijkse rapportage topinkomens aan de Tweede Kamer

35.3 Kengetallen

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Aantal onvervulde vacatures in de sectoren Rijk, Provincies, Gemeenten, Rechterlijke Macht, Waterschappen, Onderwijs, Politie en Defensie. 1
15 600 2

20 300

20 700

10 500

Bevorderen van aantrekkelijk werkgeverschap: – Aandeel werknemers dat tevreden is met de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden3;
– tevreden over organisatie 4

58%

 

59%

 
Driejarig gemiddelde afwijking in loonontwikkeling overheid t.o.v. de markt 5

0,40%

0,90%

0,30%

0,40%

Noot 1: Bron: CBS

Noot 2: De waarden 2007–2009 wijken af van de begroting 2010. Dit komt omdat CBS in 2010 in de vacaturestatistiek is overgestapt op de standaard bedrijvenindeling 2008 (SBI2008). Vanwege deze overgang zijn alle resultaten van de periode 1997–2010 opnieuw bepaald.

Noot 3: In het Personeels- en mobiliteitsonderzoek 2010 is niet specifiek meer gevraagd naar tevredenheid over de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, maar naar de tevredenheid over de organisatie waarbij men werkzaam is.

Noot 4: Bron: tweejaarlijkse Personeels- en mobiliteitsonderzoek 2008 – 2010.

Noot 5: Bron: CPB

35 Operationele doelstelling 2

Het scheppen van voorwaarden voor een brede toegang tot politieke en bestuurlijke functies en voor het verbeteren van de kwaliteit van de functievervulling van politieke ambtsdragers.

Doelbereiking

Een brede toegang tot bestuursorganen en een slagvaardig openbaar bestuur draagt bij aan de herkenbaarheid en legitimiteit van de overheid. De kwaliteit van de functievervulling door politieke ambtsdragers is essentieel voor de slagvaardigheid van het openbaar bestuur.

Bestuurlijke integriteit vormt een onderdeel van de kwaliteit van de functievervulling door politieke ambtsdragers. In 2010 is in overleg met de koepelorganisaties een beknopt programma «bestuurlijke integriteit» opgezet, dat zich vooral richt op het versterken van de aandacht voor integriteit. In dat kader is de bestaande «handreiking» volledig herschreven en zijn de beroepsgroepen gestimuleerd tot het houden van onderlinge gesprekken om de alertheid voor het onderwerp te vergroten.

Instrumenten

Rechtspositie en voorstellen Dijkstal

Na het besluit van het kabinet om het voorstel van de commissie Dijkstal tot verhoging van de ministerssalarissen niet over te nemen, resteerden er nog een aantal wetsvoorstellen. Deze wetsvoorstellen zijn door de Eerste Kamer in februari 2010 aanvaard. De twee hierop gebaseerde Algemene Maatregelen van Bestuur (sollicitatie-/re-integratieplicht en verrekening neveninkomsten) zijn op 27 februari 2010 en 24 maart 2010 in werking getreden.

Met het van kracht worden van de «Dijkstal»wetsvoorstellen begin 2010 is sprake van harmonisatie en modernisering van regelgeving. Harmonisatie betreft onder andere het brengen van burgemeesters, commissarissen van de Koningin en voorzitters van waterschappen onder de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en een uniforme verrekeningssystematiek van neveninkomsten. Modernisering is er door de introductie van een sollicitatie- en re-integratieplicht, verkorting van de maximale uitkeringsduur en het verhogen van de entree-leeftijd voor een verlengde uitkering onder de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers. Verder is er sprake van openbaarmaking van nevenfuncties en inkomsten daaruit en is er een loopbaanprincipe geïntroduceerd voor uitkeringsrechten.

Het opstellen van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de adviezen van de commissie Dijkstal over fondsvorming en modernisering politieke pensioenen is vanwege de te lage dekkingsgraad bij het ABP vooralsnog aangehouden.

Diversiteit

Tot 1 juli 2010 heeft de scoutinggroep burgemeesters activiteiten verricht die erop gericht waren de interesse en beschikbaarheid van vrouwelijke en biculturele talenten voor een burgemeestersfunctie te vergroten. De scoutinggroep heeft vele belangstellenden en potentials bereikt. Ook bij de regulier bij het benoemingsproces van burgemeesters betrokken partijen is de aandacht vergroot voor (het belang van) een divers burgemeesterscorps. Wel is door alle betrokken partijen geconstateerd dat een programma ontbreekt, waarmee potentiële burgemeesterskandidaten zich nader kunnen oriënteren en voorbereiden op het burgemeestersambt. In 2010 is begonnen met de voorbereiding van een dergelijk programma, dat in 2011 van start gaat en waaraan ook door de getalenteerde zij-instromers kan worden deelgenomen.

Personele zorg

De jaarlijkse bijdrage aan het Professionaliseringsfonds voor burgemeesters is gecontinueerd. In het kader van het ondersteunen van raadsgriffiers bij het benoemingsproces zijn er in het najaar 2 workshops gehouden.

Het houden van functioneringsgesprekken is onder meer gestimuleerd door het organiseren van workshops, die zowel de (her)benoemings- als functioneringsgesprekken bestreken: er is door middel van intensief contact met de beroepsverenigingen voor wethouders en raadsleden en het verlenen van incidentele subsidies aan deze verenigingen om de professionalisering op poten te zetten stevig ingezet op verdere professionalisering van de beroepsgroepen. Het ging daarbij vooral om het meer toegankelijk maken van opleidingen door het ordenen en inventariseren van competentieprofielen, zowel voor raadsleden als wethouders. Verder is de brochure «Moderne nieuwe wethouder op weg» uitgegeven.

Realisatie meetbare gegevens

35.4 Kengetallen

waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

percentage vrouwelijke burgemeesters

19%

20%

19%

19%

Bron: database Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en VNG.

35 Operationele doelstelling 3

Uitvoeren van pensioenregelingen van Nederlandse ambtenaren uit de (voormalige) overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen.

Doelbereiking

De pensioenregelingen zijn uitgevoerd. De daartoe voorgenomen instrumenten zijn daarbij ingezet.

Realisatie meetbare gegevens

Voor deze operationele doelstelling zijn geen meetbare gegevens beschikbaar. Het betreft hier alleen de uitvoering van regelingen op basis waarvan specifieke groepen aanspraak kunnen maken op een uitkering of pensioen.

35.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 35.5

Onderzoek onderwerp

AD of OD

A. Start

B Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Mede zorgen voor een voldoende aanbod van goed geschoold overheidspersoneel en voor een betrouwbare, herkenbare overheid door het bevorderen van integriteit, diversiteit, transparantie en kostenbewustzijn van overheidsorganisaties.

OD 35.1

A: 2011

 

B: 2011

Beleidsdoorlichting

Het scheppen van voorwaarden voor een brede toegang tot politieke en bestuurlijke functies en voor het verbeteren van de kwaliteit van de functievervulling van politieke ambtsdragers.

OD 35.2

A: 2013

 

B: 2013

Toelichting

In 2011 wordt voor een deel van de activiteiten onder de operationele doelstelling 35.1 bezien in hoeverre er voor de komende jaren nieuwe activiteiten nodig zijn. Dit is een goed moment terug te blikken op de activiteiten van de afgelopen jaren en om op basis van dat overzicht van resultaten en nog te behalen punten keuze te maken voor de toekomst. Onder de operationele doelstelling 35.3 valt het uitvoeren van een pensioenregeling van Nederlandse ambtenaren uit de (voormalige) overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen. Een beleidsdoorlichting op deze doelstelling heeft dan ook weinig zin.

Artikel 37. Kwaliteit Rijksdienst

37 Algemene doelstelling

Een goed presterende rijksoverheid op het gebied van management development en bedrijfsvoering.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De algemene doelstelling is gericht op het functioneren van de totale rijksoverheid. Een goed functionerende overheid, die integer, effectief en kostenbewust is, vergroot de legitimiteit van het overheidshandelen.

In 2010 zijn de volgende mijlpalen bereikt:

  • •  Naar aanleiding van de brede heroverweging werkgroep Bedrijfsvoering is een rapport opgesteld («van Schaven naar Sturen») inzake toekomstvast Bedrijfsvoeringbeleid bij het Rijk. Dit heeft uiteindelijk zijn uitwerking gekregen in het uitvoeringsprogramma «Compacte Rijksdienst» dat in februari 2011 is verzonden aan de Tweede Kamer. De tendens van toenemende flexibilisering in leidinggevende opdrachten zet ook door in het management bij het Rijk. Via ABD-interim zijn in 2010 109 interimopdrachten succesvol vervuld.
  • •  Het functiegebouw Rijk is vastgesteld en wordt vanaf 2011 gefaseerd geïmplementeerd.
  • •  Er zijn acht ministeries aangesloten op de gebruiksgerichte dienstverlening van P-Direkt. Verder zijn de voorbereidingen gestart voor de aansluiting van de overige ministeries in 2011.
  • •  Een evaluatie van het Chief Information Officer-stelsel heeft plaatsgevonden. De Tweede Kamer is hierover in februari 2011 geïnformeerd.
  • •  Doc-Direkt is de archiefbewerkingsorganisatie voor de rijksoverheid voor het wegwerken van de archiefachterstanden. Alle stappen zijn doorlopen om in 2011 als baten-lastendienst te gaan werken. De departementale semi-statische archiefwerkzaamheden en de Centrale Archief Selectiedienst zijn per 1 januari 2011 gecentraliseerd in deze nieuwe organisatie.
  • •  Voor de sourcing van diensten in Den Haag een grote stap gezet door de bundeling van twee dienstverleners in één batenlastendienst (FM-Holding) en de voorgenomen toetreding van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport en ministerie van Onderwijs Cultuur Wetenschappen tot dezelfde FM-Holding.
  • •  De evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel is gereed. Het wordt in het eerste kwartaal 2011 naar de Tweede Kamer verzonden.

Budgettaire gevolgen van beleid

37. Kwaliteit Rijksdienst

Budgettaire gevolgen van beleid (in € 1 000)

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2006

2007

2008

2009

2010

2010

2010

Verplichtingen

       

139 012

109 920

29 092

               

Uitgaven

122 209

121 030

78 635

121 592

126 165

109 920

16 245

37.25 Apparaat

       

19 468

15 998

3 470

37.1 Management Rijksbreed (ABD)

       

17 811

18 544

– 733

37.2 Functionerende bedrijfsvoering

       

33 956

29 086

4 870

37.3 Informatisering Rijksdienst

       

39 585

42 914

– 3 329

* Bijdrage baten-lastendienst CAS

       

4 731

4 731

0

37.4 Facilitaire zaken Rijksdienst

       

15 345

3 378

11 967

37.5 Uitvoering garantiestelling

       

0

0

0

               

Ontvangsten

       

10 472

267

10 205

Financiële toelichting

Op het artikel Kwaliteit Rijksdienst is meer uitgegeven dan begroot. Op het artikel zijn bovendien meer ontvangsten binnen gekomen. Onderstaand volgt een toelichting op artikelonderdeel om dit inzichtelijk te maken.

Uitgaven

37.25 Er is meer uitgegeven dan begroot bij de oorspronkelijke begroting. Dit wordt onder andere verklaard doordat het bureau Landelijke Management Development (LMD) is overgeplaatst van onderdeel Politie naar onderdeel bureau Algemene Bestuursdienst. Door deze overplaatsing zijn de bijbehorende middelen ook overgeboekt en dit betekent dat er meer budget beschikbaar is op dit artikelonderdeel. Bij Najaarsnota is het budget opgehoogd en zijn er extra uitgaven gedaan ten behoeve van onder andere het project Verzilvering.

37.2 Er is meer uitgegeven dan begroot bij de oorspronkelijke begroting. Dit wordt onder andere verklaard doordat bij Voorjaarsnota budget is toegevoegd door diverse overboekingen van departementen. Het gaat om budget voor de gezamenlijke inkoop van File-net licenties, budget van verschillende inspecties ten behoeve van de rijksbrede activiteiten van de Inspectieraad, budget in het kader van de Vernieuwing Rijksdienst, zoals automatisering functiegebouw en budget voor activiteiten van de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk op het gebied van organisatie en personeel. Door de diverse overboekingen is het budget op dit artikelonderdeel verhoogd en zijn er extra uitgaven gedaan voor onder andere File-net licenties en rijksbrede activiteiten.

37.3 Er is minder uitgegeven dan begroot bij de oorspronkelijke begroting. Dit wordt onder andere verklaard doordat er budget bij Voorjaarsnota is overgeboekt naar andere departementen voor het beheer van Digitale Werkomgeving Rijk (DWR). Dit betekent dat het beschikbare budget vanaf Voorjaarsnota minder is geworden en is er voor DWR minder uitgegeven.

37.4 Er is meer uitgegeven dan begroot bij de oorspronkelijke begroting. Dit wordt onder andere verklaard door diverse overboekingen bij Voorjaarsnota in het kader van de Vernieuwing Rijksdienst: budget ten behoeve van 4FM, categoriemanagement en Elektronisch Bestellen en Factureren. Daarnaast is voor activiteiten van de Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk op facilitair gebied budget overgeboekt. Hierdoor is er vanaf Voorjaarsnota meer budget beschikbaar op dit artikelonderdeel en zijn er extra uitgaven gedaan in het kader van de Vernieuwing Rijksdienst.

Ontvangsten

De meerontvangsten worden grotendeels verklaard door de ontvangsten bij de Voorjaarsnota 2010 voor File-net licenties en Inspectieraad en bij Najaarsnota de ontvangsten van de Rijksgebouwendienst.

Externe factoren

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt voor de uitvoering van het beleid op het terrein van de bedrijfsvoering nauw samen met alle ministeries. Draagvlak was daarbij de belangrijkste externe factor voor het behalen van de doelstellingen.

Realisatie meetbare gegevens

De kwaliteit van het personeel, het management, de organisatie en informatievoorziening van het Rijk betreft in sterke mate het functioneren van het Rijk. Kwaliteit is een breed begrip dat nader uitgewerkt wordt in de operationele doelstellingen. Daar zijn diverse gegevens opgenomen die iets zeggen over concrete prestaties op dit terrein.

De uitvoering van de Garantieregelingen

Hypotheekgaranties. Bij beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van Binnenlandse Zaken, is de mogelijkheid geschapen om onder bepaalde voorwaarden een hypotheek-garantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Er zijn ultimo 2010 nog 10 garanties geldig. Het theoretische risico bedraagt € 0,4 mln. Het maximale garantieplafond per 31 december 2010 bedraagt € 1,128 mln.

37 Operationele doelstelling 1

Het bevorderen van de kwaliteit van het management van het Rijk.

Doelbereiking

De ambtelijke leiding heeft een toonaangevende rol bij het bevorderen van de kwaliteit van het Rijk. Met Management Development (MD) wordt er structureel geïnvesteerd in de werving, selectie en ontwikkeling van leidinggevenden op strategische posities van het Rijk (de Algemene Bestuursdienst: ABD). Uitgangspunt voor de bezetting van strategische posities binnen het Rijk is de ABD-schouw: een jaarlijkse inventarisatie van de behoefte en het potentieel aan leidinggevenden. De resultaten van de schouw zijn tijdens het jaar leidend geweest bij de adviserende rol van ABD bij werving, selectie en ontwikkeling. In 2010 waren er in totaal 110 benoemingen in de Algemene Bestuursdienst. Het betrof 67 managers die al een ABD-functie bekleedden, 26 managers die zijn doorgegroeid naar een ABD-functie en 17 managers van buiten de overheid (bron: ABIS). De ratio tussen de mobiliteit binnen de ABD, groei van talent vanuit het Rijk naar de ABD en instroom van buiten het Rijk is 61:24:15. Hiermee is de streefnorm van 60:30:10 grotendeels gehaald (bron: ABIS). Verder heeft er een intensivering plaatsgevonden van de loopbaangesprekken met managers waaronder gesprekken met managers van fuserende departementen.

Het aandeel vrouwen in de ABD (inclusief Top Management Group) steeg in 2010 met 1 procentpunt naar 25,9% (bron: ABIS). Hiermee is de kabinetsdoelstelling van 24% in de ABD in 2010 bereikt. In het regeerakkoord van het nieuwe kabinet is diversiteit niet benoemd als prioriteit.

Het Programma Leiderschap Externe Instroom (ABD-PLEX) helpt leidinggevenden van buiten het Rijk snel de politiek-bestuurlijke omgeving eigen te maken en daarin succesvol te functioneren. Tegelijkertijd besteedt PLEX aandacht aan het vernieuwende potentieel dat de leidinggevende met zijn of haar kwaliteiten en netwerk de organisatie binnenbrengt.

De tendens van toenemende flexibilisering in leidinggevende opdrachten zet ook door in het management bij het Rijk. In 2010 zijn er 109 interimopdrachten via ABD-Interim vervuld.

In 2010 is een start gemaakt met de ABD TOP Consultants. ABD TOP Consultants is de consultancy- en interim-managementgroep voor de overheid. TOP staat voor Tijdelijke Opdrachten, Projecten en Programma’s.

Uit onderzoek is gebleken dat de kwaliteit van het topmanagement van de Rijksdienst is gebaat bij ambtenaren die reeds vroeg in hun carrière bewust (leer-) ervaringen opbouwen. Het programma Managementleerlijnen heeft hiertoe een aantal concrete producten opgeleverd, waaronder: een rijksintroductieprogramma voor nieuwe rijksambtenaren, inclusief een Europese module; de brochure «De volgende stap» en criteria voor toelating tot de ABD-doelgroep. Verder is aandacht en actie gevraagd voor meer concerndenken en meer gerichte mobiliteit in alle lagen van de Rijksoverheid.

In 2010 is met name ingezet op de verbetering van de slagingspercentages voor het EU-concours, het EU-toelatingsexamen voor instroom van jong talent. Er werd door de EU een, door Nederland sterk bepleit, nieuw model voor het concours ingevoerd, meer gebaseerd op «kunde» dan op «kennis».

Nederland heeft het aantal topambtenaren (DG en plv DG) verdubbeld: van twee naar vier. Op directeursniveau werd de directeurspost voor het Asiel Agentschap te Malta door een Nederlander binnengehaald.

In 2010 hebben vanuit het ABD-Kandidatenprogramma 10 kandidaten een stage in Brussel gedaan van minimaal drie maanden. Ook is gewerkt op het gebied van het detacheringbeleid van de departementen en is geïnvesteerd in het beter betrekken van Den Haag bij de EU.

In samenwerking met Canada (School of Public Service) heeft Bureau ABD weer het internationale leiderschapsprogramma GEN (Global Engagement Network) aan directeuren aangeboden. GEN is een innovatief, internationaal programma dat leiders in de publieke sector verrijkt met inzichten, instrumenten en strategieën die nodig zijn in een complexe mondiale context.

In 2010 is het management development voor de Politietop toegevoegd aan Bureau ABD. Bureau ABD Politietop heeft samen met het Landelijk Programma HRM van de politie de kadernota «Welkom bij het vernieuwde MD-huis van de politie» opgesteld. Het bevat de eerste contouren voor een integraal MD-beleid voor de Nederlandse politieorganisatie. Bureau ABD Politietop is daarnaast gestart met het toetsen van de arbeidsvoorwaarden bij benoemingen in de Politietop en werkt samen met de directie Politie van het ministerie van Veiligheid en Justitie aan het herijken van die arbeidsvoorwaarden.

De voorgenomen instrumenten om de doelen te bereiken zijn ingezet.

Realisatie meetbare gegevens

37.2 Indicatoren

Basiswaarde 2002

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

Percentage vrouwen in de ABD

12,00%

18,20%

20,20%

24,90%

24%

25,9%

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties/Algemene bestuursdienst

37.3 Kengetallen

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Ratio voor doorstroom, instroom van onderen en instroom van buiten

6-3-1

6-3-1

6-3-1

6-2-2

Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties / Algemene bestuursdienst

37 Operationele doelstelling 2

Het bevorderen van de kwaliteit van de organisatie en het personeel van het Rijk.

Het bevorderen van de kwaliteit van de organisatie en het personeel van het Rijk is een permanente opdracht van het kabinet, ook voor langere termijn. Deze doelen kunnen alleen worden bereikt met flexibel en duurzaam inzetbare ambtenaren. Door de kracht van variëteit is het mogelijk dat iedereen hier een toegevoegde waarde in kan leveren. De rijksoverheid kan zo een aantrekkelijke werkgever zijn waar het plezierig en interessant is om te werken.

Doelbereiking

In 2010 zijn de volgende doelstellingen behaald:

Betere bestuurbaarheid van de bedrijfsvoering

In 2010 gold voor alle ministeries de uitgavennorm van 13% voor externe inhuur. De ministeries zullen in hun departementale jaarverslagen 2010 rapporteren over de realisatie van deze norm en een eventuele overschrijding van de norm toelichten. Voorts heeft een aantal ministeries in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven wat de consequenties voor de taakuitoefening zijn van de verlaging van de uitgavennorm in 2011 tot 10%.

Uitbouw van de shared service centra

Er zijn acht ministeries aangesloten op de gebruiksgerichte dienstverlening van P-Direkt. Verder zijn de voorbereidingen gestart voor de aansluiting van de overige ministeries in 2011.

Realisatie van de rijkswerkplek

Het functiegebouw Rijk is vastgesteld en wordt vanaf 2011 gefaseerd geïmplementeerd.

Toekomstvast organisatie- en personeelsbeleid

Het netwerk diversiteit is zes keer bijeengekomen. Rijksbreed is het 2e Ambassadeursnetwerk Diversiteit Rijk actief geweest. Dit is een gezelschap topmanagers uit de rijksdienst, die samen met een multiculturele duopartner concrete acties uitvoerden in hun organisatie, zoals onderzoek naar interne doorstroming en loopbaanbegeleiding. De Rijks Universiteit Groningen deed onderzoek naar interventies gericht op het behoud van diversiteit.

Instrumenten

Het programma verminderen van de administratieve lasten bij de overgang van personeel van het ene naar het andere ministerie loopt nog door in 2011 en wordt verder opgepakt in het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst.

Realisatie meetbare gegevens

37.4 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Realisatie 2010

1. Aandeel allochtonen. Doel: toename met 50% in 2011 (11,8%) t.o.v. 2007 (7,9%)

7,90%

8,20%

8,40%

10,80%

8,4% 1

2. % medewerkers, dat een functioneringsgesprek heeft gehad

71,30%

79,80% 2

70,7%

77%

63,2% 3

3. Werkgeverstevredenheids-onderzoek – % medewerkers, dat tevreden is met hun baan

74%*

Geen meting 4

77%

73,90%

Geen meting

4. Werkgeverstevredenheids-onderzoek – % medewerkers, dat tevreden is met hun werkgever

57%*

Geen meting

60%

57,20%

Geen meting

5. Van de nieuwe instroom is 50% vrouw

53,60%

55,40%

52,7%

50%

56%

6. Van de nieuwe instroom in de topmanagementgroep is 30% vrouw

n.v.t.

n.v.t.

30%

30%

30%

Noot 1: De in- en uitstroom van allochtone medewerkers is beperkt, waardoor de stand aan hete eind van het jaar min of meer gelijk is met 2009.

Noot 2: De gesprekken vinden sinds december 2008 in december, januari en februari plaats. De cijfers over 2008 zijn hier gecorrigeerd.

Noot 3: Diverse ministeries ondervonden problemen met de registratie van de gesprekken en kunnen daardoor de aantallen gesprekken niet of niet goed reproduceren.

Noot 4: Meetmomenten zijn aangepast. Het gaat om een tweejaarlijkse monitor.

Bron indicator 1, 2 en 5: Sociaal Jaarverslag

Bron indicator 3 en 4: Personeels- en mobiliteitonderzoek

Bron indicator 6: Emancipatiebeleid (Kamerstukken II, 2008–2009, 30 420, nr. 137)

37.5 Kengetallen

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

1. Ziekteverzuim (incl. > 1 jaar) – % medewerkers, dat ziek is geweest

5,60%

5,70%

5,50%

5,4%

Bron: Sociaal Jaarverslag

37 Operationele doelstelling 3

Het bevorderen van de kwaliteit van de ICT en informatievoorziening binnen de rijksoverheid.

Dit doel kan uitsluitend bereikt worden met een flexibele en duurzame inzet van Informatievoorziening- en Communicatietechnologie (ICT). Door de kracht van ICT en Informatievoorziening kan het Rijk zijn taken richting burger en bedrijfsleven sneller, beter en transparanter vormgeven.

Doelbereiking

In 2010 zijn de volgende doelstellingen behaald:

Betere bestuurbaarheid van de bedrijfsvoering

  • •  De rijksbrede afspraken rondom de rapportage grote ICT-projecten zijn interdepartementaal aangescherpt en gebundeld met rijksbrede afspraken over departementaal projectportfoliomanagement. De rapportage is begin juni 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009–2010, 26 643, nr. 160).
  • •  Bestaande en nieuwe rijksbrede afspraken rondom projectportfoliomanagement zijn opgesteld en gebundeld en interdepartementaal vastgesteld. Daarnaast zijn best-practices gedeeld.
  • •  Een evaluatie van het Chief Information Officer-stelsel heeft plaatsgevonden. De Tweede Kamer is hierover in februari 2011 geïnformeerd.
  • •  Bureau Gateway (methodiek voor review van projecten in de publieke sector) is volledig operationeel en is per 1 januari 2011 onderdeel van de Werkmaatschappij.
  • •  Eind 2010 zijn de eindconcepten van het herziene Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIR-BI1) en de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) opgeleverd voor interdepartementale besluitvorming eerste kwartaal 2011.
  • •  In 2010 is de rijksbrede architectuur (MARIJ 1.0) geactualiseerd en in lijn gebracht met de overheidsbrede NORA 3.0. Specifiek door de Digitale Werkomgeving Rijk, Elektronisch Bestellen en Factureren, Basisregistraties zijn domeinarchitecturen opgesteld. De rijksbrede lijst van open standaarden is in 2010 verder uitgebreid. De nieuwe Algemene Rijksvoorwaarden voor ICT-overeenkomsten (ARBIT) zijn vastgesteld met als doel meer flexibiliteit in de contracten van de Rijksoverheid met ICT-leveranciers te brengen.
  • •  De opleidingen voor CIO’s en hun adviseurs zijn ingericht en meerdere keren in 2010 georganiseerd. Daarnaast zijn kennisbijeenkomsten rond diverse actuele thema’s voor deze doelgroepen georganiseerd.
  • •  De uitgangspunten om samen iets te doen, te laten doen of uit te besteden op het gebied van ICT dienstverlening zijn opgesteld en vastgesteld. Een producten- en dienstencatalogus met de eerste diensten die binnen de rijksdienst gezamenlijk worden ontwikkeld en beheerd is opgesteld en in beheer genomen. Er is een tactisch beraad voor generieke ICT rijksbreed ingericht.

Uitbouw van de shared servicecentra

Doc-Direkt is de archiefbewerkingsorganisatie voor de rijksoverheid voor het wegwerken van de archiefachterstanden. Alle stappen zijn doorlopen om in 2011 als baten-lastendienst te gaan werken. De departementale semi-statische archiefwerkzaamheden en de Centrale Archief Selectiedienst zijn per 1 januari 2011 gecentraliseerd in deze nieuwe organisatie.

Realisatie van rijkswerkplek

  • •  Als onderdeel van de Digitale Werkomgeving Rijk (DWR) is de samenwerkfunctionaliteit ontwikkeld en beschikbaar gesteld aan alle rijksambtenaren. Het onderdeel Rijksportaal is in 2010 gerealiseerd. Dit rijksbrede intranet vervangt alle departementale intranetten en wordt in 2011 deels geïmplementeerd. Verder zijn 4 024 werkplekken voorzien van de in 2010 ontwikkelde uniforme DWR desktop. In juni 2010 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het programma Digitale Werkomgeving Rijksdienst (Kamerstukken II, 2009–2010, 26 643, nr. 161).
  • •  In maart 2010 is het Streefbeeld «Informatie van Waarde» aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 362, nr. 162). Dit bevat de uitwerking van de visie voor het gebruik van rijksoverheidsinformatie en de maatregelen die de komende jaren uitgevoerd worden om per 2015 bij alle beleidkernen digitaal documentbeheer te hebben ingevoerd. In 2010 zijn gezamenlijke kaders en standaarden voor een optimale informatiehuishouding uitgewerkt. Bij de implementatie hiervan worden de departementen vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondersteund.

Instrumenten

Het afwegingskader sourcingsstrategieën wordt in het eerste kwartaal 2011 afgerond. De vertraging is ontstaan omdat eerst de uitgangspunten vanuit het Regeerakkoord moesten worden vastgesteld.

Realisatie meetbare gegevens

37.6 Indicatoren

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Waarde 2010

1. Aantal Gateway-reviews

12

25

31

2. Aantal DWR desktops (cumulatief)

0

7 500

4 024

3. Aantal strekkende kilometers wegwerken archief ná 1975 (cumulatief)

0

32

22,4

Bron 1: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties/bureau Gateway

Bron 2: Ministeries leveren informatie aan bij Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Bron 3: Modernisering informatiehuishouding Rijk (Kamerstukken II, 2008–2009, 29 362, nr. 156)

Ad 2 De streefwaarde «Aantal DWR desktops» zal begin 2011 worden gerealiseerd en de vertraging heeft geen impact op de streefwaarde van 2011, te weten 11 000 DWR desktops.

Ad 3 De streefwaarde bij «Aantal strekkende kilometers wegwerken archief na 1975» was opgesteld vanuit de verwachting, dat over de periode van 10 jaren de productie gemiddeld 30 km zou zijn. 2010 was een aanloopjaar, waarin tijdens het oprichten van de nieuwe archieforganisatie Doc-Direkt nog niet een volledige productie kon worden gerealiseerd.

37 Operationele doelstelling 4

Het bevorderen van de kwaliteit van facilitaire dienstverlening, huisvesting en inkoop binnen de rijksoverheid.

Doelbereiking

In 2010 is verder vormgegeven aan de ambitie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om te komen tot een bundeling van beleid op het gebied van de bedrijfsvoering. Dit omvat onder andere de domeinen inkoop, huisvesting en facilitaire dienstverlening. Hierbij zijn in de regievoering van de beleidscyclus onderstaande instrumenten gebruikt. Ook zijn er belangrijke stappen gezet op het gebied van informatiemanagement, inkoop en aanbesteding, rijkshuisvesting en integrale bedrijfsvoering.

In 2010 zijn de volgende doelstellingen behaald:

Betere bestuurbaarheid van de bedrijfsvoering

Onderdeel van de organisatieverandering binnen het Rijk is de bundeling van beleid op facilitair terrein en de invoering van het categoriemanagement. In 2010 is categoriemanagement verder ingevoerd voor een groot aantal categorieën, zoals de categorie voor personeel, telecommunicatie en ICT. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondersteunt de departementen bij de verankering van kennis en het ontwikkelen van expertise.

Uitbouw van de shared servicecentra

Voor de sourcing van diensten in Den Haag een grote stap gezet door de bundeling van twee dienstverleners in één batenlastendienst (FM-Holding) en de voorgenomen toetreding van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport en ministerie van Onderwijs Cultuur Wetenschappen in 2012 tot dezelfde FM-Holding.

Realisatie van rijkswerkplek

Er is verder vormgegeven aan de ambitie om het Rijk te positioneren als koploper in duurzame bedrijfsvoering. Het programma Duurzame Bedrijfsvoering focust in samenhang op: duurzaam inkopen, duurzame faciliteiten, duurzame huisvesting en duurzame mobiliteit. Binnen deze focus worden concrete projecten verricht, die de duurzaamheiddoelstellingen rijksbreed helpen realiseren is samenspraak met rijksambtenaren. Daarbij is door middel van diverse projectplannen sturing gegeven aan de ambitie om het thema duurzame bedrijfsvoering de komende jaren beter op de kaart te zetten.

Instrumenten

De evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel is gereed. Het wordt in het eerste kwartaal 2011 naar de Tweede Kamer verzonden.

Door de brede heroverwegingen, is er geen afwegingskader voor sourcing ontwikkeld.

De huisvestingsstrategie voor de rijkspanden in het land is onderdeel geworden van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst en wordt in 2011 in dat kader opgepakt.

In 2010 hebben 7 departementen de rijkspas uitgerold, de overige 4 departementen volgen in 2011. De oorzaak voor de vertraging komt voornamelijk voort uit het feit dat de departementen nog veel werk hebben aan het op orde brengen van hun brongegevens.

Realisatie meetbare gegevens

37.7 Indicatoren

Waarde 2007

Waarde 2008

Waarde 2009

Streefwaarde 2010

Waarde 2010

1. Percentage duurzaam inkopen rijksbreed

n.v.t.

51%

51%

100%

1

2. Percentage energiebesparing

100%

98%

96%

94%

93%

Noot 1: Percentage duurzaam inkopen rijksbreed is nog niet bekend. De monitor is begin mei 2011 afgerond. Voor de zomer 2011 zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.

Bron 1: Monitor duurzaam inkopen

Bron 2: Milieubarometer

37.1 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

37.8

Onderzoek onderwerp

AD of OD

Start/Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

Inkoopmanagement Rijk

OD 37.4

Start: 2014

 

Afgerond: 2014

 

Kwaliteit organisatie en personeel Rijk

OD 37.2

Start: 2012

 

Afgerond: 2012

 

Het bevorderen van de kwaliteit van de ICT en informatievoorziening binnen de Rijksoverheid

OD 37.3

Start: 2012

 

Afgerond: 2012

 

Het bevorderen van de kwaliteit van het management van het Rijk

OD 371

Start: 2014

Afgerond: 2014

 

Effectenonderzoek ex post

     

Overig evaluatieonderzoek

Rijkshuisvestingsstelsel

OD 37.4

Start: 2010

In het eerste kwartaal 2011 wordt dit naar de Tweede Kamer verzonden.

Afgerond: 2010

Toelichting

Daar in 2010 de brede heroverwegingen hebben plaatsgevonden, is de planning beleidsdoorlichtingen op onderdelen aangepast.

Noot 1: De nieuwe regeling is VIR-GI (Gerubriceerde Informatie) genaamd