Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Bijlage 6: Staatsbalans 2010 en toelichting op de afzonderlijke balansposten

1.1. Inleiding Staatsbalans

De bijlage Staatsbalans omvat de balans van de Staat der Nederlanden ultimo 2010 die is afgezet tegen de balans ultimo 2009, zoals gepubliceerd in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) 2009.

Met de Staatsbalans kan inzicht worden verkregen in:

  • – omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat;
  • – de wijzigingen in de vermogensbestanddelen in het afgelopen jaar;
  • – de oorzaken van deze wijzigingen.

Als waarderingsstelsel wordt het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen gebruikt (ESR 1995), dat op grond van Europese vereisten ook wordt gebruikt voor de vaststelling van EMU-saldo en EMU-schuld. De staatsbalans beperkt zich tot de bezittingen, vorderingen en schulden van het Rijk. De staatsbalans is geen instrument waarmee informatie over toekomstige ontwikkelingen van de overheidsfinanciën kan worden gegeven. Voor analyses over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ligt de focus op de toekomstige ontwikkeling van overheidsfinanciën. Dat betekent dat een inschatting nodig is van toekomstige uitgaven- en inkomstenstromen, gegeven de huidige budgettaire positie. Dit zijn geen balansgrootheden. Houdbaarheid wordt vervolgens geanalyseerd aan de hand van een houdbaar schuldniveau op lange termijn. Het CPB gebruikt daarbij de methode van generational accounting.

De afgelopen jaren zijn de toelichtingen in de staatsbalans sterk uitgebreid. Ook in voorliggende staatsbalans is extra aandacht aan de toelichtingen besteed. Tijdens het Verantwoordingsdebat 2010 is via de motie-Van Geel aandacht gevraagd voor de Staatsbalans. Tijdens dat debat is onder andere stilgestaan bij de interventies van de Staat in de financiële sector. Ook dit jaar zal daarom bij deze interventies, waar zij terugkomen in de staatsbalans, een uitgebreidere toelichting dan bij andere posten worden opgenomen.

1.2. Staatsbalans per 31 december 2010

De ontwikkeling van het staatsvermogen

Het staatsvermogen is toegenomen van 18,5 miljard euro negatief in 2009 tot 14,5 miljard euro negatief in 2010. Hoewel in 2010 de staatschuld verder is toegenomen tot 62,7 procent bbp, laat de ontwikkeling van het staatsvermogen een lichte stijging zien. Ten opzichte van 2009 is het totaal van niet-financiële activa fors gestegen, de totale vorderingen zijn licht gestegen en de totale schulden zijn sterk toegenomen (ca. 24 miljard euro)

De grootste mutaties betreffen de volgende posten. De winstrechten minerale reserves zijn gestegen als gevolg van herwaarderingen. De waarde van de aandelen, securities en overige deelnemingen zijn gestegen als gevolg van volumeveranderingen, mutaties in de reserves en mutaties in het eigen vermogen. Ook de waarde van de staatsobligaties is sterk gestegen (34 miljard euro) als gevolg van volumemutaties (28,6 miljard euro) en prijsmutaties (5,8 miljard euro). Voor een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijke balansposten wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van deze staatsbalans.

Figuur 1. Ontwikkeling staatsvermogen

In Tabel 1 is de ontwikkeling van het vermogen van de Staat weergegeven, uitgesplitst naar de drie verklarende factoren: de mutatie van het EMU-saldo, de mutatie als gevolg van herwaardering van balansposten en de mutatie in netto financiële transacties.

Tabel 1 ontwikkeling staatsvermogen
 

(in miljarden euro)

   

1. Staatsvermogen ultimo 2009

– 18,5

   

2. Mutatie door EMU-saldo Rijk

– 23,1

   

3. Mutatie door herwaarderingen

26,6

– waarvan minerale reserves

26,8

– waarvan reserves deelnemingen

3,3

– waarvan staatsobligaties

– 5,8

– waarvan niet-financiële vaste activa

2,3

4. Mutatie door netto financiële transacties en overig

0,5

5. Staatsvermogen ultimo 2010 (5= 1+2+3+4)

– 14,5

Deze posten kunnen als volgt worden toegelicht.

Het EMU-saldo van de overheid in 2010 bedroeg – 5,4 procent bbp, circa 32 miljard euro negatief. Het rijksdeel van het EMU-saldo liet over 2010 een negatief saldo van bijna 23,1 miljard euro zien.

De mutatie van de herwaarderingen met circa 26,6 miljard euro betreft het saldo van vier posten, te weten: de minerale reserves, reserves van deelnemingen, staatsobligaties en niet-financiële vaste activa. De herwaardering van de minerale reserves is de resultante van hogere olieprijzen en hogere dollarkoers en is inclusief nieuwe zout, gas- en olievelden. De toename van de reserves circa 3,3 miljard euro is geconcentreerd bij De Nederlandsche Bank (met 2,6 miljard euro). De herwaardering van de staatsobligaties bedraagt bijna 5,8 miljard euro negatief.

De mutatie van de netto financiële transacties en overig bedraagt 0,5 miljard euro. Dit is de resultante van diverse posten.

Samenstelling van het staatsvermogen

Tabel 2 Overzicht van activa en passiva (in miljoenen euro)
 

2009

2010

     

A Niet-financiële activa:

164 904

190 676

A1 Winstrechten minerale reserves

86 600

108 900

A2 Overige niet-financiële activa

78 304

81 776

     

B Vorderingen

167 494

169 583

B1 Chartaal geld en deposito's

389

340

B2 Langlopende effecten

16 076

13 540

B3 Financiële derivaten

– 216

2 038

B4 Verstrekte kortlopende leningen

19 055

16 076

B5 Verstrekte langlopende leningen

29 029

28 259

B6 Aandelen en overige deelnemingen

67 310

72 804

B7 Handelskredieten en transitorische posten

35 851

36 526

     

C Schulden

350 940

374 765

C1 Chartaal geld en deposito's

1 404

468

C2 Kort lopende waardepapieren

57 565

53 228

C3 Staatsobligaties

223 435

257 812

C4 Kortlopende leningen

20 071

20 294

C5 Langlopende leningen

27 179

22 603

C6 Handelskredieten en transitorische posten

21 287

20 360

D Staatsvermogen (A+B–C)

– 18 544

– 14 507

De afzonderlijke balansposten worden toegelicht in hoofdstuk 2 van de staatsbalans. Meer in het algemeen springt de aanzienlijke afname van de verstrekte kortlopende leningen en kortlopende waardepapieren in het oog. De Garantieregeling voor bancaire leningen van 200 miljard euro is niet geactiveerd op de balans. Garanties hebben het karakter van een contingent liability (voorwaardelijke verplichting) en mogen volgens ESR 95 regelgeving als zodanig niet geactiveerd worden op de balans. In bijlage 6 van het Financieel Jaarverslag van het Rijk is een overzicht van alle garantieregelingen opgenomen.

Segmentering van het vermogen

Onder segmentering van het staatsvermogen wordt verstaan in hoeverre het vermogen van de staat als het ware al een specifieke bestemming heeft gekregen in de vorm van positieve saldi van de fondsen van de rijksbegroting, zoals het Infrastructuurfonds, het Waddenfonds en het Diergezondheidsfonds. Positieve saldi van begrotingsfondsen kunnen beschouwd worden als een soort van geoormerkt staatsvermogen. Bij een negatief staatsvermogen, zoals in 2010 het geval is, geeft segmentering inzicht hoeveel negatief het niet-vastliggende staatsvermogen bedraagt. Ultimo 2010 bedroeg het saldo van de begrotingsfondsen 450 miljoen euro positief. Tabel 3 bevat een overzicht van de opbouw van dit saldo. Gegeven het negatief vermogen ultimo 2010 van 14,5 miljard euro, bedraagt het niet-vastliggend staatsvermogen 15 miljard euro negatief.

Tabel 3. Saldi van begrotingsfondsen van de rijksbegroting per 31 december 2010 per fonds (in miljoenen euro)

Naam Fonds

Saldo

Infrastructuurfonds

355

Fonds Economische Structuurversterking

0

Waddenfonds

81

BTW-Compensatiefonds

0

Gemeentefonds

0

Provinciefonds

0

Diergezondheidsfonds

14

   

Subtotaal

450

 

45 511

Spaarfonds AOW

 
   

Totaal ultimo 2010

45 961

De ontvangsten van de begrotingsfondsen met het vermogen nul worden ieder jaar gelijk gesteld aan de uitgaven van deze begrotingsfondsen. Het vastliggen van vermogen in begrotingsfondsen blijkt met een omvang van bijna 0,5 miljard euro beperkt van omvang te zijn. Daarbij is het saldo van het AOW-spaarfonds niet meegeteld, gezien het afwijkende karakter van dit saldo. Het AOW spaarfonds is het enige fonds waar alleen ontvangsten op worden geboekt en waar verder geen uitgavenmutaties in plaatsvinden.

1.3. Opstelling Staatsbalans volgens ESR 1995

De Staatsbalans wordt opgesteld volgens het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 1995). Aangezien de Staatsbalans is gebaseerd op het ESR 1995 kunnen de waarderings- en afbakeningsvraagstukken worden opgelost volgens een internationaal aanvaarde methodologie. De consolidatiekring is beperkt tot de Staat der Nederlanden. De omschrijving van de overheid is in het ESR 1995 ruimer dan de rechtspersoon van de Staat der Nederlanden; ofwel de gemeenten, provincies en overige decentrale overheden blijven buiten beschouwing. In het ESR 1995 is een economische invalshoek gekozen.

Wat betreft de waarderingsgrondslag is in het ESR 1995 gekozen voor een waardering op basis van de marktwaarde in plaats van een waardering op basis van de nominale of historische waarde en voor lineaire afschrijvingen. Waar geen marktwaarde voorhanden is wordt deze geraamd. In voorkomende gevallen wordt dit toegelicht bij de betreffende balanspost.

Consolidatiekring

De financiële gegevens van de Centrale administratie van 's Rijks schatkist (CAR) en van de ministeries, de begrotingsfondsen en de baten-lastendiensten zijn integraal geconsolideerd. De interne schuldverhoudingen zijn in de consolidatie geëlimineerd.

Toelichtingen in internetbijlage

In de gedrukte versie van het FJR is van de bijlage Staatsbalans uitsluitend het algemene deel opgenomen (paragrafen 1.1 tot en met 1.3). Het volledige document, inclusief de toelichting op de afzonderlijke balansposten, is opgenomen als internetbijlage bij het FJR.

2. Toelichting op de afzonderlijke balansposten

Zoals aangegeven is het Staatsvermogen in 2010 toegenomen van 18,5 miljard euro negatief naar 14,5 miljard euro negatief. De belangrijkste mutaties in de verschillende balansposten worden hierna afzonderlijk toelicht, onderverdeeld naar niet-financiële activa, vorderingen en schulden.

A Niet-financiële activa

A1 Winstrechten minerale reserves

Conform het ESR 1995 is de netto contante waarde berekend van de toekomstige winstrechten van de Staat, samenhangend met de gas-, olie- en zoutwinning. De waarde ervan bedraagt ultimo 2010 109 miljard euro. Ten opzichte van 2009 zijn de toekomstige winstrechten samenhangende met de gas-, olie en zoutwinning met 22 miljard euro toegenomen. Deze toename van de winstrechten van minerale reserves wordt in het onderstaande overzicht uitgesplitst. Voor de berekening van het aardgas wordt uitgegaan van een verwacht productievolume voor de komende 25 jaar (plan gasafzet loopt niet verder dan 25 jaar). In de berekening zijn de aardgasbaten exclusief vennootschapsbelasting verwerkt. Dit is in lijn met ESR 1995 om geen toekomstige belastinginkomsten op de staatsbalans te activeren. Voor de periode 2011–2016 zijn de nominale ramingen volgens de meerjarencijfers contant gemaakt tegen de lange rente op staatsobligaties. Voor de jaren 2017 en verder zijn de gasbaten contant gemaakt tegen een reële disconteringsvoet van 4%.

Tabel A1.1 Mutatie in de winstrechten uit minerale reserves in 2010

in miljoenen euro

 

stand ultimo 2009

86 600

   

Volumemutatie

 

a) aardgas verkocht 2010

– 7 658

b) nieuwe velden winbaar geworden

3 200

Prijsmutatie

 

c) herwaardering aardgas

26 758

   

winstrechten 2010

108 900

Toelichting bij de bovenstaande cijfers:

De toename van de winstrechten uit minerale reserves komt vooral door een hogere prijsraming ultimo 2010. Onder «nieuwe velden winbaar geworden» is ook een hogere productie uit het Groningenveld in 2010 en 2011 dan eerder geraamd meegerekend.

Prijsontwikkeling van de minerale reserves

Aan de raming van de minerale reserves ultimo 2010 liggen veronderstellingen voor een hogere olieprijs en lagere dollarkoers ten grondslag. De veronderstellingen voor 2011 en 2012 zijn ontleend aan het Centraal Economisch Plan (CEP) 2011 en die voor 2013 – 2015 aan de middellange termijnverkenning (MLT) van het Centraal Planbureau. De jaren daarna zijn eenvoudige extrapolaties van het jaar 2015. De olieprijzen gelden voor Brentolie, in dollars per vat. De onderstaande tabel laat deze veronderstellingen zien.

Tabel A1.2 Prijsveronderstellingen raming minerale reserves

Prijsveronderstellingen raming minerale reserves

Staatsbalans 2009

Staatsbalans 2010

Dollarkoers voor 2010

1,49

1,33

Dollarkoers voor 2011

1,45

1,34

Dollarkoers voor 2012

1,45

1,34

Dollarkoers voor 2013

1,45

1,30

Dollarkoers voor 2014

1,45

1,33

Dollarkoers voor 2015–2035

1,45

1,35

Olieprijs voor 2010

77

79,5

Olieprijs voor 2011

65

97,3

Olieprijs voor 2012

65

97,3

Olieprijs voor 2013

65

78,0

Olieprijs voor 2014

65

79,5

Olieprijs voor 2011–2033

65

81,0

Volume mutatie minerale reserves

Ultimo 2010 bedroeg het volume van de aardgasvoorraad 54 miljard kubieke meter lager dan ultimo 2009. Deze afname is de resultante van twee tegenovergestelde bewegingen. Aan de ene kant nam de voorraad af met het gasverbruik in 2010. Aan de andere kant nam de voorraad toe door toename van de winbare velden. In de post «Toename winbare voorraad» is ook de verandering van de verwachte productie uit het Groningenveld in de periode 2010–2034 opgenomen. De onderstaande tabel laat de volumeontwikkeling zien.

Tabel A1.3. Ontwikkeling gasvolume 2010
 

x miljarden kubieke meter

1) Staatsbalans ultimo 2009

1 111

   

2) Verbruik 2010

84

3) Toename winbare voorraad

30

   

4) Staatsbalans ultimo 2010 (4=1–2+3)

1 057

A2 Overige niet-financiële activa

De rijkseigendommen zijn van zeer uiteenlopende aard. Het gaat bijvoorbeeld om:

  • – goederen van culturele aard, dit zijn kunstwerken in de musea. Opgemerkt zij dat in Rijksmusea ook veel kunst hangt dat eigendom is van derde partijen en derhalve buiten de consolidatiekring van de staatsbalans valt. Zo is de Nachtwacht in het Rijksmuseum eigendom van de gemeente Amsterdam;
  • – gebouwen in bezit van de Staat. Deze gebouwen zijn te splitsen in:
    • • gebouwen in het buitenland, dit zijn de ambassades en ambtswoningen die in bezit zijn van de Staat;
    • • gebouwen die de Rijksgebouwendienst (RGD) in eigendom heeft waaronder burgerlijke rijksgebouwen. Dit zijn bijvoorbeeld de kantoorpanden van de ministeries die in rijkseigendom zijn;
    • • militaire gebouwen.
  • – militaire terreinen;
  • – landbouwgronden in eigendom van de Staat. Deze landbouwgronden zijn in bezit bij Rijksvastgoed en ontwikkelingsbedrijf (voorheen Domeinen), bij Bureau Beheer Landbouwgronden en Staatsbosbeheer.
  • – kanalen, rivierwerken, zee- en oeververbindingen, waterwegen, de Afsluitdijk, primaire waterkeringen en de Hogesnelheidslijn-Zuid;
  • – diverse vaartuigen, computers, inventaris, installaties, software (ook de roerende zaken van de baten-lastendiensten zijn hierin opgenomen).

De algemene principes van de waarderingsgrondslagen van niet-financiële activa zijn als volgt:

De grondslag voor de bepaling van de afschrijving is voor iedere groep van activa de geschatte gebruiksduur, waarbij rekening wordt gehouden met een restwaarde. De vaststelling van de gebruiksduur en de bepaling van de (rest)waarde geschieden steeds in overeenstemming met CBS-regels in overleg met deskundigen van de ministeries, waaronder deze activa ressorteren.

Op de uitgaven voor de verharding van wegen wordt in het jaar van investering 50% afgeschreven. Op gebouwen en waterbouwkundige werken bedragen de afschrijvingen 1% per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met een geschatte residuwaarde. Op gronden wordt niet afgeschreven.

De goederen zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen. In het merendeel van de gevallen is voor de benadering hiervan uitgegaan van de historische kostprijs. Deze worden door middel van indexcijfers herleid tot de vervangingswaarde. In sommige gevallen wordt om doelmatigheidsredenen een globale methode gehanteerd (kantoorinventarissen, bibliotheken, automatiseringsmiddelen, telefooncentrales, gereedschappen, e.d.).

Tabel A2.1 Mutatie in de overige niet-financiële activa in 2010
 

(in miljoenen euro)

stand ultimo 2009

78 304

   

aankopen niet- financiële activa 2010

3 282

verkopen niet- financiële activa 2010

– 287

afschrijvingen niet- financiële activa 2010

– 1 934

herwaardering niet- financiële activa 2010

2 410

   

stand ultimo 2010

81 776

De samenstelling van het bedrag 81,8 miljard euro en de mutaties van de materiële activa zijn meer specifiek in tabel A2.2. weergegeven.

Tabel A2.2. Mutatie van de materiële activa naar belangrijkste gebruikers in 2010 (in miljoenen euro)
 

waarde per 31-12-2009

Investeringen – verkopen in 2010

Afschrijvingen in 2010

herwaar dering in 2010

Waarde per 31-12-2010

Ministerie van Defensie

3 012

328

472

39

2 907

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

58 472

1 968

741

1 579

61 278

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

1 625

– 209

0

21

1 437

Ministerie van Buitenlandse Zaken

517

10

52

10

486

Baten-lastendiensten

14 138

889

656

754

15 124

– waarvan burgerlijke rijksgebouwen

11 142

571

327

759

12 145

– waarvan rijksvastgoed en ontwik.bedr.

1 384

– 31

0

– 26

1 327

– waarvan diverse baten lasten diensten

1 612

348

329

21

1 653

Diversen

540

9

13

7

543

           

Totaal

78 304

2 995

1 934

2 410

81 776

Het bedrag 81,8 miljard euro per 31 december 2010kan als volgt worden onderverdeeld naar onroerende en roerende goederen:

Tabel A2.3. Samenstelling van de materiële activa per 31 december 2010 (in miljoenen euro)

Onroerende goederen

     

79 986

– Ministerie van Infrastructuur en Milieu

   

61 255

 

– Burgerlijke rijksgebouwen

   

12 145

 

– Ministerie van Defensie

   

2 814

 

– Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf

   

1 327

 

– Landbouwgronden

   

1 437

 

– Gebouwen buitenland

   

473

 

– Baten-lastendiensten

   

536

 

Roerende goederen

     

1 790

– Goederen van culturele aard

   

324

 

– Baten-lastendiensten

   

1 117

 

– Overige

   

348

 
         

Totaal

     

81 776

B Vorderingen

B1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel B1.1 Samenstelling van de balansbedragen Chartaal geld en deposito’s

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

De Nederlandsche Bank N.V.

26

6

Overige saldi

55

334

Deposito U/G

0

0

Buy/Sellback transacties

308

0

     

Totaal

389

340

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De chartale en girale betaalmiddelen bestaan uit de saldi van De Nederlandsche Bank N.V. en de andere banken, zoals ABN AMRO, Rabobank, ING bank etc, waar bij het Ministerie van Financiën op 31 december 2010 een saldo op de rekeningen staat. Verder worden er door het Agentschap van het ministerie van Financiën ook deposito’s zoals deposito’s u/g en buy/sellback transacties afgesloten op de geldmarkt.

Toelichting op de post mutatie chartaal geld en deposito’s.

De post overige saldi is in 2010 afgenomen met 50 miljoen euro. Deze afname wordt veroorzaakt door de afname van de buy/sellback transacties per 31 december 2010.

De stand van de buy/sellback transacties was in eind 2009 0,3 miljard euro. De stand per ultimo 2010 is nihil.

Een buy en sellback transactie is een contante aankoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnverkoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt uitgezet, waarover een rentevergoeding wordt ontvangen.

De tijdelijk uitgezette gelden (deposito U/G) zijn in 2010 evenals 2009 nihil. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn ( 1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen. Ter beperking van het kredietrisico bij deposito’s wordt alleen aan kredietwaardige partijen geld uitgeleend en is het uitgeleende bedrag per partij beperkt tot een maximum dat afhankelijk is van de kredietwaardigheid van de desbetreffende partij.

Tabel B1.2 Mutatie in chartaal geld en deposito’s in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

389

   

verkopen Buy/Sellbackgelden 2010

– 308

toename kasgelden 2010

259

   

stand ultimo 2010

340

In tabel B1.2 zijn de hierboven toegelichte mutaties uitgesplitst in verkopen Buy/sellbackgelden ( ca 0,3 miljard euro) en toename van kasgelden 2010 ( 0,3 miljard euro).

B2 Langlopende effecten

De post langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen met een lange oorspronkelijke looptijd. Dit zijn effecten m.u.v. aandelen die de houder het onvoorwaardelijke recht geven op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in geld in de vorm van couponbetalingen (rente) en/of een afgesproken vast bedrag op een bepaalde datum of bepaalde data, dan wel vanaf een datum die bij de emissie is vastgelegd.

Tabel B2.1 Samenstelling van de balansbedragen langlopende effecten

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

– Alt-A Hypotheken portefeuille ING

15 546

12 761

– Mandatory convertible notes ABN AMRO (MCN)

530

0

– Leningen lopende inschrijving Curaçao

0

658

– Leningen lopende inschrijving Sint Maarten

0

121

     

Totaal

16 076

13 540

In 2009 is met ING een Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) overeengekomen. Als gevolg daarvan is de Nederlandse Staat economisch eigenaar geworden van 80% van de Alt-A portefeuille van ING. Deze post is opgenomen onder B2 lang lopende effecten. De opbouw van de balanswaarde per 31 december 2010 kan als volgt worden toegelicht2:
Tabel B2.2 Opbouw balanswaarde IABF 2010

(in miljoenen euro)

   
     

Portefeuille (nominaal)

 

16 085

–/– Buffer in de IABF transactie ( na verwerking resultaat 2010)

 

3 324

Balanswaarde Alt-A portefeuille (IABF)

 

12 761

     

Tegenover deze portefeuille staat een verplichting van de Staat aan ING, die ultimo 2010 12,8 miljard euro bedroeg. Dit bedrag is opgenomen onder C5, langlopende leningen.

Daarnaast is er voor de IABF sprake van nog te ontvangen en nog te betalen bedragen, deze posten zijn opgenomen onder B7.a en C6.a.

De mandatory convertible notes zijn in 2010 t.b.v. ABN AMRO bij seperatie geconverteerd in aandelenkapitaal en zijn opgenomen onder B6, aandelen en overige deelnemingen.

De Nederlandse Staat heeft in oktober 2010 voor 0,8 miljard aan leningen (het betreft obligatieleningen) verstrekt aan Curaçao en Sint Maarten. Deze komen voort uit de verplichting die Nederland op grond van de Rijkswet Financieel toezicht heeft, om tegen het actuele rendement op staatsleningen in te schrijven op geldleningen die de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten aantrekken (op 10 oktober 2010 is het land Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan).

Tabel B2.3 Mutatie langlopende effecten 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

16 076

   

afname lang lopende effecten 2010

– 3 315

toename leningen lopende inschrijving Curaçao en Sint Maarten

779

   

stand ultimo 2010

13 540

B3 Financiële Derivaten

Vanaf 2007 worden de financiële derivaten in de staatsbalans opgenomen. Financiële derivaten zijn beleggingsinstrumenten die hun waarde ontlenen aan een ander goed. De voornaamste financiële derivaten die de Staat in bezit heeft, zijn renteswaps. Renteswaps worden ingezet voor risicomanagement. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Daar alleen de rentedelen worden geruild, vindt er op het moment van afsluiten geen kasstroom plaats.

Tabel B3. Mutatie Financiële derivaten in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

– 216

   

mutatie Financiele derivaten 2010

2 254

   

stand ultimo 2010

2 038

Toelichting op de post mutatie financiële derivaten

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2010 uitstaande vordering uit hoofde van Financiële derivaten bedraagt 2,3 miljard euro. De renteswaps hebben per ultimo 2010 een positieve marktwaarde voor de Staat. De marktwaarde van een swap is de contante waarde van de toekomstige rentebetalingen en renteontvangsten.

B4 Verstrekte kortlopende leningen

Verstrekte kortlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar, en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt.

Tabel B4.1 Samenstelling balansbedragen kortlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

   
 

2009

2010

     

College voor Zorgverzekeringen

13 635

10 419

Uitvoering Werknemersverzekering

1 735

2 299

Diverse leningen en rc RWTS

3 685

3 358

     

Totaal

19 055

16 076

Toelichting op de post kortlopende leningen

De kortlopende leningen betreffen alle debetsaldi van de rekening- courant en de verstrekte leningen aan de Rechtpersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s) en Sociale Fondsen bij het ministerie van Financiën zoals geregeld in de Wet geïntegreerd middelenbeheer (Stb. 1997, nr. 908). Zie voor verdere uitleg bij C4.

B4.2 Mutatie van de verstrekte kortlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

19 055

   

afname leningen en negatief rekening courantsaldo 2010

– 327

afname rekening courant saldo College voor Zorgverzekeringen 2010

– 3 216

toename rekening courant saldo Uitvoering Werknemersverzekering 2010

564

   

stand ultimo 2010

16 076

Toelichting op de post mutatie verstrekte kortlopende leningen

Deze post is ten opzichte van 2009 afgenomen met € 3 miljard. Deze mutatie afname wordt voornamelijk veroorzaakt door de afname van de negatieve rekening-courantstand van het College van Zorgverzekeringen.

B5 Verstrekte langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen worden onderverdeeld in diverse vorderingen en leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen. De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar.

Tabel B5.1 Samenstelling en mutatie Verstrekte langlopende leningen

(in miljoenen euro)

2009

2010

a. Diverse vorderingen

   

– Studievoorschotten

15 375

16 924

– Lening aan Griekenland

0

1 248

– Lening ABP voor VUT fonds

500

430

– Voorschotten inzake landinrichtingprojecten

565

450

– Op derden te verhalen ruil- en herverkavelingskosten

383

376

– Vorderingen Dienst der Domeinen

694

558

– Vordering op ondernemingen aan wie risico-kapitaal verstrekt is voor de handel met ontwikkelingslanden

431

488

– Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (inzake leningen aan diverse landen)

268

261

– Ontwikkelingskredieten aan industrie en handel

211

195

– NIO begrotingslening

0

200

– Depositogarantiestelsel (DGS)

0

93

– HSA beheer N.V.

0

89

– Vordering op de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot het leninggedeelte van de ontwikkelingshulp

88

28

– Vordering op de Internationale Ontwikkelingsassociatie terzake van de special action account

13

12

– Lening Railinfrabeheer

709

114

– Diverse vorderingen

1 830

2 095

     

Subtotaal

21 067

23 561

     
     

b. Leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met

   

deelnemingen

   

– Fortis Bank Nederland

7 825

4 575

– Internationale Nederlanden Groep N.V.

118

59

– Kliq B.V.

0

45

– Centrale Organisatie voor Radioactief Afval N.V.

18

18

– NIB Capital Bank N.V.

1

1

     

Subtotaal

7 962

4 698

     

Totaal generaal

29 029

28 259

a. Toelichting op de post diverse vorderingen

Het totaal van de verstrekte langlopende leningen is in 2010 met 0,8 miljard euro toegenomen. De diverse vorderingen zijn per saldo met 2,5 miljard euro toegenomen. Deze toename wordt voor een belangrijk deel verklaard door een toename van de studievoorschotten ( 1,5 miljard euro). In het afgelopen jaar is het aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit sterk toegenomen. Daarnaast is er in 2010 met het oog op het behoud van de financiële stabiliteit in de eurozone voor Griekenland een leningenprogramma gestart. Er is in 2010 voor 1,2 miljard euro aan leningen verstrekt.

b. Toelichting op leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen

De leningen aan Nederlandse ondernemingen i.v.m. deelnemingen zijn met 3,3 miljard euro afgenomen. Deze afname wordt verklaard door de aflossing van 3,3 miljard euro van de aan Fortis verstrekte lening.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk IXB zijn de kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL opgenomen onder de extracomptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995 methodologie, die bij de Staatsbalans wordt gevolgd, zijn dit geen vorderingen maar securities in de betreffende ondernemingen. Daarom zijn deze posten onder B6 a2, securities ING, Aegon en SNS opgenomen.

B5.2 Mutatie van de verstrekte langlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

29 029

   

toename lang lopende leningen 2010

2 480

afname lang lopende leningen aan Fortis Bank Nederland

– 3 250

   

stand ultimo 2010

28 259

Toelichting op de post mutatie verstrekte langlopende leningen

Het overbruggingskrediet aan Fortis Bank Nederland is een langlopende lening van in totaal 4,6 miljard euro per ultimo 2010.

B6 Aandelen en overige deelnemingen

Deze post bestaat uit deelnemingen van de Staat in Nederlandse ondernemingen en deelnemingen in internationale instellingen. De securities van ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal NV zijn apart zichtbaar gemaakt in tabel B6.1 onder a2.

De post van in totaal 72,8 miljard euro kan als volgt worden gespecificeerd.

Tabel B6.1 Samenstelling Aandelen, securities en overige deelnemingen in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

a1. Deelnemingen in Nederlandse ondernemingen

   

– De Nederlandsche Bank N.V.

19 425

22 047

– Fortis Bank Nederland NV

4 084

4 506

– ASR Nederland NV

432

1 389

– Prorail B.V.

14 414

14 817

– RFS Holdings B.V.

4 769

7 580

– N.V. Nederlandse Gasunie

5 531

5 310

– N.V. NS Groep

4 249

2 871

– N.V. Luchthaven Schiphol

2 001

2 063

– N.V. Bank Nederlandse Gemeenten

990

1 127

– Tennet TSO B.V.

656

719

– Havenbedrijf Rotterdam

463

480

– Ultra-Centrifuge Nederland N.V.

233

365

– Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

124

133

– Nederlandse Waterschapsbank N.V.

180

180

– Energiebeheer Nederland B.V.

160

158

– Connexxion N.V.

50

55

– Overige deelnemingen

1 192

1 122

Subtotaal

58 953

64 922

     
     

a2. Securities ING, Aegon, SNS

   

– ING Bank N.V.

5 000

5 000

– Aegon N.V.

2 000

1 500

– SNS Reaal N.V.

565

565

Subtotaal

7 565

7 065

     

b. Deelnemingen in internationale instellingen

   

– Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling

184

199

– Europese Investeringsbank

369

369

– Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling

130

130

– Aziatische Ontwikkelingsbank

28

30

– Afrikaanse Ontwikkelingsbank

18

19

– Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank

11

12

– Internationale Financieringsmaatschappij

39

42

– Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties

5

6

– Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij

8

9

– European Financial Stability Facility

0

1

     

Subtotaal

792

817

     

Totaal generaal

67 310

72 804

a. Toelichting op de post deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen

De deelnemingen en securities zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde (alle bezittingen van een onderneming minus alle schulden die er zijn, dit is het eigen vermogen van een onderneming) conform het ESR 1995. De intrinsieke waarde wordt berekend aan de hand van de gepubliceerde jaarrekeningen van vorig jaar van de desbetreffende onderneming, voor de Staatsbalans 2010 is dat dus de jaarrekening 2009.

Bij de eerste opname van deze deelnemingen in de Staatsbalans wordt er gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en in het jaarverslag daarna tegen boekwaarde van het eigen vermogen. Het verschil tussen de verkrijgingprijs en de netto vermogenswaarde komt ten gunste of ten laste van het netto staatsvermogen. Bij vervreemding van deelnemingen komt het verschil tussen de balanswaarde en de opbrengst ten gunste dan wel ten laste van het netto staatsvermogen. Op de deelnemingen zijn de nog openstaande stortingsverplichtingen in mindering gebracht.

Op het moment van het opstellen van de staatsbalans zijn niet alle jaarverslagen 2010 van de Nederlandse deelnemingen gepubliceerd. Om deze reden is, evenals in voorgaande jaren, besloten om de deelnemingen te waarderen tegen de waarde ultimo 2009. Aankopen, verkopen, kapitaalinjecties die in 2010 hebben plaatsgevonden worden opgenomen tegen de contante waarde/verkrijgingsprijs. De mutaties in de waardering van de deelnemingen, die voortvloeien uit de publicaties van de jaarverslagen 2010, worden meegenomen in de staatsbalans van volgend jaar.

Het relatieve belang van de staatsdeelnemingen wordt gepubliceerd op de website van het ministerie van Financiën3.

De toename van 5,5 miljard euro in 2010 ten opzichte van 2009 van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel B6.2. Mutatie van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen in 2010

(in miljoenen euro)

   
     

Volumeveranderingen:

 

2 216

– RFS Holdings (MCN conversie 2010 tbv ABN AMRO)

2 600

 

– RFS Holdings (ABN AMRO kapitaalplan)

490

 

– RFS Holdings (tijdelijke kapitalisatie RFS, voormalig Z-share)

220

 

– Aegon N.V.

– 500

 

– Verkoop MTS Amsterdam, earn out regeling ADC

0

 

– Aegon N.V. aflossing boete

– 42

 

– Superdividend DNB 2010

– 247

 

– Superdividend Structon 2010

– 155

 

– Activering vliegveld Valkenburg 2010

– 150

 
     

Netto toename van de reserves:

 

3 278

– De Nederlandsche Bank N.V.

2 622

 

– NV NS groep

– 1 378

 

– ASR Nederland NV

957

 

– Overige

1 077

 
     

Totaal

 

5 494

Toelichting op de mutatie van deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen:

  • – In 2010 zijn t.b.v. ABN AMRO de mandatory convertible notes geconverteerd naar aandelenkapitaal van 2,6 miljard euro. De Staat heeft in 2010 het resterende deel van het ABN AMRO kapitaalplan uitgevoerd ad 490 miljoen euro, dit komt in de tabel terug onder de noemer van RFS Holdings. Ook de tijdelijke kapitalisatie van 220 miljoen euro voor de voormalige Z-share binnen RFS Holdings valt hieronder.
  • – De Staat heeft in 2008 securities in ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal N.V.gekocht. Van deze securities is in 2010 in totaal 0,5 miljard euro afgelost door de instellingen.
  • – De reserves van de deelnemingen zijn met een totaal van 2,7 miljard euro toegenomen. Een groot gedeelte van deze toename wordt verklaard door de toename (€ 2,6 mrd) van de reserve van De Nederlandsche Bank. Bij de NV NS groep is er in 2009 voor 1,4 miljard euro aan superdividend uitgekeerd aan de aandeelhouder, de Staat.
  • – In 2010 hebben de volgende verkopen plaatsgevonden: Activering vliegveld Valkenburg, superdividend Structon en verkoop MTS Amsterdam.

De kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL moeten volgens ESR 1995 methodologie onder securities worden verantwoord.

Toelichting staatsdeelnemingen in Fortis Bank Nederland NV, RFS Holdings en securities in 2010

Op 3 oktober 2008 heeft de Staat een deelneming genomen in de Nederlandse activiteiten van Fortis, inclusief ABN AMRO. Concreet verwierf de Staat een 97,8 procent-belang in Fortis Bank Nederland (FBN), een 100 procent belang in ASR Nederland NV (ASR), en een 100 procent belang in Fortis Corporate Insurance NV (FCI). Voor deze aandelen is een prijs betaald van 16,8 miljard euro. Daarnaast heeft de Staat op 24 december 2008 het door FBN aangehouden 33,8-procent-belang in RFS Holdings (RFS) (het door Fortis Bank Nederland gekochte deel van ABN AMRO) overgenomen. Dit is verrekend tegen langlopend vreemd vermogen, uitgegeven door de Staat ad 6,54 miljard euro. Zo ontstond er een »separate» staatsdeelneming, RFS Holding BV.

Conform de bestendige gedragslijn van de waardering in de Staatsbalans (en binnen de kaders van ESR 1995) worden deelnemingen gewaardeerd tegen boekwaarde eigen vermogen (BW EV). Bij het verschijnen van het Financieel Jaarverslag van het Rijk zijn nog niet alle jaarverslagen van de deelnemingen beschikbaar en daarom wordt in het FJR (over jaar t) steeds volstaan met de BW EV van een jaar eerder (ultimo t-1) voor deelnemingen in niet-beursgenoteerde organisaties. Kapitaalinjecties en aankopen in 2010 worden ook meegenomen in de waarde in het FJR 2010.

Gedurende het jaar 2010 hebben zich verschillende gebeurtenissen voorgedaan die invloed hebben op het eigen vermogen van de deelneming in RFS Holdings. Het laatste deel van het kapitaalplan in ABN AMRO was 490 miljoen euro en is in 2010 geëffectueerd. Verder is er in 2010 een tijdelijke kapitalisatie van de voormalige Z-share in RFS Holdings van 220 miljoen euro geweest. De mandatory convertible notes, 2,6 miljard euro, zijn in 2010 t.b.v. ABN AMRO bij seperatie geconverteerd in aandelenkapitaal.

In tabel 6.3 wordt inzichtelijk gemaakt hoe de aanpassing van de waardering in de praktijk uitpakt.

Tabel B6.3 – Aanpassing waardering tussen FJR 2009 en FJR 2010

(in miljoenen euro)

FJR2009

BW EV Jaarverslag 2009

+

Mutatie BW EV 2010

=

FJR2010

           

Boekwaarde Eigen Vermogen zonder pakketbenadering

– ASR

0,43

1,39

 

0

 

1,39

– FBN1

4,08

4,51

 

0

 

4,51

– RFS (N-share & staatsdeel Z-share)2

4,77

4,27

 

3,31

 

7,58

Totaal

9,29

10,17

 

3,31

 

13,48

Noot 1: FBN boekwaarde eigen vermogen gecorrigeerd voor boekwaarde eigen vermogen Fortis Preferred Investments waarin de Staat alleen zeggenschap heeft.

Noot 2: De verandering in boekwaarde eigen vermogen na balansdatum 31-12-2009 is door de volgende items tot stand gekomen: i) het laatste deel van het kapitaalplan ad € 490 miljoen groot. ii) de tijdelijke kapitalisatie van RFS ad € 220 miljoen. iii) de conversie van de mandatory convertible notes op separatie ad € 2,6 miljard.

In het FJR 2009 zijn ASR, FBN en RFS voor waarde eigen vermogen opgenomen, zijnde 9,29 miljard euro. In 2010 is de boekwaarde eigen vermogen van ASR, FBN en RFS gestegen naar 10,17 miljard euro. Verder wordt er in 2010 voor 3,31 miljard euro aan boekwaarde bijgekomen door overheidsinstrumenten (kapitaalplan ABN AMRO, tijdelijke kapitalisatie RFS Holding en conversie MCN’s) waardoor de waarde (eigen vermogen) voor het FJR 2010 voor ASR, FBN en RFS uit komt op 13,48 miljard euro.

Toelichting waardering securities ING Bank N.V., Aegon N.V.,SNS REAAL N.V.:

Met betrekking tot de kredietcrisis zijn er aan Aegon, ING, en SNS Reaal in aandelen converteerbare securities verstrekt in het kader van kapitaalinjecties door de Staat. De securities zijn op aanschafwaarde gewaardeerd, verminderd met de aflossingen die er in 2009 en 2010 hebben plaatsgevonden. Er is hier voor waardering van de securities op aanschafwaarde gekozen omdat het hier gaat om tijdelijke kapitaalverstrekkingen.

b. Toelichting op deelnemingen in internationale instellingen

De bedragen van deze deelnemingen zijn opgenomen voor de nominale waarde.

Het betreft een categorie activa in vreemde valuta, waarvan de balanswaarde wordt omgerekend naar Euro’s met behulp van de koersen van de desbetreffende valuta per balansdatum 31 december 2010.

B7 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel B7.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel B7.1 Samenstelling balansbedragen handelskredieten en transitorische posten in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

a. Overlopende activa

5 180

6 269

b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover

10 634

9 324

verplichtingen staan

   

c. Vorderingen verband houdende met vooruitbetalingen

1 210

1 227

inzake langlopende projecten

   

d. Overige vorderingen

18 827

19 706

     

Totaal

35 851

36 526

a. Overlopende activa

Tabel B7.2 Samenstelling van de overlopende activa in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Inkomsten uit aardgas NAM

696

2 128

Inkomsten uit aargas EBN

240

311

Vordering IJslandse DGS

1 403

1 380

Nog te ontvangen rente vlottende schuld/leningen

299

285

Nog te ontvangen bedragen IABF

342

344

Diverse vorderingen

2 200

1 822

     

Totaal

5 180

6 269

Toelichting op de post overlopende activa

Onder overlopende activa worden baten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke ontvangst valt in een andere verslagperiode.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk IXB is de vordering op IJslandse Deposito Garantiestelsel (DGS) onder de extra comptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995 methodologie vallen deze posten onder de overlopende transitoria, daarom zijn deze posten hier in de Staatsbalans opgenomen onder B7.a.

Tabel B7.3. Mutatie van de overlopende activa in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

5 180

   

toename inkomsten uit aardgas 2010

1 502

afname vordering IJslandse DGS 2010

– 23

afname te ontvangen bedragen vlottende schuld/leningen

– 12

afname diverse vorderingen o.a. van baten lasten diensten 2010

– 378

   

stand ultimo 2010

6 269

Toelichting bij de post mutatie overlopende activa:

  • – de inkomsten uit aardgas NAM en EBN zijn ontvangsten die nog betrekking hebben op het jaar 2010 en die pas in het jaar 2011 binnen gaan komen. De inkomsten uit aardgas (NAM) betreffen de eindafrekening over 2010. Deze is relatief hoog doordat de productie in 2010 hoger uitviel dan eerder geraamd. Zo was de productie in december door het koude weer hoger dan geraamd. Ook is de prijs in de loop van het jaar aangetrokken.
  • – de Nederlandse Staat heeft de uitkeringen uit hoofde van het IJslandse Deposito Garantie Stelsel aan depositohouders bij het Nederlandse bijkantoor van de IJslandse bank Landsbanki (Icesave) voorgefinancierd. Als gevolg hiervan is er een vordering ontstaan op het IJslandse DGS. De hoofdsom bedraagt o.b.v. het nieuwe akkoord 1329,2 miljoen euro en de rente 50,7 miljoen euro.
  • – De post te ontvangen rente betreft hoofdzakelijk nog te ontvangen rente op de vlottende schuld.
  • – In de balans 2010 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 344 miljoen euro aan nog te ontvangen bedragen opgenomen. Aan de creditzijde, onder C6.a, staat eenzelfde bedrag aan nog te betalen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.
  • – de post diverse vorderingen bestaat uit de vorderingen die de ministeries hebben op derden. Een grote post ( 0,6 miljard euro ) is hier het Ministerie van Veiligheid en Justitie met de vorderingen die voortvloeien uit de batenlastendienst Centraal Justitieel Incasso Bureau. Deze vorderingen betreffen voornamelijk de strafrechtelijke boetes, de vorderingen Mulderfeiten en de vorderingen ontnemingszaken. Verder hebben de batenlastendiensten voor 0,7 miljard euro aan vorderingen uitstaan op derden.

b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan

Het onderdeel vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan, zijn de opgenomen bedragen van langlopende contracten inzake aanschaf van duurzame activa en de uit te voeren werken. De posten B7.b en C6.b bestaan uit twee onderdelen, namelijk vorderingen van het Ministerie van Defensie (4,5 miljard euro) en vorderingen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (4,8 miljard euro).

c. Vorderingen verband houdende met vooruitbetalingen inzake langlopende projecten

De reeds gedane uitgaven inzake langlopende projecten zijn op de posten B7.b en C6.b in mindering gebracht en opgenomen onder post B7.c.

d. overige vorderingen

Tabel B7.4. Samenstelling van de overige vorderingen in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Vordering belastingdienst

17 399

18 591

Metaalwaarde munten in omloop

24

46

Centrale inning van lesgelden

119

127

Diverse vorderingen

1 285

942

     

Totaal

18 827

19 706

Toelichting bij de post overige vorderingen

Onder overige activa zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te verrekenen posten in het betalingsverkeer.

Tabel B7.5. Mutatie van de overige vorderingen in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

18 827

   

toename belastingvordering 2010

1 192

afname diverse vorderingen ministeries 2010

– 314

   

stand ultimo 2010

19 706

Toelichting bij de post mutatie overige vorderingen:

  • – de vordering op de belastingdienst zijn de belastingen die in januari 2011 zullen worden ontvangen maar volgens ESR nog moeten worden toegerekend aan december 2010. De vordering van de belastingdienst per ultimo 2010 is 1,2 miljard euro (bijna 7 procent) hoger dan per ultimo 2009. Deze toename is gelegen in de relatief hoge belastingontvangsten in januari 2011. Een groot deel van deze ontvangsten moeten volgens het ESR namelijk worden toegerekend aan 2010. Met name de omzetbelasting, de loonbelasting en de energiebelasting kennen in januari een hoge opbrengst, ten opzichte van januari 2010.
  • – de metaalwaarde van de munten in omloop is verdubbeld in 2010. Deze stijging komt door de sterk gestegen zilverprijs, zie voor verdere uitleg bij C1.
  • – de centrale inning van lesgelden is in 2010 ongeveer gelijk gebleven.
  • – de diverse vorderingen zijn de nog te ontvangen betalingen van derden door de ministeries. Deze post is in 2010 met 0,3 miljard euro afgenomen.

C Schulden

C1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel C1.1 Samenstelling van chartaal geld en deposito’s in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Munten in omloop

526

451

Sell/buybacktransacties

878

17

     

Totaal

1 404

468

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De post Chartaal geld en deposito’s is in 2010 in totaal met 936 miljoen euro afgenomen. Deze post omvat de nominale schuld uit hoofde van in circulatie gebrachte munten en de sell en buybacktransacties.

Een sell-en-buyback transactie is een verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

Bij de in circulatie gebrachte munten is het bedrag exclusief de munten in handen van De Nederlandsche Bank N.V. en de munten van de Staat in het muntdepot. Niet geconsolideerd is er voor de munten in de kassen van de ministeries. Deze maken deel uit van balanspost B1 Chartaal geld en deposito’s.

Met de toepassing van het ESR 1995 zijn de verzamelaarsmunten niet langer als schuld opgenomen. De metaalwaarde van de munten, in deze post opgenomen, is op de balans opgenomen onder B7.d.

Tabel C1.2. Mutatie van chartaal geld en deposito’s in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

1 404

   

afname munten in omloop 2010

– 75

afname sell/buybackstransacties 2010

– 861

   

stand ultimo 2010

468

Toelichting op de post mutatie chartaal geld en deposito’s

De sell/buybacktransacties zijn in 2010 met 861 miljoen euro afgenomen ten opzichte van 2009. De munten in omloop zijn in 2010 t.o.v. 2009 met 75 miljoen euro afgenomen. Dit komt omdat de muntverwerkers in 2010 voor 65,7 miljoen euro munten hebben afgestort bij de Nederlandse Bank.

C2 Kortlopende waardepapieren

Tabel C2.1. Samenstelling van de kortlopende waardepapieren in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Dutch Treasury Certificates

52 106

47 812

Commercial Paper

5 459

5 417

     

Totaal

57 565

53 228

Toelichting op de post kortlopende waardepapieren

Onder de kortlopende waardepapieren vallen de Dutch Treasury Certificates (DTC’s) en de Commercial Papers (CP’s). De totale afname van deze post betreft 4,3 miljard euro.

Tabel C2.2. Mutatie van de kortlopende waardepapieren in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

57 565

   

afname Dutch Treasury Certificates 2010

– 4 294

afname Commercial Paper 2010

– 42

   

stand ultimo 2010

53 228

Toelichting op de post mutatie kortlopende waardepapieren

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2010 uitstaande schuld uit hoofde van DTC’s bedraagt 47,8 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

DTC’s zijn kortlopend schatkistpapier dat de Staat gebruikt om een deel van de financieringsbehoefte op te vangen. De DTC’s worden vooral gebruikt om een groot negatief schatkistsaldo, dat zich over een periode van meerdere maanden voordoet, te dekken. Meestal hebben deze een looptijd van 3 tot 12 maanden. De omvang van ieder programma wordt afgestemd op de ontwikkeling van het schatkistsaldo. DTC’s worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. Dit houdt in dat ze door de Staat worden geveild tegen minder dan 100% van de hoofdsom die aan het einde van de looptijd wordt afgelost. Het verschil tussen aankoopwaarde en hoofdsom vertegenwoordigt voor de belegger het behaalde rendement. Voor de Staat is dit verschil het betaalde rendement, ofwel de kosten die worden gemaakt voor het lenen van geld.

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2010 uitstaande schuld uit hoofde van Commercial Papers (CP’s) bedraagt 5,4 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

Sinds 2007 maakt het Agentschap van het Ministerie van Financiën ook gebruik van CP’s. Dit zijn schuldbewijzen met een korte looptijd, variërend van een week tot enkele maanden, die worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. CP dient als «brug» tussen de kortlopende deposito’s en de langer lopende DTC's.

C3 Staatsobligaties

Tabel C3.1. Samenstelling van de staatsobligaties

(x € miljoen)

2009

2010

Verschil

       

1. Waardering tegen marktprijs

223 435

257 812

34 377

2. Waardering tegen nominaal

211 809

240 368

28 559

       

3. Verschil (1–2)

11 626

17 444

5 818

Toelichting op de post staatsobligaties

De staatsobligaties zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen.

De waardeverandering van 34,4 miljard euro is opgebouwd uit een volumecomponent van 28,6 miljard euro en een prijscomponent van 5,8 miljard euro. Om in 2010 te voorzien in de financieringsbehoefte van de Staat is een groter beroep op de kapitaalmarkt gedaan. Hierdoor is de omvang van de staatsobligaties gestegen met 28,6 miljard euro (volumecomponent). De prijsmutatie heeft geen gevolgen voor de EMU-schuld. De EMU-schuld luidt in ESR-categorieën, doch uitdrukkelijk is bepaald dat voor de excessieve-tekortenprocedure over de schuld in nominale termen gerapporteerd dient te worden. Voor de EMU-schuld is dus het bedrag van 240,4 miljard euro relevant.

C4 Kortlopende leningen

Tabel C4.1. Samenstelling van de kortlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Deposito O/G

3 096

3 265

Collaterals

1 062

2 356

Sell/Buyback transacties

0

17

Uitvoering Werknemersverzekeringen

9 988

6 949

Sociale Verzekeringsbank

1 860

2 472

Investeringsfaciliteit voor Oost Europa

112

99

Diverse deposito's en rc RWT's

3 953

5 136

     

Totaal

20 071

20 294

Toelichting op de post kortlopende leningen

Kortlopende leningen omvatten alle ontvangen kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar, en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt. Hieronder vallen deposito’s O/G, sell en buyback transacties, rekening courantkredieten, voorschotten en voorfinancieringen.

Tabel C4.2. Mutatie van de kortlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

20 071

   

toename sell/buybackgelden 2010

17

toename deposito 2010

169

toename collaterals 2010

1 294

afname positief rekening courantsaldo 2010

– 1 257

   

stand ultimo 2010

20 294

Toelichting op de post mutatie kortlopende leningen

De tijdelijk opgenomen gelden (deposito O/G) zijn in 2010 ten opzichte van 2009 toegenomen met € 0,2 miljard euro. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn (1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen.

De waarde van de collaterals is in 2010 ten opzichte van 2009 met 1,3 miljard euro toegenomen. Collaterals zijn onderpanden (geld) die bij het Agentschap van het ministerie van Financiën worden afgegeven als dekking voor positieve markwaarde van derivaten.

Een sell en buybacktransactie is een contante verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

De rekening-courantstanden met een credit (tegoed) saldo op de rekening courant en uitgezette deposito’s staan onder de post kortlopende leningen. De Rwt’s en sociale fondsen met een debet (tekort) saldo van de rekening-courant staan onder B4.

In 1998 is de Wet geïntegreerd middelenbeheer in werking getreden. Gevolg hiervan is dat de Sociale Verzekeringsbank, de Uitvoering Werknemersverzekeringen en het College voor zorgverzekeringen geen zelfstandig middelenbeheer meer voeren. Dit middelenbeheer, ook wel schatkistbankieren genoemd, is geïntegreerd in de schatkist door middel van een rekening-courant verhouding. Uit dien hoofde is ultimo 2010 een schuld opgenomen aan de Uitvoering Werknemersverzekeringen van per saldo circa 7miljard euro. De schuld aan de Sociale Verzekeringsbank bedraagt 2,5 miljard euro.

C5 Langlopende leningen

Tabel C5.1. Samenstelling van de langlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING

15 546

12 762

Onderhandse Floating Rate Note (FRN) lening voor Fortis

10 000

7 000

Onderhandse Staatsleningen

1 395

2 684

div. voorfinancieringen via I&M

12

6

Overige

226

151

     

Totaal

27 179

22 603

Toelichting op de post langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar en in uitzonderlijke gevallen minimaal meer dan twee jaar. Hieronder vallen de verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING (zie voor verdere uitleg over dit onderwerp bij onderdeel B2), onderhandse lening voor Fortis, onderhandse staatsleningen en diverse langlopende rekening-courantkredieten.

Tabel C5.2. Mutatie van de langlopende leningen in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

27 179

   

Aflossing Floating Rate Note 2010

– 3 000

afname Alt-A hypothekenportefeuille ING 2010

– 2 785

toename onderhandse staatsleningen 2010

1 283

afname overige langlopende leningen 2010

– 75

   

stand ultimo 2010

22 603

Toelichting op de post langlopende leningen

  • – De post Onderhandse Floating Rate Notes (FRN) is de onderhandse lening die geplaatst is bij Fortis Bank SA/NV (Brussel) om een deel van het overbruggingskrediet dat de Staat aan Fortis Bank Nederland verstrekt heeft te financieren. In 2010 is er door de Staat 3 miljard afgelost op de Floating Rate Notes.
  • – De langlopende schuld Alt-A hypothekenportefeuille ING is in 2010 met 2,8 miljard afgenomen. Zie voor een toelichting onderdeel B2.
  • – Conform ESR 1995 zijn de onderhandse staatsleningen tegen de nominale waarde gewaardeerd. De Staat heeft direct geld geleend bij geldgevers en de afspraken over deze leningen zijn onderling gemaakt. De balansmutatie in 2010 is een toename van 1,3 miljard euro. De Nederlandse Staat heeft per 10 oktober 2010 Antilliaanse schuldtitels overgenomen ten bedrage van 1,3 miljard euro. De nog resterende looptijd van de schuldtitels varieert van minder dan een jaar tot circa 20 jaar.
  • – De overige leningen op lange termijn zijn in 2010 afgenomen met 75 miljoen euro. De post diverse voorfinancieringen via I&M zijn de langlopende leningen die het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft gekregen van derden. Er is van Stichting Geluidsisolatie Schiphol 3,1 miljoen euro en van NV Luchthaven Schiphol 2,7 miljoen euro geleend. Deze leningen zijn verstrekt als voorfinanciering van de isolatiekosten Schiphol. De overige leningen zijn, van de Wet geïntegreerd middelenbeheer deelnemers, rekening-courant tegoeden die in de schatkist voor langere periode worden aangehouden.

C6 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel C6.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel C6.1. Samenstelling van de handelskredieten en de transitorische posten in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

a. Overlopende passiva

9 662

10 013

b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingen staan

10 634

9 324

c. Overige schulden

991

1 023

     

Totaal

21 287

20 360

a. Overlopende passiva

Tabel C6.2. Samenstelling van de overlopende passiva in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

Lopende interest van de staatsschuld

5 702

6 218

Commissie van de Europese Gemeenschappen

621

418

Te betalen rente vlottende schuld

110

128

Nog te betalen bedragen IABF

342

344

Diverse schulden

2 887

2 905

     

Totaal

9 662

10 013

Toelichting op de post overlopende passiva

Onder overlopende activa zijn lasten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke betaling valt in een andere verslagperiode. Toelichting bij de post overlopende passiva:

Tabel C6.3. Mutatie van de overlopende passiva in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

9 662

   

toename lopende interest van de staatsschuld 2010

516

afname rekening courant Comm. van de Eur. Gem. 2010

– 203

toename te betalen bedragen o.a. rente 2010

20

toename diverse schulden van o.a. de baten lasten diensten 2010

18

   

stand ultimo 2010

10 013

Toelichting op de post mutatie overlopende passiva

  • – Lopende interest van de staatsschuld zijn de rentekosten die al in de uitgaven van 2010 van begrotingshoofdstuk IXA zijn opgenomen maar nog in 2011 betaald moeten worden.
  • – De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft bij het ministerie van Financiën een rekening-courant waar hun tegoed bij de Nederlandse Staat wordt aangehouden.
  • – De rente die in 2011 nog betaald moet worden over het vlottende gedeelte van de schuld.
  • – In de balans 2010 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 344 miljoen euro aan nog te betalen bedragen opgenomen. Aan de debetzijde, onder B7.a staat eenzelfde bedrag aan nog te ontvangen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.
  • – Het saldo van de post diverse schulden bestaat voornamelijk uit de korte termijn schulden die de batenlasten diensten hebben bij derden.

b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingen staan

Voor een toelichting wordt verwezen naar balanspost B7.b.

c. overige schulden

Tabel C6.4. Samenstelling van de overige schulden in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

991

   

afname diverse schulden ministeries 2010

32

   

stand ultimo 2010

1 023

Toelichting op de post overige schulden

De post «overige schulden» is in 2009 in totaal 110 miljoen euro toegenomen. Onder overige passiva zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te betalen posten.

Tabel C6.5. Mutatie van de overige schulden in 2010

(in miljoenen euro)

 

stand ultimo 2009

991

   

afname diverse schulden ministeries 2010

32

   

stand ultimo 2010

1 023

Toelichting op de post mutatie overige schulden

De diverse schulden bestaan uit de ontvangsten buiten begrotingsverband van de ministeries. De kleine toename in 2010 wordt veroorzaakt door iets meer ontvangsten buiten begrotingsverband bij diverse ministeries.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Tabel C7 Niet uit de balans blijkende verplichtingen in 2010

(in miljoenen euro)

2009

2010

     

a. Militaire pensioenen

6 800

7 460

b. vakantieaanspraak ambtenaren

279

286

     

Totaal

7 079

7 746

In aansluiting op ESR 1995 zijn de posten schulden militaire pensioenen en vakantieaanspraak ambtenaren niet op de Staatsbalans opgenomen en worden ze hier afzonderlijk opgenomen. Het betreft hier de via een omslagstelsel gefinancierde militaire pensioenen. Het deel van de militaire pensioenen dat via kapitaaldekking gefinancierd maakt onderdeel uit van de balans van het ABP.

Noot 2: Een uitgebreide toelichting is gegeven in kamerstuk 2009–2010 31 371 nr 327 Tweede Kamer

Noot 3: www.minfin.nl/onderwerpen/staatsdeelnemingen