| Rijksbegroting | Overzicht | Voorbereiding | Uitvoering | Verantwoording | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2009 | |||||
5.2 Een overzicht van inkomstenbeperkende regelingen
In de belastingwetten zijn veel artikelen en/of regelingen opgenomen die de grondslag voor belastingheffing afbakenen en daardoor kunnen leiden tot een verlaging van het te betalen belastingbedrag. Een dergelijk belastingverlagend element kan afhankelijk van de aard en soort gezien worden als integraal element van de basisdefinitie – en daarmee als inkomstenbeperkende regeling binnen de primaire structuur. Er zijn talloze voorbeelden van regelingen die als nadere (inperkende) afbakening van de grondslag kunnen worden beschouwd.
Een uitputtende lijst van inkomstenbeperkende regelingen kan om deze reden niet worden opgesteld. In tabel 5.2.1 wordt daarom om pragmatische redenen een afgebakend aantal inkomstenbeperkende regelingen in beeld gebracht met een groot budgettair beslag of die lijken op belastinguitgaven. De gemaakte keuze vloeit voort uit de conclusies van de Studiegroep Begrotingsruimte hieromtrent. Bij de budgettaire derving is uitgegaan van de geraamde inkomstenderving in 2009.
De algemene heffingskorting is vanwege het algemene karakter zonder meer onderdeel van de primaire structuur en daarmee te kenschetsen als inkomstenbeperkende regeling met een groot budgettair beslag. Bij de arbeidskorting is sprake van een gedeeltelijk grijs gebied. De arbeidskorting biedt compensatie voor te maken kosten, verwervingskosten, en behoort op basis daarvan tot de primaire structuur. Maar de arbeidskorting kent inmiddels ook prikkels tot een verhoogde arbeidsparticipatie, waardoor het ook deels als belastinguitgave gekwalificeerd zou kunnen worden. Bij de combinatiekortingen geldt een vergelijkbare redenering.
De eigen woning wordt in de inkomstenbelasting gezien als inkomstenbron die draagkracht genereert en wordt als primair inkomen belast via het eigenwoningforfait. De belasting van de eigen woning behoort daarmee tot de primaire heffingsstructuur. Dit betekent dat kosten ter verwerving van deze primaire inkomstenbron aftrekbaar zijn en geen belastinguitgaven zijn. Het opgenomen bedrag is het saldo van de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait.
De aftrekbaarheid van pensioenpremies, die samenhangt met de omkeerregeling geldt als onderdeel van de primaire structuur uitgaande van de opvatting dat een pensioenvoorziening alleen toekomstig inkomen verschaft. Het opgenomen bedrag is het totaal van de belastingderving in box 1 en in box 3. De aftrek (c.q. het niet belasten) van premies kost bijna € 17 mld. Pensioenuitkeringen leiden tot ca. € 10,5 mld belastingopbrengsten. Daarmee komt de belastingderving in box 1 op € 6,4 mld. Daarnaast is er een derving in box 3, doordat vermogens gevormd uit pensioenpremies niet belast zijn in box 3. De derving in box 3 bedraagt ca. € 4,3 mld.
| Tabel 5.2.1 Overzicht inkomstenbeperkende regelingen in 2009 budgettair belang (x € miljard) | |
| 2009 | |
| Algemene heffingskorting | 23,2 |
| Arbeidskorting | 9,7 |
| Combinatiekorting | 0,8 |
| Eigen woning | 10,2 |
| Pensioenen | 10,7 |
| Totaal | 54,6 |
