| Rijksbegroting | Overzicht | Voorbereiding | Uitvoering | Verantwoording | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2009 | |||||
2.2 Conjunctuur: vertrouwen en evenwicht hervinden
Nederland verweven in de wereldeconomie
De Nederlandse economie is met talloze draden verbonden met de wereldeconomie. Nederlandse bedrijven halen een groot deel van hun omzet in het buitenland, Nederlandse consumenten kopen in China geproduceerde producten, Nederlandse financiële instellingen beleggen op internationale financiële markten, de Rotterdamse haven is als internationaal knooppunt afhankelijk van de groei van de wereldhandel en de tank van Nederlandse auto’s wordt gevuld met in het Midden-Oosten geproduceerde en op internationale markten verhandelde brandstoffen. Als gevolg van deze ontwikkelingen veert Nederland mee met de internationale conjunctuur en met prijsbewegingen op internationale grondstoffenmarkten. Deze schommelingen verstandig opvangen is de belangrijkste uitdaging voor het nationale economische beleid op korte termijn. Daarnaast werkt het kabinet langs de lijnen van het Coalitieakkoord door aan het structurele groei- en aanpassingsvermogen van de economie.
Het conjuncturele beeld
Nederlandse economie koelt af
Door de doorwerking van de globale financiële crisis en gestegen prijzen op wereldwijde grondstoffenmarkten koelt de Nederlandse economie in 2008 en 2009 sterk af. Voor dit jaar wordt weliswaar nog een economische groei van 2¼ procent geraamd, maar een groot deel hiervan komt voor rekening van de groeispurt in de tweede helft van vorig jaar. De groei voor 2009 wordt geraamd op 1¼ procent.3 Dat investeerders en consumenten minder optimistisch worden, blijkt uit dalende aandelenkoersen en de val van het consumentenvertrouwen. De AEX-index is van begin juli tot eind augustus met een kwart gedaald en het consumentenvertrouwen staat op het laagste peil sinds 2005.
Een dubbele uitdaging
De jongste CPB-ramingen tonen deels het «klassieke» conjuncturele patroon in Nederland. De bron van conjuncturele neergang ligt doorgaans in het afkoelen van de wereldeconomie en een afname van de wereldhandel. Deze ontwikkelingen leiden tot een lagere economische groei in Nederland en afnemende belasting- en premieopbrengsten. Door de relatief lange remweg van de lonen verslechtert op korte termijn de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van andere landen. Op langere termijn neemt de werkloosheid toe, wat zich vertaalt in lagere lonen, lagere inflatie en een herstel van de concurrentiepositie. De huidige omslag wijkt af van het bovengeschetste klassieke patroon. Dit komt door de combinatie van onrust op financiële markten en – naar algemeen wordt aangenomen – structureel gestegen prijzen van olie en andere grondstoffen. Hierdoor gaat een teruggaande economische groei hand in hand met een oplopende inflatie.
Box 2.1 Stagflatie?
In de jaren zeventig droegen twee oliecrises (1973 en 1979) bij aan een lange periode met hoge inflatie en een sterk terugvallende, en in sommige jaren zelfs stagnerende, economische groei (zie figuur). Voor de beschrijving van die periode wordt vaak de term «stagflatie» gebruikt. Daarvan is op dit moment geen sprake. De inflatie lag destijds veel hoger dan wat nu wordt geraamd voor 2009, terwijl de olieprijzen inmiddels alweer over hun hoogtepunt heen zijn. Ook was er al vóór de eerste oliecrisis in 1973 sprake van een loon-prijsspiraal, die in de hand werd gewerkt doordat de lonen toen nog automatisch werden aangepast aan de inflatie. Ten slotte was de industriële economie van toen veel sterker afhankelijk van olie dan de diensteneconomie van nu. De huidige situatie van gestegen olieprijzen en krapte op de arbeidsmarkt brengt echter wel risico’s met zich mee voor de toekomst. Dit onderstreept het belang van de kabinetsambitie om de participatie substantieel te verhogen en zo te voorkomen dat personeelstekorten structureel worden en voeding kunnen bieden aan een loon-prijsspiraal.

Bron grafiek: CPB, Macro Economische Verkenning, Internetbijlage 2
Gunstige uitgangspositie
Nederland kan deze dubbele uitdaging tegemoet treden vanuit een gunstige startpositie. Veel moeilijker is het om deze positie te behouden en versterken. De werkloosheid is laag, de begroting toont een overschot en de financiële sector staat er beter voor dan in veel andere landen. Dat betekent dat Nederland de gevolgen van een vertraging van de economische groei goed op kan vangen. Dit vereist natuurlijk wel dat op een verstandige en beheerste manier wordt omgegaan met de ontwikkeling van de lonen en het budgettaire beleid.
Verantwoorde loonontwikkeling
De combinatie van een haperende economie en stijgende grondstoffenprijzen maakt een verantwoorde loonontwikkeling eens te meer belangrijk. Werknemers worden geconfronteerd met hogere inflatie en een beperktere koopkracht in een nog altijd krappe arbeidsmarkt. Gewoonlijk betekent een hogere inflatie dat binnenlandse producenten een hogere prijs kunnen vragen voor hun producten. Hierdoor kunnen ze meer winst maken en is er dus ruimte voor loonsverhogingen. Nu is dat niet het geval: de baten van de hogere olieprijzen vloeien naar buitenlandse grondstoffenexporteurs, zoals Rusland en het Midden-Oosten. Nederlandse ondernemingen rekenen de duurdere grondstoffen door aan de consument, maar hierdoor ontstaat geen extra winst en dus ook geen extra loonruimte.
Voorkomen van loon-prijsspiraal
Als de hogere grondstoffenprijzen zich vertalen in hogere lonen betekent dat een begin van een loon-prijsspiraal: bedrijven zullen de hogere loonkosten vertalen in hogere prijzen, die werknemers vervolgens aangrijpen voor sterkere looneisen. Een verantwoorde loonontwikkeling betekent dus dat werkgevers en werknemers er rekening mee houden dat Nederland door de duurdere grondstoffen armer wordt. In de afgelopen jaren heeft Nederland, in een periode van krapte op de arbeidsmarkt, een verantwoorde en afgewogen loonontwikkeling gekend. Dat schept vertrouwen voor de toekomst. De uitdaging is deze lijn vast te houden in een periode van gestegen olieprijzen, een afkoelende economie en een nog altijd krappe arbeidsmarkt. Het kabinet is bereid hieraan zijn bijdrage leveren door, in de context van het overleg met de sociale partners, de WW-premies voor werknemers te verlagen
Europees monetair beleid
Brede inflatie door hoogconjunctuur vraagt om een andere reactie dan specifieke inflatie door stijgende grondstoffenprijzen. Brede inflatie door hoogconjunctuur kan worden bestreden door een restrictief monetair en budgettair beleid (automatische stabilisatoren). Hierdoor wordt het probleem van de inflatie, namelijk een hoge vraag ten opzichte van het structurele aanbod, bij de wortel aangepakt. Stijgende prijzen van grondstoffen kunnen echter moeilijker gericht worden beteugeld door restrictief monetair en budgettair beleid. Als aanhoudend hogere grondstoffenprijzen leiden tot ontankering van de inflatieverwachtingen en onverantwoord grote loonstijgingen, dan is er uiteraard wel restrictief monetair beleid nodig om de inflatie te beteugelen.
Hogere olieprijzen betekenen dat koopkracht wordt overgeheveld van landen die olie importeren naar landen die olie exporteren. Dit leidt in olie importerende landen tot een afname van de binnenlandse bestedingen en heeft een neerwaarts effect op de economische groei. Dit gebeurt nu in een periode waarin de groei al onder druk staat als gevolg van de kredietcrisis. De combinatie van groeivertraging en stijgende grondstoffenprijzen vormt een bijzondere uitdaging voor het onafhankelijke monetaire beleid in Europa en de wereld. Een sterk restrictief monetair beleid om een door grondstoffen tijdelijk hogere inflatie te beteugelen kan ertoe leiden dat de economische groei onnodig verder onder druk komt te staan. Als centrale banken echter te lang wachten met renteverhogingen blijft de inflatie te lang hoog. Hierdoor kan de inflatieverwachting toenemen, met een loon-prijsspiraal als gevolg. In dat geval kost het uiteindelijk veel meer economische groei om de inflatie via renteverhogingen weer in toom te krijgen.
Stabiel budgettair beleid
De combinatie van een afnemende groei en hogere olieprijzen heeft evengoed gevolgen voor de overheidsfinanciën. Lagere economische groei betekent minder belasting- en premie-inkomsten voor de overheid en daarmee een lager EMU-saldo. Hogere prijzen voor olie leiden juist tot hogere aardgasprijzen en, afhankelijk van het verbruik van aardgas, tot een positiever EMU-saldo. Nederland kent het internationaal veel geprezen systeem van het trendmatig begrotingsbeleid. Dat betekent dat het budgettaire beleid in principe niet wordt aangepast op basis van het conjuncturele verloop of de ontwikkeling van aardgasinkomsten. De belasting- en premie-inkomsten en het EMU-saldo veren automatisch mee met het getij van de conjunctuur. Economisch gezien betekent dit dat een afkoelende economie niet verder belast wordt door bezuinigingen op overheidsuitgaven of belastingtarieven die hoger zijn dan voorzien. Het EMU-saldo veert ook automatisch mee met de hoogte van de aardgasbaten. Dat betekent dat tijdelijk hogere aardgasbaten – onze aardgasvoorraden raken immers ooit uitgeput– niet worden aangewend voor hogere uitgaven. Door het begrotingsbeleid te ontkoppelen van fluctuaties in de conjunctuur en de aardgasbaten wordt bestuurlijke rust gecreëerd. Hierdoor kan de focus blijven liggen op het structureel versterken van de Nederlandse economie en maatschappij. Het kabinet acht het wel van belang te voorkomen dat de loonontwikkeling bijdraagt aan een verdere opwaartse druk op de toch al hoge inflatie.
Oog houden op lange termijn
Nederland is als open handelseconomie sterk verweven met de wereldeconomie. De hoge prijzen voor olie en andere grondstoffen en de doorwerking van de internationale kredietcrisis laten ook Nederland niet onberoerd. Internationaal vergeleken beschikt Nederland over een gunstige uitgangspositie om een periode van zwakkere conjunctuur goed te doorstaan. De werkloosheid is laag, de financiële sector staat er relatief goed voor en de overheidsfinanciën zijn op orde. Een verantwoorde loonontwikkeling en het voeren van een verantwoord begrotingsbeleid stellen Nederland in staat het oog gericht te houden op de lange termijn en bestendig door te werken aan het structureel versterken van economie en maatschappij langs de lijnen van het Coalitieakkoord. Dit gebeurt onder andere door het verhogen van de participatie op de arbeidsmarkt, het terugdringen van administratieve lasten en regeldruk, het werken aan een aantrekkelijk ondernemingsklimaat, het versterken van de financiële houdbaarheid en investeringen in zorg, infrastructuur, kennis en onderwijs. Hoofdstuk drie gaat in op de voortgang die geboekt is op deze agenda.
3 CPB, 2008, Macro Economische Verkenningen 2009.
