Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) en Waddenfonds 2008

31200 XI 108 Verslag van een schriftelijk overleg

Vergaderjaar 2007-2008

Nr. 108 Vastgesteld 24 april 2008

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 bestond er bij de fractie van de PVV behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over haar brief van 4 februari 2008 inzake gezondheidsrisico’s van geïmpregneerde speeltoestellen (Kamerstuk 31 200 XI, nr. 88).

De op 11 maart 2008 toegezonden vragen zijn met de door de minister bij brief van 23 april 2008 toegezonden antwoorden, voorzien van een inleiding, hieronder afgedrukt.


De voorzitter van de commissie,
Smeets

De griffier van de commissie,
Teunissen

Inleiding

Bij brief van 11 maart 2008 zond de griffier van de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mij naar aanleiding van een schriftelijk overleg over het hierboven vermelde onderwerp ter beantwoording enige vragen van de leden van de PVV-fractie. Voordat ik op die vragen inga, merk ik op dat de in de vragen aangehaalde documenten niet meer van belang zijn in verband met allerlei Europese ontwikkelingen met betrekking tot de regelgeving voor middelen voor het verduurzamen van hout en verduurzaamd hout. Van die ontwikkelingen is de Kamer hetzij bij brief hetzij in algemene overleggen of door middel van het beantwoorden van Kamervragen op de hoogte gebracht.

Vragen en opmerkingen vanuit de PVV-fractie

1

Heeft het betreffende aangeboden geïmpregneerde kinderpicknicksetje een plek gekregen in de in het Kamergebouw gevestigde kindercrèche? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom wel?


Het is niet aan mij om na te gaan of het bewuste speeltoestel al dan niet in de in het gebouw van de Tweede Kamer gevestigde kindercrèche is geplaatst. Ik ben niet verantwoordelijk voor aanschaf en plaatsing van materiaal voor bedoelde crèche.

2

In uw kabinetsreactie schrijft u dat de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) de invoer, de handel en het gebruik van met CCA-behandeld hout voor toepassingen waarbij gevaar van herhaald huidcontact bestaat verboden is sinds 9 juni 2004. Tevens blijkt uit onderzoek in 2004 van de VROM-inspectie dat wanneer kinderen met geïmpregneerde speeltoestellen van CCA-hout spelen dermate bloot worden gesteld (via huidcontact met afveegbaar residu op de speeltoestellen, met verontreinigde grond onder de speeltoestellen, via orale blootstelling via ingestie van bodemdeeltjes en door het aflikken van de handen) dat het de maximaal toelaatbare Risiconiveau (MTR) waarde van chroom VI ver te boven gaat2. U schrijft verder in uw kabinetsreactie dat genoemd Besluit op 16 november 2007 zodanig gewijzigd is dat met arseenverbindingen behandeld hout mag worden gebruikt tot het einde van zijn levensduur maar dat alle toepassingen van wolmanzouten in speeltoestellen na 9 juni 2004 niet meer zijn toegestaan. Is er reeds gestart met het verwijderen van al die speeltoestellen van CCA-hout? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe vordert dat? Hoeveel speeltoestellen van CCA-hout zijn er landelijk gezien op dit moment nog in gebruik?


Het Besluit met arseenverbindingen behandeld hout Wms, dat strekt tot strikte implementatie van de Europese Arseenrichtlijn, eist niet dat alle bestaande toepassingen van met CCA-behandeld hout moeten worden verwijderd. In tegendeel zelfs, de op het moment van inwerkingtreding van dat besluit bestaande toepassingen mogen tot het einde van hun levensduur worden gehandhaafd. Vanaf de inwerkingtreding van dat besluit mogen geen nieuwe van CCA-hout vervaardigde speeltoestellen meer op de markt worden gebracht, verhandeld en in gebruik worden genomen. Er vindt dan ook geen verwijdering plaats van speeltoestellen die van CCA-hout vervaardigd zijn, tenzij men dat op vrijwillige basis doet.

3

Klopt het dat het betreffende spiksplinternieuwe geïmpregneerde kinderpicknicksetje dat is aangeboden niet vervaardigd is van CCA-hout maar van CC-hout? Klopt het dat in CC-hout het chroom VI gehalte hoger is dan in CCA-hout omdat het geen arseen bevat en dat in het genoemde onderzoek van de VROM-inspectie nu juist de aanwezigheid van Chroom VI een verhoogd risico op carcinogene effecten, zowel bij volwassenen als kinderen kent? Zou het niet beter zijn CC-hout eveneens te verbieden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen?


Ook het risico van het gebruik van CC-hout is getoetst door het Ctgb in de toelatingsbeoordeling. Ik verwijs in dit verband verder naar mijn brief van 4 februari 2008 (TK 31 200 XI, nr 88).

Overigens wijs ik er op dat toenmalig Minister Pronk naar aanleiding van door het CTB genomen besluiten tot beëindiging van de toelatingen voor koperverbindingen voor het behandelen van hout, een ontwerpbesluit waarin verbodsregels waren opgenomen voor het invoeren, verhandelen, aan een ander ter beschikking stellen en het gebruiken van met koperverbindingen behandeld hout, in procedure heeft gebracht. Dat ontwerpbesluit voorzag niet alleen in een verbod voor CCA-hout, maar ook in een verbod voor CC-hout. Dat ontwerpbesluit is in het kader van de notificatie bij de Europese Commissie, mede in verband met de totstandbrenging van de Europese Arseenrichtlijn, op bezwaren gestoten. Bovendien is als gevolg van een juridische procedure bij het Hof van Justitie naar aanleiding van de CTB-besluiten de afronding van de notificatie aangehouden.

4

Klopt het tevens dat betreffend CC-hout naast chroom VI grote hoeveelheden onbekende zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen (waaronder kankerverwekkende stoffen) bevat, waarvan niemand weet om welke stoffen het gaat? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is uw reactie op het bijmengen van onbekende zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen? Bent u bereid om onderzoek te doen naar het bijmengen van deze onbekende stoffen? Zou het om deze reden niet beter zijn al het geïmpregneerde hout voor kinderspeeltoestellen te verbieden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen?


De samenstelling van de middelen is bekend bij het CTGB en de toelatingsbeoordeling dekt de risico’s van het gehele middel.

De VROM-Inspectie is reeds belast met het toezicht op een correcte toepassing van houtverduurzamingsmiddelen.

Wat een algemeen verbod voor het gebruik van geïmpregneerd hout voor kinderspeeltoestellen betreft, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. In het verlengde daarvan merk ik nog op dat momenteel wordt nagegaan of en in hoeverre ten aanzien van CCA-hout een verzoek om goedkeuring als bedoeld in artikel 95, lid 5, EG-Verdrag bij de Europese Commissie zal worden gedaan voor een algeheel verbod van dat hout. Een dergelijk verzoek moet onder meer zijn voorzien van een wetenschappelijke risicoanalyse in relatie tot specifieke omstandigheden die zich in ons land voordoen. Verder zal de notificatie van het ontwerpbesluit met koperverbindingen verduurzaamd hout worden teruggenomen teneinde dat ontwerpbesluit, maar dan beperkt tot met koper en koper-chroomverbindingen behandeld hout opnieuw ter notificatie aan de Europese Commissie voor te leggen.

5

Klopt het dat in het Kamergebouw gevestigde crèche de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is? Klopt het dat voorafgaande aan het gebruik van het aangeboden geïmpregneerde kinderpicknicksetje van CC-hout op scholen of crèches vanuit de Arbeidsomstandighedenwet wettelijk een risico-inventarisatie en -evaluatie moet zijn uitgevoerd naar de risico’s van de gebruikte chemische stoffen door een erkende Arbodeskundige? Een dergelijk wettelijk verplichte risico-inventarisatie en-evaluatie van een hogere veiligheidskundige is bij de petitie gevoegd, wat is uw inhoudelijke reactie op die evaluatie?


De Arbeidsomstandighedenwet bepaalt dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. Indien de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is, vallen risico’s van chemische stoffen bijvoorbeeld in crèches onder deze zorgplicht van de werkgever, die daartoe onder meer een risico-inventarisatie en -evaluatie opstelt.

Ik beschik niet over informatie over specifieke crèches. Ik kan dan ook de toepasselijkheid van de bij de genoemde petitie overgelegde risico-inventarisatie en -evaluatie op een bepaalde crèche niet inhoudelijk beoordelen. Verder verwijs ik naar miijn brief van 4 februari 2008 (TK 2007–2008, 31 200 XI, nr. 88) over de mogelijke gevaren van met wolmanzout geïmpregneerde speeltoestellen voor kinderen.

6

Bent u bekend met het Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986–1990 waarin arseen als een zwarte-lijststof voor water, bodem en lucht en chroom VI als een zwarte lijststof voor lucht staat opgenomen en dat in het milieu brengen ervan vanwege hun milieuschadelijke eigenschappen veelal in internationaal verband via een maximale brongerichte aanpak met de best bestaande techniek (niet via hout dumpen dus) al vanaf 1986 had moet worden voorkomen3 ? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat dit in 2008 kennelijk nog steeds niet adequaat gebeurt onder meer doordat het voornoemde Besluit op 16 november 2007 werd gewijzigd waardoor met arseenverbindingen behandeld hout mag worden gebruikt tot het einde van zijn levensduur?


Ja, met genoemd programma ben ik bekend. Ik wijs erop dat, zoals terecht wordt aangehaald dat daarbij is gesteld dat de milieuschadelijke eigenschappen van dat hout in internationaal verband via een maximale brongerichte aanpak met de best bestaande techniek moeten worden voorkomen. In de Europese Arseenrichtlijn is met het oog daarop bepaald dat hout alleen in industriële installaties met arseenverbindingen mag worden behandeld door middel van vacuüm- of druktechnologie en dat het behandelde hout moet worden aangemerkt als gevaarlijk afval dat bij verwijdering moet worden afgevoerd naar een erkende verwijderaar. In Nederland mag CCA hout alleen gestort worden. Verwerking in de vorm van producthergebruik, materiaalhergebruik en andere vormen van nuttige toepassing of verwijderen door verbranden is niet toegestaan.

7

Bent u bekend met de brief d.d. 17 juli 1996 van houtimpregneerbedrijf Carl Tissen Import Export B.V. aan de Vaste Kamercommissie VROM over CCA-hout waarin betreffend bedrijf de minister persoonlijk op de hoogte bracht van het feit dat dit bedrijf met het product «gewolmaniseerd hout» jaarlijks ongeveer 16 000 kg arseenzuur en 19 000 kg chroomtrioxide (chroom VI) diffuus in de compartimenten water, bodem en lucht van ons leefmilieu brengt4,  5 ? Zo neen, waarom niet?


Ja, ik ben met die brief bekend. In de betreffende brief maakt de directeur van het bedrijf kenbaar dat hij de wet willens en wetens overtreedt en dat hij de Regionaal Inspecteur daar verantwoordelijk voor stelt. Dat is volledig onterecht. In zijn brief (zie vraag 8) geeft de Regionaal Inspecteur namelijk aan dat niet VROM het bevoegd gezag is, maar de gemeente. De Regionaal Inspecteur heeft het bedrijfsmilieuplan dan ook ter beoordeling doorgestuurd aan de gemeente.

Afgezien daarvan is de directeur van een bedrijf altijd zelf verantwoordelijk voor het zorgvuldig werken (zorgplicht op grond van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming) en voor het uitsluitend gebruiken van toegelaten middelen. Die eigen verantwoordelijkheid ligt altijd bij het bedrijf, ongeacht of een Regionaal Inspecteur of een Gemeente zijn bedrijfsmilieuplan invult. In de periode 1989–2002 is het bedrijf en zijn rechtsopvolger 8 maal door de gemeente, de brandweer en de milieudienst gecontroleerd. In die periode zijn er geen overtredingen geconstateerd die handhavend ingrijpen noodzakelijk maken. De kleine overtredingen zijn altijd direct opgelost.

Ook de toenmalige Inspectie van de Volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu voor Noord-Brabant heeft het bedrijf regelmatig gecontroleerd in het kader van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Ook daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd die tot handhavend optreden hebben geleid.

8

Bent u bekend met de brief d.d. 21 februari 1995 van de Regionaal Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne voor Noord-Brabant, die namens de minister van VROM heeft geantwoord dat impregneerbedrijf Carl Tissen Import Export B.V. volledig aansprakelijk is voor alle schade gedurende de gebruiks- en afvalfase als gevolg van het door dit bedrijf geproduceerde geïmpregneerde hout en dat niet het CTB maar B&W van de Gemeente Luyksgestel (heden: Bergeyk) aan impregneerbedrijf Carl Tissen Import en Export B.V. de milieuvergunning hebben verleend voor het fabriceren van gewolmaniseerd hout6 ? Zo ja, wie moeten deze enorme milieu- en gezondheidsschade betalen? Wie is er verantwoordelijk als mensen als gevolg van deze stoffen ziek worden?


Ja, ik ben bekend met die brief. In die brief geeft de Regionaal Inspecteur aan dat de gemeente bevoegd gezag is voor de Wet milieubeheer-vergunning van het bedrijf. Door de gemeente is een vergunning verleend voor het impregneren van hout met wolmanzouten. In de vergunning is aangegeven welke middelen het bedrijf mag toepassen. In die vergunning wordt verder aangegeven wat er moet gebeuren met het productieafval.

9

Wordt CCA-hout in Nederland thans nog steeds vervaardigd, ingevoerd, uitgevoerd, gebruikt dan wel toegepast? Zo ja, waarom? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, hoe controleert u dat?


Ik verwijs naar mijn antwoord op vragen van het lid van uw kamer Van Velzen (SP) (Kamerstukken II, 2006–2007 Aanhangsel van de Handelingen, 1469).

10

Bent u bekend met de brief van 21 juni 1993 van criminoloog prof. dr. F. Bovenkerk aan de hoofdofficier van justitie mr. C.R.L.R.M. Ficq van het arrondissementsparket ’s-Hertogenbosch waarin hij tot de conclusie komt dat met het impregneren van hout sprake is van collusie «Poisoning for Profit» waarbij de belangen van de overheid en het bedrijfsleven (houtimpregneerbranche) parallel lopen en dat een werkelijke uitweg pas in zicht komt wanneer de kwestie serieus wordt onderzocht en dat ter wille van de bestrijding van collusie het verzoek is gedaan dat er (in 1993) met een onderzoek wordt begonnen7 ? Deelt u de mening dat een dergelijk onderzoek moet worden gedaan? Zo ja, per wanneer kunnen we de uitkomsten van dat onderzoek verwachten? Zo neen, waarom niet?


Ja, die brief is mij bekend. Sedert 1993 hebben de nodige onderzoekingen plaatsgehad naar de mogelijke gevolgen van met koperverbindingen behandeld hout. Onderzoekingen van het RIVM en het CTB hebben uiteindelijk geleid tot de beëindiging door het CTB van de toelatingen voor koperverbindingen voor het behandelen van hout. Daarbij is uitgegaan van de criteria van de Europese Biocidenrichtlijn die in ons land in eerste instantie was omgezet in de Regeling milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Naar aanleiding van die beëindiging heeft toenmalig Minister Pronk het ontwerpbesluit met koperverbindingen verduurzaamd hout Wms in procedure gebracht. Dat besluit was nodig om te voorkomen dat met koperverbindingen verduurzaamd hout via een ander land weer in ons land zou kunnen worden ingevoerd. CTB-besluiten hebben namelijk geen effect op de invoer van met koperverbindingen verduurzaamd hout. Zie verder het antwoord op vraag 3.

11

Klopt het dat wanneer er vandaag nog wordt gestopt met het vervaardigen, gebruiken, verhandelen dan wel toepassen van CCA-hout en CC-hout, er grote hoeveelheden van deze uiterst giftige en kankerverwekkende stoffen waaronder chroom VI en arseen via water, bodem en lucht in ons milieu terecht zijn gekomen waarvan het, vanwege hun milieuschadelijke eigenschappen, al vanaf 1986 via een maximale brongerichte aanpak met de best bestaande techniek (niet via hout dumpen dus) had moeten worden voorkomen? Is de schade als gevolg hiervan wel te overzien? Zo ja, hoe weet u dat? Is er verder onderzoek nodig om risico’s voor de volksgezondheid te kunnen inschatten dan wel met een plan van aanpak te komen deze schade te beperken? Zo neen, waarom niet?


Zie het antwoord op vraag 3 en 4.


Nb. Genoemde bronnen zijn opvraagbaar bij PVV-fractie.

1  Samenstelling:Leden: Van der Vlies (SGP), Halsema (GL), Kant (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Smeets (PvdA), voorzitter, Van Miltenburg (VVD), Schippers (VVD), Omtzigt (CDA), Ko┼čer Kaya (D66), Willemse-van der Ploeg (CDA), Van der Veen (PvdA), Schermers (CDA), Van Gerven (SP), Wolbert (PvdA), Heerts (PvdA), Zijlstra (VVD), Ouwehand (PvdD), Agema (PVV), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) en Vacature (algemeen).Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Vendrik (GL), Van Velzen (SP), Neppérus (VVD), Vietsch (CDA), Uitslag (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Verdonk (Verdonk), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Atsma (CDA), Van der Ham (D66), Çörüz (CDA), Gill’ard (PvdA), Smilde (CDA), Langkamp (SP), Vermeij (PvdA), Arib (PvdA), Kamp (VVD), Thieme (PvdD), Bosma (PVV), Luijben (SP), Hamer (PvdA), Ortega-Martijn (CU) en De Wit (SP).

2  RIVM rapport 609021030/2004, pag. 182–183.

3  Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986–1990, Tweede Kamer der Staten-Generaal no. 19 204, nrs. 1–2, pag. 1, 52, 53 en 55.

4  Carl Tissen Import Export B.V., brief d.d. 17 juli 1996.

5  Vaste Kamercommissie VROM, brief d.d. 9 september 1996 (VROM-96-629).

6  Regionaal Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne voor Noord-Brabant, brief d.d. 21 februari 1995 (170295007/GM/MdB).

7  Prof. dr. F. Bovenkerk, criminoloog, brief van 21 juni 1993 (A-22–89 FB/am).